Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

JANACEK – Rikadla

Friday, December 30th, 2016

JANACEK
Rikadla
​Collegium Vocale Gent • Het Collectief • Reinbert de Leeuw
ALPHA-CLASSIC.COM ALPHA 219 DDD 69’12

Waardering: 10

Ik blijf me verbazen over Janaceks muziek. Wat direct weer opvalt, is de aangeboren muzikaliteit van deze uitermate originele componist. Hij is veruit de meest moderne toondichter onder zijn Tsjechische collega’s van die tijd. Wat daarbij onder andere opvalt, is hoe hij veelal met een betrekkelijk kort repeterend motief door blijft ‘drammen’ en dit volslagen lege artis tot een soort stijlbeginsel verheft. Hierdoor roept hij een ongekend beklemmend gevoel op bij de luisteraar. Ook zijn veel te weinig gehoorde koormuziek wemelt van de spitsvondigheden, eigenzinnigheden en excentrieke ideeën. Dat geldt zeker ook voor het gekozen instrumentarium: met koor, fluiten, fagotten, klarinet, bas, piano, ocarina (een fluit veelal gemaakt van gebakken klei) en speelgoedtrommel. In de ‘Ríkadla’ (Kinderliedjes) gebruikt hij dit ensemble om liederen te schrijven over het huwelijk van een biet of over een al te slome mol. Volslagen absurde onderwerpen, maar zelden horen we zoveel componeer plezier als hier. Dat het nationalisme uit die tijd een rijke voedingsbodem is geweest ook voor Janacek, blijkt wel uit de sonate uit 1905. Het is ontstaan ten tijde van een Tsjechische demonstratie waarin Janacek zelf meeliep voor de oprichting van een universiteit in Moravië, waarbij een arbeider het leven verloor. Deze compositie had het overigens bijna ook niet overleefd in een vlaag van zelfkritiek. Hier horen we de door de Leeuw gearrangeerde versie voor kamer ensemble. Reinbert de Leeuw, het Collegium Vocale Gent en het ensemble Het Collectief, halen zoals verwacht het hoogst haalbare uit deze muziek. De opname is gestoken scherp net als de uitvoering en bovenal transparant. Een eigenzinnig programma, maar uitermate boeiend. Hoogste lof!

Emile Stoffels
Luister Magazine

Reinbert de Leeuw – Mens of Melodie

Tuesday, December 2nd, 2014

Ongetwijfeld zullen degenen die de aflevering van Zomergasten met Johan Simons hebben gezien, De Leeuws gelaatstrekken aan het slot van zijn uitvoering van Schönbergs Gurre Lieder herinneren. De muziek pionier was in opperste extase.

De Leeuw speelt al decennialang de rol van kunstpaus in het Nederlandse muziekleven. Zijn opnames van Eric Satie zijn belangrijk. Als ‘Notenkraker’ stond hij op de barricade en als dirigent van het Schönberg ensemble, brak hij een lans voor eigentijdse componisten. Alle reden dus voor musicologe Thea Derks zich vast te bijten in deze baanbreker en een biografie te schrijven. Derks en De Leeuw waren goede maatjes en dat was voor sommigen een reden te vrezen, dat het een hagiografie zou worden.

Maar het liep anders. De Leeuw weigerde zijn autorisatie: “Mijn fundamentele bezwaar is dat ik totaal niet betrokken ben bij de totstandkoming van de inhoud, en dat die inhoud lacunes en onjuistheden bevat. Sommige details zijn tot de finesses uitgewerkt, ontmoetingen die ik als essentieel ervaar ontbreken juist. Zo’n boek kan ik niet autoriseren.” Derks besloot de levensbeschrijving toch te voltooien en ongeautoriseerd uit te brengen bij Leporello Uitgevers.

Ik moet zeggen dat ik mij gelaafd heb aan die ‘onjuistheden’. Het kernhoofdstuk voor mij was wel “Kantelend muzieklandschap”. Kostelijk was de paragraaf Peyton Place. De schellen vielen van mijn ogen, toen ik las dat De Leeuw een liefde ontwikkelde voor deze moeder der soaps. Maar, dat maakt iemand tevens interessant: enerzijds in volledige extase raken bij de Gurre Lieder en anderzijds afdalen naar Peyton Place. Wellicht dat dergelijke ‘tot in de finesses uitgewerkte details’ de Leeuw niet aanstond? Hoe dan ook, Derks’ bio staat vol anekdotes, maar geeft ook een mooi inzicht hoe het Nederlandse muziek leven opkrabbelde na WO II.

Het ligt voor de hand dat deze biografie aardig wat stof heeft doen opwaaien. Ook bij recensenten en columnisten. Zo stelde Stephan Sanders in Vrij Nederland dat De Leeuw ‘de mens uit de biografie wilde.’ Misschien moeten we nog wel een stapje verder gaan. Misschien had de titel – gezien De Leeuws verdienste binnen de Seriële muziek – wel moeten zijn: Mens noch Melodie. Want is het niet zo dat de gehele atonale toonkunst de melodie en het welluidende meer en meer werd verdrongen? Streefden De Leeuw en de zijnen niet veleer naar notenschikking, dan naar melodie?

Deze biografie gaat zeker niet alleen over Reinbert de Leeuw en vormt – samen met de pas besproken dissertatie van Overbeeke – een waardevol kader, voor het begrip van het Nederlandse muziekleven en geestelijke houding na de oorlog.

Emile Stoffels
Luister Magazine 700

Nederlandse muziek bij Nederlandse symfonieorkesten 1945-2000

Friday, August 22nd, 2014

Nederlandse muziek bij Nederlandse symfonieorkesten 1945-2000
Auteur: Emanuel Overbeeke
ISBN: 978-90-75879-60-5

In November 1969 werd de opmaat van een concert van het Concertgebouworkest verstoord door een groepje componisten met o.a. Peter Schat, Louis Andriessen en Reinbert de Leeuw. Zij protesteerden tegen het feit dat de orkesten veel te weinig hedendaagse muziek brachten. Echter, een eerste inventarisatie van de uitvoeringen van Nederlandse muziek door Nederlandse orkesten op basis van publicaties van Donemus, deed vermoeden dat er na 1970 eerder minder dan meer hedendaagse muziek werd gespeeld.
Deze en andere feiten waren voor Emanuel Overbeeke aanleiding zich meer structureel te verdiepen in de vraag, wat de professionele Nederlandse symfonieorkesten tussen 1945 en 2000 gedaan hebben aan de verbreiding van de Nederlandse Muziek. Overbeeke onderzocht het beleid van de orkesten in deze periode in de context van de rol van de overheid, de gecomponeerde muziek, de publicaties erover en de opstelling van Donemus; de uitgever van de meeste door de orkesten gespeelde muziek.

Aan de hand van de programmalijsten heeft Overbeeke vast kunnen stellen hoe ongeveer twintig Nederlandse professionele symfonieorkesten tussen 1945 en 2000 omgingen met werken van Nederlandse componisten. Ook ging hij na in hoeverre de orkesten moeite deden dit repertoire aan de man te brengen en hoe het publiek erop reageerde. Evenzo beschrijft hij de reactie van de orkesten op nieuwe muziekstijlen en de komst van ensembles voor kleinere bezetting. Hij zocht dan ook naar antwoorden op onder andere, de volgende vragen: Wat speelden de Nederlandse professionele symfonieorkesten tussen 1945 en 2000 aan orkestmuziek van eigen bodem? Welke componisten werden tussen 1945 en 2000 het meest gespeeld? Welke typen componisten waren wanneer ‘in’ en wanneer ‘uit’? Wat zijn bij deze kwesties de overeenkomsten en verschillen tussen de orkesten? Welke verschuivingen in het repertoire hebben zich in deze ruim vijf decennia voorgedaan?
Omdat de programma’s van de orkesten de basis vormen voor dit onderzoek, is aan het boek een cd-rom toegevoegd met daarop alle programma’s met één of meer Nederlandse werken. Ook zijn overzichten van de meest gespeelde componisten per orkest en per tijdvak opgenomen.

Overbeeke houdt zich in zijn dissertatie bezig met de kernvraag: hoe zijn wij omgegaan met onze eigen componisten en muziek? Het belang van dit proefschrift lijkt me duidelijk en programmeurs en artistiek leiders, zullen hier graag notie van nemen.

Emanuel Overbeeke is musicoloog en dit boek is de handelseditie van zijn proefschrift. Eerder publiceerde hij onder meer boeken over Stravinsky, Chopin, Debussy, Vestdijk en de muziek, en Entartete Musik.

Emile Stoffels
Luister Magazine 699