Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

« Vorige berichten

STRAUSS – Symphonia Domestica • Die Tageszeiten

Wednesday, September 7th, 2016

straussSTRAUSS
Symphonia Domestica • Die Tageszeiten
Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin, Marek Janowski
Pentatone Records PTC 5186507 SACD HYBRID DDD 67:50

Waardering: 10

De Symphonia Domestica was bedoeld als een vervolg op Ein Heldenleben: een portret van Strauss’ gezinsleven met de diverse karakters. Het werk heeft mij nooit echt weten te bekoren, maar Janowski heeft me nu toch overtuigd. Hij heeft een buitengewoon frisse en doorzichtige aanpak. En ook heeft hij oog voor de vele fraaie soli door het gehele orkest heen en toont hij zich hier een groot Strauss interpreet, die zich moeiteloos handhaaft naast von Karajan en Reiner. Wat deze schijf echter totaal onmisbaar maakt, is de koppeling met de zelden uitgevoerde Die Tageszeiten. Dit werk uit 1928 greep me direct bij de keel. Dat is niet vreemd, want later zag ik dat deze stukken zijn gebaseerd op teksten van Joseph Freiherr von Eichendorff. We kennen ongetwijfeld de chemie tussen het werk van deze grote romantische dichter en Strauss’ Im Abendrot, uit die Vier letzte Lieder. Bij dit werk horen we bij vlagen dezelfde atmosfeer en dat voor Strauss typerende harmonisch diepte component. Ook hier die vergezichten en de milde verzoening met de dood. Janowski laat zich in het algemeen niet verleiden tot sentiment en effectbejag. Dat doet hij hier ook niet en dat is nu precies wat deze muziek nodig heeft. Echter, het onverdeelde succes van deze SACD kan niet slechts worden toegeschreven aan de uitvoering, maar zeker ook aan de productie. Het geheel klinkt massief en transparant tegelijk, tegen een inktzwarte achtergrond. Het koor klinkt vlekkeloos en staat prachtig in de ruimte. Groot compliment voor de technici. Een zeer begerenswaardige SACD, vooral door het Die Tageszeiten. Hoogste belang en hoogste lof! Wat willen we nog meer?

Emile Stoffels
Luister Magazine

BRUCKNER – Symphony no. 7

Saturday, November 1st, 2014

BRUCKNER
Symphony no. 7
Ivan Fischer Budapest Festival Orchestra
Channel Classics CCSSA 33714 Hybrid SACD DDD 56’43

Uitvoering / Opname **** / ****

Van alle symfonieën is de zevende de meest stralende. Dit werk heeft dan ook niet die wrijvingen en contrasten, als in Bruckners andere symfonieën. Wellicht juist hierdoor is er voor het eerst een duurzaam succes voor Bruckner en gaat ook over hem de zon der roem schijnen. Het is ook de laatste symfonie, waar het Adagio nog voor het Scherzo komt. Fischer laat er in zijn commentaar geen misverstand over bestaan, hoe hij denk over de toondichter waarin de symfonie als vorm haar hoogtepunt vind. “De puurste onder de componisten en meest in staat tot religieuze extase. Alles gezien met de klaarste visie, gebouwd tot majestueuze proporties en gevoeld met de diepste emoties.” Fischer is inmiddels uitgegroeid tot een maestro, door keihard te studeren en zich alleen bezig te houden met de noten. Het hymnische eerste deel klinkt vergelijkbaar vanzelfsprekend en elastisch als de laatste live registratie door Barenboim. Het Scherzo heeft weliswaar niet die overrompelende kracht en scherpte van von Karajan met de Weners, maar ook hier veel precisie en soepelheid. Alles overziend, niet het laatste woord qua zeggingskracht, maar niettemin een uitstekende registratie.

Emile Stoffels
Luister Magazine 700

BRUCKNER Symphony no. 6

Sunday, September 29th, 2013

BRUCKNER
Symphony no. 6
Netherlands Radio Philharmonic Orchestra – Jaap van Zweden
Challenge Records SACD CC72552 DDD 57’14

Uitvoering/Opname *****/****

Het interessante bij de zesde van Bruckner is dat hij de spanning sneller opbouwt dan in zijn andere symfonieën, door de doorwerking samen te laten smelten met de recapitulatie. Het is altijd weer een belevenis het openingsthema van de celli en contrabassen tegen het metrisch begeleidingsfiguur van de violen te horen, waarna het hele orkest het hoofdthema unisono inzet. Van Zweden geeft weer een heel aparte uitvoering, met voor mij nieuwe inzichten. Vooral de middelste delen en dan met name het Scherzo met zijn fantastische karakter, is weer een waar feest net als dat bij de achtste het geval is. Ik moet zeggen dat de hoekdelen mijn ietsje minder aanspreken. Aan de tempi ligt het niet, want van Zwedens keuze in deze bevalt mij uitermate. De grandeur van het eerste deel zet hij dan ook uitstekend neer, maar in de opening bijvoorbeeld, had ik graag iets meer scherpte en profiel gehoord. De pauk mist net de precisie en vinnigheid van de opname van von Karajan op DG. Ik wijd dit aan de ietwat wollige akoestiek/opname. Al met al een schitterende zesde. Ik ben de opname door Klemperer op EMI eerlijk gezegd helemaal vergeten.

Emile Stoffels
Luister Magazine 692

TCHAIKOVSKY – Fourth Symphony

Sunday, February 3rd, 2013

TCHAIKOVSKY
Fourth Symphony • Suite No. 4,
Dallas Symphony Orchestra • Jaap van Zweden
DSO Live 003 DDD 63:22

Uitvoering/opname ****/***

“De inleiding is tevens de kern van de gehele symfonie, zij bevat de hoofdgedachte. Deze stelt het noodlot voor,… een macht die als het zwaard van Damokles voortdurend boven ons hoofd zweeft en onophoudelijk de ziel vergiftigt.” Deze weinig opwekkende woorden, schreef Tchaikovsky zelf over de vierde symfonie in een brief naar mevr. von Meck. Ofschoon het toch raadzaam is even door te luisteren, is het veelal bij dit werk zo dat de inleiding ons al vertelt, wat voor een vlees we in de kuip hebben. Die robuuste koper fanfare is bij van Zweden weliswaar wat aan de ingetogen kant en heeft niet die grandeur van von Karajan met de Weners, maar ook hier weer – net als bij Bruckner 8, – veel geraffineerdheden. Van Zwedens subtiele kneepjes getuigen van goede smaak. In het laatste deel gebruikt hij wel een opvallend stevig tempo, maar de Texanen kunnen dat hebben. De DG opnames onder von Karajan en Jansons op Chandos, blijven overigens volledig overeind staan met hun eigen kwaliteiten. Kort en goed: een uitstekende vierde van Tchaikovsky, gekoppeld met de 4de suite. De live opname uit september 2009, klinkt afgewogen en neutraal, maar had wat directer gemogen.

Emile Stoffels

TCHAIKOVSKY Symphony No. 6 – Tabachnik

Tuesday, October 23rd, 2012

TCHAIKOVSKY
Symphony No. 6, Pathétique Romeo & Juliet
Brussels Philharmonic, Michel Tabachnik
Brussels Philharmonic Recordings BPR0003 DDD 62:09

Uitvoering/opname ****/****

Tabachnik is sinds 2008 muziekdirecteur van het Brussels Philharmonic en probeert op een creatieve manier het ijzeren repertoire met de muziek van de 20ste eeuw te combineren. Zijn motto: “We zijn geen museum, wel een platform voor levende muziek.” Dat Tchaikovsky’s Pathétique nog steeds leeft laat Tabachnik overduidelijk horen en dat ervaren we direct bij de opening, als na het neerslachtige Adagio het Allegro non troppo inzet. Hier wordt schitterend spel tentoongespreid. Het doet denken aan de opname van Jansons op Chandos, die nog steeds de toetssteen vormt. Het sleutelmoment – de stormachtige passage na de zachte klarinet solo – staat hier als een huis. We kennen teveel uitvoeringen die hier te snel overheen fietsen, maar Tabachnik dus niet. De finale is – tegen de traditie in – een langzaam deel: Adagio lamentoso. Een volslagen afwijkende indeling van de symfonie. Tchaikovsky noemde dit deel een requiem en Tabachnik vat dit ook als zodanig op, hoewel von Karajan op DG hier nog steeds indrukwekkend blijft. Kort en goed: Jansons blijft voor mij de norm, von Karajan heeft zijn merites in het laatste deel, maar Tabachnik komt dicht in de buurt. Bovendien is de opname van de laatste superieur. De combinatie met Romeo en Juliet is een veel voorkomende maar niettemin een logische, gezien het thematische verband.

Emile Stoffels
Luister 685

BRUCKNER Symphony No. 7 Staatskapelle Berlin Daniel Barenboim

Saturday, July 14th, 2012

BRUCKNER
Symphony No. 7
Staatskapelle Berlin Daniel Barenboim
DG 00289 479 0320 DDD 67’15

Uitvoering/opname *****/*****

Met deze meest stralende symfonie, oogstte Bruckner veel lof. Voor het eerst is er voor de meester uit Opper Oostenrijk een duurzaam succes en gaat ook over hem de zon der roem schijnen. Nergens is de polarisatie tussen de Goddelijke natuur en de weerbarstige materiële wereld, zo klein als in deze symfonie. De verkleinde afstand tussen die tegenpolen maakt dat dit werk daardoor dan ook niet die wrijvingen en contrasten heeft, als in zijn andere symfonieën. Het is ook de laatste symfonie waar het Adagio nog voor het Scherzo komt. Sommige auteurs menen onder andere hierdoor, dat met de zevende een cyclus werd afgesloten en met de achtste een nieuwe reeks begon. Twee keer eerder nam Daniel Barenboim Bruckners zevende op: met het Chicago Symphony Orchestra op hetzelfde label (1979) en met de Berliner Philharmoniker op Teldec (1992). Nu dus met de Staatskapelle Berlin. Over deze uitvoering en opname ben ik laaiend enthousiast net als Der Tagesspiegel, die Bruckners symfonie onder Barenboims handen als een opera zonder woorden noemt. Barenboim bouwt alles uitermate zorgvuldig en precies op, waardoor het hymnische eerste deel zo vanzelfsprekend en elastisch klinkt. Het ernstige Adagio ontstond in Bruckners gedachte, dat Richard Wagner niet meer zo lang te leven had. Tijdens de schepping van dit stuk, zou de meester uit Leipzig ook overlijden. Dit deel, waarin voor het eerst de Wagner tuba’s worden toegepast, krijgt hier iets bovennatuurlijks. Het Scherzo heeft weliswaar niet die overrompelende kracht en scherpte van von Karajan met de Weners uit dezelfde stal, maar ook hier valt de precisie en soepelheid op. Het laatste deel heeft een vergelijkbare vanzelfsprekendheid en vloeiendheid als het eerste deel. Dit is een live registratie uit 2010 en zelden heb ik zo een spanning en concentratie gevoeld, als in deze opname. Hoogste lof!

Emile Stoffels
Luister 683

Brahms Symphonien NR. 2 & 3

Wednesday, May 11th, 2011

BRAHMS
Symphonien NR. 2 & 3
Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks
Mariss Jansons

BR Klassik 900111 SACD DDD 79’

Uitvoering/Registratie *****/*****

Ook de symfonieën van Brahms beginnen de catalogus zo langzamerhand te overspoelen. Uiteraard heb ik Mariss Jansons zeer hoog zitten. Dat begon na zijn beroemde en baanbrekende Tchaikovsky vertolkingen, halverwege en eind jaren 80 voor Chandos. Aanvankelijk dacht ik dat deze Brahms symfonieën de zoveelste dertien in een dozijn zouden worden. Wat een vergissing! Met open mond hoorde ik hoe alles natuurlijk vloeit uit de handen van Jansons en wat een vanzelfsprekendheid er blijkt uit deze opvatting. Het elastische legato spel deed mij sterk denken aan de von Karajan cyclus uit de jaren 60 voor Deutsche Grammophon. Ook de orkestklank had een indringende gloed en het ensemble levert met een schijnbaar gemak, waar Jansons om vraagt. Bovendien was alles in balans. Ik zal niet zeggen dat er nu volslagen nieuwe inzichten te bespeuren waren, maar wat een geweldige uitvoering is dit. De opname is van een zeldzame romigheid en groots van gebaar en kleur. Alles klopt, ook het keurig verzorgde hoesje met op de voorkant een detail uit De brand van het Hoger- en Lagerhuis van William Turner. Hoogste waardering voor deze topproductie.

Emile Stoffels
Luister 674

Nielsen Symphonies Nos 4 & 5

Sunday, May 8th, 2011

NIELSEN
Symphonies Nos 4 & 5
Sir Colin Davis London Symphony Orchestra
LSO Live SACD LSO 0694 DDD 67’

Uitvoering/Registratie ****/****

Wat is de vierde van Nielsen toch een mooie weerspiegeling van het leven en hoe het onder moeilijke omstandigheden toch blijft baanbreken. Nielsen bleef – ondanks wat mensen in een conflict elkaar aan kunnen doen – in het leven zelf geloven als iets onuitblusbaars. Ik moet zeggen dat ik in het begin wel wat moeite had met het snelle tempo. Een pittige uitdaging toch ook voor het LSO, maar het blijft onder controle. De pauken ervoer ik soms in het eerste deel als (te) luid, waardoor men het gevoel heeft dat het kruit te snel verschoten wordt. Ook het derde deel, wordt snel gedaan. Toch komt het allemaal volledig uit de verf. Ook het ziels klievende gedeelte nadat het koraalachtige motief heeft ingezet, wordt juist getroffen door Davis. Interessant is het in deze, om de kampioen er naast te leggen: de o zo evenwichtige Blomstedt op Decca. Die van Davis zal wellicht geen allemansvriendje worden, maar het heeft me naast die van Blomstedt wel laten inzien dat die van von Karajan te eigengereid is. De hoge midden frequenties in deze opname zijn ietsje overbelicht en ik had wat meer spreiding in het stereobeeld gewenst. Toch een zeer nuttige uitgave.

Emile Stoffels
Luister 674

BRUCKNER Sinfonie Nr. 5 B-Dur

Wednesday, January 26th, 2011

BRUCKNER
Sinfonie Nr. 5 B-Dur
Gewandhausorchester Leipzig Herbert Blomstedt
Querstand SACD VKJK 0931

Uitvoering/Registratie *****/****

De mooiste omschrijving van Anton Bruckner die ik ken, komt denk ik van Norbert Loeser: Half heilige, half imperator. Het is vooral deze symfonie – die tot de absolute hoogtepunten uit de symfonische literatuur gerekend moet worden – waarin de beide kanten zich zo manifesteren. De verwachtingen waren hoog, aangezien ik geloof dat Blomstedt inmiddels bij de grote Bruckner interpreten hoort. Ik werd niet teleurgesteld: ronduit luisterrijk hoe Blomstedt de tijd neemt in het eerste deel. Ook het Adagio komt tot volle ontplooiing. Het slot – waarin de schitterende koraal met zowel het hoofdthema van het eerste als het vierde deel samenklinkt – is wel eens omschreven als de climax van de pelgrims tocht naar het nieuwe Jeruzalem. Blomstedt laat dat inderdaad jubelen. Deze opname kan zich met gemak meten met de legendarische uitvoering onder von Karajan, maar ook met die onder Chailly op Decca. Over de live opname ligt helaas wel een soort van eiglans, waardoor het laatste beetje transparantie en doorluisterbaarheid ontbreekt.

Emile Stoffels
Luister 672

De Romantiek IV – Frankrijk

Thursday, December 30th, 2010

De Romantiek IV

Frankrijk

Met het Congres van Wenen in 1815 hoopte men rust en stabiliteit in Europa te brengen. Als we echter de historische kaarten van Europa bekijken vanaf dat moment, dan is daar bitter weinig van terecht gekomen. Bonaparte was weliswaar verslagen en Frankrijk tot zijn ‘natuurlijke grenzen’ teruggebracht, maar de nationalistische gevoelens die door de Franse Revolutie waren aangewakkerd – ook bij andere naties – hadden nu genoeg kritische massa. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst.

Frankrijk ging op dat gebied zelfs een grote rol van betekenis spelen naast Duitsland en is met Hector Berlioz (1803 – 1869) een van de grootste en invloedrijkste toonzetters van de Romantiek. Deze is, als muzikale stamvader met zijn ‘traité de l’instrumentation’ als orkestrale bijbel, maatgevend voor velen geweest.
Met zijn Symfonie Fantastique – slechts 3 jaar na Beethoven’s dood (!) – geeft hij de klassieke symfonie een programmawerking en kunnen we dit gedurfde werk gerust de sjabloon noemen voor de moderne programma symfonie voor veel componisten. Het is een 5-delig werk – wat al opvallend is in zichzelf – dat sterk als autobiografisch gezien kan worden en bij uitbreiding tot een zelfportret van de Romanticus van die tijd. Het programma beschrijft verschillende situaties in het leven waarin de kunstenaar, verzeild kan raken. Berlioz had recentelijk kennis gemaakt met de werken van Shakespeare en de symfonieën van Beethoven. De directe aanleiding echter was een uitvoering in 1827 van Hamlet van degenoemde dramaturg, met ene Herriett Smithson in de rol van Ophelia. Zij blonk bepaald uit en haar verschijning, moet als een bom zijn ingeslagen. De vrouw zou een dwanggedachte voor hem worden en na twee jaar zou hij zijn gevoelens vastleggen in de Symfonie Fantastique om zichzelf te bevrijden van deze obsessie. Een wederkerend muzikaal motief vertegenwoordigt deze Idée Fixe. Er is hier geen plaats alle delen uitvoerig te beschrijven, maar de Mars naar het schavot (het vierde deel) is wellicht het meest typerend. Dit stuk is zo evocatief dat, zelfs als we de titel niet zouden weten, we wel horen dat het hier gaat om een terechtstelling of iets dat daar op lijkt. Het vijfde deel – De Heksen Sabbat – is zeer zeker voor die tijd angstaanjagend geweest.
Uit bronnen blijkt dat Berlioz, nadat hij de eerste drie delen had gecomponeerd, hoorde dat Herriett geen hoofdrollen meer speelde maar louter figureerde. Dit was een bittere teleurstelling voor hem en de gedachte is dat de twee laatste delen in het teken staan van wraak. Wraak voor de obsessie die zijn leven zo had beheerst.
De Fantastique is altijd sterk vertegenwoordigd geweest in de catalogi en er zijn veel goede uitvoeringen. De nummer één is toch wel die met Davis en het Concertgebouworkest op Philips (6500 774). Hij heeft dit werk drie keer vastgelegd: met het LSO, het CGO en de Weners. De laatste is echter alleen op CD beschikbaar. De CGO opname uit 1974 onderscheidt zich door een hoge mate van natuurlijkheid. Ook de hoes is prachtig met The Devil’s Incantation door de Goya (1746 – 1828).
Een andere goede vinden we op Decca door Haitink (SXL 6938) uit de nadagen van het analoge tijdperk. Helaas een aartslelijke hoes, maar ook een spectaculair natuurlijke opname. Mogelijk Decca’s beste opname uit de herfst van het analoge tijdperk.
Andere uitstekende alternatieven zijn die door Abbado (DG 410 895-1) en von Karajan (DG 2530 597) prachtige DG hoezen weer overigens.
Uiteraard moeten we het grootse Requiem nog noemen, het Te Deum, zijn Lelio dat een vervolg is op de Fantastique zijn Harold en Italie en de liederencyclus La Nuit D’ete. Het integrale Berlioz programma is uitgekomen op Philips onder Colin Davis en kan rustig als de ruggengraat genoemd worden.

Er is meerdere malen op gewezen dat de symfonie als vorm zijn heerschappij voor een groot deel aan het symfonische gedicht heeft afgestaan. Dit geldt ook voor de sonate die zijn gezag heeft afgegeven aan kleinere op de literatuur geïnspireerde vormen zoals het impromptu, prelude, nocturne, ballade enz. Door de belangstelling van de componist voor nationalistische thema’s verschijnen er ook typische dansvormen zoals de polonaise en de mazurka.

Dit brengt ons direct bij Frederic Chopin (1810 – 1849), die ondanks de zojuist genoemde vormen een van de minst literair ingestelde componisten van de Romantiek blijkt te zijn. Zijn subjectieve kunst dringt diep door in de nachtelijke aspecten van het menselijke leven en vooronderstelt geen literaire inhoud, maar is wel in hoge mate visionair, angstig, doch kernachtig en gecondenseerd. Ofschoon in Polen geboren, rekenen we deze componist tot de Franse Romantiek. Niet alleen omdat zijn vader Frans was, maar zijn kunst is onmiskenbaar Frans.
Belangrijkste interpreten zijn wel Arrau (Philips), Rubinstein (RCA) en Ashkenazy (DECCA). De laatste twee domineren zo’n  beetje de catalogus, maar Barenboim, Polini, Pires en Argerich (allen op DG) hebben hun sporen in deze muziek ook verdiend.
Zijn ballades dragen een nachtelijke lading. Ze bouwen voort op de gezongen ballades van Schubert, maar krijgen bij hem een totaal nieuwe vorm en inhoud.
Uit zijn Etudes opus 10 is het derde stuk natuurlijk overbekend. Dit is weer zo’n moment dat aangrijpt, zeg maar, op het middenrif. De Etudes hadden een technische uitdaging als uitgangspunt, maar de originaliteit van deze werken maakte de aanleiding tot bijzaak. Laten we volstaan te zeggen dat het gehele piano oeuvre van Chopin uniek en richtinggevend is geweest voor de muziekgeschiedenis.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling tijdens de Romantiek in Frankrijk speelt zich af in de orgelkunst. De orgels in deze tijd onderscheiden zich door een grotere soepelheid in de toonvorming en een grotere verscheidenheid van de registers. En voornamelijk in Frankrijk zijn de orgels door het romantische orkest beïnvloed. De registers zijn naar de gevoelige aard van de strijkers, fluiten, hobo’s enz geïntoneerd, zonder dat de Franse orgelbouwmeesters de kernmerken van het klassieke tijdperk hadden opgeofferd.

Charles Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) die ons – ondanks zijn charme – niet zo heel erg veel heeft te vertellen, is vooral beroemd om zijn orgelsymfonie. Hoewel het wemelt van goede uitvoeringen, is de interpretatie van Barenboim (DG 2530 619) wel zeer de moeite waard. Het valt namelijk niet mee voor een mastering engineer een dergelijk werk voor groot orkest uitgebreid mét orgel goed te snijden, maar hier heeft DG het toch aardig gedaan. We hebben deze opname diverse keren, hoog genoteerd op audiofiele lijsten gezien.

Ofschoon hij niet in deze stijlperiode thuishoort, noem ik in dit verband toch nog het orgelconcert uit 1938 van Francis Poulenc (1899 – 1963) die ons inhoudelijk meer te bieden heeft en dieper peilt. Een orgelthriller met aan het slot een schitterend eerbetoon aan Bach. Marie Claire Alain met Martinon (dus niet met Conlon!) op Erato (STU 70637) is een must. Weliswaar niet op vinyl, maar toch vermeldenswaard is de Symphonie Concertante van Joseph Jongen (1873 – 1953) onder de Waart op Telarc.

Echter, het is César Francks (1822 – 1890) orgelmuziek die ons hoofd naar boven richt, zoekend naar de religieuze ervaring. Denkelijk na Bach de belangrijkste orgelcomponist. Het religieuze en meditatieve karakter dat zijn muziek draagt, deelt hij met Bruckner, maar is meer hymnisch. Zijn Six Pièce d’Orgue zijn van een onmetelijke schoonheid, maar dat geldt eigenlijk voor al zijn orgelwerken. Albert de Klerk op CBS (S77332) of David Sanger (Bis) ziet men regelmatig tweede hands. Francks Prelude, Koraal & Fuga – stevig bekritiseerd door Saint Saëns – behoort tot de beste stukken uit de pianoliteratuur. Devoyon op Erato (NUM 75098) koppelt dit beeldige werk met de Prelude, Aria en Finale die bijna van hetzelfde hoge niveau is. De twee werken zouden leiden tot de drie prachtige grote Koralen voor orgel. Het lijkt erop dat Franck van 1884 tot 1887 naar een nieuwe klavierstijl zocht. Dit vond zijn hoogtepunt in een uniek zangerig pianoconcert, de Variations Symphoniques die een waardige voortzetting is van de pianoconcerten van Beethoven.

Deze maand sluiten we de Romantiek af. De volgende keren zullen we de grote Klassieken bespreken: Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. Representanten van een tijdperk die men terecht als een van de hoogtepunten kan zien van de West-Europese beschaving.

« Previous Entries