Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

STRAUSS – Symphonia Domestica • Die Tageszeiten

Wednesday, September 7th, 2016

straussSTRAUSS
Symphonia Domestica • Die Tageszeiten
Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin, Marek Janowski
Pentatone Records PTC 5186507 SACD HYBRID DDD 67:50

Waardering: 10

De Symphonia Domestica was bedoeld als een vervolg op Ein Heldenleben: een portret van Strauss’ gezinsleven met de diverse karakters. Het werk heeft mij nooit echt weten te bekoren, maar Janowski heeft me nu toch overtuigd. Hij heeft een buitengewoon frisse en doorzichtige aanpak. En ook heeft hij oog voor de vele fraaie soli door het gehele orkest heen en toont hij zich hier een groot Strauss interpreet, die zich moeiteloos handhaaft naast von Karajan en Reiner. Wat deze schijf echter totaal onmisbaar maakt, is de koppeling met de zelden uitgevoerde Die Tageszeiten. Dit werk uit 1928 greep me direct bij de keel. Dat is niet vreemd, want later zag ik dat deze stukken zijn gebaseerd op teksten van Joseph Freiherr von Eichendorff. We kennen ongetwijfeld de chemie tussen het werk van deze grote romantische dichter en Strauss’ Im Abendrot, uit die Vier letzte Lieder. Bij dit werk horen we bij vlagen dezelfde atmosfeer en dat voor Strauss typerende harmonisch diepte component. Ook hier die vergezichten en de milde verzoening met de dood. Janowski laat zich in het algemeen niet verleiden tot sentiment en effectbejag. Dat doet hij hier ook niet en dat is nu precies wat deze muziek nodig heeft. Echter, het onverdeelde succes van deze SACD kan niet slechts worden toegeschreven aan de uitvoering, maar zeker ook aan de productie. Het geheel klinkt massief en transparant tegelijk, tegen een inktzwarte achtergrond. Het koor klinkt vlekkeloos en staat prachtig in de ruimte. Groot compliment voor de technici. Een zeer begerenswaardige SACD, vooral door het Die Tageszeiten. Hoogste belang en hoogste lof! Wat willen we nog meer?

Emile Stoffels
Luister Magazine

Diskotabel – de vergelijking

Tuesday, January 25th, 2011

Afgelopen zondag was er weer een leuke Diskotabel op Radio 4. Dit keer was het Bartoks Concert voor Orkest. Een briljant geschreven werk van vijf delen uit 1943. Serge Koussevitzky gaf met de Boston Symphony Orchestra de premiere. Er zijn, zoals in het programma al werd verteld, zeer veel uitstekende opnamen en het panel had het niet makkelijk met de keuze. Er werden negen uitvoeringen besproken.

Afgetrapt werd er met een oude radio opname onder van Beinum, gevolgd door die van Boulez op DG. De derde was een SONY opname door Esa-Pekka Salonen. Deze drie waren geselecteerd voor het eerste deel. De laatste kwam er hier het beste vanaf, ofschoon er veel waardering was voor die van van Beinum. Die door Boulez, werd uiteindelijk als te glad ervaren.

Dan het tweede deel met het trommeltje. Hiervoor koos Diskotabel Fritz Reiner op RCA als opname D, gevolgd door Dorati met het CGO op Philips. Rattle op EMI met het City of Birmingham Symphony Orchestra sloot het rijtje. Ook deze keer maakte de laatste opname de meeste indruk, maar ook Reiners precisie en Dorati’s idiomatische uitvoering werden gelauwerd. Overigens meen ik me te herinneren dat de Hongaars-Amsterdamse samenwerking in die dagen werd afgebrand bij Discotabel, maar wel met een Edison werd bekroond.

Voor het laatste jubelende deel kwamen Solti op Decca met het LSO, Chailly met het CGO uit dezelfde stal en Fischer op Philips aan bod. Hier was het iets makkelijker voor het panel, had ik de indruk. Duidelijke winnaar was Chailly. Voor de klassieker door Solti, had men wel ontzag vanwege de nog net in toom gehouden roekeloosheid. Fischer ten slotte vond men wat aan de slordige kant.

Persoonlijk zou ik het in dit prachtige werk niet willen doen zonder Solti, Reiner en niet te vergeten de Mercury opname van Dorati met het LSO.

De Laatromantiek (III)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (III)

In Duitsland domineert in deze periode nog altijd Richard Wagner (1813 – 1883) die het zogenaamde ‘gesamtkunstwerk’ propageert en in zijn theoretische geschriften onder andere verkondigde dat de rol van de symfonische muziek was uitgespeeld. Er zijn dan ook relatief weinig symfonieën geschreven door Duits sprekende componisten van de generatie 1860-1875. Men koos Liszt en zijn ‘symfonische dichtungen’ als voorbeeld, daarmee aangevend dat de symfonische muziek afhankelijk was geworden van het woord. Onder Wagner’s invloed verschuift het zwaartepunt der compositie naar de vocale muziek: lied of opera.

Een componist die met een verbazingwekkend gemak en behendigheid zich aanpast aan deze uitdagingen is Richard Strauss (1864 – 1949). In Duitsland is hij lange tijd als de grootste componist van de twintigste eeuw gelauwerd. Natuurlijk ook doordat hij op relatief hoge leeftijd actief is geweest tot diep in die eeuw. Toch is deze toondichter eerder een voltooier en samenvatter van het verleden, dan een pionier zoals Debussy. Deze zocht wel degelijk naar bevrijding van de muziek door de literatuur en het Wagneriaanse pathos.
“When ich wollte, kan ich ein Bierglass, tönend mahlen“, moet hij eens gesnoefd hebben. Eerlijk is eerlijk: er zijn weinig componisten die dit kunnen. Dit is zeker het geval met de “Alpen Symfonie”, dat overigens geen symfonie is, maar een symfonisch gedicht. Hier zijn twee uitvoering toonaangevend: Haitink op Philips (416 156-1) en von Karajan op DG (2532 015). Haitink met het CGO klinkt opvallend natuurlijk, maar voor de climaxen in dit werk mag von Karajan niet absoluut ontbreken. Luister bijvoorbeeld naar de overweldigende ‘Storm’ en de ’Zonsondergang’ die van een verblindende schoonheid is.

Belangrijkste symfonische gedichten van de hand van Strauss zijn Don Juan (1888), Tod und Verklärhrung (1889), Till Eulenspiegel (1895), het overbekende Also Sprach Zarathustra (1896), Don Quixote (1897), Ein Heldenleben (1898), Sinfonia Domestica (1903) en de zojuist besproken Alpen Symfonie (1915).
We kunnen rustig stellen dat er drie grote interpreten zijn die de moeite van het zoeken waard zijn: von Karajan, Haitink en Reiner. Van de laatste is een prachtige 200 gram heruitgave van Also Sprach Zarathustra verschenen op Classical Records (ALSC 1806Q).
Zijn “Metamorphosen” voor strijkorkest uit 1945 bezit een gloed die hij niet eerder bereikt had tot dan toe. Het is een waardig afscheid van het Romantische tijdperk; een laatste samenvatting door een kunstenaar die zichzelf als de laatste nazaat van Beethoven zag. Het werk besluit dan ook met een citaat uit de treurmars van de Eroica symfonie. Het werk heeft even in een kwaad daglicht gestaan, omdat men dacht dat het een klacht was over de ondergang van Hitler en zijn Derde Rijk. Deze aantijging is uiteraard achterhaald. Het klinkt saai, maar ook hier is von Karajan weer de standaard. De maestro nam het twee keer op, voor DG: in 1971 en ’83 (2530 066 en 2532 074)
Dan een van zijn beste en schoonste werken: “Die Vier Letzte Lieder” op teksten van Hesse en Eichendorff. Wat mij betreft het hoogtepunt van het orkestrale lied. Ook voor dit werk heeft von Karajan twee opnames gemaakt voor DG met Gundula Janowitz en Anna Tomowa-Sintow (2530 368; 419 188-1) en ik moet bekennen dat het moeilijk kiezen is. Vreemd genoeg zie je deze uitvoeringen niet zo heel erg vaak. Er zal dus op e-Bay gezocht moeten worden voor snel resultaat. Wel komt men in kringloopwinkels regelmatig de uitvoering met Norman en Masur tegen op Philips (6514 322). Deze is op nogal wat aspecten erg goed, maar persoonlijk vind ik de tempi net iets te traag. Er zijn uiteraard veel goede uitvoeringen van dit opus, maar de klassieke uitvoering van deze zwanenzang is en blijft natuurlijk die met Schwarzkopf en Szell op EMI, waarvan men regelmatig heruitgaven tegenkomt.

Bij Max Reger (1873 – 1916) kan men goed zien hoe de componist worstelt met het feit dat het woord belangrijker wordt dan de muziek.
Zijn kolossale “Symphonischer Prolog zur einer Tragödie” was oorspronkelijk bedoeld als eerste deel van een symfonie en duurt al ruim een half uur. En dan te weten, dat er nog 39 pagina’s werden geschrapt. Een symfonie is er gezien het muzikale klimaat van die tijd dus niet meer van gekomen: de symfonie als vorm, werd in Duitsland minder populair.
Het begint onheilspellend. Een aankondiging van het algemeen menselijk drama van noodlot, strijd, ondergang en heilsverschiet, zoals Höweler het noemt. Het stuk komt daarna langzamerhand in beweging. Uiterst zachte passages met liefelijke melodieën in het hout, worden abrupt onderbroken door plotselinge versnellingen met extatische climaxen. Dit alles mond uit in een aangrijpende koraalmelodie die helemaal opengaat en straalt en in schittering blijft toenemen. We zijn dan halverwege, om weer opnieuw de worsteling van het menselijke drama en lijden te ondergaan met aan het einde nog een keer die hemelse koraal in ietwat gewijzigde vorm. Hoe kan iemand toch zoiets moois bedenken? Het doet denken aan een gedachte van Henriette Roland Holst (1869 – 1952) uit haar gedicht “Sombre gedachten schiep een sombre tijd”:

Maar onderwijl werd in beneden-lagen
ver van ’t mistroostig ras dat heerschte op aard,
met smart ontvangen, en in pijn gebaard
de nieuwe kracht, die ons omhoog zal dragen.”

Er zijn helaas niet veel uitvoeringen te krijgen van dit gecompliceerde opus. Hoe komt het toch dat de grote dirigenten dit werk laten liggen? Ik ken maar een uitvoering op vinyl en dat is op het label Schwann Musica Mundi (VMS 1605) onder Gerd Albrecht met het Radio-Symphonie-Orchester Berlin. Vervelend is dat hij bijna niet wordt aangeboden: lastige muziek en een label met een niet al te grote oplage. Maar geen nood, voor degenen die dit werk willen leren kennen, het is ook te downloaden bij www.eclassical.com voor USD 0,99 en wordt aangeleverd op een 320kbps MPEG-1, layer 3 bestand. De uitvoering is door Leif Segerstam met Norrkoping Symphony Orchestra. Een zeer goede uitvoering en het klinkt indrukwekkend. Uiteraard is het ook te koop op CD (Bis), maar niet voor USD 0,99….
“Vier tondichtungen nach Arnold Böcklin” is een vierdelige orkestsuite geïnspireerd op schilderijen van Böcklin (1827 – 1901). Het eerste deel Der Geigende Eremit is van een onmetelijke schoonheid. Het is of men na vele jaren, weer herenigd wordt met een bekend landschap. Alsof men heilige grond betreedt. Ook hier is het aantal uitvoeringen op vinyl weer dun bezaaid, maar Järvi met het CGO (Chandos ABRD 1426) ziet men regelmatig op het net gekoppeld met de Hiller variaties. Dit is overigens een van de weinige keren dat het CGO te beluisteren is op een ander label.
Qua orkestwerken dienen nog genoemd te worden: Eine Balletsuite op. 130; Eine Romantische suite op. 125; Konzert im alten Stil op. 123; de Serenade in G groot op. 95; Variationen und Fuge über ein Thema von Mozart op. 132 en Variationen über ein lustiges Thema von Joh. Adam Hiller op. 100.
Reger, heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten: concertante werken, prachtige kamermuziek en orgelwerken. Zijn orgel oeuvre komt men op vinyl regelmatig goedkoop her en der tegen en ze kunnen de vergelijking met andere orgelcomponisten, bijvoorbeeld César Frank, gemakkelijk doorstaan. Ofschoon ik niet al zijn orgelwerken ken, aarzel ik niet die aan te bevelen.

Zelfs bij Gustav Mahler (1860 – 1911) die tegen de stroom in toch nog symfonieën blijft schrijven en daarin ook zondermeer te prijzen is, ziet men dat hij het vocale aspect soms toch nog een belangrijke of zelfs dominante positie verleent. Zie symfonieën 2, 3, 4 en 8. Zijn orkestrale liederen echter, nemen in zijn oeuvre een bijzondere plaats in. En persoonlijk denk ik, dat daar precies Mahler’s belangrijkste bijdrage ligt.
Het maandblad “Klassieke Zaken” schrijft in het juni nummer over Mahler: “Het Koninklijk Concertgebouworkest nam onlangs een spraakmakende beslissing: in het nieuwe seizoen 2008-9 staat er geen Mahler op het programma. Een Mahlerloos jaar dus voor het orkest dat geldt als de belichaming van de Nederlandse Mahlertraditie. Is zo’n time out erg of juist niet? De menigen daarover zijn verdeeld, liggen ergens tussen het ‘verontrustend’ van Kaspar Jansen in NRC Handelsblad en een droge, constatering in.”
‘Verontrustend’ nog wel. Waarschijnlijk hoor ik bij de mensen aan de andere kant van het spectrum, die zouden opmerken dat het eens tijd werd. De eerlijkheid gebiedt toch te zeggen dat Mahler buiten proportioneel wordt uitgevoerd; op het stomvervelende af zelfs.
Afgezien van vlagen van aangrijpende schoonheid, komt zijn muziek – althans in de symfonieën – op mij veelal, sentimenteel, gezocht en soms ronduit aanstellerig over. Het mist de edelheid en vanzelfsprekendheid die andere grote componisten kenmerkt. Niettemin wordt deze componist van formaat door een aantal beschouwd als een van de grootste symfonici na Beethoven en geniet een ongekende populariteit. Niet in de laatste plaats vermoed ik, doordat Mahler een geliefd marketingobject geworden is. Mahlerbrilletjes, Mahlerhorloges, Mahlerstropdasjes en zelfs Mahlerwijn hadden we een aantal jaartjes geleden.
Ook het aantal Mahler symfonieëncycli begint zo langzamerhand een ware plaag te worden. Bernstein, de grote Mahler advocaat, stuitte in het verleden op veel weerstand; uitgerekend bij de Weners zelf. Scheissmusik noemden ze het. Bernstein noemde Mahler zelfs een groot profeet. Hoe au serieus we dit moeten nemen valt te raden. Hij nam de symfonieëncyclus wel twee keer op: voor CBS met de New Yorkers en het LSO en voor DG met het CGO, weer de New Yorkers en de Weners. Deze laatste cyclus is mateloos populair op e-Bay.
De cyclus op DG door Kubelik wordt wel hier en daar in antiquariaten en kringlopen aangeboden en is een verfrissing te noemen. Zijn opnames worden soms een beetje onderuit geschreven, maar de veelal (te) ingetogen interpretaties van hem – bijvoorbeeld het Pianoconcert van Robert Schumann – pakt hier uitstekend uit. Wat me bij deze uitvoeringen opviel was de onbevangenheid. Geen aanstellerij, geen effectbejag die je bij Bernstein veelal aantreft, ofschoon ik denk dat Lenny het wel integer bedoelde.
Ook de uitvoeringen door Haitink die als een groot Mahler interpreet bekend staat, zijn nog goed verkrijgbaar in de kringloopbakken. Vooral de eerste en vierde van zijn tweede cyclus. Ook die van “Das Lied der Erde”. De uitvoering van dit mooie lied door Jochum op DG, zou je alleen al voor de hoes kopen.
De uitvoeringen door von Karajan vond ik erg tegenvallen, behalve de zesde die in de Peguin Guide de hemel wordt in geprezen. Terecht.
De cyclus met Abbado op DG is behoorlijk consistent wat ik zo hoor van Mahler liefhebbers. Abbado is en blijft een edele dirigent. De tweede symfonie heeft echter last van behoorlijke dynamische verschillen wat niet altijd handig is.
De cycli door Solti op Decca kenmerkt zich door een spectaculaire klank.

Als laatste noemen we Hugo Wolf (1860 – 1903). Deze trouwe vriend van Anton Bruckner en veel te weinig gehoord, is vooral bekend om zijn liederen. En met goede reden. Het is de laatste grote meester van het Duitse lied met pianobegeleiding. Uiteraard door de gekozen vorm ziet men bij hem de sterke verbondenheid met het gedicht. Zijn “Spanisches en Italienisches Liederbuch” zijn weergaloos. Probeer Fischer-Dieskau (Bariton), Schwarzkopf (Sopraan) en Moore (piano) voor de Spaanse liederen op DG te krijgen (DG 413 226-1). Voor de Italiaanse liederen (DG 2705 018) wederom Diskau, Seefried en Werba/Demus (piano). Ofschoon Wolfs grootste bijdrage de liederen zijn, is ook zijn Italienische Serenade een kostelijk stuk kamermuziek. Veel mooie Decca opnames zijn ooit op de goedkopere serie “Ace of Diamonds” verschenen. Het Küchl kwartet geeft een bevlogen uitvoering van deze prachtige serenade (Decca SDD 543).

We hebben in de laatste 3 afleveringen componisten besproken die men laatromantisch noemt. Het blijft altijd een hachelijke onderneming grenzen en lijnen te trekken. Waarom noemen we Bartok nu modern en Reger laatromantisch? De indeling door Norbert Loeser acht ik een bruikbare: “Wij trekken de scheidslijn tussen het verleden en de ‘moderne’ muziek daar, waar de componist niet alleen theoretisch maar ook praktisch in zijn creatief werk vrijwillig of gedwongen experimentator wordt. Waar hij voor het eerst voelt dat hij in een artistieke dwangpositie verkeert, waaruit een vlucht nauwelijks meer mogelijk is.” Het is het opzettelijk zoeken naar het ongehoorde, ja, zelfs het absurde. Het nieuwe willen tot elke prijs.
Volgende keer beginnen we met de Romantiek. We zullen grote namen tegenkomen: Schumann, Mendelssohn, Brahms, Chopin, Berlioz en Bruckner. Een stijlperiode die niets maar dan ook niets heeft te maken met wat mensen zoal verstaan onder Romantiek of romantisch.

De Modernen (I)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (I)

De klassieke muziekliefhebber, die in het begin al moeite genoeg heeft zich te oriënteren temidden van de klassieke muziek vóór 1900, moet toch welhaast in een totale staat van verwarring verkeren als hij of zij de toonkunst van de 20ste eeuw betreedt. Er zijn in die voorgaande eeuwen nog nooit zoveel stromingen en substromingen geweest als in die bewuste eeuw.
Volgens een aantal scherpe denkers wijst dit eerder op muzikale armoede dan op rijkdom. Het blijkt namelijk dat de componisten uit dit tijdsvak, de traditie en de tonale verworvenheden van de Romantiek eerder als last dan als zegen hebben ervaren. Vandaar dat sommige moderne kunstenaars zich van radicale stijlmiddelen hebben bediend om maar vooral niet tot slechts een navolger te worden betiteld.
De meest radicale toonzetter uit deze tijd is ongetwijfeld Arnold Schönberg. Ofschoon hij met zijn atonale systeem en definitieve breuk met het verleden ontegenzeggelijk tot de grootste vernieuwers gerekend moet worden, ervaar ik deze kunst persoonlijk eerder als notenschikking dan muziek. De zgn. 2de Weense School (Schönberg, Berg en Webern) en haar navolgers zullen hier dan ook niet behandeld worden.

Over welke tijdsperiode hebben we het in dit artikel? We beginnen met de generatie kunstenaars die grofweg geboren zijn in de periode 1875 -1905 en in hun taal aanknopen bij het verleden, maar toch buitengewoon vernieuwend zijn gebleken.

Bela Bartok (1881 -1945)

Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta

Dit is een van die zeldzame werken die zowel de ziel als het intellect streelt en van de hoogste innerlijke beschaving getuigt. Voor deze schepping – die in 1936 ontstond – heeft Bartok voor elk der vier delen, een andere instrumentale combinatie gebruikt, een andere vorm gekozen en andere klankbeelden gebruikt zodat het werk een buitengewone rijkdom van aspecten vertoont.
Los van de twee aparte strijkersgroepen die zijn voorgeschreven, dient – volgens de meester – ook de harp en het klavier tot de snarengroep verstaan te worden. Deze hoogst uitzonderlijke en vooral eigenzinnige orkestbezetting vereist een speciale opstelling op het podium, die ook door Bartok in de partituur nauwkeurig is aangegeven.
Het eerste stuk is een fuga, maar anders dan bij Bach. Een volgens Bartok’s eigen principes. Opvallend is dat de climax wordt bereikt niet alleen doordat het orkest luider speelt, maar ook door de innerlijke constructie.
Het tweede deel blijft verbazen, vooral als na een minuut of 4 de strijkers met het klavier een zeer merkwaardige atmosfeer neerzetten, verstrekt door de xylofoon en trom.
In het derde deel is het dit keer de betovering die de luisteraar eenvoudigweg niet kan ontgaan. Let vooral op de speciale glijd effecten van de pauken, zowel opgaand als neergaand in dialoog met de xylofoon.
De finale, die net zoals de vorige stukken uit meerdere secties bestaat, opent uitbundig en levendig en komt in de voorlaatste sectie op een wonderbaarlijke manier terug op het fuga thema van het eerste deel.

Wat mij betreft zijn er drie meer dan uitstekende uitvoeringen op vinyl verkrijgbaar: Marriner op Argo, Reiner op RCA en Haitink op Philips. Marriner is veruit het makkelijkst te scoren én voor weinig geld. Haitink is al wat moeilijker, maar zeker niet onmogelijk en Reiner is ook verschenen op een 180 gram audiofiele heruitgave die werkelijk schitterend klinkt, maar ik vind hier de midprice cd een uitstekend alternatief. Bovendien wordt dit werk op cd gekoppeld met het Concert voor Orkest.
Bij Marinner is de (logische) koppeling met het “Divertimento voor strijkers”. Typisch voor Argo is de ruimtelijke warme strijkersklank en het realistische slagwerk; vooral de xylofoon helemaal aan het einde van het derde deel is LETTERLIJK tastbaar.
Van de oorspronkelijke uitgave (Argo ZRG657) is een uitstekende en betaalbare Nederlandse heruitgave gemaakt (Argo 6557 556), die ietsje scherper klinkt maar zeker niet onprettig.
Dan de uitvoering van Haitink. Prachtige akoestiek! In het eerste deel, zijn er melodielijnen te horen die weer onhoorbaar zijn bij andere dirigenten. Bij het slaan op de snaren in het laatste deel, is waar te nemen hoe natuurlijk de oude Philips opnames toen waren en ook hier heeft Haitink weer een bijzondere puls te pakken die hem tot zo’n groot dirigent maakt. De oorspronkelijke uitgave wordt gekoppeld met de Harry Janos Suite van Kodaly, later is deze gekoppeld met het 2de pianoconcert van Bartok, hetgeen ik logischer vind. Ook is er een uitgave verschenen in de spotgoedkope serie “Muziek onder Woorden”. Daar is een behoorlijk verschil in klanksignatuur vast te stellen. Deze klinkt wat donkerder, maar wel erg mooi.

Tot slot Reiner, die Bartok zelf gekend heeft, met het CSO op RCA. Over deze uitvoering is al veel gezegd en geschreven. Wat ik er nog aan toe wil voegen is dat het tweede deel bij Reiner een mate van vinnigheid of zelfs agressiviteit heeft die ik bij nogal wat uitvoeringen mis. Yehudi Menuhin zei: “Bartok had een intens gevoelsleven. Een vuurvreter. En hij had het constant onder controle”.
Samenvattend: begin met Marriner, ga daarna op zoek naar Haitink en koop Reiner op (SA)CD. Als zeer goede alternatieven wil ik hier ook nog de beide von Karajan uitvoeringen (DGG en EMI) noemen.

Concert voor Orkest

Zover ik weet is dit het eerste concertante werk voor een orkest en bovendien is het 5-delig, net als zijn 4de en 5de strijkkwartet. Dit briljant geschreven stuk, heeft zich altijd in veel belangstelling weten te verheugen. Dit komt wellicht door het humoristische vierde deel, het Intermezzo Interrotto. Het ligt dan ook voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn en ook zeer goede. Solti(Decca), Dorati (Mercury en Philips) en Reiner (RCA) voeren de lijst aan. Solti met het LSO (SXL 6212) heeft uiteindelijk mijn voorkeur, maar hij heeft het later met het CSO (SXDL 7536) nog eens overgedaan en die is ook erg goed. Je ziet hem regelmatig aangeboden voor weinig geld.
Reiner is net als het vorige werk ook op een audiofiele heruitgave verschenen. Zie hierboven.
Dorati met het LSO Fontana (Grandioso 894 020 ZKY) is oorspronkelijk op Mercury verschenen maar veel opnames zijn op Philips en Fontana heruitgegeven. Dit is zo’n voorbeeld. Mooie opname: helder, diep, hoog, breed enz. Alles schittert. Ook Dorati heeft het een tweede keer opgenomen en wel met het CGO op Philips (411 132-1), die met een Edison is bekroond.

Pianoconcerten No. 1 en 2.

In het eerste concert, valt het middendeel op doordat het slagwerk een voorname rol inneemt en de piano als slagwerkinstrument wordt gebruikt. Het melodische materiaal gaat terug op de Arabische volksmuziek. Verder valt op dat dit concerto buitengewoon grondig bewerkt is, waarin thema’s voortdurend van gedaante verwisselen.
Dan het tweede concert uit 1931. Het was een poging een ‘meer toegankelijk’ concert te schrijven vergeleken met het vorige. In het oog springend is dat in het eerste deel, de strijkers zwijgen. Van alle uitvoeringen die ik intussen gehoord heb, is de uitvoering door Abbado met Pollini (DG 2530 901) met afstand de beste. Zij zijn een waar koningskoppel en bovendien is deze plaat gemakkelijk te krijgen voor weinig geld. Regelmatig zie je hem in een antiquariaat en anders heeft eBay het wel. Kovacevich en Davis op Philips zijn een goede tweede keus, ondanks dat de opnames een correcte klankbalans ontberen.

Vioolconcert no. 2

Een waarlijk schitterend vioolconcert met een overvloed aan melodische invallen. Met dit werk voltooid in 1938, slaat Bartok weer een andere weg in. Het vitale en krachtige eerste deel, dat contrasteert met het dromerige middendeel, knoopt qua vorm duidelijk aan bij de Romantiek met een virtuoze cadens die haar weerga niet kent. Hieruit zou blijken hoe goed de meester op de hoogste was met het karakter en de mogelijkheden van de viool. In het laatste deel keren elementen van het eerste deel in gewijzigde vorm terug.
Solti met Chung op Decca (SXL 6802) is relatief gemakkelijk te krijgen en een prima uitvoering. Szyring met Haitink op Philips is nog natuurlijker, maar wel lastiger te krijgen.

Igor Stravinsky (1882 – 1971)

Le Sacre du Printemps

Is er een werk te noemen dat historisch gezien zo belangrijk is? De première was in 1913 onder Pierre Monteux en het mag als algemeen bekend worden verondersteld, dat het een muzikale aardbeving veroorzaakte. Dit ballet verklankt een tafereel in het voorchristelijke Rusland waar uiteindelijk een door de oudsten uitgekozen maagd zich dood danst. C. Höweler schrijft dat dit barbaarse werk “zich niet bekommert om de verheerlijking van de lente door de tederheid van bloesems, maar op gaat in wild stortende stromen en lawines, in de kiemkracht, die rotsen laat splijten door zaad”. Hoe waar is dit! Het gaat hier inderdaad niet om schoonheid, maar om een artistiek verantwoorde weergave van lelijkheid*; het huiveringwekkende, het sublieme in de natuur volgens Schopenhauer.

Ofschoon sommige auteurs dit werk nog steeds betitelen als een laatste uitloper der Romantiek, maakt het nog steeds een hyper moderne indruk. Dit werk, dat grotendeels steunt op de ritmiek, is blijkbaar voor veel orkesten nog steeds een uitdaging. Vooral het slot, waarin het metrum constant verandert.

Binnen wat er relatief eenvoudig te krijgen is, zijn er drie uitvoeringen interessant: Davis met het CGO op Philips (9500 323), Bernstein met de Israel Philharmonic Orchestra op DG (2532 075) en Boulez met Cleveland op CBS (S 72607). De laatste is qua klank verreweg de minste. De opname mist kleur en fundament, maar het is een zeer goede uitvoering. Boulez trekt de luisteraar direct het werk binnen. Heel spannend gedaan. Bernstein drukt zijn stempel maar doet dat hier geloofwaardig én met goede smaak. Er zijn erg veel orkestdetails te horen. Davis, moet even “op stoom” komen, maar is daarna niet te houden. Uiteindelijk mijn favoriet.

Symphony in three movements

Door velen de zogenaamde “neosacre” genoemd, omdat dit werk is ontstaan in Stravinsky’s neoclassicistische periode en bij vlagen in ritmisch en harmonisch opzicht aan zijn Le Sacre doet denken.
Los van de uitvoering door de meester zelf, is Charles Dutoit met de Suisse Romande op Decca onverslaanbaar. Alles klopt op deze uitvoering. De plaat wordt regelmatig op het net aangeboden. Colin Davis met de Bayerische Rundfunk op Philips mag er ook wezen.

Symphony of Psalms

Het hoogtepunt in Stravinsky’s neoclassicistische periode en van een indringende schoonheid. Geïnspireerd op Psalm 38, 39 en 150. Opvallend is hier het gekozen instrumentarium: geen violen en altviolen, geen klarinetten, maar wel twee piano’s, een uitgebreide koper- en houtsectie en uiteraard het vierdelige koor dat de Psalm teksten in het Latijn zingt. Is het een terugkeer naar de God van het oude testament of integendeel naar de engel des lichts?
Het meest voor de hand liggende is uiteraard de uitvoering door de meester zelf op CBS, die de ene keer met de Symfonie in C, de andere keer met de Symfonie in drie delen gekoppeld wordt. Bernstein heeft het ook opgenomen voor hetzelfde label. Voor deze uitvoering zult u naar E-Bay moeten.
Deze maand heb ik me bewust beperkt tot de twee belangrijkste toonzetters uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Volgende maand zal ik meer componisten uit deze tijd bespreken alsook enkele minder bekende werken.

*Noot: We moeten […] onderscheid maken tussen manifestaties van het lelijke an sich (uitwerpselen, een lijk in ontbinding een mens vol walgelijke zweren), het formeel lelijke, oftewel de wanverhouding tussen de delen van een geheel en de artistieke weergaven van beide. Umberto Eco, De geschiedenis van de lelijkheid.

Bela Bartok

Tuesday, December 14th, 2010

Bela Bartok (1881 – 1945)
Muziek voor Snaarinstrumenten, Slagwerk en Celesta
Reiner/CSO
RCA 09026 61504-2

Mijns inziens het schoonste, evenwichtigste en indringendste orkestwerk van de 20ste eeuw. Dit is een van die zeldzame werken die zowel de ziel als het intellect streelt. Ondanks het feit dat we niet mogen klagen over de hoeveelheid opnames die in de loop der tijd zijn verschenen, krijgt dit werk nog steeds niet de waardering die het verdient. Zeer zeker als je het vergelijkt met de aandacht die een Beethoven of al helemaal een Mahler symfonie krijgt tegenwoordig.

Voor deze schepping, die in 1936 ontstond, heeft Bartok voor elk der vier delen, een andere instrumentale combinatie gebruikt, een andere vorm gekozen, andere klankbeelden gebruikt zodat het werk een buitengewone rijkdom van aspecten vertoont.

Los van de twee aparte strijkersgroepen die zijn voorgeschreven, dient – volgens de meester – ook de harp en het klavier tot de snarengroep verstaan te worden. Deze hoogst uitzonderlijke en vooral eigenzinnige orkestbezetting, vereist een speciale opstelling op het podium. Dit is ook door Bartok in de partituur nauwkeurig aangegeven. Het blijkt als volgt te moeten worden opgesteld: de percussie-instrumenten in een eerste boog rond de dirigent, de strijkers vormen een tweede boog.

Het eerste deel is een fuga, maar anders dan bij Bach. Een volgens Bartok’s eigen principes. Opvallend is dat de climax wordt bereikt niet alleen doordat het orkest luider speelt, maar ook door de innerlijke constructie (golden section principle). Dit stuk getuigt van de hoogste innerlijke beschaving en orde.

Het tweede deel – dat in sonatevorm staat – blijft verbazen, vooral als na een minuut of 4 de strijkers met het klavier een zeer merkwaardige atmosfeer neerzetten, verstrekt door de xylofoon en trom.

In het derde deel is het dit keer de betovering die de luisteraar eenvoudigweg niet kan ontgaan. Let vooral op de speciale glijd effecten van de pauken, zowel opgaand als neergaand in dialoog met de xylofoon.

De finale, die net zoals de vorige stukken uit meerdere secties bestaat, opent uitbundig en levendig en komt in de voorlaatste sectie op een wonderbaarlijke manier terug op het fuga thema van het eerste deel. De auteur Eduard Reeser spreekt hier terecht over een geniale sublimering der Hongaarse folklore.

Wat bij deze grote componist opvalt, is dat het bij hem nooit teveel of te weinig is. Zijn kunst is compact en toch spreekt hij zichzelf helemaal uit. Persoonlijk ervaar ik bij zijn muziek dat de tijd langzamer gaat en dan niet omdat het saai is, maar omdat er al zoveel is gebeurd. Waar Mahler anderhalf uur voor nodig heeft, lijkt hij in 5 minuten te doen.

Er zijn veel uitstekende uitvoeringen verkrijgbaar, maar die door Reiner op RCA blijft bijzonder; misschien doordat hij Bartok zelf gekend heeft. Over deze opname is al veel gezegd en geschreven. Wat ik er nog aan toe wil voegen is dat het tweede deel bij Reiner een mate van vinnigheid of zelfs agressiviteit heeft, die ik bij nogal wat uitvoeringen mis. Yehudi Menuhin zei: “Bartok had een intens gevoelsleven. Een vuurvreter. En hij had het constant onder controle”. Bij sommige dirigenten klinkt dit deel veelal te slap.

Ook het Concert voor Orkest waarmee de Muziek voor Snaren is gekoppeld, is een briljant geschreven stuk en heeft zich altijd in veel belangstelling weten te verheugen. Het ligt dan ook voor de hand dat er veel goede uitvoeringen van zijn. Ook hier gooit Reiner hoge ogen, ofschoon Solti op Decca met het LSO, stevige concurrentie biedt.

Voor de vinyl liefhebbers zijn deze bijzondere opnames een aantal jaren geleden heruitgegeven door Classic Records op 200 gram en door Bernie Grundman gemastered. Ze klinken inderdaad waanzinnig, vooral vergeleken met de oorspronkelijke persingen.

Ondanks dat de opname van de “Muziek…” uit 1957 stamt en die van het Concert van zelfs twee jaar daarvoor, sta ik iedere keer met open mond te luisteren hoeveel leven er in zit. Geschuifel, gestommel, gekraak, geritsel, het is er allemaal! Prachtig restoratie werk van de technici ook. Van Fritz Reiner was het bekend dat hij de opname in een take wilde doen. Voordeel was dat de musici op hoogspanning stonden en dat is te horen. Zaten er foutjes in, dan was dat maar zo. Tegenwoordig worden bijna alle foutjes weggepoetst, wat veelal ten koste gaat van de spanning. Dat is bij deze opname dus niet zo…