Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

BRITTEN – Violin Concerto; Double Concerto; Lachrymae

Friday, July 27th, 2012

BRITTEN
Violin Concerto Double Concerto Lachrymae
Anthony Marwood Lawrence Power BBC Scottish Sumphony Orchestra Ilan Volkov
Hyperion CDA 67801 DDD 64’16

Uitvoering/opname ****/***

Directe aanleiding en inspiratie was onder andere Brittens aanwezigheid bij de première van Bergs vioolconcert in Barcelona. Britten herzag het werk in 1950, 1958 en 1965. Welke versie hier gespeeld wordt, blijkt niet duidelijk uit het boekje. Hoe dan ook: Marwoods vertolking getuigt ontegenzeggelijk van visie, maar heeft niet de zeggingskracht van Lubotsky. Noch zoekt hij de uithoeken van dit werk op, zoals Zimmermann dat deed. Deze aanpak laat meer licht horen, waar die van de anderen meer impact en drama hebben. Het dubbelconcert in B mineur uit 1932 wordt niet vaak uitgevoerd of opgenomen. Het is een jeugdig werk dat niet uitgesproken concertant aandoet. Geen opvallende rol voor de viool of alt dus. Het prachtige Lachrymae uit 1950 op een lied van Dowland, was oorspronkelijk voor altviool en piano. De pianopartij werd echter vlak voor Brittens dood in 1976 omgeschreven tot strijkorkest. De met een Edison genomineerde uitvoering van Zimmermann op Sony blijft mijn voorkeur behouden en niet te vergeten de klassieke opname door Lubotsky op Decca onder de componist. Echter deze schijf is toch aantrekkelijk door de toevoeging van het dubbelconcert en het Lachrymae. De mooie cover van Richard Smiths ‘Sunset over Sea’, maakt deze Hyperion cd tot iets begerenswaardigs.

Emile Stoffels
Luister 683

BLOCH – music for string quartet

Saturday, January 28th, 2012

BLOCH
Landscapes music for string quartet
Galatea Quartet
SONY 88697950242 DDD 62’

Uitvoering/Registratie *****/*****

Het was de ‘koning van de viool’ Eugène Ysaÿe die de jonge Ernest Bloch stimuleerde om componist te worden in plaats van uitvoerende. Het gebeurt lang niet altijd dat een gehele CD wordt besteed aan de muziek van Bloch. Hij zou veelal muziek voor strijkinstrumenten schrijven, waaronder liefst vijf strijkkwartetten. Deze schijf omvat echter zijn kleinere programma composities voor strijkers. Het zijn buitengewoon levendige en bij vlagen, grimmige stukken. De ‘Landscapes’ waarnaar de CD is vernoemd, komen uit 1923 en zijn geschreven in Cleveland waar hij tevens de plaatselijke Institute of Music oprichtte. Deze stukken verklanken drie geografische locaties: de woestenij op de Noordpool, de groene Alpen weiden en het dynamische leven in de Pacific. Het kwartet uit 1896 – Ernest was slecht 15 jaar oud – is geheel en al in de Weense traditie. Behalve dan dat het langzame deel – de romance – na het scherzo komt. Dit vroege werk is naar men zegt nog nooit eerder uitgevoerd noch opgenomen. Ik heb met veel plezier geluisterd naar deze kamermuziek en het Galantea Quartet speelt alsof het leven ervan af hangt. De opname is rijk van kleur en gedetailleerd. Schitterende productie van Sony.

Emile Stoffels
Luister 679

Melody AN211 Integrated tube amplifier

Thursday, May 19th, 2011

Melody AN211 – Wie het dichtst bij de buis zit…

In 1606 zette Willem Janszoon van de VOC als eerste Europeaan voet aan Australische wal. Wat hij toen niet vond, bleek later wel degelijk in overvloed aanwezig te zijn: goud, zilver en andere waardevolle grondstoffen. Deze grondstoffen vormen nu de belangrijkste reden voor de sterke groei van de Australische economie en heeft dit werelddeel de banden met China de laatste jaren behoorlijk versterkt.

Het Australische Melody Valve Hifi, dat producent is van hoogwaardige buizenversterkers, klopt al een tijdje terecht op de deur. Het bedrijf uit Melbourne heeft recentelijk een poging gedaan, vaste voet in Europa te krijgen door met Robytone als haar nieuwe exclusieve distributeur in zee te gaan. Dit werd bekrachtigd met een zesjarige distributieovereenkomst. Ondanks dat Melody top componenten gebruikt en jaren van research achter de rug heeft – het heeft een eigen research en development afdeling – weet het zijn producten toch betaalbaar te houden.

Uiterlijk

Tot nu toe was deze fabrikant uit Downunder vooral bekend door versterkers met een strak piano-zwart uiterlijk in hoogglans. Nu heeft dit merk – waarvan louter de assemblage in China geschiedt – haar nieuwe buizenversterker de AN211, een compleet nieuw gezicht gegeven.

De fraaie AN211 is breder dan hij diep is en met veel zorg afgewerkt. Zie daar het gedegen aluminium frame met de prachtige gelakte houten panelen aan de zijkant. Aan de voorkant vinden we de volume- en keuzeschakelaar, die beide uitermate degelijk aanvoelen. Op het chassis staan de twee machtige 211 eindbuizen die veel gezag inboezemen, met daar tussenin iets dat mij laat glimlachen: een voedingsbuis! En naar ik heb begrepen is deze gecombineerd met solid-state diodes. De genoemde gelijkrichtbuis is de 5AR4/GZ34 in een mooie ST uitvoering (geschouderd). Weliswaar is het ‘slechts’ nieuwe productie en dus geen ‘new old stock’, …maar toch. De input buis is een alledaagse ecc83/12AX7; laten we maar zeggen de Opel Kadet van de dubbeltriodes. Het is voor de potentiële koper erg interessant die buis een keer te vervangen door de 5751 of 6072. Of beter nog de 6829 van General Electrics of de E180cc van Mullard of Philips. Vandaar gaat het signaal naar een volgende dubbeltriode, de 4P1S7. Zo alledaags de ecc83 is, zo uitzonderlijk is deze 4P1S7 die de 211 uiteindelijk aanstuurt. Het is een buis waar weinig over te vinden is op het net en daardoor is het lastig te achterhalen waarom men voor dit  type koos.

Praktijk

De volumeregelaar gaat via een stappen potmeter die mijns inziens iets te grof is. Helaas heeft Melody niet voorzien in een afstandsbediening, maar de distributeur wist me echter te vertellen dat die wel beschikbaar komt. Wel is er keuze voor vier en acht ohms aansluiting en is er de mogelijkheid symmetrisch aan te sturen. De lichtnetschakelaar moest ik in het begin even zoeken en bevindt zich – althans voor mij – op een minder voor de handliggende plaats: rechts op het zijpaneel.

Geschiedenis

Wat mij uiteraard direct aansprak, was de gebruikte eindbuis: de GL 211. ‘Eindelijk’, dacht ik. Deze voormalige zendbuis wordt ook door Audio Note gebruikt in de wereldbefaamde Ongaku, maar ook Air Tight en Cary hebben prachtige versterkers gemaakt met deze eindbuis. Bij de laatste kon de koper kiezen tussen de 211 of 845 als eindpit. Deze wordt dan aangestuurd door een andere eindbuis, niet minder dan de 300B. Om maar even aan te geven op welk niveau de 211 buis zit…

De geschiedenis van de GL-211 buis – d.w.z. vóór de tweede wereld oorlog -, leert ons dat het oorspronkelijk een zendbuis is. Het waren toen de meest krachtige buizen en konden door de fabricage erg veel hebben. Aangezien we het hier over een direct verhitte triode hebben – wat wil zeggen dat de kathode tevens de gloeidraad is – ga ik er vanuit dat er niet of nauwelijks tegenkoppeling is toegepast.

Ik ken inmiddels veel kundige zelfbouwers van buizen apparatuur, maar de meesten durven de 211 buis niet te gebruiken vanwege de hoge spanning. We hebben het hier namelijk over – afhankelijk van de instelling – 1000 volt! Dat is niet zomaar iets. Gezien het gespecificeerde uitgangsvermogen van 16 watt in klasse-A van de AN211, zal de spanning zelfs nog wat hoger zijn. Ik vraag me weleens af hoe het zal voelen als men wordt blootgesteld aan een dergelijke spanning. De meeste buizen worden onder normale omstandigheden ingesteld op 250 tot 300 volt, soms wat meer. De 211 en zijn broertjes nemen daar dus geen genoegen mee…

Luisteren

Aangezien mijn exemplaar relatief langdurig voor shows is gebruikt, ging ik er vanuit dat het inspeelproces geen dominante rol van betekenis zou spelen. Toch zou de Melody in kleurenrijkdom toenemen tijdens zijn verblijf bij mij thuis.

Na een half uurtje opwarmen begon ik met de eerste Cd’s en eigenlijk vrijwel direct was me duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand was. Of misschien ook weer niet, want dit is nu eenmaal de sensatie van het luisteren naar een single-ended ontwerp. Het is die onversneden openheid en gemak, die ik van mijn eigen single-ended versterkers ken. Met dit verschil dat de 211, vermogen en autoriteit in spades levert. Allereerst was het wellicht de gecontroleerde roekeloosheid die mij trof van deze machine. De lage registers uit Bachs Prelude en Fuga BWV 544 rolden – weliswaar zonder de gelaagdheid van de ModWright KWA 100 – bruut, doch gearticuleerd de kamer binnen. Dat krachtige laag mis ik wel eens bij mijn eigen EL84 Single Ended versterker, maar dit is ook de aard van de 211 buis. Brittens War Requiem had de gewenste openheid: het kamerensemble was ook hier goed te lokaliseren, los van de rest van het orkest en had duidelijk een eigen plaats op het podium. Het Libera Me was schokkend reëel en mondde uiteindelijk uit in een waar Armageddon; vooral doordat het koor zo opvallend overeind bleef. Maar ook de manier waarop de AN211 intimiteit overbrengt. Bijvoorbeeld bij My Funny Valentine: Miles Davis In Concert. Reeds de opening van de eerste track met de piano, heeft een spanning die lang niet alle versterkers voor het voetlicht weten te brengen. Ook bij track 3 was de ‘uitnodiging’ van George Coleman naar het midden van het podium, buitengewoon makkelijk te volgen door de hoge doorluisterbaarheid. Zonder dogmatiek te willen nastreven, lijkt het erop of dat die betrokkenheid slechts is voorbehouden aan single-ended buizen versterkers. Het stereobeeld liep ver door tot achter de speakers. Opvallend was hierbij dat het beeld steeds breder werd, naarmate het zich naar achteren uitstrekte. Ofschoon het aan glans zeker niet ontbrak, had ik bij slagen op bekkens wel het idee dat duurdere solid state versterkers naar hun aard wat meer metaal laten horen. In Prokofievs 7de pianosonate waren de linker- en rechterhand gemakkelijk van elkaar te onderscheiden; erg belangrijk bij deze complexe muziek. Evenzo hoorde ik hier in de lagere registers meer nuance en elasticiteit dan met mijn eigen single-ended versterker. Bij ‘People’ op King Crimsons Thrack ging het helemaal los en kwam dat aspect in het laag, nog meer tot uitdrukking. Het had overvloedige drive en tegelijkertijd was het gearticuleerd. Dat gaat niet altijd samen, maar machines die dat wel kunnen zoals de Melody, klinken dan ook erg ritmisch.

Conclusie

De Melody AN211 is een droomversterker die me zelfs ‘s nachts wakker gehouden heeft, maar geen enkele keer heeft teleurgesteld. Welk materiaal ik ook aanbood: kamermuziek, groot koor of pop. Iedere keer was hij in staat een open en realistisch geluidsbeeld te reproduceren met een fabuleuze controle. De AN211 zal gezien het bescheiden vermogen evenwel het meest stralen met speakers vanaf 90 dB gevoeligheid. Een combinatie met grote paneelluidsprekers, zal dan ook minder gelukkig uitpakken. En ook bij de Melody AN211 geldt dat er moet worden geïnvesteerd in tijd en moeite mbt. luidspreker- en voedingskabels en interlinks, om tot een juiste afstemming met de rest van de installatie te komen. Inderdaad hebben we het hier over een waar topproduct uit downunder, tegen een uitermate betaalbare prijs. Uiteraard gaat het niet over een reep chocolade, maar in dit geval is €3950,- echt een koopje.

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Organ Works – J.S. Bach/Hurford – Decca;
War Requiem – Britten/Rattle – EMI;
My Funny Valentine: Miles Davis In Concert – Sony;
Pianosonate No. 7 – Prokofiev/Pollini – DG;
King Crimson – Thrack Virgin Records;
Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;

Diskotabel – de vergelijking

Saturday, March 12th, 2011

Op 27 februari werd in de vergelijking van Diskotabel op Radio 4, Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky besproken. Liefst negen uitvoeringen werden met elkaar vergeleken naar aanleiding van een nieuwe opname onder Andrew Litton op Bis. Ofschoon de commentaren een vertekend beeld geven, was het wel weer nuttig dit o zo belangrijke werk te bespreken.

Uit de eerste ronde bleek dat opname A een toporkest is met de nodige articulatie en balans. Opname B was wat langzamer, maar ook meeslepender en grillig. Opname C kwam er wat minder positief vanaf. Hier vond men het toch wat vlakker en minder pakkend. Ook de openingssolo van de fagottist was minder aansprekend en speelde meer op safe.

A. Bergen Philharmonic Orchestra, Litton BIS
B. Bamberger Symphoniker Nott, Jonathan Tudor
C. Cleveland Orchestra, Chailly Decca

Bij de tweede ronde was een panellid erg te spreken over D aangezien deze opname het meest authentiek overkwam. E bleek weer wat vlakker te zijn en te voorzichtig. Dit zou door de opname kunnen komen. Opname F werd weliswaar als eigenzinnig ervaren, maar was erg opwindend. Er was veel drive te bespeuren.

D. Koninklijk Concertgebouw Orkest Jansons, RCO Live RCO
E. London Philharmonic Orchestra, Haitink DECCA (oorspronkelijk op Philips uitgebracht)
F. Kirov Orkest, Gergiev PHILIPS

Bij de laatste ronde werd de opening van het tweede deel beluisterd. Hier werd vrij snel duidelijk en was men unaniem van mening dat opname H het hoogtepunt van de uitzending vormde. Alles leek hier te kloppen.

G. Detroit Symphony Orchestra, Dorati DECCA
H. Cleveland Orchestra, Boulez Deutsche Grammophon
I. Columbia Symphony Orchestra, Stravinsky Sony

Aan het slot waren het voor twee panelleden, opname H en F die er uitsprongen en voor een panellid opname H en D. Boulez op Deutsche Grammophon dus de kampioen, Gergiev op Philips op de tweede plaats en Jansons op RCO Live kreeg brons.

Voor mij persoonlijk blijft die onder Davis op Philips met het Concertgebouw Orkest uit 1977 nog steeds de toetssteen.

Diskotabel – de vergelijking

Tuesday, January 25th, 2011

Afgelopen zondag was er weer een leuke Diskotabel op Radio 4. Dit keer was het Bartoks Concert voor Orkest. Een briljant geschreven werk van vijf delen uit 1943. Serge Koussevitzky gaf met de Boston Symphony Orchestra de premiere. Er zijn, zoals in het programma al werd verteld, zeer veel uitstekende opnamen en het panel had het niet makkelijk met de keuze. Er werden negen uitvoeringen besproken.

Afgetrapt werd er met een oude radio opname onder van Beinum, gevolgd door die van Boulez op DG. De derde was een SONY opname door Esa-Pekka Salonen. Deze drie waren geselecteerd voor het eerste deel. De laatste kwam er hier het beste vanaf, ofschoon er veel waardering was voor die van van Beinum. Die door Boulez, werd uiteindelijk als te glad ervaren.

Dan het tweede deel met het trommeltje. Hiervoor koos Diskotabel Fritz Reiner op RCA als opname D, gevolgd door Dorati met het CGO op Philips. Rattle op EMI met het City of Birmingham Symphony Orchestra sloot het rijtje. Ook deze keer maakte de laatste opname de meeste indruk, maar ook Reiners precisie en Dorati’s idiomatische uitvoering werden gelauwerd. Overigens meen ik me te herinneren dat de Hongaars-Amsterdamse samenwerking in die dagen werd afgebrand bij Discotabel, maar wel met een Edison werd bekroond.

Voor het laatste jubelende deel kwamen Solti op Decca met het LSO, Chailly met het CGO uit dezelfde stal en Fischer op Philips aan bod. Hier was het iets makkelijker voor het panel, had ik de indruk. Duidelijke winnaar was Chailly. Voor de klassieker door Solti, had men wel ontzag vanwege de nog net in toom gehouden roekeloosheid. Fischer ten slotte vond men wat aan de slordige kant.

Persoonlijk zou ik het in dit prachtige werk niet willen doen zonder Solti, Reiner en niet te vergeten de Mercury opname van Dorati met het LSO.

De Modernen (I)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (I)

De klassieke muziekliefhebber, die in het begin al moeite genoeg heeft zich te oriënteren temidden van de klassieke muziek vóór 1900, moet toch welhaast in een totale staat van verwarring verkeren als hij of zij de toonkunst van de 20ste eeuw betreedt. Er zijn in die voorgaande eeuwen nog nooit zoveel stromingen en substromingen geweest als in die bewuste eeuw.
Volgens een aantal scherpe denkers wijst dit eerder op muzikale armoede dan op rijkdom. Het blijkt namelijk dat de componisten uit dit tijdsvak, de traditie en de tonale verworvenheden van de Romantiek eerder als last dan als zegen hebben ervaren. Vandaar dat sommige moderne kunstenaars zich van radicale stijlmiddelen hebben bediend om maar vooral niet tot slechts een navolger te worden betiteld.
De meest radicale toonzetter uit deze tijd is ongetwijfeld Arnold Schönberg. Ofschoon hij met zijn atonale systeem en definitieve breuk met het verleden ontegenzeggelijk tot de grootste vernieuwers gerekend moet worden, ervaar ik deze kunst persoonlijk eerder als notenschikking dan muziek. De zgn. 2de Weense School (Schönberg, Berg en Webern) en haar navolgers zullen hier dan ook niet behandeld worden.

Over welke tijdsperiode hebben we het in dit artikel? We beginnen met de generatie kunstenaars die grofweg geboren zijn in de periode 1875 -1905 en in hun taal aanknopen bij het verleden, maar toch buitengewoon vernieuwend zijn gebleken.

Bela Bartok (1881 -1945)

Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta

Dit is een van die zeldzame werken die zowel de ziel als het intellect streelt en van de hoogste innerlijke beschaving getuigt. Voor deze schepping – die in 1936 ontstond – heeft Bartok voor elk der vier delen, een andere instrumentale combinatie gebruikt, een andere vorm gekozen en andere klankbeelden gebruikt zodat het werk een buitengewone rijkdom van aspecten vertoont.
Los van de twee aparte strijkersgroepen die zijn voorgeschreven, dient – volgens de meester – ook de harp en het klavier tot de snarengroep verstaan te worden. Deze hoogst uitzonderlijke en vooral eigenzinnige orkestbezetting vereist een speciale opstelling op het podium, die ook door Bartok in de partituur nauwkeurig is aangegeven.
Het eerste stuk is een fuga, maar anders dan bij Bach. Een volgens Bartok’s eigen principes. Opvallend is dat de climax wordt bereikt niet alleen doordat het orkest luider speelt, maar ook door de innerlijke constructie.
Het tweede deel blijft verbazen, vooral als na een minuut of 4 de strijkers met het klavier een zeer merkwaardige atmosfeer neerzetten, verstrekt door de xylofoon en trom.
In het derde deel is het dit keer de betovering die de luisteraar eenvoudigweg niet kan ontgaan. Let vooral op de speciale glijd effecten van de pauken, zowel opgaand als neergaand in dialoog met de xylofoon.
De finale, die net zoals de vorige stukken uit meerdere secties bestaat, opent uitbundig en levendig en komt in de voorlaatste sectie op een wonderbaarlijke manier terug op het fuga thema van het eerste deel.

Wat mij betreft zijn er drie meer dan uitstekende uitvoeringen op vinyl verkrijgbaar: Marriner op Argo, Reiner op RCA en Haitink op Philips. Marriner is veruit het makkelijkst te scoren én voor weinig geld. Haitink is al wat moeilijker, maar zeker niet onmogelijk en Reiner is ook verschenen op een 180 gram audiofiele heruitgave die werkelijk schitterend klinkt, maar ik vind hier de midprice cd een uitstekend alternatief. Bovendien wordt dit werk op cd gekoppeld met het Concert voor Orkest.
Bij Marinner is de (logische) koppeling met het “Divertimento voor strijkers”. Typisch voor Argo is de ruimtelijke warme strijkersklank en het realistische slagwerk; vooral de xylofoon helemaal aan het einde van het derde deel is LETTERLIJK tastbaar.
Van de oorspronkelijke uitgave (Argo ZRG657) is een uitstekende en betaalbare Nederlandse heruitgave gemaakt (Argo 6557 556), die ietsje scherper klinkt maar zeker niet onprettig.
Dan de uitvoering van Haitink. Prachtige akoestiek! In het eerste deel, zijn er melodielijnen te horen die weer onhoorbaar zijn bij andere dirigenten. Bij het slaan op de snaren in het laatste deel, is waar te nemen hoe natuurlijk de oude Philips opnames toen waren en ook hier heeft Haitink weer een bijzondere puls te pakken die hem tot zo’n groot dirigent maakt. De oorspronkelijke uitgave wordt gekoppeld met de Harry Janos Suite van Kodaly, later is deze gekoppeld met het 2de pianoconcert van Bartok, hetgeen ik logischer vind. Ook is er een uitgave verschenen in de spotgoedkope serie “Muziek onder Woorden”. Daar is een behoorlijk verschil in klanksignatuur vast te stellen. Deze klinkt wat donkerder, maar wel erg mooi.

Tot slot Reiner, die Bartok zelf gekend heeft, met het CSO op RCA. Over deze uitvoering is al veel gezegd en geschreven. Wat ik er nog aan toe wil voegen is dat het tweede deel bij Reiner een mate van vinnigheid of zelfs agressiviteit heeft die ik bij nogal wat uitvoeringen mis. Yehudi Menuhin zei: “Bartok had een intens gevoelsleven. Een vuurvreter. En hij had het constant onder controle”.
Samenvattend: begin met Marriner, ga daarna op zoek naar Haitink en koop Reiner op (SA)CD. Als zeer goede alternatieven wil ik hier ook nog de beide von Karajan uitvoeringen (DGG en EMI) noemen.

Concert voor Orkest

Zover ik weet is dit het eerste concertante werk voor een orkest en bovendien is het 5-delig, net als zijn 4de en 5de strijkkwartet. Dit briljant geschreven stuk, heeft zich altijd in veel belangstelling weten te verheugen. Dit komt wellicht door het humoristische vierde deel, het Intermezzo Interrotto. Het ligt dan ook voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn en ook zeer goede. Solti(Decca), Dorati (Mercury en Philips) en Reiner (RCA) voeren de lijst aan. Solti met het LSO (SXL 6212) heeft uiteindelijk mijn voorkeur, maar hij heeft het later met het CSO (SXDL 7536) nog eens overgedaan en die is ook erg goed. Je ziet hem regelmatig aangeboden voor weinig geld.
Reiner is net als het vorige werk ook op een audiofiele heruitgave verschenen. Zie hierboven.
Dorati met het LSO Fontana (Grandioso 894 020 ZKY) is oorspronkelijk op Mercury verschenen maar veel opnames zijn op Philips en Fontana heruitgegeven. Dit is zo’n voorbeeld. Mooie opname: helder, diep, hoog, breed enz. Alles schittert. Ook Dorati heeft het een tweede keer opgenomen en wel met het CGO op Philips (411 132-1), die met een Edison is bekroond.

Pianoconcerten No. 1 en 2.

In het eerste concert, valt het middendeel op doordat het slagwerk een voorname rol inneemt en de piano als slagwerkinstrument wordt gebruikt. Het melodische materiaal gaat terug op de Arabische volksmuziek. Verder valt op dat dit concerto buitengewoon grondig bewerkt is, waarin thema’s voortdurend van gedaante verwisselen.
Dan het tweede concert uit 1931. Het was een poging een ‘meer toegankelijk’ concert te schrijven vergeleken met het vorige. In het oog springend is dat in het eerste deel, de strijkers zwijgen. Van alle uitvoeringen die ik intussen gehoord heb, is de uitvoering door Abbado met Pollini (DG 2530 901) met afstand de beste. Zij zijn een waar koningskoppel en bovendien is deze plaat gemakkelijk te krijgen voor weinig geld. Regelmatig zie je hem in een antiquariaat en anders heeft eBay het wel. Kovacevich en Davis op Philips zijn een goede tweede keus, ondanks dat de opnames een correcte klankbalans ontberen.

Vioolconcert no. 2

Een waarlijk schitterend vioolconcert met een overvloed aan melodische invallen. Met dit werk voltooid in 1938, slaat Bartok weer een andere weg in. Het vitale en krachtige eerste deel, dat contrasteert met het dromerige middendeel, knoopt qua vorm duidelijk aan bij de Romantiek met een virtuoze cadens die haar weerga niet kent. Hieruit zou blijken hoe goed de meester op de hoogste was met het karakter en de mogelijkheden van de viool. In het laatste deel keren elementen van het eerste deel in gewijzigde vorm terug.
Solti met Chung op Decca (SXL 6802) is relatief gemakkelijk te krijgen en een prima uitvoering. Szyring met Haitink op Philips is nog natuurlijker, maar wel lastiger te krijgen.

Igor Stravinsky (1882 – 1971)

Le Sacre du Printemps

Is er een werk te noemen dat historisch gezien zo belangrijk is? De première was in 1913 onder Pierre Monteux en het mag als algemeen bekend worden verondersteld, dat het een muzikale aardbeving veroorzaakte. Dit ballet verklankt een tafereel in het voorchristelijke Rusland waar uiteindelijk een door de oudsten uitgekozen maagd zich dood danst. C. Höweler schrijft dat dit barbaarse werk “zich niet bekommert om de verheerlijking van de lente door de tederheid van bloesems, maar op gaat in wild stortende stromen en lawines, in de kiemkracht, die rotsen laat splijten door zaad”. Hoe waar is dit! Het gaat hier inderdaad niet om schoonheid, maar om een artistiek verantwoorde weergave van lelijkheid*; het huiveringwekkende, het sublieme in de natuur volgens Schopenhauer.

Ofschoon sommige auteurs dit werk nog steeds betitelen als een laatste uitloper der Romantiek, maakt het nog steeds een hyper moderne indruk. Dit werk, dat grotendeels steunt op de ritmiek, is blijkbaar voor veel orkesten nog steeds een uitdaging. Vooral het slot, waarin het metrum constant verandert.

Binnen wat er relatief eenvoudig te krijgen is, zijn er drie uitvoeringen interessant: Davis met het CGO op Philips (9500 323), Bernstein met de Israel Philharmonic Orchestra op DG (2532 075) en Boulez met Cleveland op CBS (S 72607). De laatste is qua klank verreweg de minste. De opname mist kleur en fundament, maar het is een zeer goede uitvoering. Boulez trekt de luisteraar direct het werk binnen. Heel spannend gedaan. Bernstein drukt zijn stempel maar doet dat hier geloofwaardig én met goede smaak. Er zijn erg veel orkestdetails te horen. Davis, moet even “op stoom” komen, maar is daarna niet te houden. Uiteindelijk mijn favoriet.

Symphony in three movements

Door velen de zogenaamde “neosacre” genoemd, omdat dit werk is ontstaan in Stravinsky’s neoclassicistische periode en bij vlagen in ritmisch en harmonisch opzicht aan zijn Le Sacre doet denken.
Los van de uitvoering door de meester zelf, is Charles Dutoit met de Suisse Romande op Decca onverslaanbaar. Alles klopt op deze uitvoering. De plaat wordt regelmatig op het net aangeboden. Colin Davis met de Bayerische Rundfunk op Philips mag er ook wezen.

Symphony of Psalms

Het hoogtepunt in Stravinsky’s neoclassicistische periode en van een indringende schoonheid. Geïnspireerd op Psalm 38, 39 en 150. Opvallend is hier het gekozen instrumentarium: geen violen en altviolen, geen klarinetten, maar wel twee piano’s, een uitgebreide koper- en houtsectie en uiteraard het vierdelige koor dat de Psalm teksten in het Latijn zingt. Is het een terugkeer naar de God van het oude testament of integendeel naar de engel des lichts?
Het meest voor de hand liggende is uiteraard de uitvoering door de meester zelf op CBS, die de ene keer met de Symfonie in C, de andere keer met de Symfonie in drie delen gekoppeld wordt. Bernstein heeft het ook opgenomen voor hetzelfde label. Voor deze uitvoering zult u naar E-Bay moeten.
Deze maand heb ik me bewust beperkt tot de twee belangrijkste toonzetters uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Volgende maand zal ik meer componisten uit deze tijd bespreken alsook enkele minder bekende werken.

*Noot: We moeten […] onderscheid maken tussen manifestaties van het lelijke an sich (uitwerpselen, een lijk in ontbinding een mens vol walgelijke zweren), het formeel lelijke, oftewel de wanverhouding tussen de delen van een geheel en de artistieke weergaven van beide. Umberto Eco, De geschiedenis van de lelijkheid.

SCHUMANN sonate in F mineur

Tuesday, December 21st, 2010

SCHUMANN
Andrea Kauten
SONY CD 88697 36059 2 DDD 68’

Uitvoering ****/ Opname ****

De bruisende piano sonate in F mineur opus 14 uit 1835, werd door de uitgever aanvankelijk misleidend ‘concert zonder orkest’ genoemd. Dit om tegemoet te komen aan de virtuozen die mogelijk weinig uitdaging zagen in de titel ‘sonate’. In de eerste uitgave ontbreekt het Scherzo, maar in de tweede druk is dat gelukkig hersteld. De onuitsprekelijke hartstocht uit het eerste deel, voelt Kauten goed aan. Het langzame deel draagt een van de mooiste bladzijden van Schumann’s pianomuziek. Kort na dit werk zou Vader Wieck de dissonant in het liefdesverhaal tussen Robert en Clara worden. Deze sonate wordt niet zo vaak opgenomen. De symfonische etudes en Novelletten wel, maar Kauten kan hier de concurrentie gemakkelijk aan. Luisteraars die de mogelijkheid hebben tussen CD en SACD te schakelen, zullen bij het laatste medium meer kleur en autoriteit ontwaren. Niet onbelangrijk bij deze opname waar relatief veel galm aanwezig is.

Emíle Stoffels
Luister 661

VON WEBER – Clarinet Concertos

Sunday, December 19th, 2010

VON WEBER
Clarinet Concertos
Fabio Di Casola
SONY 88697 37632 2 DDD 67’

Uitvoering / Opname ***** / *****

Men zou deze virtuoze werken bijna vergeten naast de Freischutz, Oberon en de Euryanthe,  maar dan zouden we onszelf toch tekort doen. Niet dat deze concerten me nu direct in vuur en vlam zetten, maar er valt toch veel te genieten. Zeker door de bezieling die Di Casola erin legt. Bovendien is het zeer vakkundig, speels en helder geschreven. De aanzet tot deze concertante werken was een ontmoeting in München met klarinettist Heinrich Bärmann, in een tijd dat de klarinet als solo instrument werd genegeerd. In die zin is von Weber dus enigszins een baanbreker, ofschoon Mozart hem al was voorgegaan hierin. Het zou hem dan ook de ene na de andere opdracht opleveren. Het gearrangeerde kwintet kent overigens wel degelijk de nodige diepschone momenten. De opname door Sony is voorbeeldig te noemen. Veel ruimte en micro informatie, zonder dat het storend wordt. Vooral de SACD reproductie is een waar klankfeest.

Emile Stoffels
Luister 664

Zimmermann – Requiem für einen jungen Dichter

Wednesday, December 15th, 2010

Bernd Alois Zimmermann (1918 – 1970)
Requiem für einen jungen Dichter
Holland Symfonia Bernhard Kontarsky
Cybele SACD 860 501 hybrid DDD 63′

Dit requiem is een huiveringwekkend document, waarin een uitdrukkingskracht wordt gebruikt die de omschrijving bijna tart. Het is een Gesamtkunstwerk voor groot orkest, drie koren, solisten, sprekers, jazz combo, orgel en elektronische tapes met citaten van de grote filosofen en literatoren en geluidsfragmenten van belangrijke gebeurtenissen uit de vorige eeuw. De Proloog alleen al, beklijft. Echter, het slot met citaten uit o.a. Beethoven’s negende, Hey Jude van de Beatles en Goebbels’ opzwepende redevoering over de totale oorlog in februari 1943, breekt baan in de menselijke geest. Het belang van deze schijf is denk ik duidelijk, temeer omdat de Wergo opname onder Bertini – die wat spannender en meer close op de speakerlijn is opgenomen – is gediscontinueerd. De opname onder Gielen op Sony heb ik overigens nooit gehoord, maar ook die is nergens te vinden. Hoe het ook zij, dit is een muzikale gedenksteen die onze aandacht verdient. Allerhoogste belang dus!