Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

« Vorige berichten

STRAVINSKY • DEBUSSY • RAVEL – Scholtes & Janssens

Sunday, March 15th, 2015

Scholtes Janssens Paris202STRAVINSKY • DEBUSSY • RAVEL
PARIS!
Piano Duo Scholtes & Janssens
ET’CETERA KTC 1497 DDD 63:45

Uitvoering **** | Opname ****

Stravinsky bewerkte zowel zijn eerste versie als zijn gereviseerde versie van Petrushka voor piano vier handen. Hij nam beide dus serieus. Het duo Scholtes & Janssens zegt in het boekje: “Tijdens onze ontdekkingsreis van dit werk hebben we ons in zowel de orkest- als de pianoversie verdiept. Naar aanleiding hiervan hebben wij enkele kleine veranderingen aangebracht in de vier-handenversie van Stravinsky, om zo een betere verklanking van de orkestrale kleuren te kunnen benaderen.” Mijn voorkeur gaat uit naar de orkestversie, maar zoals wel vaker geeft een transcriptie naar piano veelal meer inzicht in motieven en melodieën die normaal in een orkestversie wat ondergesneeuwd raken. Dat is bij dit duo zeker het geval. Ondanks dat Ravels’ Rapsodie espagnole in de gebruikelijke orkest uitvoering veel kleur heeft, is het met de pianoversie vierhandig bepaald niet behelpen. Per slot is die versie ook de oorspronkelijke. De opname had wat mij betreft ietsje droger mogen zijn, maar neemt niet weg dat deze cd erg geslaagd is. Mooie accurate uitvoeringen door een duo dat als een eenheid speelt. Mijn recensie exemplaar heeft overigens een tik tijdens track 4 op 6:42 en ik vermoed dat deze fout in de productie zit.

Emile Stoffels
Luister Magazine 702

Nederlandse muziek bij Nederlandse symfonieorkesten 1945-2000

Friday, August 22nd, 2014

Nederlandse muziek bij Nederlandse symfonieorkesten 1945-2000
Auteur: Emanuel Overbeeke
ISBN: 978-90-75879-60-5

In November 1969 werd de opmaat van een concert van het Concertgebouworkest verstoord door een groepje componisten met o.a. Peter Schat, Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw. Zij protesteerden tegen het feit dat de orkesten veel te weinig hedendaagse muziek brachten. Echter, een eerste inventarisatie van de uitvoeringen van Nederlandse muziek door Nederlandse orkesten op basis van publicaties van Donemus, deed vermoeden dat er na 1970 eerder minder dan meer hedendaagse muziek werd gespeeld.
Deze en andere feiten waren voor Emanuel Overbeeke aanleiding zich meer structureel te verdiepen in de vraag, wat de professionele Nederlandse symfonieorkesten tussen 1945 en 2000 gedaan hebben aan de verbreiding van de Nederlandse Muziek. Overbeeke onderzocht het beleid van de orkesten in deze periode in de context van de rol van de overheid, de gecomponeerde muziek, de publicaties erover en de opstelling van Donemus; de uitgever van de meeste door de orkesten gespeelde muziek.

Aan de hand van de programmalijsten heeft Overbeeke vast kunnen stellen hoe ongeveer twintig Nederlandse professionele symfonieorkesten tussen 1945 en 2000 omgingen met werken van Nederlandse componisten. Ook ging hij na in hoeverre de orkesten moeite deden dit repertoire aan de man te brengen en hoe het publiek erop reageerde. Evenzo beschrijft hij de reactie van de orkesten op nieuwe muziekstijlen en de komst van ensembles voor kleinere bezetting. Hij zocht dan ook naar antwoorden op onder andere, de volgende vragen: Wat speelden de Nederlandse professionele symfonieorkesten tussen 1945 en 2000 aan orkestmuziek van eigen bodem? Welke componisten werden tussen 1945 en 2000 het meest gespeeld? Welke typen componisten waren wanneer ‘in’ en wanneer ‘uit’? Wat zijn bij deze kwesties de overeenkomsten en verschillen tussen de orkesten? Welke verschuivingen in het repertoire hebben zich in deze ruim vijf decennia voorgedaan?
Omdat de programma’s van de orkesten de basis vormen voor dit onderzoek, is aan het boek een cd-rom toegevoegd met daarop alle programma’s met één of meer Nederlandse werken. Ook zijn overzichten van de meest gespeelde componisten per orkest en per tijdvak opgenomen.

Overbeeke houdt zich in zijn dissertatie bezig met de kernvraag: hoe zijn wij omgegaan met onze eigen componisten en muziek? Het belang van dit proefschrift lijkt me duidelijk en programmeurs en artistiek leiders, zullen hier graag notie van nemen.

Emanuel Overbeeke is musicoloog en dit boek is de handelseditie van zijn proefschrift. Eerder publiceerde hij onder meer boeken over Stravinsky, Chopin, Debussy, Vestdijk en de muziek, en Entartete Musik.

Emile Stoffels
Luister Magazine 699

Ken je klassiekers – reis door de klassieke muziek

Tuesday, July 29th, 2014

Ken je klassiekers, Aldo Druyf
ISBN: 9789081449601
Aldo Classics

We kunnen het ons levendig voorstellen: de wanhoop op het gezicht van iemand, die een klassieke speciaalzaak binnenwandelt. Hij of zij brand van nieuwsgierigheid om de wereld der klassieke muziek te verkennen. Maar waar moet die persoon in Gods naam beginnen?

En in een speciaalzaak kan men nog een goed advies krijgen van een bevlogen winkelbediende. Helaas worden deze speciaalzaken meer en meer een zeldzaamheid. Wellicht maakt dit de kwestie nog lastiger, dan dat hij al is. Want hoe moet dat dan achter de computer? Het alternatief voor de winkel. Wat is een suite? Wat is kamermuziek? Nog maar te zwijgen over de volgende stap: welke van de twintig uitvoeringen van de Rheinische Symfonie van Schumann moet hij of zij nu nemen?

Ook op een andere manier worden veel nieuwsgierigen ontmoedigd. Pas nog zei Arie Boomsma bij Pauw & Witteman iets van, dat veel mensen klassieke muziek als een ondoordringbaar bastion ervaren.

Aldo Druyf – die zijn ervaringen grotendeels heeft opgedaan in een klassieke platenzaak – ontfermt zich over deze lieden. In zijn boek “Ken je klassiekers” verdeelt hij de klassieke muziek in 50 genres binnen vier categorieën (vocale muziek, solomuziek, orkestmuziek en kamermuziek), waarbij hij de meest representatieve voorbeelden noemt. Aan het begin van ieder hoofdstuk worden 5 opvallende kenmerken van het beschreven genre genoemd. Het mooie van deze opzet is, dat de lezer op verschillende manieren kan zoeken. Ook kan er op sfeer gezocht worden: Romantisch, Swing, Spektakel etc. Dit vind ik overigens minder geslaagd. Bij veel muziekstukken worden ook nog quotes en verwijzingen naar popmuziek en film gemaakt. Ook de tekeningen en karikaturen van John Minnion zijn kostelijk. Verder kan de geïnteresseerde voor de luistervoorbeelden, de website www.kenjeklassiekers.eu bezoeken.

Eigenaardigheden zijn er wat mij betreft ook. Zo staat Sinfonia da Requiem van Benjamin Britten als alternatief voor Brittens War Requiem bij vocale muziek, terwijl er in dat stuk geen zang voorkomt. Ook is het onjuist dat er geen strijkinstrumenten in Stravinsky’s Psalmensymfonie gebruikt worden. Evenzo vond ik Druyfs verantwoording om Mahler bij de modernen in te delen, problematisch. Maar alles overziend kan ik dit boek van harte aanbevelen. Een beknopte en handige gids die verder gaat dan Klassieke muziek voor Dummies. Een prima start voor geïnteresseerden – vooral jong volwassenen – die een bres in de muur willen slaan van het bastion der klassieken.

Emile Stoffels
Luister Magazine 699

SZYMANOWSKI – Stabat Mater • Harnasie

Saturday, March 22nd, 2014

SZYMANOWSKI
Stabat Mater • Harnasie
BBC Symphony Chores • BBC Symphony Orchestra • Edward Gardner
Lucy Crowe • Pamela Helen Stephen • Robert Murray • Gábor Bretz
Chandos CHSA 5123 SACD DDD 58’36

Uitvoering / opname  ***** / *****

Polen had tijdens de bloeiperiode der nationale toonkunst geen rol van betekenis gespeeld en nadat de Poolse grenzen door de Europese herschikking in 1918 weer eens waren herzien, was men uiteraard ook op zoek naar een artistieke heroriëntatie. In die tijd trad Szymanowski als sterke figuur op. Het is goed te horen dat ook Szymanowski – nadat hij was beïnvloed door Richard Strauss – zich begint af te zetten tegen de Duitse stijl, die hem zo in haar greep had. Zijn interesse voor de mystiek en oosterse religie werkte als een antidotum, maar zeker ook zijn ontdekking van Scriabin, Debussy en Stravinsky’s Petrushka. Hoogtepunt op deze cd is uiteraard het Stabat Mater uit 1925/26, dat een Byzantijnse soberheid kent. Een ‘Boeren Requiem’ dat hij schreef toen hij als directeur werkzaam was aan het conservatorium van Warschau. Het is ontegenzeggelijk Szymanowski’s belangrijkste vocale werk en is ondanks zijn bescheiden afmeting, een uiterst expressief en indringend opus. In het laatste deel horen we een melodie waarvan Szymanowski zelf zei, dat het de mooiste melodie was die hij ooit had geschreven. De opname onder Gardner is voortreffelijk in balans en het BBC koor klinkt groots en homogeen. De solisten zijn zo mogelijk in nog grotere vorm. Alles lijkt te kloppen in deze opname, maar het belangrijkste is waarschijnlijk dat de luisteraar een volslagen spirituele ervaring ondergaat: een doop in sacrale kleuren en klanken. Hier tegenover staat het heidens, liederlijke Harnasie dat Szymanowski daarna schreef: een kleurrijk volksballet over de bandieten van de Tatra’s. Om gezondheidsredenen moest hij in het Tatra gebergte verblijven en werd geboeid door de volksliederen van die streek. Ook hier krijgen we een zinderende uitvoering voorgeschoteld. Deze SACD zou in iedere kast moeten staan. Gezien de hoeveelheid speeltijd had er wat mij betreft nog wel wat extra muziek op gemogen.

Emile Stoffels
Luister Magazine 696

Thursday, March 29th, 2012

STRAVINSKY
Rite of Spring Firebird Suite Scherzo Tango
Budapest Festival Orchestra Ivan Fischer

Channel Classics CCS SA 32112 DDD 63’10

Uitvoering/Registratie *****/*****

Ofschoon sommige auteurs Le Sacre weleens betitelen als een laatste uitloper der Romantiek, maakt het nog steeds een hyper moderne indruk. Dit werk steunt grotendeels op de ritmiek en is blijkbaar voor veel orkesten nog steeds een uitdaging. Ivan Fischer is inmiddels wel uitgegroeid tot een maestro, door keihard te studeren en zich alleen bezig te houden met de noten. Dat blijkt wel uit deze Sacre die in meerdere opzichten indrukwekkend is. Enigszins getemperd weliswaar – ik zou bijna willen zeggen in cultuur gebracht – maar daardoor wel een enorme controle. Vanaf het eerste moment is daar die spanning en genoot ik van de basklarinetloopjes. In de Augures printanières — Danses des adolescents zijn er veel details te bewonderen. Veelal is dit deel ritmisch lastig vooral verderop, maar Fischer doet dit vlekkeloos. Bij Rondes printanières zucht en kreunt het, zonder dat het te veel gaat slepen. Wel hadden de hoorns in de climax wel wat luider gemogen. Bij de Cortège du Sage heb ik zelden zulke knorrende fagotten gehoord. Ook was er geen hysterie in de Adoration de la terre, waardoor de aard van de rite wordt onderbelicht. De verleiding is ook wel volkomen begrijpelijk om juist daar vol gas te geven, maar Fischer doet dat dus niet. Ook verstaat hij de kunst van het kruit niet te snel te verschieten, zoals blijkt uit Le Sacrifice. Hij werkt duidelijk toe naar het slot, waar het helemaal los gaat zonder dat het een kermis wordt. Alles overziend een meer dan uitstekende Sacre dus. Complimenten evenzo aan de opname technici: Een mooie uitgebalanceerde en homogene opname die nergens hinderlijke nadrukjes vertoont. De registratie heeft een rood-bruine gloed, met toch overvloedige details. Wel lijkt het of de opname een voorkeur voor het hout heeft, maar ach… had Stravinsky dat zelf ook niet?

Emile Stoffels
Luister 681

Diskotabel – de vergelijking

Saturday, March 12th, 2011

Op 27 februari werd in de vergelijking van Diskotabel op Radio 4, Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky besproken. Liefst negen uitvoeringen werden met elkaar vergeleken naar aanleiding van een nieuwe opname onder Andrew Litton op Bis. Ofschoon de commentaren een vertekend beeld geven, was het wel weer nuttig dit o zo belangrijke werk te bespreken.

Uit de eerste ronde bleek dat opname A een toporkest is met de nodige articulatie en balans. Opname B was wat langzamer, maar ook meeslepender en grillig. Opname C kwam er wat minder positief vanaf. Hier vond men het toch wat vlakker en minder pakkend. Ook de openingssolo van de fagottist was minder aansprekend en speelde meer op safe.

A. Bergen Philharmonic Orchestra, Litton BIS
B. Bamberger Symphoniker Nott, Jonathan Tudor
C. Cleveland Orchestra, Chailly Decca

Bij de tweede ronde was een panellid erg te spreken over D aangezien deze opname het meest authentiek overkwam. E bleek weer wat vlakker te zijn en te voorzichtig. Dit zou door de opname kunnen komen. Opname F werd weliswaar als eigenzinnig ervaren, maar was erg opwindend. Er was veel drive te bespeuren.

D. Koninklijk Concertgebouw Orkest Jansons, RCO Live RCO
E. London Philharmonic Orchestra, Haitink DECCA (oorspronkelijk op Philips uitgebracht)
F. Kirov Orkest, Gergiev PHILIPS

Bij de laatste ronde werd de opening van het tweede deel beluisterd. Hier werd vrij snel duidelijk en was men unaniem van mening dat opname H het hoogtepunt van de uitzending vormde. Alles leek hier te kloppen.

G. Detroit Symphony Orchestra, Dorati DECCA
H. Cleveland Orchestra, Boulez Deutsche Grammophon
I. Columbia Symphony Orchestra, Stravinsky Sony

Aan het slot waren het voor twee panelleden, opname H en F die er uitsprongen en voor een panellid opname H en D. Boulez op Deutsche Grammophon dus de kampioen, Gergiev op Philips op de tweede plaats en Jansons op RCO Live kreeg brons.

Voor mij persoonlijk blijft die onder Davis op Philips met het Concertgebouw Orkest uit 1977 nog steeds de toetssteen.

Audiophysic Sitara – Sierlijke HiFi

Sunday, February 6th, 2011

Audiophysic Sitara

De eisen en functies van luidsprekers zijn in de loop der tijd enigszins veranderd. Waar exotische speakersystemen voor pakweg twintig jaar terug veelal nog grillige ontwerpen waren, wordt dat nu zoveel mogelijk teruggebracht naar eenvoudige doch strakke designs.

Audiophysic is zo’n bedrijf dat dat op succesvolle wijze doet. Al hun modellen voldoen qua verhouding en vormgeving aan de gulden snede en zijn een lust voor het oog.

Het gerenommeerde bedrijf van eigenaar Dieter Kratochwil en ontwerper Manfred Diestertich uit het Duitse Brilon, timmert al weer sinds 1983 aan de weg en ik was dan ook benieuwd naar de prestaties van de Sitara luidsprekers in mijn huiskamer. Bij het uitpakken werd mij al snel duidelijk dat dit bedrijf buitengewoon serieus is en nadere inspectie ontblootte dan ook een afwerking van de hoogste kwaliteit. De in China vervaardigde kasten zijn werkelijk vlekkeloos afgewerkt. De drivers daarentegen worden ontworpen en ontwikkeld in eigen huis en exclusief voor Audio Physic gemaakt.

De Sitara is een 2,5 weg systeem en het kleinste vloerstaand model uit de High-End serie met een gevoeligheid van 89dB en een nominale impedantie van 4 ohm. Opvallend is hoe het faseverschil tussen de tweeter en middentoner wordt gecorrigeerd, door de kast zeven graden achterover te laten kantelen. Er zijn uiteraard meerdere wegen die naar Rome leiden, maar dit is wel op een zeer esthetisch verantwoorde wijze gedaan. Verder is de kast te verkrijgen in diverse uitvoeringen: Maple, Black Ash, Cherry, Walnut, Ebony, White High gloss en Black High gloss. Overigens is er tegen een meerprijs van 200 euro de mogelijkheid tot bi-wiren.

Luisteren

Het eerste paartje dat ik kreeg was niet ingespeeld behalve dan dat de Drivers door Audiophysic gedurende 15 uur getest en belast worden in de fabriek voordat ze geassembleerd worden. Dit stelde mij weer eens in de gelegenheid te horen, hoe een systeem zich ontwikkelt tijdens het inspeelproces. Het proces dat wellicht is te vergelijken met de metamorfose van een onooglijke rups naar een prachtige vlinder. Altijd interessant! Toch schijnen er – om onbegrijpelijke redenen – nog steeds mensen te zijn, die vinden en/of denken dat dit onzin is. Maar dat is bijna niet voor te stellen na wéér de zoveelste ervaring, met een nieuw component in een audio keten.

Hoe dan ook, om toch maar snel meters te kunnen maken, werd het eerste duo door More Music omgeruild voor een volledig ingespeeld paartje. Niet dat ik het vervelend vond, een systeem langer dan normaal in huis te moeten hebben. Integendeel! Het leven is echter te kort en de kunst te lang…

Eenmaal uitgepakt en voorzien van de bijgeleverde spikes, kwam ik bij de eerste globale luistersessie uit op een sterk ingedraaide positie op ongeveer 30 centimeter van de achterwand. En dan moeten we toch denken aan een stand waarbij we – indien we het hoofd iets naar rechts of links verplaatsen – al snel de buitenste zijwand van de kasten kunnen zien. Als ik ze weer iets uit elkaar draaide, had dat uiteraard invloed op het stereobeeld. Stemmen en instrumenten waren in dat geval iets moeilijker te lokaliseren en werden dan gradueel groter afgebeeld. Anders gezegd: bij meer indraaien werd het beeld significant scherper en nam de doorluisterbaarheid fors toe. Het is dus de moeite waard enige tijd te investeren in het juist positioneren van de Sitara’s, maar de beloning is groot. Nu moet ik wel zeggen dat ik genoodzaakt was de speakers zo in te draaien, omdat ze 3 meter uit elkaar waren geplaatst door een dressoir. Ik vermoed dan ook dat als de Sitara’s wat dichterbij elkaar zouden staan, er ook geen sterke indraaiing nodig was. De ene luidspreker reageert daar gevoeliger op, dan de ander. Mijn Mission’s die altijd op diezelfde plek staan, hebben daar wat minder last van.

Aangestuurd door mijn Philips DVD 963A, replica Audio Note M7 en Charlize eindversterker, gaven de Sitara’s aanvankelijk een klankbalans die naar mijn zin ietwat tendeerde naar het midden-laag. Toevallig had ik ter recensie ook een aantal voeten uit het Harmonix programma in huis, die ik kon inzetten. Met de RF-900MKII voeten werd die tendens al grotendeels geneutraliseerd, al bleef het toch nog net iets teveel naar mijn smaak. Het voor de hand liggende advies in deze is dan ook om rand apparatuur te kiezen die dat compenseert. Ik kon op dat moment nog niet beschikken over mijn nieuwste referentie, de ModWright KWA 100. Die zou ongetwijfeld nog meer tonale balans hebben aangebracht en bovendien meer profiel. Feit blijft dat uiteindelijk de oren van de potentiële koper zelf tot gids moeten zijn.

Maar laten we vooral noemen waar de Sitara’s goed in waren, want die gedachte overheerst absoluut. Ondanks de genoemde geneigdheid naar het midden-laag, bleken ze behoorlijk ritmisch en bleef er meer dan voldoende elasticiteit over om snellebasloopjes en synthesizers accuraat en met het nodige profiel weer te geven. Dat bleek wel met Dancing Girls op Human Racing van Nik Kershaw. Maar vooral houtblazers werden mooi neergezet. De fagot in de opening van Le Sacre klonk gitzwart en met veel druk. Evenzo de basklarinet iets verderop in het stuk en de rest van het hout hadden het natuurlijke timbre. Het lag dan ook voor de hand dat ze makkelijk waren te identificeren. Een goede test is ook om de hobo van zijn grotere broer de cor-anglais te onderscheiden. Die proef werd ook goed doorstaan in de genoemde balletsuite van Stravinsky. Een ander voorbeeld is de opening van het tweede deel van Vaughan Williams’ 9de symfonie. Daar kan men namelijk gemakkelijk twijfelen tussen een trompet en een flugelhorn en ook hier lieten de Sitara’s het verschil overtuigend horen.

Ofschoon de Sitara’s qua klank iets aan de warme kant zitten, werden wel degelijk masteringsverschillen weergegeven. Dat bleek wel uit een vergelijk tussen de ‘Originals’ serie van Deutsche Grammophon en de eerste generatie Cd’s uit datzelfde huis. Ook veranderingen in de audio keten werden gemakkelijk opgemerkt door deze vloerstaanders. Van tijd tot tijd sluit ik een losse DAC aan op de digitale uitgang van mijn Philips DVD 963A en dat werd overduidelijk blootgelegd; net zoals de experimenten met andere voedingskabels, goed te horen waren.

Conclusie

De Audiophysic Sitara bleek een prettig en aangename speaker zonder dat het de verschillen in opnames nivelleert. Bij veel speaker systemen, sluiten deze aspecten elkaar veelal uit; maar niet bij de Sitara. Anders gezegd: meestal is het óf een aangename klank, óf hoge resolutie, openheid enz.

Zoals altijd dient de potentiële koper ook aandacht te besteden aan het zoeken naar een passende versterker die het enigszins volslanke karakter wat beteugelt. Verder denk ik dat er het beste bekabeling gebruikt wordt, die niet teveel de nadruk legt op het lage midden gebied.

Tot slot heb ik door de smetteloze uitstraling en afwerking ook genoten van de fysieke aanwezigheid van de Sitara’s in mijn huiskamer. D’accord, alles heeft ook z’n prijs maar een dergelijke afwerking is inderdaad zeldzaam en ik kan me voorstellen dat maar weinig echtgenotes een probleem hebben met het sierlijke design.

Emile Stoffels

Gebruikte Cd’s:
Nik Kershaw – Human Racing;
Prince – 3121;
Bartok – Piano Concertos – DG 457 909-2;
Beethoven – 9th Symphonie – DG 447 401-2;
Schönberg – Verklärte Nacht – DG 457 721-2;
Stravinsky – Le Sacre du Printemps – Philips 416 498-2;
Vaughan Williams – 9th Symphony – RCA GD 90508;

De Laatromantiek (II)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (II)

“A human life, I think, should be well rooted in some area of native land where it may get the love of tender kinship from the earth, for the labors men go forth to, for the sounds and accents that haunt it, for whatever will give that early home a familiar unmistakable difference amidst the future widening of knowledge.” George Eliot

Eerder werd al opgemerkt, dat de componist maatschappelijk een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in de samenleving. Een opvallend kenmerk van de laatromantiek is dan ook, een grote bloei van op nationale factoren geïnspireerde muziek.
In het Rusland van einde 19de eeuw kan men twee richtingen onderscheiden: toondichters zoals Moussorgsky (1839 – 1881) die als voedingsbodem vrijwel uitsluitend de nationale folklore gebruiken en een stroming die zich voornamelijk oriënteert op west Europa met Frankrijk als voornaamste richtpunt. Hector Berlioz is als muzikale stamvader hierin voor beide stromingen met zijn traité de l’instrumentation, erg belangrijk geweest. Dit was de orkestrale bijbel waarin de Russische componisten de kunst van het instrumenteren bestudeerden.

De belangrijkste Rus van deze laatste richting is ontegenzeggelijk Pyotr Ilyich Tchaikovsky (1840 – 1893). In zijn streven naar een Oost-West synthese grijpt hij naast onderwerpen uit de Russische geschiedenis – zoals Ouverture 1812 – duidelijk naar onderwerpen uit de westerse geschiedenis: Dante’s Francesca da Rimini of Shakspeare’s Hamlet en Romeo en Juliette. Hij heeft als veelschrijver bijna voor elke vorm wel iets gecomponeerd, maar heeft ook werken van ongelijk gehalte nagelaten. Toch hebben zijn beste werken veelal een aangrijpendheid, die men hoogst zelden hoort. Ook hier zijn de symfonieën representatief, ofschoon hij ook prachtige kamermuziek heeft gemaakt.
Von Karajan heeft de laatste drie symfonieën maar liefst 4 keer opgenomen in het stereo tijdperk als ik goed tel: een keer op EMI en drie keer op DG. Van deze, zijn de uitvoeringen op DG van halverwege de jaren 70 de meest interessante. Het eerste deel van de zesde bijvoorbeeld is veel spannender gedaan dan die uit de jaren 60. Voor velen zijn de digitale uitvoeringen uit de jaren 80 met de Weners een teleurstelling; iets dat ik zeker niet deel. Als u een complete en vooral consistente cyclus zoekt, dan is Jansons op Chandos een zeer interessante keuze en de opnames zijn eerste klas.
Over de vierde symfonie schreef Tchaikovsky in een brief: “De inleiding is tevens de kern van de gehele symfonie, zij bevat de hoofdgedachte. Deze stelt het noodlot voor, de fatale macht die de drang naar het geluk steeds weer verhindert zijn doel te bereiken, die er jaloers voor zorgt, dat welbehagen en rust niet de overhand hebben … een macht die als het zwaard van Damokles voortdurend boven ons hoofd zweeft en onophoudelijk de ziel vergiftigt. …Er blijft daarom niets anders over, zich aan haar te onderwerpen en moedeloos te klagen…Is het niet beter, zich van de werkelijkheid af te wenden en zich aan dromen over te geven?

Ook dit is een aspect der Romantiek dat zich al manifesteert in de muziek van Robert Schumann: de vlucht, de droom, de roes. Dit zijn de duistere kanten van de Romantiek. De kunst gaat langzamerhand de rol van religie overnemen, de kunstenaar die van de priester.
Het is vooral von Karajan (DG 2530 883) die in dit werk het noodlot benadrukt en laat vanaf het begin zien hoe hij boven de partituur staat. Ik ben geneigd te zeggen dat dit een van de beste uitvoeringen van von Karajan op DG is. Zowel von Karajan als Jansons (Chandos ABRD 1124) laat zien dat het van groot belang is, dergelijke werken strak uit te voeren.
Tussen de vierde en de vijfde symfonie is er nog een ander zeer aangrijpend werk geschreven. De Manfred symfonie gebaseerd op Byron. Vreemd genoeg heeft von Karajan deze nog nooit de opgenomen. Voor deze prachtige symfonie, die ik persoonlijk na de zesde de interessantste vind, zijn drie andere dirigenten op vinyl te krijgen: Chailly op Decca (421 441-1), Jansons op Chandos (ABRD 1245) en Muti op EMI (ASD 4169). De laatste twee zijn relatief eenvoudig te vinden en zijn erg goed. Echter Chailly klinkt spectaculair, maar is weer niet zo eenvoudig te krijgen.
Dan de zesde door broer Modest, ‘Pathetique’ gedoopt. De meester zei zelf over deze sluitsteen van zijn oeuvre dat hij dit beschouwde als het beste en oprechtste van zijn werken.
Het eerste deel, begint donker en droevig voornamelijk door de kreunende fagot. Weldra ontstaat een mooi lyrisch schemerig thema dat zacht eindigt in de klarinet. Abrupt wordt dit beëindigd met een klap die het noodlot inluidt en zich gaandeweg hemelbestormend ontwikkelt. Ten slotte mond dit alles uit in een aangrijpende scène die niet in woorden is te vangen. Voor dit sleutelmoment is er slechts één dirigent die dit mijns inziens op de juiste manier doet: Mariss Jansons (Chandos ABRD 1158). Von Karajan (DG 2530 774) fietst hier op alle vier de opnames die ik ken, (veel) te snel overheen. Dat is overigens de enige kritiek die ik op von Karajan heb. Haitink is hier naar mijn smaak iets te nuchter, Bernstein te eigenzinnig en Giulini te langzaam. Ik heb veel opnames gehoord, maar tot nu toe vind ik Jansons het meest overtuigend. Althans, hier.
Na een charmante wals gevolgd door een feestelijk allegro, komt ten slotte de finale. Dat is – tegen de traditie in – het langzame deel: Adagio lamentoso; Andante. Een volslagen afwijkende indeling van de symfonie. Anton Bruckner wisselde de volgorde van de middendelen in zijn Achtste al, maar het adagio als finale is opvallend. Gustaf Mahler zou dat bij zijn negende, ook doen. Tchaikovsky noemde dit deel een requiem. Het eindigt met een berustend Amen. Wat een manier om afscheid te nemen door een gekweld mens die kampte met zijn homoseksualiteit. Enfin, luistert uzelf.
Voor wat betreft de DG Galleria remasters van de opnames door von Karajan, zijn vaak wat gesluierd van klank, dus probeer de oorspronkelijke uitgaven te krijgen die hoorbaar frisser (uit)klinken. De hoezen van de Galleria’s zijn echter mooier.
Tot slot nog aandacht voor het symfonische gedicht Francesca da Rimini gebaseerd op Dante uit 1876. Al bij de opening huivert de luisteraar voor wat er gaat komen. Echter, wanneer de alles vernietigende storm opsteekt in de onderwereld – waartoe de twee overspelige geliefden zijn veroordeeld – voor eeuwig van elkaar scheidt, gaan de haren werkelijk overeind staan. Er is een mooie uitvoering op vinyl te krijgen door Stokowski met het LSO op Philips (heruitgave 416 860-1). Niet laten liggen.

Dit is overigens weer een ander aspect van de laatromantiek. De symfonie als vorm is inmiddels in onbruik aan het raken ten gunste van het “symfonische gedicht”. Dit gaf de componist meer vrijheid van de knellende vorm van de symfonie. In dit verband noem ik nog twee Russische toondichters die wat lastig zijn in te delen omdat ze van een latere generatie zijn, maar wel uitgesproken laatromantisch zijn blijven schrijven.

Het is opvallend dat tegenwoordig voor Alexander Scriabin (1872 – 1915) meer aandacht is vanwege de belangstelling voor mystieke en oosterse religies, het occulte en het fantastische. Zijn “Le Poeme de l’ecstase”, waarin de roes en de vreugde van het scheppen wordt verheerlijkt, is belangrijk te vermelden. Dit symfonische gedicht, waar de erotiek werkelijk vanaf druipt, boeit vanaf het eerste moment. Abbado met het BSO (DG 2530 137) wordt op e-Bay regelmatig aangeboden en is naar mijn mening opwindender dan Maazel op Decca.

Ofschoon ik er nog steeds niet van overtuigd ben dat Rachmaninov (1873 – 1943) tot de allergrootsten behoort, wil ik toch zijn Dodeneiland noemen. Dit hoogst evocatieve werk is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Arnold Böcklin (1827 – 1901). Het doek wordt nog steeds beschouwd als een icoon en het begin van het zogenaamde fantastische element in de schilderkunst.
Op plaat is er eigenlijk maar een aan te raden: Ashkenazy met het CGO (Decca 410 124-1) een geweldige opname en zeer vleiend voor het concertgebouworkest. Prachtige hoes ook!

Naast de Russische nationale school, handhaaft zich ook de Tsjechische muziek der 19de eeuw. Belangrijk zijn Bedrich Smetana (1824 – 1884) en vooral Antonín Dvořák (1841 – 1904). Deze meester der idylle oriënteert zich in de symfonie voornamelijk op Johannes Brahms. Van hem worden veelal de laatste drie symfonieën opgenomen. Toch zijn de eerste 6 ook de moeite waard en uiteraard zijn symfonische gedichten en concertante werken. De uitvoeringen door Colin Davis met het CGO zijn een lust voor het oor en gemakkelijk te krijgen. Overigens zijn alle opnames met Davis op Philips met het CGO de moeite waard, zover ik weet. Of het nu Haydn, Berlioz of Stravinsky is, keer op keer valt die romige Philips klank op. Van de negende zijn ontelbare opnames gemaakt, maar het lijkt iedere keer een herontdekking met Davis.

Ook Finland heeft met Jean Sibelius (1865 – 1957) een nationaal figuur die het Finse lot als een moderne atlas op zijn schouders draagt. Het symfonische gedicht Finlandia gaat over de Russische overheersing van Finland. Sibelius heeft 7 symfonieën nagelaten. Ook hier is von Karajan op DG weer een uitstekende keuze naast alweer Colin Davis op Philips.

Volgende maand deel 3 van de laatromantiek met o.a. de Duitse meesters uit deze bewogen periode. Er is uiteraard verschil tussen de generatie van omstreeks 1840 die haar werkzaamheden afsluit en de generatie die zich volledig ontplooit in dit tijdsgewricht. Dus tussen Smetana, Dvorak Tchaikovsky etc. aan de ene – en Debussy, Ravel, Mahler en Reger aan de andere kant. Ook al gehoorzamen generatiegenoten vaak aan één en dezelfde impuls, afhankelijk van het land van herkomst of individuele geaardheid vallen er dus belangrijke verschillen te constateren.

De Modernen (II)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (II)

Duitsland is als muzikale hoofdmacht haar leidende rol kwijtgeraakt aan Frankrijk, Oost Europa en Oostenrijk. Een ontwikkeling die zich in de laatromantiek al aftekende. De meest in het oog springende toondichters uit deze tijd hebben we vorige maand al behandeld.
Deze maand ‘de anderen’ en zoals ik heb beloofd, een aantal onderbelichte componisten of werken van componisten.

Arthur Honegger (1892 – 1955)

De belangrijkste componist uit Frankrijk en noodzakelijk te vermelden als een der belangrijkste symfonici uit deze stijlperiode. Ook deze opvallende toondichter heeft een taal gevonden die vernieuwing paart aan de traditie. Honegger wil naar eigen zeggen het “oude spel op nieuwe wijze spelen”. Voor hem betekende het schrijven van symfonieën, een terugkeer naar de driedeligheid van het vroege classicisme.
Al zijn vijf symfonieën zijn aan te bevelen, waarvan de vierde – in mijn ervaring – de langste tijd nodig heeft om door te dringen. De tweede, derde en zijn Pacific 231 zijn waarschijnlijk zijn populairste werken. Twee dirigenten zijn toonaangevend: von Karajan en Dutoit. De laatste heeft alle symfonieën opgenomen en zijn werkelijk prachtig geregistreerd.

De tweede, geschreven voor strijkers en trompet die pas aan het eind een rol speelt, is ontstaan tijdens een diepe depressie door de Duitse bezetting van Frankrijk. Ofschoon dit goed te horen is, slaagt hij erin om zich helder en doorzichtig uit te drukken. Iets dat weinig componisten uit de 20ste eeuw gegeven is.
In iets mindere mate geldt die doorzichtigheid ook voor de derde uit 1945 -46. In deze symfonie wilde hij de opstand van de moderne mens symboliseren tegen de vloed van barbarisme, domheid, het lijden, mechanisatie en de bureaucratie, die ons al enige jaren bedreigt. Dat is nog steeds zo en misschien mag ik eraan toevoegen: vadsigheid, gemakzucht en het onvermogen autonoom te denken.
De tweede symfonie is bij von Karajan (DG 2530 068) met de derde gekoppeld. Deze opname heeft zo langzamerhand een cultstatus bereikt. En terecht. De opname locatie voor wat betreft de derde, is de Jezus Christus kerk in Berlijn (opgenomen 1969, pas in 1973 gereleased) en de opening is verpletterend. Bijna horror.
Bij Dutoit (Erato NUM 75117) zijn de scherpe kantjes eraf, maar dat kan gedeeltelijk verklaard worden doordat de opname mooier is en men dan vervolgens niet het gevoel heeft dat het dak eraf gaat. Ach, beide uitvoeringen zijn gemakkelijk te krijgen op het net. Waarom niet beide kopen?

Het is opvallend te constateren dat Rusland voor 1850, in de muziek nauwelijks een rol van betekenis heeft gespeeld, en een eeuw later staat zij met Stravinsky, Prokofiev en Sjostakovich in de voorste rij. Deze verrassende opkomst is te danken aan de sterke muzikale potentie van het Russische volk.

Serge Prokofiev (1891 – 1953)

Na Stravinsky een der oorspronkelijkste toondichters uit Rusland en buitengewoon kleurrijk. Järvi heeft erg veel van Prokofiev opgenomen in de jaren 80 op Chandos en ook al zijn symfonieën. Die zijn gemakkelijk op e-Bay te vinden en zijn een uitstekende keuze.
Een groter contrast tussen de eerste – in de stijl van Haydn gecomponeerd – en de tweede, is moeilijk denkbaar. Met de laatste wilde hij een werk van “ijzer en staal” schrijven en kan gezien worden als een verklanking van de Russische industrialisatie uit de jaren 20 net als De Fabriek uit de symfonische suite op 41.
De derde met thematisch materiaal uit zijn Opera de Vurige Engel, is samen met de vijfde wellicht zijn meest uitgevoerde.
De derde door Chailly (DG 410 988-1) en de vijfde door von Karajan (DG 139040) vinden we regelmatig in de kringloopbakken, maar het is zondermeer de moeite waard om ook eens op zoek te gaan naar Jansons (Chandos) en Ashkenazy (Decca).
Ofschoon de pianoconcerten onderling niet direct een ontwikkeling laten zien, zou u uzelf tekort doen deze muziek te laten liggen. Vooral het tweede en derde pianoconcert zijn de moeite waard. Van de integrale opnames duiken er twee regelmatig in het tweede hands circuit op: Ashkenazy met Previn (Decca) en Beroff met Masur (EMI). De eerste set wordt het meest gelauwerd en vooral de Nederlandse heruitgave klinkt fenomenaal. Echter, persoonlijk vind ik de EMI set qua interpretatie sterker.
Dan de Scytische suite. Prokofiev had het aangeleverd als ballet aan Serge Diaghilev, die helaas weinig interesse toonde. Hij werkte het ballet vervolgens om tot een vierdelige suite. Net als de “Le Sacre” van Stravinsky, is dit weer een werk dat onmiddellijk binnenkomt en een onuitwisbare indruk achterlaat. Abbado met het CSO (DG 2530 967) is veruit de beste uitvoering die ik ken en wordt regelmatig aangeboden voor niet al te veel geld.

Tot slot de pianosonate no. 7 door Pollini (DG 2530 225). Een briljant werk en ongelofelijk beheerst uitgevoerd. De enige kritiek die ik op de opname heb, is dat de piano wat weinig body in de lage registers heeft. Iets wat ik vaker ontwaar bij DG. Niettemin, kopen!

Shostakovich (1906 – 1975)

Hoewel ik vind dat deze componist niet altijd de doorzichtigheid van bijvoorbeeld een Arthur Honegger bereikt, maken zijn symfonieën wel een verpletterende indruk. Ik wil hier graag de 10de symfonie noemen. Er zijn twee uitvoeringen die relatief eenvoudig te krijgen zijn: beide door vonKarajan (DG 139020 en 2532 030). Von Karajan heeft altijd een speciale affiniteit gehad met deze symfonie.

De Nederlanders

Het komt uit Nederland. Oh… dan kan het niets zijn. Toch? Het is een schande dat we het nog steeds moeten doen met povere opnames van obscure labels als we de Nederlandse componisten uit deze periode willen beluisteren. Op een Donemus verzamelplaat vinden we bijvoorbeeld de derde symfonie van Henk Badings (1907 – 1987). Mono en niet om aan te horen; of dat je door een sleutelgat luistert. Onbegrijpelijk dat Nederlandse dirigenten niet een aantal symfonieën en concertante werken hebben opgenomen. Nee, wel de zoveelste Mahler of Beethoven symfonieën cyclus. Ik geloof eerlijk gezegd niet dat we daar op zitten te wachten. Nu heb ik op Radio 4 recentelijk wel vernomen, dat er wat meer belangstelling is voor Badings’ werk.
Zijn Ballade voor Fluit en Harp uit 1950 is een aantal keren opgenomen en op plaat hebben we Abbie de Quant met Edward Witsenburg op EMI (1A 037-25128) die niet meer dan een of twee euro in de kringloopwinkel zou moeten kosten. Het is een prachtig werk en over de instrumenten combinatie zei de componist: “…beide kunnen zij op dezelfde mysterieuze wijze uit de stilte tevoorschijn komen en in de stilte terugkeren”.

Die schandelijke situatie is minstens zo van toepassing op de muziek van Hendrik Andriessen (1892 – 1981), die vier symfonieën heeft gecomponeerd waarvan ik van de laatste durf te beweren dat dit meesterwerk zich kan meten met de beste symfonieën van de 20ste eeuw.
Het is een uitgebalanceerd werk waarin het hoofdthema iedere keer in gewijzigde vorm terugkeert in alle drie de delen. In het eerste deel – het Pièce de résistance – laat Andriessen ons ongekende muzikale invallen horen. Na een ernstige introductie, ontplooit het deel zich zo overtuigend dat de luisteraar zich onmogelijk aan de ijzeren greep kan ontworstelen. Ook valt direct op hoe Andriessen zijn voorliefde voor Bach combineert met de harmonische verworvenheden van César Franck en Albert Roussel en speelt met metrum en tempo. In het middendeel komen we tot rust in een schijnbare luwte met boeiende melodielijnen in de houtblazers, om ten slotte in het Allegro vivace overweldigd te worden. Het is een finale maar met een zeer sterk scherzo karakter. Dit dansante deel, heeft een kracht en levendigheid die ik echt zelden gehoord heb.
Het hoofdthema voor deze serie is weliswaar vinyl, maar soms bestaat de noodzaak af te wijken van het hoofdthema. En wel hierom. De zojuist besproken vierde symfonie is ooit op CD verschenen met het Residentie Orkest onder Ed Spanjaard op Olympia (OCD 507). Dit is een verzamel CD van Nederlandse componisten met o.a. de eerder genoemde Henk Badings en Alphons Diepenbrock (1862 – 1921). De CD is gediscontinueerd, maar wordt heel soms op e-Bay aangeboden. Twijfel dan niet!
Van Willem Pijper (1894 – 1947), die over het algemeen gezien wordt als Neerlans knapste componist uit deze periode, is meer opgenomen. Op Donemus hebben we een aantal dubbelaars met o.a. zijn drie symfonieën. Helaas vragen antiquariaten onredelijke prijzen voor platen op het Donemus label.

De Amerikanen

Degenen die nog steeds denken dat Amerikanen in het beste geval alleen maar epigonen arbeid kunnen verrichten, moeten zich maar eens in de volgende composities verdiepen. Men zal een boeiende uitdrukkingsvorm ontdekken die volslagen uniek is.

Roy Harris Symfonie No. 3, William Schuman Symfonie No. 3, NYP – L. Bernstein (DG 419 780-1)
“Laten we onszelf niets wijs maken.”, zei Roy Harris (1898 – 1979), “Mijn derde symfonie kwam op een tijd dat er behoefte aan was.” Toegegeven, het klinkt wellicht wat zelfbewust, maar Amerika was in de jaren 30 volgens Aaron Copland toe aan een ‘ernstige symfonie’.
Zodra het zangerige openingsthema van de celli inzet, gaat men voor de bijl. Het opus blijft zich schitterend door ontwikkelen tot aan een tragische climax op het einde, die voor altijd zal beklijven. Het is een eendelig werk dat uit meerdere secties bestaat en iets minder dan 20 minuten duurt. Voor het eerst uitgevoerd in Boston onder Serge Koussevitzky. Mede door hem was Amerika halverwege de 20ste eeuw, rijk aan symfonieën.
Zo ook de derde symfonie van William Schuman (1910 – 1992) die gekoppeld is met die van Roy Harris. Er zijn er die Schuman een bravoure componist vinden. Voor een aantal bladzijden klopt dat, denk ik. Aan de andere kant kunnen we dat ook van andere gevestigde componisten zeggen, maar een Amerikaan heeft nu eenmaal minder krediet. Hoe dan ook, deze symfonie bestaat uit twee delen die elk weer uit twee delen bestaan en in elkaar overlopen. Het langzame derde deel is een prachtig mijmerend stuk. Beide werken staan onder directie van Leonard Bernstein, die hier zo’n beetje op zijn best is. En dan ook nog die schitterende hoes van Thomas Hart Benton. Mooi product van DG. Is na wat speurwerk op het net te vinden en inmiddels op CD weer heruitgegeven.

We blijven nog heel even bij William Schuman omdat ik vind dat zijn vioolconcert de moeite waard is. Men zou het een tweedelige symfonie met viool kunnen noemen. En het spettert! Ik ken nauwelijks een concertant werk dat zo met de deur in huis valt. Op vinyl is er slechts één te vinden, maar dat is dan ook tevens een schot in de roos. Het is de uitvoering door Zukofsky en Michael Tilson Thomas met de Boston Symphony Orchestra uit 1971 (DG2530103). De koppeling is met een ander mooi werk: de 2de symfonie van Walter Piston (1894 – 1976). 
Een andere interessante plaat met hetzelfde ensemble en uit die tijd is Charles Ives (1874 – 1954) Three Places in New England (DG 2530 048), gekoppeld met Sun-trader van Carl Ruggles (1876 – 1971) gebaseerd op Robert Brownings gedicht Pauline. Het laatste is een dissonerend stuk van ruim 16 minuten en aan het einde bent u wel toe aan een kopje kalmerende groene thee.
Tot slot een apart geïnstrumenteerd en vooral exotisch werk: de Toccata voor Orkest “Tabuh-Tabuhan” uit 1936 van Colin McPhee (1900 – 1964). Hierin wordt een uitgebreide Balinese slagwerksectie gebruikt. Het resultaat van jarenlange research op Bali en Java. De hoekdelen vallen vooral op door het ritme en in het middendeel speelt de fluit een oorspronkelijke Balinese melodie. De opname is uit 1956 door Howard Hanson en de Eastman-Rochester Orchestra op Mercury Golden Imports (SRI 75116). Uit deze plaat blijkt duidelijk dat men toen uitstekende opnames kon maken.
Overigens niet alle Mercury Golden Imports zijn even goed. Bijvoorbeeld Respighi – Church windows/Festa di Roma (SRI 75113) zou ik lekker laten liggen.

Volgende maand beginnen we met de laatromantiek waarbij het impressionisme is inbegrepen. Een tijdsgewricht met de daarbij behorende geestelijke houding en een periode waarin componisten zich op de grens van tonaliteit bewegen.

STRAVINSKY The Rite of Spring; Apollon Musagète

Wednesday, December 22nd, 2010

STRAVINSKY
The Rite of Spring; Apollon Musagète
Jaap van Zweden, Netherlands Radio Philharmonic Orchestra
Exton OVCL-00330 SACD Hybrid, DDD 64’

Uitvoering *** / Opname *****

Is er een werk in de 20ste eeuw te noemen dat historisch gezien, belangrijker is? Höweler omschrijft de uitwerking van dit opus als ‘de kiemkracht, die rotsen laat splijten door zaad’. Het huiveringwekkende, de artistiek verantwoorde weergave van lelijkheid, de verminking en het sublieme in de natuur. Dat heb ik een beetje gemist in deze uitvoering. De overgang van de Augures printaniers — Danses des adolescentes naar de Jeu du rapt bijvoorbeeld, vond ik te weinig opwindend en in het Rondes Printanières klinkt het koper m.i. te bedekt. Maar voor de rest een mooie opname. De grote trom is werkelijk vijf op de schaal van Richter. En gecontroleerd! Ik moest in de Danse sacrale regelmatig het volume aanpassen. Tot deze opname, had ik nog een goede relatie met de buren… Een groot contrast vormt, althans binnen Stravinsky’s oeuvre, de serene Apollon Musagète. Een juweel van een werk, vooral het laatste stuk. Het bleek in uitstekende handen bij maestro van Zweden.

Emile Stoffels
Luister 659

« Previous Entries