Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Cayin VP-100-i

Thursday, December 16th, 2010

Cayin VP-100-i

Ons leven wordt veelal bemoeilijkt, door de keuzes die we kunnen maken. Ook binnen een luxe onderwerp als audio. Wat zullen we kiezen? Multichannel of ‘gewoon’ stereo? Gescheiden of geïntegreerde versterking? Buizen of torren (transistors)? Push-pull of single ended? Hoog rendement luidsprekers met laagvermogens versterkers of andersom? Nieuw of tweede hands? Of wellicht zelf (laten) bouwen?

Buizen zijn tegenwoordig HOT. Ofschoon een buizenversterker relatief eenvoudig zeer goed kan klinken, dienen we ons te realiseren dat er ook slechte buizenversterkers zijn. Een buizenconcept op zichzelf, is niet zaligmakend. Ook zouden we er goed aan doen, de jongste ontwikkelingen te volgen op het gebied van klasse D versterking, veelal gebaseerd op de inmiddels beroemde Tripath chips. Hierover meer in een later artikel wellicht. Hoe dan ook, het is voor velen duidelijk dat een buis bepaalde kwaliteiten heeft die een transistor eenvoudigweg niet heeft.

De hier geteste buizenversterker en CD speler zijn producten van Cayin. Dit bedrijf is gevestigd in de buurt van Hong Kong en heeft al meer dan 10 jaar een goede reputatie in onder andere Amerika, Engeland, Duitsland en Frankrijk.

Mijn eerste visuele kennismaking met Cayin was de HA-1A koptelefoonversterker met het mooie patrijspoortje, van waarachter de buizen ons verleidelijk aankijken. Ik weet nog dat ik samen met een collega likkebaardend naar de foto’s op het Internet keek. De hier geteste VP-100-i is een totaal ander verhaal.

De apparaten kwamen bij mij via de distributeur Hay End Audio te Venlo en hij vertelde dat de apparatuur was ingespeeld. Dat is een absolute voorwaarde: denk eens aan al dat ‘ijzer’ dat moet inspelen en niet te vergeten de weerstanden en condensatoren. Dat duurt even.

Hij had de apparatuur laten bezorgen door een in audio gespecialiseerd logistiek bedrijf. De chauffeur had ze met een steekkarretje in de gang gezet. Toen ik de enorme doos wilde optillen, begreep ik direct waarom: nadat ik het op mijn luisterkamer had staan op zolder, moest ik direct een banaan eten. Tip: haal beneden éérst de apparatuur uit de doos, om de manoeuvreerruimte te vergroten want een dergelijke versterker naar boven slepen is een martelgang op zich.

De versterker ziet er imposant, degelijk en gelikt uit. Het is een geïntegreerde versterker met naar keuze triode (2 x 24 watt) of UL* (2 x 50 watt) bedrijf. Tot 2 x 15 watt werkt hij in klasse A. Het verschil met mijn eigen versterker is opvallend. Niet alleen qua afmeting en vermogen, maar vooral qua type buizenbezetting. Waar de Cayin vier KT 88 eindbuizen heeft (twee per kanaal in push-pull configuratie), aangestuurd door vijf dubbeltriodes, heeft mijn eigen versterker slechts twee EL84 eindbuizen (een per kanaal in Single Ended configuratie), aangestuurd door slechts één dubbeltriode.

De eindbuis – de KT88 – is een van de vele indirect verhitte buizen en staat erom bekend dat hij in UL bedrijf erg goed kan presteren. Wat mij al geruime tijd opvalt, is dat versterkers met KT 88 eindbuizen structureel duurder zijn dan hun broeders met EL34 eindbuizen. Terwijl de EL34 zondermeer vergelijkbaar is met de KT 88. Niettemin, de kwaliteit is ook in zeer hoge mate afhankelijk van hoe de buizen staan ingesteld, de kwaliteit van de uitgang trafo’s en de voeding. Een tijd geleden ben ik – na intensief experimenteren – erachter gekomen dat op kritische plekken, de kwaliteit van de weerstanden een enorme invloed op het geluid heeft. Dit is vooral zo bij de anode en kathode kant van de stuurbuis.

Nieuw t.o.v. de voorganger – de Ti88 – is de extra spanningsstabiliserende 6SN7 buis voor de voeding van de voorversterkertrappen.

Buizen gelijkrichting wordt tegenwoordig helaas nog zelden toegepast. Jammer, ofschoon ik de fabrikant wel begrijp. Solid-state gelijkrichting kost minder ruimte, is goedkoper, ontwikkelt nauwelijks warmte en is groener bovendien. En de nieuwste generatie silicon carbide solid-state gelijkrichters klinkt fenomenaal.

Luisteren

Laat ik beginnen te zeggen dat de Cayin me bepaald niet teleurstelde. Voor mij is klankbalans het hoogste goed. Dat wil niet zeggen dat een versterker geen voorkeurtjes mag hebben, maar de balans in zijn geheel moet ongeveer kloppen. Na een uurtje opwarmen bleek de VP-100-i daarover te beschikken. Althans, in triode bedrijf. Bij overschakelen naar UL, ontwaarde ik enige overbelichting in het middenhoog. Dat werd vooral duidelijk bij de toch enigszins uitgesproken opname So van Peter Gabriel. Iets dat ik me nog herinner van de Prima Luna Prologue II (ook met KT 88 in push-pull configuratie), die dat nog extremer had. Doch, bij oudere opnames en daarmee bedoel ik de eerste generatie Cd’s en vroege remasters, pakte dat veelal goed uit.

Wat ook vrijwel direct opviel was de slagkracht. Bij de opening van Alan Parsons’ Piramid werd duidelijk hoe krachtig. De eerste klap, na het vier noten motiefje van Voyager, had een snelheid en precisie die ik niet eerder heb waargenomen met mijn eigen versterkers, noch met andere versterkers die ik hier thuis heb beluisterd. Behalve dan met de Sphinx Project 14 die ik ooit heb gehad. Dit zijn dan ook wel eigenschappen waarin de KT 88 in UL excelleert.

Ook was er weinig of geen sprake van hardheid. De mondharmonica op track 1 van Spirit of Eden is hierin behoorlijk kritisch. Menig versterker valt hier door de mand, maar niet de Cayin. Toch viel een overvloedige hoeveelheid detail en informatie waar te nemen.

Dit was in overtreffende mate het geval bij de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bela Bartok. Dit is een mooie live opname waarin het gehoest en geschuifel goed te horen is. Ook de hoeveelheid ruimte suggestie is opmerkelijk en het omslaan van de bladzijden is zeer realistisch.

Een ander aspect van de Cayin is de hoeveelheid energie die overgebracht kan worden. In de genoemde sonate, komt in het begin twee keer een slag op het bekken voor. In het bijzonder de eerste slag, laat de luisteraar enkele centimeters omhoog veren. De Cayin bleek in staat deze energie over te brengen; vooral in UL bedrijf.

Los van de stereo breedte die opvalt bij het nummer Hyper-Gamma-Spaces op Piramid, ontwaarde ik ook hoogte in het stereobeeld, hoewel mijn huidige single ended versterker het nog net iets breder en hoger wegzet. Die hoogte was nog opvalleder bij Patricia Barbers Cafe Blue. De contrabas op Ode To Billy Joe is echt manhoog in de ruimte.

Over een ding kan ik heel duidelijk zijn. Bij violen prefereerde ik zonder enige twijfel de triode stand. In UL heeft de weergave wat meer ‘snap’, zoals de Amerikanen dat zeggen. Dat kan bij een aantal opnames natuurlijk te veel van het goede zijn. Overigens, wil het niet zeggen dat UL bedrijf altijd wat geprononceerder klinkt dan triode bedrijf. Ook hier ligt het aan de gebruikte buis en vooral de instelling daarvan.

Conclusie

Laten we eerlijk zijn. Het is geen goedkope versterker en al helemaal niet voor Chinese begrippen. Er zijn genoeg versterkers op deze aardkloot met een vergelijkbare buizenbezetting en vermogen voor onder de 1000 euro en ook Cayin zelf heeft goedkopere modellen. Echter, Cayin onderscheid zich duidelijk als een A-merk, door de degelijkheid en uitstraling. Ook blijkt dat de componenten zwevend zijn gemonteerd en ik kan me ook voorstellen dat Cayin behoorlijk wat ontwikkelingskosten heeft gestopt in de uitgangstrafo’s gezien de klank.

Een belangrijke vraag voor een potentiële koper zou kunnen zijn: heb ik dit vermogen werkelijk nodig? Luisteraars staan vaak versteld wat voor een orkaan van geluid een paar nederige watjes kunnen produceren. Hiervoor zijn wel hoog rendement luidsprekers voor nodig. In het algemeen kan ik me voorstellen dat speakers met een rendement van lager dan 90 dB – en dat zijn de meeste -, de kracht en souplesse van de Cayin of een vergelijkbare amp nodig hebben; mede afhankelijk ook van de grilligheid van de luidsprekers.

Ik heb het donkerbruine vermoeden dat de oude Quad electrostaten ESL 57 (de beroemde straalkacheltjes) met deze versterker, wel eens een meer dan voortreffelijke combinatie zou kunnen zijn. Het zijn weliswaar electrostaten, maar niet zo lastig als de meeste andere paneelluidsprekers.

Ook zal de Cayin goed het verschil kunnen laten horen tussen de fabrieksbuizen en NOS buizen. Dit zou een goede upgrade zijn. Te beginnen met de stuur- en inputbuizen. Later kunnen de eindbuizen wellicht aangepakt worden.

Het verschil tussen UL en triode is erg groot. Het schakelen tussen deze twee mogelijkheden gebeurt op de afstandsbediening. Ik vind dit een schitterende feature. Het stelt de luisteraar in staat de klanksignatuur van de versterker onmiddellijk en dramatisch te veranderen. Erg handig! Dit is ook op de goedkopere modellen. Het verschil tussen 4 en 8 ohm was in mijn geval niet groot. Dat zal anders zijn op lastigere luidsprekers.

CD speler

Dan de Cd speler. Die ziet er ook erg fraai en degelijk uit, net als de vesterker. In elke CD100i worden alleen streng geselecteerde condensatoren en buizen gebruikt.

Deze speler heeft naast de cinch buizenuitgang (2 maal 6922 = e88cc), symmetrische XLR uitgangen (via Burr Brown opamps). Het buizengedeelte heeft een eigen stabilisatie en is goed afgeschermd. Voor het upsamplen heeft Cayin de SRC4192-Chip gebruikt. De DA-converter is een PCM-1792-D/A-converter van Burr Brown.

Ofschoon de e88cc door veel buizen goeroes wordt verfoeid, denk ik persoonlijk dat het er maar net aan ligt waar je de buis voor gebruikt en vooral hoe de buis wordt ingesteld.

Er is keuze tussen 44 kHz upsampling en 192 kHz. Ik heb begrepen dat de tentklok modificatie alleen werkt met de 16/44kHz optie.

De klank

Ofschoon de importeur vertelde dat de speler was ingespeeld, bleek na een paar dagen de klank toch nog steeds te verbeteren. Dat is natuurlijk niet vreemd. Na enige tijd werd duidelijk dat de Cayin een enigszins afgeroomde signatuur heeft vergeleken met mijn Philips CDD 882/NOS DAC combinatie, maar wel schoon zonder ‘kruimels’ in het midden-hoog.

Het was weer een tijdje geleden, maar de verschillen tussen zogenaamde NOS (non oversampling) DACs en machines die wel gebruik maken van oversampling, waren weer overduidelijk. Ikzelf kan niet meer zonder NOS. Eenmaal gewend aan de aangename klank, de vanzelfsprekendheid en de rust van NOS op een accu voeding is er geen weg meer terug. Daar staat tegenover dat NOS machines in het uiterste hoog en laag net iets minder energie lijken over te brengen. Dat was te horen met de bekkenslag op de eerder genoemde Bartok sonate.

Die afgeroomde klank viel vooral op bij late remasters, zoals de 50th anniversary serie van Philips, maar ook op de jongste remasters van Alan Parsons en Genesis. Sommige van deze uitgaven klinken onder bepaalde omstandigheden wat scherp. Dat laat de Cayin dan ook duidelijk horen. Daarmee is absoluut niet gezegd dat de CD100i scherp of onaangenaam klinkt. Dat bleek wel weer op The Spirit Of Eden van Talk Talk.

Op Toto IV Limited Millennium Edition, die beduidend beter klinkt dan de normale uitgave, was iets duidelijker het lachje optrack 10 te lokaliseren dan bij mijn combinatie. Bij David Sylvians Colours of the Behave leek het stereobeeld net iets breder, maar mijn combinatie zette het geheel iets dieper weg. Ook de contrabas op track 7 had iets meer attaque op de Cayin. Ook is de CD100i erg precies met de afbeelding. Bij “Excuse Me” op Peter Gabriel I, viel de tuba LETTERLIJK aan te wijzen.

Verschillen tussen 16/44kHz en upsampling (24/192kHz) is niet altijd eenvoudig vast te stellen. Bij wat meer uitgesproken opnames, ontwaarde ik wat meer informatie in vooral percussie instrumenten. “Dear Mr. Man” op Musicology van Prince is zo’n opname die deze specifieke verschillen enigszins uitvergroot, maar het blijft een behoorlijke exercitie van herhaald luisteren om het te horen. Wellicht heb ik net niet de juiste cd’s geselecteerd om deze verschillen uit te vergroten.

Hoe de speler zonder de tentlabs modificatie klinkt weet ik natuurlijk niet, maar wat ik wel weet is dat de mensen van het genoemde bedrijfje, heel goed weten waar ze mee bezig zijn.

Conclusie

De CD100i is een dijk van een CD speler die de concurrentie met (veel) duurdere westerse modellen gemakkelijk aankan. Hij zal in staat zijn om met een verbazingwekkend gemak de verschillen in opnames en zelfs tussen de tracks op een CD precies weer te geven. De CD100i zal het beste schikken in een set met een wat volslanke signatuur. Net als de hierboven geteste versterker, onderscheidt de Cd speler zich ook door de uitstraling en het design dat van zeer goede smaak getuigt.

Emile Stoffels

Gebruikte Cd’s:

Musicologie – Prince
Spirit of Eden (remaster 1997) – Talk Talk
Colours of the Behave – David Sylvian
Piramid (remaster 2007) – Alan Parsons
So (remaster) – Peter Gabriel
Peter Gabriel I (remaster 2002) – Peter Gabriel
Bela Bartok Sonate voor twee piano’s en slagwerk (Philips 420 157-2)

*Noot: UL = Ultralinear. Dat wil zeggen dat de spanning voor het schermrooster via een aparte tap op de primaire kant van de uitgangstrafo komt, ipv. dat het schermrooster een eigen spanning krijgt (dus niet via de primaire kant van de uitgangstrafo). In het laatste geval zou het ‘gewoon’ penthode instelling zijn. Bij triode optie gaat men nog een stapje verder dan UL: het schermrooster wordt volledig aan de anode gelegd. De anode en het schermrooster worden een, waardoor de klank op een triode gaat lijken. Toch, klinkt een echte triode anders.

ModWright KWA 100

Thursday, December 16th, 2010

De KWA 100 eindversterker van ModWright

Dan Wright begon in 2000 met het modificeren van bestaande apparatuur en oogstte daarmee wereldwijde bekendheid. Maar wat als het modificeren niet meer de gewenste uitdaging biedt? Logischerwijs gaat men dan zelf over tot het ontwerpen en fabriceren van een eigen product. Dhr. Wright is blijven ontwerpen en met de opening van de nieuwe fabrieksfaciliteit, kunnen we in de toekomst nog meer interessante producten verwachten. Ook condensatoren worden in eigen huis ontwikkeld.

Ik had nog nooit van het merk gehoord, wat uiteraard niet alles zegt en in het begin – ik moet nu nog steeds goed nadenken – had ik het iedere keer over ModBright, i.p.v. ModWright; vraag aub. niet waarom. Hoe dan ook, de naam is een samentrekking van modifications en Dan Wright; de oprichter van deze firma.

Aangezien luidsprekers in de loop der tijd door de materiaalkeuze van de units en de filtering steeds gecompliceerder werden en dientengevolge meer vermogen eisten van versterkers, begon het versterkers landschap er anders uit te zien. Er kwam een toenemende behoefte aan meer werkkracht. Uiteindelijk verschenen er in de jaren tachtig in de VS versterkers met veel vermogen die ook de nodige stroom konden leveren. Dit zorgde voor een toegenomen controle, die de meest grillige en exotische luidsprekers wist te temmen. Wellicht dat het befaamde Krell hier de belangrijkste exponent van was, maar uiteraard waren er meer merken.

Vermogen of muzikaliteit?

Het mag wellicht voor sommigen vreemd in de oren klinken, maar hoog vermogen versterkers beschikken doorgaans niet over de meest verfijnde klank. Dat heeft uiteraard een reden. Kort gezegd komt het erop neer dat, hoe meer vermogen er nagestreefd wordt, hoe meer componenten er nodig zijn. Des te gecompliceerder zal de schakeling worden en z’n neerslag hebben op de geluidsreproductie. Verder zal een dergelijk ontwerp ook weer eisen stellen aan de voeding en de kostprijs omhoog stuwen. Zodoende verdwijnt er veel kostbare informatie en daarmee muzikaliteit. Enkele merken evenwel slagen er in een goede balans te vinden tussen kracht en finesse. ModWright is daar een goed voorbeeld van.

Kennismaking

Voor ons staat Dan Wrights nieuwe eindversterker: de KWA 100. KWA staat voor Kimmel, Wright en Amplifier; ook verwijzend naar de gelauwerde ontwerper Allen Kimmel. Het vermogen zit enigszins in de naam besloten: 100 watt hoofdzakelijk werkend in klasse A/B, maar eigenlijk levert hij meer: 140 bij 8 en 190 bij 4 ohm. In tegenstelling tot zijn grote broer, zijn voor de KWA 100 Mosfets gebruikt, in plaats van Thermal Trak Bipolars. Wel is er de krachtige voedingstransformator van 500VA, waar de KWA 150 er twee van heeft en voor de rest ook hier hoogwaardige componenten. Op de overzichtelijke printplaat ontwaren we merken als Lundahl en Tamura trafo’s, Panasonic elco’s enz.

Over het algemeen zijn dergelijke machines zwaar en dat geldt zeker ook voor de KWA 150, maar deze Benjamin is verassend licht. De aluminium afgewerkte behuizing oogt degelijk doch elegant en is sinds kort ook in zwart leverbaar. Vermeldenswaard is dat nadat de stand-by hoofdschakelaar op de achterkant is ingeschakeld, er nog een microschakelaar op een minder voor de hand liggende plek moet worden ingeschakeld: linksvoor onder de behuizing. Dat was even zoeken in het begin… Achterop zit ook een schakelbare hoog en laag bias, net als bij de KWA 150. Bij de latere modellen, is die functie echter achterwege gelaten. Nu wordt die schakelaar gebruikt om de enigszins overdadige blauwe led verlichting, die ons via de koelspleten tegemoet komt, uit te kunnen zetten.

Er is overigens ook nog een special edition verkrijgbaar met uitgebreide voedingscapaciteit, verhoogd vermogen door extra mosfets, de in-house ontwikkelde condensators en Takman carbon weerstanden op de kritische plekken in de schakeling. Van de laatste weten we inmiddels dat ze uitermate neutraal klinken. Tot nu toe was ik zeer onder de indruk van de Audio Note Tantaal weerstanden… en dat ben ik nog steeds, maar ik heb me laten inlichten dat de Takmans absoluut niets toevoegen aan het geluid.

Luisteren

Het hoge rendement en vooral de relatief gunstige impedantie karakteristiek van mijn speakers indachtig, meende ik aanvankelijk dat een krachtige eindversterker niet echt veel aan controle en kracht zou toevoegen vergeleken met de versterkers die ik de laatste tijd thuis heb getest. Dat bleek een vergissing.

Nadat de KWA 100 al een paar weken had ingespeeld bij de distributeur, had ik de mogelijkheid deze versterker te testen. Omdat ik niet kon beschikken over mijn eigen replica Audio Note M7 voorversterker, mogelijk vanwege een aardprobleem, moest ik op zoek naar iets anders. Gelukkig stelde een vriend zijn Bryston ter beschikking.

FETs hebben veelal de neiging – net als buizen – om de frequentie uitersten ietwat warm af te ronden. Iets wat Amerikanen Roll-off noemen en wat ik ook enigszins bij de Nelson Pass hoorde. Toch manifesteerde het tintelende hoog bij de KWA 100 zich op een energieke manier. De klavecimbel op Boys For Pele van Tori Amos klonk schoon en aangenaam, doordat de boventonen uiterst correct werden gereproduceerd. Deze tinteling werd bevestigd door Bachs Chromatische Fantasie en Fuga BWV 903, waarbij – FETs eigen – nooit luistermoeheid optrad.

Opvallend genoeg leek het laag wel degelijk ver door te lopen, met een bijna bovennatuurlijke controle. Bij ‘People’ op King Crimsons Thrack sprong de gelaagdheid in de basweergave in het oog, die ik slechts bij tamelijk exotische versterkers ervaar. Zelfs in de laagste registers, was ruimte voor elasticiteit en gemak. Ook bij track 9 op Random Acts of Happiness werd de contrabas manshoog afgebeeld met een onversneden gezag.

Op track 5 van dezelfde cd had de basklarinet – net als de Nelson Pass INT-30A – de vereiste buikigheid en souplesse, maar ook de handclaps op het einde van dat nummer hadden veel snelheid en klonken verbijsterend open. De KWA 100 deed me hierin dan ook denken aan de Sphinx Project 14 die ik ooit had.

Het was echter het voor een transistor relatief sterk vloeiende middengebied dat mij zo trof en zorgde voor een waar kleurenfeest. Talk Talks Spirit of Eden klonk uiterst tastbaar en gedetailleerd met al die verschillende percussie instrumenten. Peter Gabriels bronzen stem had een intimiteit en betrokkenheid die ik alleen ken van een goed buizenontwerp. Ook violen en altviolen hadden de beoogde klanksignatuur, zoals bleek op Roy Harris’ symfonie. Het koper in het derde deel van Arthur Honeggers Di Te Re, was aanstekelijk pregnant.

Ritmisch, een groot en precies beeld – dat dieper is dan breed – zijn andere kwalificaties die we moeten noemen. In het tweede deel van de solo vioolsonate van Bela Bartok, leken de gaten in het fugathema natuurlijker dan ooit. Groots inderdaad klonk de opening van Bruckners negende door Giulini op DG, zonder dat de KWA 100 buiten adem raakte.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn, dat ik behoorlijk onder de indruk ben van deze machine. De presentatie was zeer overtuigend; een uiterst verfijnde klank, ondanks het relatief hoge vermogen. Deze muzikale versterker gaat 3795,- kosten, wat aanzienlijk goedkoper is dan de KWA 150. Belangrijker evenwel is, dat ik deze eindversterker als de referentie beschouw in dit metier. Uiteraard blijft het een kwestie van smaak en persoonlijke omstandigheden, maar ik geloof toch echt dat er in deze prijsklasse een nieuwe standaard is gezet. In de komende tijd zal ModWright ook een nieuwe voorversterker op de markt brengen, die ook in HVT aan de tand zal worden gevoeld. Overigens staat er ook een geïntrigeerde versterker in de pijplijn…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:
Boys For Pele – Tori Amos;
Clavierfantasien/Andreas Staier – Bach;
Thrack – King Crimson;
Random Acts of Happiness – Bill Bruford;
Spirit of Eden – Talk Talk;
UP – Peter Gabriel;
Symphony No. 3/Bernstein/DG – Roy Harris;
Symphonies No. 3/No. 5 “Di Tre Re”/Charles Dutoit/Erato – Arthur Honegger;
Sonata for solo violin/Annar Follesø/2L – Béla Bartók;
Symphony No. 9/ Carlo Maria Giulini/DG – Anton Bruckner