Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Pass Labs INT-30A

Thursday, December 16th, 2010

Pass Labs INT-30A

De CV van meneer Pass mag indrukwekkend genoemd worden. In een van de vorige nummers lazen we een interessant artikel over deze pionier van de audiowereld. Zijn ontwerpen en patenten vormen zonder enige twijfel sterke geloofsbrieven en door de samenwerking met o.a. Treshold, Adcom en Mobile Fidelity, kon deze moderne aartsvader der techniek uiteindelijk zijn eigen producten ontwikkelen. Deze keer voelen we de Pass Labs INT-30A aan de tand, een geïntrigeerde 30 watt klasse-A versterker; de kleinste en meest recente uit de Pass familie.

In 1991 kwam Nelson Pass met zijn moedermodel, de Pass Aleph 0; een single-ended transistor ontwerp in klasse-A schakeling. Hiervan zijn uiteindelijk de X modellen afgeleid. Er zijn sindsdien nogal wat modellen verschenen van Pass’ hand, maar de rode draad is toch wel het simplisme in zijn ontwerpen. Minder kan inderdaad meer zijn: hoe minder versterkingstrappen, hoe minder het signaal wordt bezoedeld. Daaruit volgt weer, dat er niet of nauwelijks gecorrigeerd moet worden met feedback en de nodige gain om de feedback weer te compenseren. Deze simplistische aanpak is uiteraard ook toegepast bij Pass’ nieuweling.

Introductie

Bij de INT-30A heeft Pass Labs de bejubelde XA30.5 eindversterker onder één dak

samengebracht met de XP10 voorversterker. Een opvallende ontwikkeling, gezien Pass’ jarenlange ‘weigering’ geïntegreerde versterkers te vervaardigen. Nu zijn er dan ineens twee geïntegreerde modellen: het testmodel en de INT-150 (geen klasse-A), die qua uiterlijk en functionaliteit identiek is aan de INT-30A. Bij de eindversterking is gebruik gemaakt van de Supersymmetric topology. Een gepatenteerde methode die werd geïntroduceerd met de X1000 uit 1998 en hier is gecombineerd met de klasse-A instelling en andere verworvenheden van de Aleph generatie. Althans, tot 30 watt. Daarna schakelt hij over op klasse AB om uiteindelijk een slordige 100 watt aan vier en 150 watt aan acht ohm te leveren. Dat maakt hem breed toepasbaar voor veel luidsprekers. Men hoeft dus niet noodzakelijkerwijs op zoek naar gevoelige speakers, ofschoon ik me dan wel kan voorstellen dat de krachtiger INT-150 iets nadrukkelijker in de keuze betrokken zou worden.

Uiterlijk

De uitstraling van deze jongste telg is sober, maar krachtig en verzorgd. Het front is van fraai bewerkt aluminium, met een horizontale uitsparing over de gehele voorzijde waar de keuzetoetsen zich bevinden: Power, Mute, en de vier Inputs. Aan de rechterkant bevindt zich de volumeregelaar, die uitermate soepel draait. Ook het blauwe display is overzichtelijk en toont ons alleen datgene wat we nodig hebben. Handig is bijvoorbeeld de mogelijkheid, gescheiden de links-rechts balans te kunnen aflezen.

De koelvinnen aan de zijkant, zijn mooi geïntegreerd opdat de behuizing niet lomp oogt. Klasse-A versterkers hebben overigens de reputatie stroomvreters en smeltovens te zijn, maar van dat laatste heb ik niets gemerkt.

Uiteraard heb ik het deksel er niet af gehaald, maar ik heb alle reden te geloven dat het van binnen tot in de puntjes is afgewerkt.

In tegenstelling tot veel huidige versterkers, is er bij de Pass geen keuze tussen 4 en 8 ohm uitgangen, maar is er wel de mogelijkheid hem symmetrisch aan te sturen. Ook zit er een pre-out aansluiting op voor degenen die in de toekomst toch nog een losse eindversterker willen aanschaffen. Verder wordt er een eenvoudige, maar robuuste en uitstekend werkende afstandsbediening bijgeleverd. Hiermee kan onder andere, de balans worden geregeld. Tot slot zit er 3 jaar garantie op deze machine.

Luisteren

Aangezien deze machine door de gekozen schakeling uiteindelijk over een overvloedig uitgangsvermogen beschikt, besloot ik de Pass Labs maar direct aan te sluiten op mijn hoog rendement systeem in mijn luisterkamer en niet eerst te toetsen aan lastigere luidsprekers. Zodoende kon de Pass makkelijk binnen zijn klasse-A kader blijven werken. Zoals al eerder gezegd, draai ik doorgaans met de EL84 eindbuis in single-ended klasse-A schakeling. We hebben het dan over een kleine 3 watt, wat zou betekenen dat de Pass geen enkel zweetdruppeltje zou plengen en de belasting van mijn luidsprekers niet eens zou opmerken.

Ondanks dat de dealer me verzekerde dat de amp volledig was ingespeeld, heb ik hem toch eerst een aantal dagen aan het net gehangen voordat ik ging luisteren. Na een week begon ik met een globale luistersessie, om een eerste impressie te krijgen. In mijn eerste aantekeningen staat: “niet slecht, maar teveel grijstinten”. Na een half uur echter begint het kleurenpalet zich geleidelijk uit te breiden, om vervolgens na een paar uur zich geheel te ontwikkelen.

De Pass openbaarde een verbazingwekkend gemak en het vermogen een groot podium neer te zetten. Bill Brufords Random Acts Of Happiness werd volslagen geloofwaardig voor het voetlicht geplaatst. De basklarinet op track 5 had een presentatie zoals ik die slechts sporadisch heb gehoord. Met veel druk in het midden-laag zonder dat het op de oren ging staan. Ook het applaus – veelal een goede graadmeter – droeg bij aan de live ervaring.

Wynton Marcalis Kwartet was een totaal andere sensatie. Ofschoon de Pass de neiging heeft enigszins terughoudend te zijn in het laag, had de contrabas genoeg punch en accuratesse. De snaredrum in het linkerkanaal was inderdaad hout op vel en klonk vitaal, zonder dat het agressief werd. Ook de stem van Dianne Reeves, die bij tijd en wijle snel in luidheid toeneemt, leek de Pass niet te deren. Moeiteloos werd de jazz diva op het podium gepresenteerd. Brand X’ Live Stock was enerverend, waarbij de basloopjes van Percy Jones buitengewoon makkelijk waren te volgen.

Zoals alle goede versterkers, onthulde ook de Pass hoogte in het stereobeeld met een lichtelijk concaaf vormend dieptebeeld. Dat was goed te horen op Berlioz’ Fantastique.

Vergeleken met de Quad II Classic Integrated – die ik eerder testte -, heeft de Pass een iets soberder kleurenpalet en lijkt een tikkeltje minder betrokken. Maar laten we wel wezen: die aanstekelijke betrokkenheid – het gevoel hebben in de muziek gezogen te worden – is in mijn ervaring iets dat slechts is weggelegd voor goede buizenversterkers en dan in het bijzonder de single-ended typen. De Pass is eerder beschouwend van aard. Het meest opvallend van de Pass was wellicht dat hij – nog duidelijker dan bij de Quad – nauwelijks voorkeur gebieden liet horen. Dat bleek ook uit de mondharmonica solo op de eerste track van Spirit of Eden. Sommigen zullen deze homogeniteit interpreteren als eentonig of saai, maar ik vind dat een kwaliteit. Men kan uren achtereen luisteren. Luistermoeheid zal de potentiële consument volstrekt niet overkomen met deze uitgewogen versterker.

Kort en goed. De Nelson Pass INT-30A is indrukwekkend: neutraal, mild en MET behoud van detail. Hij kan luid zonder ook maar ergens geprononceerd te klinken.

Conclusie

Het is alweer even geleden dat ik me bezig hield met solid-state versterkers, behalve dan met de laatste generaties klasse-D versterkers die tegenwoordig behoorlijk wat furore maken. Ten onrechte! De Pass heeft bij mij een aantal weken gestaan en bood mij weer een totaal andere kijk op muziek reproductie. Dat in zichzelf is al een belangrijke kwalificatie en daarvoor verdient de INT-30A het predicaat: authentiek. Deze jongste loot moet 6900 euro kosten en is daarmee niet de goedkoopste in zijn klasse. Echter, de koper haalt er dan ook bijzonder veel muziek mee in huis en een versterker die zich niet laat beïndrukken door inefficiënte speakers. Toen de Pass weer werd opgehaald, had ik de neiging de dealer op mijn knieën te smeken of de amp nog een paar weken bij mij zou kunnen blijven. Ik heb van mijn ouders evenwel geleerd, dat smeken meestal geen zin heeft…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Berlioz – Symfonie Fantastique Philips/Davis;
Bill Brufords – Random Acts Of Happiness;
Brand X – Live Stock;
Miles Davis In Concert – My Funny Valentine;
Talk Talk – Spirit of Eden;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;

QUAD II Classic

Thursday, December 16th, 2010

QUAD II Classic Integrated

Wie kent het merkt QUAD niet? Denkelijk het meest befaamd door de ESL-57 elektrostatische luidsprekers. Mijn eerste kennismaking met het illustere Britse merk was in 1983 bij een oude vriend, die de vreemde ‘straalkacheltjes’ in de hoeken van de kamer had staan. En dan die eigenzinnig ogende versterkers… Ook de klank bevreemde mij aanvankelijk, maar dat was meer te wijten aan mijn gebrek aan ervaring en nauwelijks ontwikkelde smaak op dat moment. Naarmate de vriendschap zich ontwikkelde, zou ook de appreciatie voor QUAD toenemen.

Over de tijd genomen is het fascinerend te zien dat dit Britse merk weliswaar meegaat met modieuze opvattingen, maar zichzelf volstrekt niet verloochent. Of dat we nu kijken naar de vroege of de huidige versterkers, het grondpatroon blijft onveranderd. En dat is sterk.

De huidige QUAD familie bestaat uit de II-Classic, II-Forty, II-Eighty en nu dus de II-Classic integrated. Verder zit er nog een voorversterker in het programma en een buizen phono versterker ontworpen door Tim DeParavicini; de oprichter van de Amerikaanse firma EAR. Aangezien deze buizen goeroe zich heeft verbonden met dit legendarische bedrijf en zijn eigen ideeën heeft doorgevoerd, was te verwachten dat het ontwerp van deze jongste loot belangrijk afwijkt van zijn oudere broer de II-Classic monoblokken. Deze hebben ook de KT66 als eindpit, maar volslagen andere stuurbuizen. Evenzo veronderstel ik dat DeParavicini mee heeft gedacht met het ontwerpen van de uitgangstrafo’s, die in hoge mate klankbepalend zijn.

Het chassis van de Integrated is dieper dan het breed is en ziet er werkelijk vlekkeloos uit. De machine oogt oerdegelijk als uit één massief stuk en de gekozen kleur is traditiegetrouw niet spectaculair, maar evenwichtig en van goede smaak getuigend. Omdat buiskolven behoorlijk warm kunnen worden, zijn ze afgeschermd door zwarte roosters. De volumeregelaar voelt solide aan, maar ook de keuzeschakelaar boezemt veel vertrouwen in. Deze is een vermakelijkheid op zich en onderstreept de eigenzinnigheid en authenticiteit van QUAD. Toon- en balansregeling ontbreekt, maar dat zullen velen onder ons alleen maar als positief ervaren. Jammer is de afwezigheid van een afstandbediening bij een dergelijke versterker. Al was het alleen maar voor het volume. Tegenwoordig hoeft dat namelijk geen compromis meer te zijn voor de geluidskwaliteit. Wel is er een phono versterker met zelfs een mc trap. Ofschoon het op ‘gewone’ transistortechnologie is gebaseerd, verwacht ik dat deze sectie enigszins heeft mee geprofiteerd van DeParavicini’s know how. Hoewel vinyl sterk terugkomt, vraag ik mij toch af of QUAD een uitvoering overweegt zonder pick-up versterker, aangezien de overgrote meerderheid louter cd draait.

De buizenbezetting is als volgt: vier KT66* eindbuizen die, zoals de hele QUAD familie, in push-pull zijn geconfigureerd. Verder zijn er vier ecc83/12ax7 dubbeltriodes van Tungsol en twee 6922/ecc88 dubbeltriodes van het huis Electro Harmonics, voor de aansturing en fasedraaiing. Het laatste type wordt veelvuldig door het Amerikaanse Audio Research gebruikt. Ik kan mij overigens goed voorstellen dat er ook de nodige tijd is gestoken in het onderling matchen van de buizen. Potentiële kopers kunnen overigens overwegen de ecc83s in de toekomst uit te wisselen voor de 5751 of wellicht beter nog de 6072.

Ik heb het niet nagemeten, maar gezien het opgegeven vermogen van 25 watt per kanaal bij 8 ohm volledig in klasse A, schat ik dat de spanning op de anode rond de 350 volt zal zijn en op het schermrooster 275 volt. De stroom die door de buis loopt zal tegen de 100 mA lopen. De Intergrated heeft dus 10 watt meer dan de II-Classic monoblokken. Er is in dit geval niet gekozen voor buizen gelijkrichting zoals bij de mono’s, wat begrijpelijk is. Er zijn nu eenmaal weinig gangbare buizen die ruim 400 milliampère kunnen leveren (4 maal 100mA, plus de nodige reserve), dus dan zouden er minimaal 2 gelijkrichtbuizen nodig zijn. Op een geïntegreerd chassis is de ruimte beperkt en tegenwoordig klinkt de nieuwste generatie solid-state gelijkrichters heel netjes. Bovendien kost dit minder ruimte, is goedkoper, ontwikkelt nauwelijks warmte en is groener.

Luisteren – de voorronde

Ik wilde de QUAD eerst horen op mijn huiskamer set. Een dergelijke exoot die 5500 euro moet gaan kosten, heeft uiteraard prijstechnisch gezien niets te zoeken in een budgetsysteem. Maar er was een goede reden voor. De laatste buizenversterker die ik hoorde op dat geheel, was de Bocama Lafayette met de EL84 in push-pull configuratie. Een zeer muzikaal klinkende amp die echter buiten adem dreigt te raken als het luider moet. De Tannoy Mercury M1 luidsprekers blijken in de praktijk toch lastig aan te sturen. Mijn huidige Harman Kardon HK 680 heeft er geen enkele moeite mee, maar die klinkt dan ook iets minder spannend vergeleken met de 40 jaar oude Lafayette en laat bovendien wat meer grijstinten horen. Toch is de HK zeker geen slechte machine, omdat men bij dit ontwerp voor relatief weinig tegenkoppeling heeft gekozen. Maar mag uiteraard niet vergeleken worden met de QUAD.

De II-Classic heeft wat meer vermogen dan de Lafayette maar aanzienlijk minder dan de HK. Ik was dus benieuwd. Na slechts een half uurtje liet ik me al verleiden de eerste CD te beluisteren, omdat ik toch nieuwsgierig was naar de eerste indrukken. Het mag als bekend worden verondersteld dat de signatuur totaal verandert gedurende het opwarmen; laat staan tijdens het inspelen. Echter, bij de juiste keuze van de cd kan er – zij het met de nodige restricties – toch wel een eerste uitspraak worden gedaan. Bij Secrets of the Beehive van David Sylvian was er – zoals verwacht – significant meer finesse en contour te bespeuren. Ook schoof het stereobeeld beduidend meer naar achter dan bij de HK, die op dit punt bepaald niet beroerd scoort. Ook pianowerk leek de juiste klankbalans en gewicht te hebben. Pires was in beide handen goed te volgen en bij de Cello Sonate had het strijkinstrument de juiste snede en bolheid. Entry of the Crims en Industrie van King Crimson ging ondanks de complexiteit erg goed en het Libera Me uit Britten’s War Requiem ook al. Solisten werden goed losgeweekt van het koor en het kamerensemble was goed te lokaliseren t.o.v. van het groot orkest. Aangezien mijn Tannoys in een aantal gevallen de neiging hebben het middenlaag in mijn huiskamer ietwat aan te zetten, besloot ik de Missions 761i aan te sluiten. Deze zijn wat handelbaarder en hebben een wat hogere gevoeligheid. Nu dat probleempje grotendeels was opgelost, was het midden en hoog beter te beoordelen. Door de toegenomen presentatie van het midden, was Café Blue van Barber een feest. Mourning Grace had een snelheid en ritme die voor dit systeem ongekend was. Het nummer daarna – ‘The Thrill is gone’ – werd geloochend door de QUAD, want ‘the thrill’ bleef wel degelijk aanwezig: de stem had duidelijk meer entourage en kleur dan voorheen. Evenzo werd het orgelconcert van Poulenc overtuigend gereproduceerd, waarbij het orgel ook de juiste hoogte in het stereobeeld scheen te hebben. Het mag duidelijk zijn dat mijn huiskamer installatie een enorme lift kreeg door het Britse apparaat. De voorlopige conclusie was dan ook zeer positief.

Luisteren – de hoofdronde

Uiteindelijk werd de QUAD aangesloten op mijn hoofd systeem in mijn luisterkamer. Nu is het zo dat mijn Triangle breedband luidsprekers met hun hoge rendement en niet al te grillig impedantie gedrag, hoegenaamd niet representatief zijn voor de gemiddelde speaker. Ter illustratie: zo nu en dan schakel ik mijn single ended EL84 versterker in triode. En dan hebben we het over minder dan één watt schoon (!). Toegegeven, Ouverture 1812 van Tchaikovsky wordt een probleem, maar kamerwerk en niet al te complexe muziek gaat uitstekend. De QUAD speelde dan ook – zoals verwacht – zonder zweet met de Triangles; welk materiaal ik ook afspeelde. Het podium was zelfs iets breder dan met de Cayin Venus VP 100-i die hier ook heeft getoefd en kwam bedreigend in de buurt van mijn EL84 single ended versterker. Echter, de QUAD miste net het allerlaatste beetje slagkracht in het laag vergeleken met de Cayin. Deze is daarin dan ook de referentie voor alle push-pull buizenversterkers, die ik de afgelopen jaren thuis heb gehoord. Toch liet de contrabas op Ode to Billy Joe en Feeling of Jazz van Wynton Marsalis Quartet een overvloedige substantie horen met de daarbij gewenste controle waarbij de laatste track een aplomb liet horen die mij nog niet eerder was opgevallen. De mate waarin energie werd overgebracht was minstens zo indrukwekkend als de Cayin, zoals bleek op de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bartok. Het midden had regelmatig de magie en vanzelfsprekendheid van goede single ended versterkers, getuige het stemmenmateriaal. Bij Peter Gabriel kon men veel nuances en gelaagdheid ontwaren in zijn koperen stem. Het hoge midden had niet het minste zweempje van overbelichting, zoals wel eens bij indirect verhitte buizen wordt ondervonden; in het bijzonder pethodes. Ook het hoog had een zoetheid die vergelijkbaar was met de Cayin in triode stand en was vrij van korreligheid. Dat is opvallend als we bedenken dat de KT66s ‘gewoon’ in tetrode staan geschakeld. QUAD heeft namelijk bewust niet voor ultralineair schakeling gekozen. Definitieve uitspraken kunnen we uiteraard niet doen, daar er teveel zaken zijn die de uiteindelijke klank bepalen. Nochtans geloof ik dat het gekozen circuit grotendeels verantwoordelijk is voor deze kwalificaties. Slechts de Opera Consonance Cyber-10 Signature met zijn 2A3 direct verhitte triode buizen, heerst op dit gebied. Maar deze zal door zijn beperkte vermogen met aanzienlijk minder luidsprekers te paren zijn.

In z’n algemeenheid geloof ik dat de QUAD qua klanksignatuur ergens tussen de Consonance en de Cayin inzit. Een van de rode draden was wel dat de Quad eigenlijk weinig voorkeurtjes ten toon spreidt en daardoor een buitengewoon prettige klankbalans heeft.

Conclusie

De Classic Intergrated heeft ongeveer twee weken bij mij getoefd, waardoor ik een goede indruk heb kunnen krijgen van de jongste telg uit de stal van QUAD. Ofschoon het inspeel proces nog lang niet voorbij is, laat deze exoot een uitstekende presentatie horen en zal zich nog verder ontwikkelen. Helaas kan ik dat niet meer rapporteren. Wel verwacht ik dat de II-Classic Integrated met veel luidsprekers uit de voeten kan, inclusief niet al te grote paneelluidsprekers. Deze Britse machine is een klasse apart en daarmee haalt de koper een stuk muzikale traditie en authenticiteit in huis. Dit zijn belangrijke zaken waarmee QUAD zich onderscheid binnen het steeds drukker wordende landschap en vormt een bastion tegen de invasie van Aziatische buizenversterkers.

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

*voetnoot. De KT66 is een populaire Engelse buis uit 1938 met een dissipatie van 25 Watt, die in Europese radio’s en versterkers was te vinden. Het is een zogenaamde indirect verhitte beam tetrode en een oudgediende van de firma QUAD. De letters ‘KT’ staan voor ‘Kinkless Tetrode’. De buis is een rechtstreekse nakomeling van de Amerikaanse 6L6 tetrode, die ook vaak in gitaarversterkers is te vinden.