Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

SCHNITTKE – 3rd Symphony

Sunday, January 10th, 2016

Schnittke Pentatone259SCHNITTKE
3rd Symphony
Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin • Vladimir Jurowski
Pentatone SACD DDD 52.16

Uitvoering **** | Opname *****

De derde Symfonie van Alfred Schnittke uit 1981, beleefde in hetzelfde jaar z’n première onder Kurt Masur en het Leipzig Gewandhausorchester. Yuri Bashmet zei heel treffend het volgende, over Schnittkes werk: “they call his music polystylistic, when they don’t like it. It’s only Alfred’s language…” Maar niet alleen stilistisch. Schnittke maakte bij het componeren, ook veelvuldig gebruik van de initialen van grote componisten: Bach, Handel, Mozart, Schonberg, Stockhausen en Hans Werner Henze. De opening doet sterk denken aan die van de Wagners Rheingold en de Alpensymfonie van Richard Strauss. Het tweede deel, is behoorlijk contrastrijk: het begint licht en briljant, waarna het verandert in een groots drama. Ook vinden we op diverse plekken, citaten van Mozarts sonates. Het laatste deel, het adagio, is qua taal en atmosfeer, meer in de trant van Mahler. Dit is muziek die men moet ondergaan; waar men in ondergedompeld moet worden en het liefst live. Er zijn veel goede dingen te zeggen over de directie. Maar een is er toch dat Jurowski de kunst verstaat, het kruit niet te snel te verschieten. Aan de opname zal het evenmin liggen: die is fenomenaal. Het kerkorgel is overigens op een andere locatie opgenomen, maar toch mooi geïntegreerd in de opname. Een belevenis!

Emile Stoffels
Luister Magazine

Muziek ervaren – Essays over muziek en filosofie.

Wednesday, April 29th, 2015

Muziek ervaren203Uitgeverij: DAMON
ISBN: 9789460361678
Aantal pagina’s: 216

Muziek beantwoordt aan verschillende soorten emoties en kent diverse functies. Zo zullen ‘Die Vier Letzte Lieder’ van Richard Strauss een geheel andere emotionele respons oproepen, dan de Matthäus Passion. Maar als achtergrond voor bij een romantisch etentje, zal een strijkkwartet van Béla Bartók vermoedelijk niet de juiste keuze zijn. Daarentegen zal Andre Hazes het in een kroeg of voetbalstadion prima doen, ofschoon veel lezers van dit tijdschrift er niet over zullen piekeren een cd van de populaire volkszanger op een zondagochtend te draaien; als ze die al in huis hebben.

Kortom: Hoe ervaren wij muziek? Als uitlaatklep, als geestelijke voeding, als vermaak of slechts als decoratie? Hoe delen wij het met anderen? Tien auteurs hebben gepoogd in dit boek vanuit verschillende disciplines (cultuur- en kunstfilosofie, musicologie, sociologie etc.), iets zinnigs te zeggen over muziek. Maar ook vragen als: Welke invloed heeft het gebruik van elektronica op het componeren? Waarom drukken wij ons veelal in metaforen uit, als wij over muziek spreken?

Deze verzameling van essays is ontstaan nav. een in Amsterdam gehouden studiedag in 2012 genaamd “Punt en contrapunt: stemmen uit de muziekfilosofie in de Lage Landen.” De studiedag had als doel, de actuele ontwikkelingen in de muziekfilosofie en haar rol te inventariseren en evt. aan te vullen. Zes lezingen van die dag zijn in dit boek verwerkt, plus nog bijdragen van anderen.

Fascinerend is bijvoorbeeld hoe Oane Reitsma de vraag vanuit theologisch perspectief beziet en betoogt dat de notie van incarnatie, de verschijning van God in de persoon van Christus, een model biedt waarmee de grotere dimensie van muziek begrepen kan worden. “Muziek is geen autonoom object dat in stilte genoten dient te worden, maar een gebeurtenis die zich in de zintuiglijkheid voordoet en zo in de werkelijkheid geworteld is.” En dan het boeiende hoofdstuk van Erik Heijerman dat de vraag behandelt waarom wij nauwelijks letterlijk over muziek kunnen spreken en wat de metaforen betekenen die wij gebruiken. Uiteindelijk zijn de metaforen op te vatten als suggesties over hoe men naar die muziek kan luisteren.

In deze essaybundel wordt er een aantal rake dingen gezegd over muziek. Ik heb het dan ook als bijzonder nuttig ervaren. Vooral ook om onze taal, die wij bezigen bij het spreken over muziek, in kaart te brengen. Echter, de lezer moet niet de illusie hebben na dit boek, de muziek ervaringen helemaal te kunnen omschrijven. Veel zaken laten zich immers niet in woorden vangen…

Emile Stoffels

SZYMANOWSKI – Stabat Mater • Harnasie

Saturday, March 22nd, 2014

SZYMANOWSKI
Stabat Mater • Harnasie
BBC Symphony Chores • BBC Symphony Orchestra • Edward Gardner
Lucy Crowe • Pamela Helen Stephen • Robert Murray • Gábor Bretz
Chandos CHSA 5123 SACD DDD 58’36

Uitvoering / opname  ***** / *****

Polen had tijdens de bloeiperiode der nationale toonkunst geen rol van betekenis gespeeld en nadat de Poolse grenzen door de Europese herschikking in 1918 weer eens waren herzien, was men uiteraard ook op zoek naar een artistieke heroriëntatie. In die tijd trad Szymanowski als sterke figuur op. Het is goed te horen dat ook Szymanowski – nadat hij was beïnvloed door Richard Strauss – zich begint af te zetten tegen de Duitse stijl, die hem zo in haar greep had. Zijn interesse voor de mystiek en oosterse religie werkte als een antidotum, maar zeker ook zijn ontdekking van Scriabin, Debussy en Stravinsky’s Petrushka. Hoogtepunt op deze cd is uiteraard het Stabat Mater uit 1925/26, dat een Byzantijnse soberheid kent. Een ‘Boeren Requiem’ dat hij schreef toen hij als directeur werkzaam was aan het conservatorium van Warschau. Het is ontegenzeggelijk Szymanowski’s belangrijkste vocale werk en is ondanks zijn bescheiden afmeting, een uiterst expressief en indringend opus. In het laatste deel horen we een melodie waarvan Szymanowski zelf zei, dat het de mooiste melodie was die hij ooit had geschreven. De opname onder Gardner is voortreffelijk in balans en het BBC koor klinkt groots en homogeen. De solisten zijn zo mogelijk in nog grotere vorm. Alles lijkt te kloppen in deze opname, maar het belangrijkste is waarschijnlijk dat de luisteraar een volslagen spirituele ervaring ondergaat: een doop in sacrale kleuren en klanken. Hier tegenover staat het heidens, liederlijke Harnasie dat Szymanowski daarna schreef: een kleurrijk volksballet over de bandieten van de Tatra’s. Om gezondheidsredenen moest hij in het Tatra gebergte verblijven en werd geboeid door de volksliederen van die streek. Ook hier krijgen we een zinderende uitvoering voorgeschoteld. Deze SACD zou in iedere kast moeten staan. Gezien de hoeveelheid speeltijd had er wat mij betreft nog wel wat extra muziek op gemogen.

Emile Stoffels
Luister Magazine 696

RESPIGHI – Complete Orchestral Music Vol 2

Sunday, March 31st, 2013

RESPIGHI
Complete Orchestral Music Volume 2
Orchestra Sinfonica di Roma • Francesco La Vecchia
Brilliant Classics 94393 DDD 73’37/67’50

Uitvoering/opname ***/***

Deze dubbel cd omvat een boeiend programma van Ottorino Respighi’s (1879 – 1936) symfonische muziek. Uiterst productief en nog de enige representatieve componist uit Italië van kamer- en orkestmuziek uit de laatromantiek. Een Italiaanse Richard Strauss genoemd die zowel bij diens symfonische gedichten, als bij de in Frankrijk heersende stromingen aanknoopte. Hij kiest veelal nationale onderwerpen waarbij de weelderig instrumentatie in het oog springt. De opname wisselt helaas en het Vetrate di chiesa uit 1926 heeft daar het meest last van. Naar de huidige maatstaven is de opname bepaald niet het laatste woord qua verfijning en mist bovendien kleur. Dat is jammer, aangezien dit werk niet zo vaak wordt opgenomen. Voor dit stuk heeft Simon op Chandos voor mij nog steeds de voorkeur, ondanks dat die opname alweer bijna 30 jaar oud is. De Impressioni brasiliane klinkt wat frisser en de Poema atunnale klinkt weer opvallend realistisch. Het Orchestra Sinfonica Di Roma onder La Vecchia klinkt doorgaans aanstekelijk. Resumerend: voor degenen die er geen trek in hebben om Respighi’s symfonische gedichten en suites over verschillende labels en dirigenten te verzamelen, worden met deze dubbelaar redelijk bediend. Redelijk, omdat Brilliant niet het duurste label is. Prachtige muziek, uitvoering akkoord, opname: met de hakken over de sloot.

Emile Stoffels
Luister 688

De Laatromantiek (III)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (III)

In Duitsland domineert in deze periode nog altijd Richard Wagner (1813 – 1883) die het zogenaamde ‘gesamtkunstwerk’ propageert en in zijn theoretische geschriften onder andere verkondigde dat de rol van de symfonische muziek was uitgespeeld. Er zijn dan ook relatief weinig symfonieën geschreven door Duits sprekende componisten van de generatie 1860-1875. Men koos Liszt en zijn ‘symfonische dichtungen’ als voorbeeld, daarmee aangevend dat de symfonische muziek afhankelijk was geworden van het woord. Onder Wagner’s invloed verschuift het zwaartepunt der compositie naar de vocale muziek: lied of opera.

Een componist die met een verbazingwekkend gemak en behendigheid zich aanpast aan deze uitdagingen is Richard Strauss (1864 – 1949). In Duitsland is hij lange tijd als de grootste componist van de twintigste eeuw gelauwerd. Natuurlijk ook doordat hij op relatief hoge leeftijd actief is geweest tot diep in die eeuw. Toch is deze toondichter eerder een voltooier en samenvatter van het verleden, dan een pionier zoals Debussy. Deze zocht wel degelijk naar bevrijding van de muziek door de literatuur en het Wagneriaanse pathos.
“When ich wollte, kan ich ein Bierglass, tönend mahlen“, moet hij eens gesnoefd hebben. Eerlijk is eerlijk: er zijn weinig componisten die dit kunnen. Dit is zeker het geval met de “Alpen Symfonie”, dat overigens geen symfonie is, maar een symfonisch gedicht. Hier zijn twee uitvoering toonaangevend: Haitink op Philips (416 156-1) en von Karajan op DG (2532 015). Haitink met het CGO klinkt opvallend natuurlijk, maar voor de climaxen in dit werk mag von Karajan niet absoluut ontbreken. Luister bijvoorbeeld naar de overweldigende ‘Storm’ en de ’Zonsondergang’ die van een verblindende schoonheid is.

Belangrijkste symfonische gedichten van de hand van Strauss zijn Don Juan (1888), Tod und Verklärhrung (1889), Till Eulenspiegel (1895), het overbekende Also Sprach Zarathustra (1896), Don Quixote (1897), Ein Heldenleben (1898), Sinfonia Domestica (1903) en de zojuist besproken Alpen Symfonie (1915).
We kunnen rustig stellen dat er drie grote interpreten zijn die de moeite van het zoeken waard zijn: von Karajan, Haitink en Reiner. Van de laatste is een prachtige 200 gram heruitgave van Also Sprach Zarathustra verschenen op Classical Records (ALSC 1806Q).
Zijn “Metamorphosen” voor strijkorkest uit 1945 bezit een gloed die hij niet eerder bereikt had tot dan toe. Het is een waardig afscheid van het Romantische tijdperk; een laatste samenvatting door een kunstenaar die zichzelf als de laatste nazaat van Beethoven zag. Het werk besluit dan ook met een citaat uit de treurmars van de Eroica symfonie. Het werk heeft even in een kwaad daglicht gestaan, omdat men dacht dat het een klacht was over de ondergang van Hitler en zijn Derde Rijk. Deze aantijging is uiteraard achterhaald. Het klinkt saai, maar ook hier is von Karajan weer de standaard. De maestro nam het twee keer op, voor DG: in 1971 en ’83 (2530 066 en 2532 074)
Dan een van zijn beste en schoonste werken: “Die Vier Letzte Lieder” op teksten van Hesse en Eichendorff. Wat mij betreft het hoogtepunt van het orkestrale lied. Ook voor dit werk heeft von Karajan twee opnames gemaakt voor DG met Gundula Janowitz en Anna Tomowa-Sintow (2530 368; 419 188-1) en ik moet bekennen dat het moeilijk kiezen is. Vreemd genoeg zie je deze uitvoeringen niet zo heel erg vaak. Er zal dus op e-Bay gezocht moeten worden voor snel resultaat. Wel komt men in kringloopwinkels regelmatig de uitvoering met Norman en Masur tegen op Philips (6514 322). Deze is op nogal wat aspecten erg goed, maar persoonlijk vind ik de tempi net iets te traag. Er zijn uiteraard veel goede uitvoeringen van dit opus, maar de klassieke uitvoering van deze zwanenzang is en blijft natuurlijk die met Schwarzkopf en Szell op EMI, waarvan men regelmatig heruitgaven tegenkomt.

Bij Max Reger (1873 – 1916) kan men goed zien hoe de componist worstelt met het feit dat het woord belangrijker wordt dan de muziek.
Zijn kolossale “Symphonischer Prolog zur einer Tragödie” was oorspronkelijk bedoeld als eerste deel van een symfonie en duurt al ruim een half uur. En dan te weten, dat er nog 39 pagina’s werden geschrapt. Een symfonie is er gezien het muzikale klimaat van die tijd dus niet meer van gekomen: de symfonie als vorm, werd in Duitsland minder populair.
Het begint onheilspellend. Een aankondiging van het algemeen menselijk drama van noodlot, strijd, ondergang en heilsverschiet, zoals Höweler het noemt. Het stuk komt daarna langzamerhand in beweging. Uiterst zachte passages met liefelijke melodieën in het hout, worden abrupt onderbroken door plotselinge versnellingen met extatische climaxen. Dit alles mond uit in een aangrijpende koraalmelodie die helemaal opengaat en straalt en in schittering blijft toenemen. We zijn dan halverwege, om weer opnieuw de worsteling van het menselijke drama en lijden te ondergaan met aan het einde nog een keer die hemelse koraal in ietwat gewijzigde vorm. Hoe kan iemand toch zoiets moois bedenken? Het doet denken aan een gedachte van Henriette Roland Holst (1869 – 1952) uit haar gedicht “Sombre gedachten schiep een sombre tijd”:

Maar onderwijl werd in beneden-lagen
ver van ’t mistroostig ras dat heerschte op aard,
met smart ontvangen, en in pijn gebaard
de nieuwe kracht, die ons omhoog zal dragen.”

Er zijn helaas niet veel uitvoeringen te krijgen van dit gecompliceerde opus. Hoe komt het toch dat de grote dirigenten dit werk laten liggen? Ik ken maar een uitvoering op vinyl en dat is op het label Schwann Musica Mundi (VMS 1605) onder Gerd Albrecht met het Radio-Symphonie-Orchester Berlin. Vervelend is dat hij bijna niet wordt aangeboden: lastige muziek en een label met een niet al te grote oplage. Maar geen nood, voor degenen die dit werk willen leren kennen, het is ook te downloaden bij www.eclassical.com voor USD 0,99 en wordt aangeleverd op een 320kbps MPEG-1, layer 3 bestand. De uitvoering is door Leif Segerstam met Norrkoping Symphony Orchestra. Een zeer goede uitvoering en het klinkt indrukwekkend. Uiteraard is het ook te koop op CD (Bis), maar niet voor USD 0,99….
“Vier tondichtungen nach Arnold Böcklin” is een vierdelige orkestsuite geïnspireerd op schilderijen van Böcklin (1827 – 1901). Het eerste deel Der Geigende Eremit is van een onmetelijke schoonheid. Het is of men na vele jaren, weer herenigd wordt met een bekend landschap. Alsof men heilige grond betreedt. Ook hier is het aantal uitvoeringen op vinyl weer dun bezaaid, maar Järvi met het CGO (Chandos ABRD 1426) ziet men regelmatig op het net gekoppeld met de Hiller variaties. Dit is overigens een van de weinige keren dat het CGO te beluisteren is op een ander label.
Qua orkestwerken dienen nog genoemd te worden: Eine Balletsuite op. 130; Eine Romantische suite op. 125; Konzert im alten Stil op. 123; de Serenade in G groot op. 95; Variationen und Fuge über ein Thema von Mozart op. 132 en Variationen über ein lustiges Thema von Joh. Adam Hiller op. 100.
Reger, heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten: concertante werken, prachtige kamermuziek en orgelwerken. Zijn orgel oeuvre komt men op vinyl regelmatig goedkoop her en der tegen en ze kunnen de vergelijking met andere orgelcomponisten, bijvoorbeeld César Frank, gemakkelijk doorstaan. Ofschoon ik niet al zijn orgelwerken ken, aarzel ik niet die aan te bevelen.

Zelfs bij Gustav Mahler (1860 – 1911) die tegen de stroom in toch nog symfonieën blijft schrijven en daarin ook zondermeer te prijzen is, ziet men dat hij het vocale aspect soms toch nog een belangrijke of zelfs dominante positie verleent. Zie symfonieën 2, 3, 4 en 8. Zijn orkestrale liederen echter, nemen in zijn oeuvre een bijzondere plaats in. En persoonlijk denk ik, dat daar precies Mahler’s belangrijkste bijdrage ligt.
Het maandblad “Klassieke Zaken” schrijft in het juni nummer over Mahler: “Het Koninklijk Concertgebouworkest nam onlangs een spraakmakende beslissing: in het nieuwe seizoen 2008-9 staat er geen Mahler op het programma. Een Mahlerloos jaar dus voor het orkest dat geldt als de belichaming van de Nederlandse Mahlertraditie. Is zo’n time out erg of juist niet? De menigen daarover zijn verdeeld, liggen ergens tussen het ‘verontrustend’ van Kaspar Jansen in NRC Handelsblad en een droge, constatering in.”
‘Verontrustend’ nog wel. Waarschijnlijk hoor ik bij de mensen aan de andere kant van het spectrum, die zouden opmerken dat het eens tijd werd. De eerlijkheid gebiedt toch te zeggen dat Mahler buiten proportioneel wordt uitgevoerd; op het stomvervelende af zelfs.
Afgezien van vlagen van aangrijpende schoonheid, komt zijn muziek – althans in de symfonieën – op mij veelal, sentimenteel, gezocht en soms ronduit aanstellerig over. Het mist de edelheid en vanzelfsprekendheid die andere grote componisten kenmerkt. Niettemin wordt deze componist van formaat door een aantal beschouwd als een van de grootste symfonici na Beethoven en geniet een ongekende populariteit. Niet in de laatste plaats vermoed ik, doordat Mahler een geliefd marketingobject geworden is. Mahlerbrilletjes, Mahlerhorloges, Mahlerstropdasjes en zelfs Mahlerwijn hadden we een aantal jaartjes geleden.
Ook het aantal Mahler symfonieëncycli begint zo langzamerhand een ware plaag te worden. Bernstein, de grote Mahler advocaat, stuitte in het verleden op veel weerstand; uitgerekend bij de Weners zelf. Scheissmusik noemden ze het. Bernstein noemde Mahler zelfs een groot profeet. Hoe au serieus we dit moeten nemen valt te raden. Hij nam de symfonieëncyclus wel twee keer op: voor CBS met de New Yorkers en het LSO en voor DG met het CGO, weer de New Yorkers en de Weners. Deze laatste cyclus is mateloos populair op e-Bay.
De cyclus op DG door Kubelik wordt wel hier en daar in antiquariaten en kringlopen aangeboden en is een verfrissing te noemen. Zijn opnames worden soms een beetje onderuit geschreven, maar de veelal (te) ingetogen interpretaties van hem – bijvoorbeeld het Pianoconcert van Robert Schumann – pakt hier uitstekend uit. Wat me bij deze uitvoeringen opviel was de onbevangenheid. Geen aanstellerij, geen effectbejag die je bij Bernstein veelal aantreft, ofschoon ik denk dat Lenny het wel integer bedoelde.
Ook de uitvoeringen door Haitink die als een groot Mahler interpreet bekend staat, zijn nog goed verkrijgbaar in de kringloopbakken. Vooral de eerste en vierde van zijn tweede cyclus. Ook die van “Das Lied der Erde”. De uitvoering van dit mooie lied door Jochum op DG, zou je alleen al voor de hoes kopen.
De uitvoeringen door von Karajan vond ik erg tegenvallen, behalve de zesde die in de Peguin Guide de hemel wordt in geprezen. Terecht.
De cyclus met Abbado op DG is behoorlijk consistent wat ik zo hoor van Mahler liefhebbers. Abbado is en blijft een edele dirigent. De tweede symfonie heeft echter last van behoorlijke dynamische verschillen wat niet altijd handig is.
De cycli door Solti op Decca kenmerkt zich door een spectaculaire klank.

Als laatste noemen we Hugo Wolf (1860 – 1903). Deze trouwe vriend van Anton Bruckner en veel te weinig gehoord, is vooral bekend om zijn liederen. En met goede reden. Het is de laatste grote meester van het Duitse lied met pianobegeleiding. Uiteraard door de gekozen vorm ziet men bij hem de sterke verbondenheid met het gedicht. Zijn “Spanisches en Italienisches Liederbuch” zijn weergaloos. Probeer Fischer-Dieskau (Bariton), Schwarzkopf (Sopraan) en Moore (piano) voor de Spaanse liederen op DG te krijgen (DG 413 226-1). Voor de Italiaanse liederen (DG 2705 018) wederom Diskau, Seefried en Werba/Demus (piano). Ofschoon Wolfs grootste bijdrage de liederen zijn, is ook zijn Italienische Serenade een kostelijk stuk kamermuziek. Veel mooie Decca opnames zijn ooit op de goedkopere serie “Ace of Diamonds” verschenen. Het Küchl kwartet geeft een bevlogen uitvoering van deze prachtige serenade (Decca SDD 543).

We hebben in de laatste 3 afleveringen componisten besproken die men laatromantisch noemt. Het blijft altijd een hachelijke onderneming grenzen en lijnen te trekken. Waarom noemen we Bartok nu modern en Reger laatromantisch? De indeling door Norbert Loeser acht ik een bruikbare: “Wij trekken de scheidslijn tussen het verleden en de ‘moderne’ muziek daar, waar de componist niet alleen theoretisch maar ook praktisch in zijn creatief werk vrijwillig of gedwongen experimentator wordt. Waar hij voor het eerst voelt dat hij in een artistieke dwangpositie verkeert, waaruit een vlucht nauwelijks meer mogelijk is.” Het is het opzettelijk zoeken naar het ongehoorde, ja, zelfs het absurde. Het nieuwe willen tot elke prijs.
Volgende keer beginnen we met de Romantiek. We zullen grote namen tegenkomen: Schumann, Mendelssohn, Brahms, Chopin, Berlioz en Bruckner. Een stijlperiode die niets maar dan ook niets heeft te maken met wat mensen zoal verstaan onder Romantiek of romantisch.

STRAUSS Alpine Symphony; Macbeth

Tuesday, December 21st, 2010

STRAUSS
Alpine Symphony Macbeth
Pittsburgh Symphony Orchestra
Marek Janowski
Pentatone PTC 5186 339 DDD 69’

Uitvoering / Opname *** / *****

De Alpensymfonie uit 1915 is strikt genomen geen symfonie, maar een symfonisch gedicht. Een vondst van Liszt, aangevend dat de symfonische muziek afhankelijk was geworden van het woord, nadat Wagner al verkondigd had dat de rol van de symfonie was uitgespeeld. Het ging de meester uit Beieren hier niet om de diepgang, maar om de uiterlijke weergave en gebruikte alle middelen die hij nodig had voor deze muzikale schildering. Buiten het reusachtige orkest wordt er ook een windmachine gebruikt. Janowski treft het niet. Ook hier is de concurrentie zeer zwaar: Haitink op Philips, Blomstedt op Decca en von Karajan op DG. Vergeleken met de laatste is de Storm slechts een stevige bries en ook de Zonsondergang wordt hier niet zo breed aangrijpend uitgesponnen. Echter het is weer de opname die deze CD aantrekkelijk maakt, vooral wanneer er op SACD niveau wordt afgespeeld. Ook de toevoeging van Macbeth maakt deze CD extra begerenswaardig.

Emile Stoffels
Luister 663

WAGENAAR Symphonic Poems

Sunday, December 19th, 2010

WAGENAAR
Summer of Life Symphonic Poems
Nordwestdeutsche Philharmonie Antony Hermus
CPO 777 479-2 DDD 50’

Uitvoering / Opname ***** / *****

De toonkunst van de in 1862 geboren Johan Wagenaar is fel, humoristisch, persiflerend, maar nooit fantastisch, dromerig of transcendent zoals zijn tijdgenoot Alfons Diepenbrock. Hij zal ons zelden in verwarring brengen of verscheuren. Zijn orkestratie vertoont veel overeenkomst met Richard Strauss en Hector Berlioz. De ouverture De Getemde Feeks is het enige stuk hier dat nog enigszins repertoire heeft gehouden, maar het is vooral de vurige Levenszomer opus 21 die ons bijzonder treft. Deze vulkanische fantasie voor orkest uit 1902 weerspiegelt de gelukkige jaren met zijn gezin, die de donkere schaduw uit zijn jeugd naar de achtergrond heeft verdrongen. Laat CPO toch vooral doorgaan met het opnemen en uitbrengen van Nederlandse componisten, die m.i. nog steeds niet de aandacht krijgen die ze verdienen. We hebben al een aantal symfonieën van Henk Badings te danken aan CPO. Nu nog Hendrik Andriessen, Leon Orthel, Willem Pijper enz. Ook deze CPO opname voldoet weer aan de verwachtingen.

Emile Stoffels
Luister 664