Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

« Vorige berichten

BRUCKNER Symphony no. 8

Sunday, October 14th, 2012

BRUCKNER
Symphony no. 8
Netherlands Radio Philharmonic Orchestra Jaap van Zweden
Challenge Classics CC 72549 SACD DDD 30:40/48:48

Uitvoering/opname *****/*****

Over de status van deze symfonie is waarschijnlijk genoeg gezegd en geschreven. Er zijn er onder ons die vinden dat in Bruckners kunst het fenomeen symfonie, de absolute bekroning vindt. En dan met name in de achtste. De volledige concentratie op de symfonie als vorm en kunstwerk kon Bruckner alleen volhouden, door zich vrijwel geheel afzijdig te houden van de literaire en filosofische stromingen van zijn tijd. Daarmee is overigens allerminst gezegd dat een symfonie van Beethoven, Schubert of Mozart minder gaaf en bevredigend zou zijn. Hoe dan ook, het is een kolosaal werk. Iedere keer opnieuw bij het ondergaan van dit werk, vallen ons de onbeschrijfelijke muzikale invallen, stemmenweefsels, klankcombinaties en vlechtwerken van melodieën op. Voortdurend horen wij hoe zijn muziek spant en ontspant. Ik was niet onverdeeld enthousiast over van Zwedens aanpak van de 9de, maar hier trekt hij me helemaal over de streep. In het eerste deel zijn de climaxen wellicht wat aan de ingetogen kant, maar daar staan andere zaken tegenover: buitengewoon veel aandacht heeft hij voor de harmonische kleuren en werkt hij de melodielijnen doordacht uit. Zelden heb ik het Scherzo zo gehoord. Het is een ware demonendans geworden. Ik vermoed dat van Zweden zich hier enige vrijheden heeft veroorlooft, maar het werkt wel. Het adagio is evenzo met veel liefde en toewijding gedaan en ook hier legt van Zweden op bewonderenswaardige wijze de vele stemmenweefsels en vlechtwerken van melodieën in des meesters partituur bloot; net als Giulini met de Weners. In de finale neemt hij de fugato aan het eind wel wat snel, maar de hemelse koraal zelf neemt hij wel ruim. Ik kan dan ook niet anders dan het hoogste lof toe kennen aan deze meesterlijke uitvoering die van grote visie getuigt. Dit is met afstand de beste Bruckner 8 van de laatste tijd. Grote complimenten ook voor het orkest en het technische team. De opname is werkelijk fenomenaal, vooral als de SACD laag wordt afgespeeld.

Emile Stoffels
Luister 685

BRUCKNER SIBELIUS NIELSEN – Gustavo Dudamel

Sunday, January 1st, 2012

BRUCKNER SIBELIUS NIELSEN
Gothenburg Symphony Orchestra Gustavo Dudamel
DG 00289 477 9449 DDD 179:24

Uitvoering/Registratie ***/***

Drie uur met grootse symfonieën, verdeeld over drie cd’s en live opgenomen. Natuurlijk was ik erg benieuwd naar deze set, na Dudamels formidabele Le Sacre met het Simón Bolívar Youth Orchestra of Venezuela op hetzelfde label. Nu dus met de Gothenburgers, waar hij sinds 2007 chef-dirigent van is. Dit is echter andere muziek die een volslagen andere benadering vereist. En vooral Anton Bruckner staat ver af van Stravinsky. Op het moment van schrijven realiseer ik me overigens dat morgen (11 oktober) de sterfdag is van Anton Bruckner; nu dus 115 jaar geleden. Ofschoon Dudamel de negende mooi laat vloeien, waren er niettemin een aantal momenten die wat gekunsteld of op zijn minst eigenaardig overkwamen en zodoende storend werkte voor mij. Voor het adagio neemt hij ruim de tijd: bijna een half uur. En dat is net zo lang als bij Giulini. De symfonieën van Carl Nielsen kunnen die eigenaardigheden tot op zekere hoogte iets beter hebben. Helaas was hier de opname niet altijd even doorzichtig en klonken met name de bassen erg groezelig. Ook kwamen de climaxen niet helemaal uit de verf. Alles overziend: degenen die voor Bruckners negende Giulini op DG hebben, voor de Nielsen symfonieën Blomstedt op Decca en Sibelius tweede door Davis en/of Szell (beiden op Philips) behoeven zich geen zorgen te maken…

Emile Stoffels
Luister 679

DEBUSSY RAVEL – La Mer La Valse

Thursday, October 20th, 2011

DEBUSSY RAVEL
Seoul Philharmonic Orchestra Myung-Whung Chung
DG 476 449-8 DDD 54’

Uitvoering/Registratie ***/***

Ik was benieuwd naar deze opname, aangezien ik behoorlijk enthousiast was over Chungs Métaboles van Dutilleux gekoppeld met de Symphonie Fantastique en zijn Messiaen programma. De Franse componisten zijn doorgaans een kolfje naar zijn hand, maar hier had het wat opwindender gemogen wat mij betreft. Het derde deel van La Mer begint weliswaar wel spookachtig, maar krijgt daarin geen vervolg. Jammer! Overigens gebruikt Chung de versie zonder de trompet solo in het laatste deel, net als Giulini op hetzelfde label. La Valse van Ravel blijft iets geweldigs. Höweler beschrijft het als volgt: ‘deze muziek welde uit het gebied van het onderbewuste, van de droom. Van de beangstigende droom, de obsessie. Zoals de mens de dagelijkse gebeurtenissen, de ‘dagresten’, in zijn slaap verwerkt tot symbolen, om in die schijnbaar onsamenhangende droomtaal zijn diepste zielenleven te verdichten, zo is door Ravel de wals, het oude danstype, tot een ‘dagrest’ geworden die aan een angstig visioen tot stramien dient. De componist is hierdoor het grensgebied van kunst en pathologie genaderd […].’ Die angst heb ik hier niet gehoord; het bleef allemaal te braaf. De opname had ook bepaald niet de schwung die ik van DG ken. Geen slechte opname, maar zeker niet het laatste woord qua opwinding.

Emile Stoffels
Luister 678

De wederopstanding van vinyl – een met gewicht

Thursday, May 26th, 2011

De wederopstanding van vinyl – een met gewicht

Ofschoon langspeelplaten nooit echt helemaal weg zijn geweest, mag er tot op zekere hoogte toch wel gesproken worden van een comeback. De echte fijnproevers hebben er overigens nooit afscheid van genomen en met goede reden, want de plaat beschikt toch over een aantal charmes. Collega Ad Bijleveld wekte met de Clearaudio draaitafel in het vorige nummer onze eetlust al op, voor de platenspeler. De wereld der vinyl houdt evenwel niet op bij Clearaudio. Ook liefhebbers met een kleiner budget of die niet een dergelijke diepte investering willen doen, kunnen veel plezier beleven aan een platenspeler. Maar vooral het verzamelen van en luisteren naar vinyl is een belevenis.

Toen Robert Schumann eenmaal mijn jonge leven was binnengedrongen, stond de naald van de radio vastgespijkerd op Hilversum 4. Zo nu en dan kochten mijn ouders een plaat en ondanks dat dat meestal de ‘schlagers’ onder de klassieke muziek waren, ervoer ik dat toch als een bijzondere gebeurtenis. De emotionele binding met het zwarte goud werd onomkeerbaar en ik denk nog vaak terug aan de opwinding die ik voelde wanneer ik een LP thuis uit de hoes haalde en op het draaiplateau legde.

Ritus

Wat maakt vinyl voor velen nu zo aantrekkelijk? De mens is afhankelijk van het ritueel en zo dorst de vinyl addict naar het moment dat de naald de groef raakt. Het is een aardig schouwspel wanneer de naald de groeven aftast en we verbaasd staan hoe de muziek met liefde en kunde in het vinyl is gesneden. Het vervaardigen van een plaat heeft dan ook iets weg van een oude gilde.

Voordat de naald het plaatoppervlak correct aftast en de platenspeler de ware kwaliteiten van vinyl ontbloot, zal men de nodige tijd moeten investeren in de afregeling: waterpas, juiste toerental, fouthoek van het element, armhoogte, etc. Met de laatste parameter kan zelfs tot op zekere hoogte ook nog de klank getuned worden. Zodra deze vaardigheden beheerst worden, kan men ook eens gaan denken aan een upgrade van het element. Ook dit kan een buitengewoon boeiend avontuur zijn, aangezien er fikse stappen in aftastprestaties gemaakt kunnen worden. Zelfs op een punt, dat we versteld staan over wat er nog aan micro informatie in die groef zat.

Evenzo zal men de verworven zwarte schijf moeten onderhouden, ja zelfs liefkozen om het stof en krasvrij te houden. Dit noodzakelijke doch vermakelijke onderhoud, vormt een amusante interactie tussen ons en het medium. Ook op lange termijn.

Warm bad

De algemene klank van de plaat is iedere keer opnieuw een warm bad, vergeleken met de CD. Bij de laatste gaat veelal het middengebied toch ‘op de oren staan’, waardoor er relatief sneller luistermoeheid optreedt. Met name de strijkers vormen dikwijls een goede lakmoesproef. Te vaak horen we in dat geval bij de CD iets synthetisch in de hogere frequenties, ondanks dat meettechnisch de CD superieur zou moeten klinken. Het vinyl behoudt dan een soort van luchtigheid en glans, die wij kennelijk als behaaglijk ervaren. Ook in de lagere frequenties is de plaat veelal wat volumineuzer (niet noodzakelijkerwijs beter) waardoor er een volslanke klankbalans ontstaat die veel luisteraars als ‘warm’ ervaren.

The real thing

Daarbij kan men naar een LP ook als totaalproduct kijken. Het CD boekje volstaat qua informatie, maar met een prachtige platen hoes hebben we echt iets in handen. Zelfs al zou de muziek en/of de uitvoering niet naar de zin zijn, dan nog zwicht men gemakkelijk voor de vaak prachtige voorstelling op de hoes. Neem bijvoorbeeld die van Schoenbergs viool- en pianoconcert onder Kubelik, of het mooie ontwerp van Thomas Hart Benton voor de symfonie van Roy Harris. En laten we eerlijk zijn: of dat Martha Argerich nu op een klein CD hoesje staat of levensgroot op de voorkant van een LP, maakt toch wel iets uit…
Ook veel jonge consumenten onderkennen inmiddels deze kwaliteiten en zien de grammofoonplaat dan ook als een waar collectors’ item.
Tenslotte is er nog een groep verzamelaars die alle antiquariaten en beursen afloopt, op zoek naar de heilige eerste persing. Deze bijna agressieve verzamelwoede bespeurde ik eens lijfelijk in een Nijmeegs antiquariaat, waar een Aziatische man met het schuim op de mond letterlijk alles stond in te laden waar maar ‘Decca’ op stond. Klaarblijkelijk vindt men het platenlabel belangrijker dan den kunst zelve. Heruitgaven – hoe goed ook – worden door deze ‘first pressing fundamentalists’ uiteraard als inferieur gezien.

Oude wijn in nieuwe zakken

Sinds geruime tijd brengt Speakers Corner – onder licentie van de oorspronkelijke maatschappijen – door hen zelf geselecteerde titels opnieuw uit op het zwarte goud. Ook Clearaudio doet dat al enige jaren. Er is inmiddels een aardige catalogus ontstaan met diverse items van Deutsche Grammophon, Decca en Philips etc. heruitgegeven op 180 gram kwaliteitsvinyl en ik kan me met de beste wil van de wereld niet voorstellen dat er bij die producten net zo veel kwaliteitstrooiing is, als bij de oorspronkelijke productie persingen en heruitgaven uit het verleden. Gezien de kwaliteitsuitstraling, de oplage en de afwerking kunnen we daar m.i. gerust over zijn. Ofschoon men altijd van mening kan verschillen over de uitvoeringen bij dergelijke heruitgaven, zijn er niettemin onder deze audiofiele reissues ware parels te vinden.

Omdat Speakers Corner toegang heeft tot de archieven van veel labels, probeert het altijd de originele mastertapes op te sporen. Als die niet te vinden zijn, gebruikt men bij hoge uitzondering een eerste generatie kopie om de master te snijden. De claim is dat er louter analoge masters worden gebruikt en dat hun cutting engineers enkel de analoge Neumann snijdapparatuur gebruiken. De masters worden overigens op locatie gesneden door oude rotten in hun vak, zoals Tony Hawkins van Decca die nu voor Speakers Corner werkt en vaak nog betrokken is geweest bij het snijden van de eerste master van de oorspronkelijke uitgave.

Het is uiteindelijk de bedoeling met deze heruitgaven zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke intenties te komen van de musici en technici, hoewel die bedoelingen in hun tijd niet mogelijk waren door de technische beperkingen.

Hoezo 180 gram?

Waarmee zou volgens eigen zeggen een Speakers Corner LP zich onderscheiden? Uit ervaring weet ik wat de voordelen zijn van een kwaliteitsuitgave op 180 gram, over een gewone plaat. Ik heb behoorlijk wat van deze types in mijn bezit en ik kan naar alle eer en geweten zeggen dat de hier beneden opgesomde kenmerken in z’n algemeenheid inderdaad kloppen.

Een greep…

De catalogus ontstaat uit suggesties van klanten, dealers, de pers en de internationale distributeurs. Nadat er toestemming is verleend door de betreffende artiest(en), verschijnt de heruitgave. Laten we eens kijken naar enkele voorbeelden uit die catalogus van Clearaudio en Speakers Corner.

Prokofiev – Pianoconcert nr. 3 Argerich/Abbado op DG. Prokofievs pianoconcerten laten onderling relatief weinig ontwikkeling en groei horen. Toch hebben ze zeer terecht altijd repertoire gehouden, waarvan de derde het meest gespeeld en opgenomen wordt. Van de cycli is Beroff met Masur op EMI weliswaar mijn favoriet, maar van de losse opnames is deze uitvoering een must have. Vooral door de interessante koppeling met Ravels concert.

Schubert – Symfonieën 3 & 8 Kleiber op DG. Hij heeft weinig opgenomenmaar dat zijn dan ook allemaal opmerkelijke uitvoeringen geworden. Zo ook deze ‘Unvollendete’. Iedere keer treft ons de gelaagdheid in zijn interpretaties. Akkoord, er zijn veel opnames, maar die door Kleiber is te bijzonder om te laten lopen.

Brahms – Pianoconcert nr. 1 LondonCurzon/Szellop Decca. Van dit magistrale concert, dat oorspronkelijk als symfonie was bedoeld, zijn veeluitstekende opnames, maar het koppel Curzon – Szell blijft speciaal. Net als de opname, die buitengewoon transparant klinkt.

Dvorak – Symfonie nr. 7 Giulini op EMI. Deze plaat klonk op de oorspronkelijke uitgave al opvallend goed en zal dus nog beter klinken op de 180 gram uitvoering. Uiteraard is de uitvoering doorslaggevend. De inmiddels overleden Giulini heeft ook hier weer die natuurlijke puls met veel oog voor detail, zonder de grote lijn uit het oog te verliezen. Niet te versmaden deze mooie symfonie onder de baton van de meester uit Italië.

Dit is slechts een hele kleine greep uit de mooie catalogus, die iedere keer wat groter wordt. Speakers Corner moedigt op de website haar klanten aan, suggesties te doen voor nieuw te releasen heruitgaven. Of aan al onze wensen wordt voldaan is natuurlijk afwachten, maar als we dat nu met z’n allen doen, zal dat ongetwijfeld helpen. Ik heb al wel een aardig lijstje klaarliggen om in te leveren. U ook?

Emile Stoffels
Luister 675

BRUCKNER SYMPHONY NO. 8

Friday, January 28th, 2011

BRUCKNER
Symphony No. 8 in C minor
Orchestre de la Suisse Romande Marek Janowski
PentaTone PTC 5186 371 DDD ’80 SACD

Uitvoering/Registratie ***/*****

Sommige muziek is zo verheven, schoon en edel, dat het bespreken ervan alleen al een soort van ontheiliging veroorzaakt. Eenmaal de speurtocht in zijn achtste begonnen, stuiten we op onbeschrijfelijke muzikale invallen, stemmenweefsels, klankcombinaties en vlechtwerk van melodieën, waardoor wij vaak in verwarring raken of het nu een melodie of een begeleiding betreft. Janowski kiest opmerkenswaardig voor de Nowak uitgave, terwijl de meeste dirigenten voor de Haas versie kiezen. Het lag voor de hand om Giulini op DG uit ’85 er naast te leggen. Het eerste deel kwam op mij wat vlak over, maar het Scherzo klinkt fel en heeft de juiste puls. Ofschoon Giulini meer tijd neemt, heeft het Adagio hier toch niets gehaasts. In de finale doet Janowski mooie dingen door de zaken soms wat in te tomen, waardoor de ontlading des te sterker wordt. Dat Bruckner het koper apart noteerde, zegt genoeg. De opname doet daar volledig recht aan, want het koper klinkt mooi pregnant en massief. Giulini blijft mijn eerste keus en ook over de versies heen kijkend, is er uiteraard veel concurrentie. De opname echter, is een voorbeeld van doorzichtigheid en beschikt over demonstratiekwaliteiten.

Emile Stoffels
Luister 672

De Romantiek II

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek II

Het woord Romantiek is ons in de mond bestorven; het is onmogelijk zelfs bij benadering alles op te noemen wat heden als romantisch wordt gekwalificeerd; Shakespeare of Chopin evengoed als een zesde-rangs film of een van de duizend-en-een romannetjes, die al voor het ter perse gaan verouderd zijn. (Norbert Loeser).

Het mag duidelijk zijn dat de term Romantiek meestal verkeerd wordt gebruikt en begrepen, waardoor de juiste betekenis verloren dreigt te gaan van dit cultuurhistorische verschijnsel, waarvan de wortels al liggen in de 18de eeuw bij de poëzie, literatuur en filosofie. Het fenomeen Romantiek is veel complexer dan de meeste mensen vermoeden en heeft vooral een duistere nachtelijke kant zoals duidelijk blijkt uit de persoonlijke omstandigheden van diverse kunstenaars. De grootheidswaanzin van Wagner, de krankzinnigheid van Schumann, het fantastische van Berlioz, enz.

De grote tegenspeler van Wagner in Duitsland en generatiegenoot van Bruckner was Johannes Brahms (1833 – 1897). Uiteraard had ook hij te maken met de veranderde geestelijke houding in Europa die de componist min of meer dwong om van het traditionele vormschema af te wijken. Zelf behoorde Brahms bij een beweging in de Romantiek die tegen de stroom van de Wagneriaanse school inging en de 18de eeuwse traditie fel verdedigde. Hij trachtte de klassieke stijl te verbinden met de romantische ideeën. Een meester van de intimiteit en de kleine vormen zoals ballade, rapsodie en het lied. Ook wel eens de geniaalste knutselaar genoemd, omdat hij de “grote overgeleverde vorm met louter kleinere eenheden vult”. Dit bracht de grote denker Nietzsche ertoe Brahms’ stijl de “Melancholie des Unvermögens” te noemen.

Puur vormtechnisch gezien, ligt zijn grootste bijdrage in de kamermuziek. Echter, zijn symfonieën zijn toch indrukwekkend. In tegenstelling tot Wagner en Berlioz die het orkest behoorlijk hadden uitgebreid, gebruikt Brahms voor zijn symfonieën niet meer instrumenten dan Beethoven voor zijn negende.
Zijn eerste symfonie wordt wel eens Beethovens 10de genoemd en zou bij serieuze klassieke muziek liefhebbers niet mogen ontbreken. De overeenkomsten met Beethoven zijn duidelijk: de heroïsche strijd en overwinning, dit alles echter op zijn eigen lyrische manier. Het intro grijpt direct aan; het is een weemoedige klacht. Het tweede deel hoort bij Brahms’ mooiste stukken voor orkest, met een prachtige melodie in de hobo. In de finale klinkt wederom Beethoven door: verbroedering.

Er zijn in de loop der tijd heel veel goede uitvoeringen vastgelegd door de grote labels en ze hebben allemaal zo hun charmes. Solti en Chailly op Decca; Jochum, Klemperer en Boult op EMI; Böhm (2 keer), Giulini, Abbado en von Karajan (3 keer) op DG. Er is echter één uitvoering waar ik iedere keer weer op terugval. En dat is die door Haitink (Philips 416 661-1) met het Concertgebouw Orkest in topvorm. Vermeldenswaard is dat de heruitgave – die vreemd genoeg moeilijk te vinden is – een fractie transparanter klinkt dan de oorspronkelijke uitgave. Ofschoon Haitink dan net niet dat weemoedige, klagende, pathetische benadrukt zoals Giulini en von Karajan dat doen, verrast Haitink mij keer op keer door de elastische aanpak. Ritmisch klopt het altijd bij deze man. En een heerlijke opname ook.

Dan de vierde symfonie. De trant van dit mooie werk is wel eens gekarakteriseerd als een herfststemming. Het meeslepende openingsthema spreekt direct aan. De climax op het einde van deel 1 is ingetogen maar gloedvol en waardig. Voor de uitvoering valt hetzelfde te zeggen als voor de eerste symfonie. Opvallend is de opname door Kleiber (DG 2532 003) die een zeer gelaagde uitvoering geeft.

Brahms heeft enorm geworsteld met de symfonie als vorm. Het eerste pianoconcert op. 15 was aanvankelijk als symfonie bedoeld. Men noemt het wel eens symfonie met obligaat klavier. De opening is huiveringwekkend voor romantische begrippen. Het tweede deel hoort bij Brahms’ meest aangrijpende stukken, terwijl het derde deel weer opvalt in edelheid. Ook hier zijn weer heel veel goede uitvoeringen van. Twee uitvoeringen duiken vaak op in het 2de hands circuit: Curzon met Szell (SXL 6023) en Haitink met Ashkenazy (SXDL 7552) beide op Decca en ook nog op de goedkope serie ‘de klassieken’ te vinden.

Bij het schrijven van het Vioolconcert sprak Brahms vaak met violist Joachim over de technische eisen. De laatste introduceerde het werk in verschillende steden. Toch werd het werk over het algemeen een “Konzert gegen die Violine” genoemd. We zijn nu zo’n 130 jaar verder en het heeft terecht repertoire gehouden. Krebbers met Haitink op Philips (6599 435) is er een waar je bijna mee doodgegooid wordt en voor kringloopprijzen, maar wat een geweldige uitvoering! Weer dezelfde lof als voor de symfonieën. Ik zou op vinyl niet verder zoeken. Overigens klinkt de CD erg goed en zit ook in de budget lijn van Philips.

Degene die de grootste en ingrijpendste invloed op Brahms heeft gehad is Robert Schumann (1810 -1856). Wellicht mogen we hem het archetype romanticus noemen. Een romantische dromer, literair begaafd en politiek geëngageerd. Typisch voor deze tijdsperiode: de kunstenaar die zich breed oriënteerde. Een tragisch verhaal van een genie die de dood op relatief jonge leeftijd zou vinden door krankzinnigheid en uitputting. Dit is een van die nachtelijke kanten van de romantiek.
De Manfred ouverture gebaseerd op het dramatische gedicht van Lord Byron is waarschijnlijk zijn mooiste orkestwerk. Schumann zei er zelf het volgende over: “Nog nooit heb ik mij met zoveel liefde en met zoveel concentratie van al mijn krachten aan een compositie gegeven als aan de Manfred”. Literair begaafd als hij zelf ook was, zal hij zich direct aangetrokken hebben gevoeld tot dit gedicht waarin “de demonische held van Byron, een wonderlijk mengsel is van de bespiegelende Faust en de misdadige door wroeging gekwelde Macbeth”, zoals verwoord door Höweller. In deze ouverture horen we inderdaad de verscheurdheid, het bitterzoete en de fatale schoonheid van de Romantiek. Ik persoonlijk denk dat er geen werk in de romantiek te vinden is, die deze nachtelijke aspecten zo voor het voetlicht brengt. Maar ook de nobele fluitmelodie aan het einde laat me iedere keer weer sterven. Er zijn twee uitvoeringen die de zoektocht waard zijn. Barenboim en Giulini beiden op DG. Bij de laatste is goed te horen dat het werk met een opmaat begint. Door kenners een witte raaf onder de orkestwerken genoemd.

Net als Barenboim (DG 2530 940) koppelt Giulini (DG 2532 040) deze ouverture aan de derde symfonie (Reinißche). Een mooiere koppeling kun je je niet voorstellen. Maar er zijn meerdere uitstekende uitvoeringen van deze symfonie. Bijvoorbeeld die door Kubelik ook op DG (138908).  Bernstein (DG 415 358-1) geeft ook op zijn manier weer een bevlogen uitvoering met op kant 2 het pianoconcert op. 54 dat tot de mooiste pianoconcerten hoort. De godin Argerich (DG 415 721-1) met Rostropovich als dirigent, laat weer zien dat dit repertoire voor haar geschreven lijkt te zijn.
In dezelfde Barenboim DG cyclus is de tweede symfonie ook erg mooi (2530 939) en gekoppeld met het weinig uitgevoerde en vastgelegde Concertstuk voor vier hoorns. Een andere interessante optie m.b.t. de tweede is die van Bernstein (DG 419 190-1). Nu is de koppeling met het schitterende Celloconcert, met Maisky als solist. In het werk ontmoet de laatste wel veel concurrentie in de oude rot Rostropovich. De heruitgave in de Klassieken serie (DG 7399 070), klinkt hoorbaar beter dan de oorspronkelijke.
Toch is Schumann vooral ook een kamercomponist geweest. Het Pianokwintet op. 44 is een van de hoogtepunten. Een mooie uitvoering geeft het Alban Berg Kwartet met Entremont op piano op EMI (27 0447-1) een opvallend mooie live opname, met als koppeling het dissonanten kwartet van Mozart. Een ander over het hoofd gezien werkje van Schumann, maar met een ongehoorde schoonheid zijn de drie Romanzen voor hobo en piano op. 94. De enige vertolking die ik op vinyl ken is die door Hansjörg Schellenberger (hobo) en Rolf Koenen (piano) op DG in de Debut serie (2555 013).

De volgende keer zullen we de generatiegenoten van Robert Schumann bespreken. Een generatie die in de kunstenaar een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende invloed uitoefenen op de toonkunst.

De Romantiek I – Anton Bruckner

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek I

Anton Bruckner (1824 – 1896)

Sommige muziek is zo verheven, schoon en edel, dat het bespreken ervan al een ontheiliging bewerkt. Iedere omschrijving gedoemd is te mislukken. Iedere verhandeling, onbevredigend blijkt. Dat geldt zeker voor de muziek van Anton Bruckner. Dit artikel is volledig aan hem gewijd, omdat hij een totaal eigen plaats inneemt in de 19de eeuwse muziek en zich volledig aan de periferie van de romantiek – en alles wat daarmee verband houdt -, bevond. De volledige concentratie op de symfonie als vorm en kunstwerk kon hij alleen volhouden, door zich vrijwel altijd afzijdig te houden van de literaire en filosofische stromingen, maar ook van zijn collega’s uit de beeldende kunst. Een andere reden is de vaste overtuiging dat in Bruckners kunst het fenomeen symfonie, de absolute bekroning vindt. Daarmee is overigens allerminst gezegd dat een Beethoven, Schubert of Mozart symfonie minder gaaf en bevredigend is.

Ontstaansgeschiedenis van de symfonie

Het blijkt dat Haydn ten onrechte de geestelijke vader genoemd wordt van de symfonie. Uit publicaties blijkt dat hij de verworvenheden van diverse voorgangers ‘slechts’ heeft toegepast. Diverse componisten uit verschillende plaatsen zijn verantwoordelijk voor de geboorte van het vormschema symfonie. Mannheim heeft naam met Johann Stamitz (1717 – 1757), maar evenzeer de noord Duitse school met CPE. Bach (1714 – 1788) en broer Wilhelm Friedemann (1710 – 1784), de Weense school met George Matthias Monn (1717 – 1750) en de Italiaanse school met Giovanni Battista Sammartini (1701 – 1775).

De verworvenheden van deze grote pioniers zijn uiteindelijk met succes door Haydn en Mozart toegepast, gecultiveerd en verder bewerkt. Via harmonische uitbreidingen door Beethoven en Berlioz, zou de lijn der ontwikkeling verder gaan om in Bruckner de meester te vinden die de symfonie een ingrijpende gedaantewisseling zou laten ondergaan, zonder de essentie aan te tasten. Hij is er in geslaagd de symfonie als vorm in overeenstemming te brengen met de veranderde geestelijke positie in de Romantiek. Een voorbeeld is de toevoeging van een derde thema of themagroep. Pas na hem zou de symfonie een langzame dood sterven.

De Symfonieën van Bruckner

De grote fout die men wel maakt is dat men de Bruckner symfonieën vergelijkt met die van de grote klassieke meesters voor hem; zoals Beethoven. Alleen al vanuit psychologisch standpunt is de kunst van deze grootse romanticus anders dan de klassieke reus Beethoven, die het mensenleed en de broederliefde bezingt. Ook is Bruckner niet de held van zijn eigen symfonieën, zoals we dat van Beethoven veronderstellen. Zijn muziek is – zij het op geheel eigen wijze – even objectief en boven persoonlijk als die van Bach.
Ook de zelfbewustheid waarmee een Wagner of Beethoven en zijn eigen tijdgenoten componeerde, is hem vreemd en ik ben geneigd te denken dat hij zich niet of nauwelijks bewust was hoe belangrijk zijn bijdrage aan de symfonische kunst wel was. Terwijl een Berlioz of Beethoven, dat wel degelijk wisten. De mooiste typering over de persoon Bruckner is wellicht die door van Hengel in diens Bruckner biografie: half imperator, half heilige. Het is overigens altijd interessant hoe de groten der aarde over elkaar praten. Johannes Brahms moet eens tegen Bruckner gezegd hebben: “ik begrijp helemaal niets van uw muziek”, waarop Bruckner repliceerde: “dat is toevallig, laat ik nu precies hetzelfde hebben”.

Er zijn er geweest die Bruckner als een Wagner epigoon hebben betiteld. Het is waar dat Bruckner Wagner aanbad en in hem een harmonische bevrijder zag. Een aantal verworvenheden van Wagner heeft Bruckner ook wel gebruikt. Maar meer ook niet en dan nog geheel op zijn eigen wijze. Alleen al het feit dat Bruckner zich niets aantrok van zijn held Wagner, om gewoon symfonieën te blijven schrijven zegt genoeg (zie vorig artikel). De opmerking door sommigen in het verleden dat Bruckner’s muziek slechts symfonische uitingen van Wagners’ opera’s zijn, is volslagen belachelijk.

Vergelijking met een Beethoven symfonie bijvoorbeeld, leert dat Bruckner het orkest significant heeft uitgebreid: een derde trompet, een bastuba, een grotere houtsectie, een harp (in de achtste) en uiteraard de zgn. Wagner tuba’s in de laatste drie symfonieën, waardoor de orkestklank aanzienlijk donkerder wordt gekleurd. Deze uitbreiding in het koper en hout, heeft natuurlijk consequenties voor de orkestklankbalans. Omdat de strijkers tegenover een massaler blazercomplex staan dan in de klassieke symfonie, moet hun aantal ook uitgebreid worden.

Zelden hebben we in de symfonische literatuur gezien dat de tweede violen en alten uit hun ondergeschikte plaats in het orkest worden gehaald en een eigen rol krijgen; en veelal zelfs een leidende functie.
Een ander opvallend en buitengewoon interessant aspect is dat de tweede violen rechts (voor de concertbezoeker) opgesteld dienen te worden, wat consequenties voor de totaalklank heeft. Omdat nu bij deze opstelling de F-gaten op het bovenblad der tweede violen meer naar achteren stralen, krijgen ze zodoende een meer omfloerste, vage mystieke klank dan de eerste violen. De laatste keer dat ik Martin Sieghart zag met het Gelders orkest in de Vereeniging in Nijmegen, had hij de tweede violen ook op rechts geplaatst en de bassen links achterin. Ik weet niet of hij dat allang doet, maar het klonk inderdaad anders dan anders.

Er zijn plekken in Bruckners muziek aan te wijzen waarin een celli thema wordt ondersteund door de tweede violen, waardoor het haast lijkt of een melodie zich met zijn eigen schaduw laat horen. Deze geheimzinnige klank is niet toevallig maar typerend voor de levensvisie van deze meester, die het eeuwige natuurmysterie verklankt, maar ook het mysterie tussen schepper en schepsel.
Ook bij het koper zien we een totaal andere behandeling dan voorheen. Niet alleen is er meer zelfstandigheid voor deze groep, maar dikwijls een ook leidende positie. Dat Bruckner het koper apart noteerde, zegt genoeg.
Eenmaal de speurtocht in zijn kunst begonnen, stuiten we op onbeschrijfelijke muzikale invallen, stemmenweefsels, klankcombinaties en vlechtwerk van melodieën waardoor wij vaak in verwarring zijn of het nu een melodie of een begeleiding betreft. Zijn muziek is nooit teveel en nooit te weinig. Luister hoe zijn muziek voortdurend spant en ontspant. Kortom: het mechanisme waarvoor de Europeaan zo gevoelig is.

Hij heeft – zijn studie symfonie in F meegerekend – 11 symfonieën, diverse koorwerken, een Te Deum en een prachtig strijkkwintet geschreven. Daar komt nog bij dat hij de meeste symfonieën op latere leeftijd nog grondig heeft herzien. Ook hierin is Bruckner uniek. En met herzien, bedoelen we niet hier en daar even wat bijschaven of polijsten. Integendeel, dit zijn ingrijpende en dus tijdrovende herzieningen geweest. Als er ergens iets verandert, dan moet dat ook op andere plekken gebeuren ter wille van de balans in de structuur. De achtste is hier wellicht het meest in het oog springende voorbeeld van. Wat een verschil met de tweede en meest uitgevoerde versie! Zo beschouwd, heeft hij het aantal symfonieën bijna verdubbeld. Uiteindelijk is hij daardoor tijd tekort gekomen om zijn geweldige 9de symfonie, af te maken.

De cycli

Er zijn in de loop der tijd veel cycli op plaat uitgebracht met beroemde dirigenten, waaronder de Brucknerianen, Haitink, Jochum, von Karajan en Walter. De complete set door von Karajan uit de jaren 70 kan men als de absolute ruggengraat beschouwen. Uit deze cyclus blijkt von Karajans meesterlijke inzicht in de structuur van de Bruckner symfonie. Vooral de derde klinkt meesterlijk, maar ook de achtste en negende zijn bij hem in goede handen. Prettig is dat deze uitvoeringen gemakkelijk in het tweede hands circuit te krijgen zijn, behalve dan de opnames uit het digitale tijdperk. Die zijn wat lastiger. Overigens wordt slechts zelden de complete set aangeboden op e-Bay. Vreemd is wel dat von Karajan nooit de nulde heeft opgenomen.
De Philips set door Haitink uit de jaren 60 en 70 is een interessante. Hoewel qua tempi hier en daar aan de snelle kant, geeft de jonge Haitink wel de wetenschappelijk verantwoorde versies van de tweede en derde, maar in het slot van het eerste deel van de negende is hij wat eigenzinnig met de paukenslagfiguur. Dat doet hij ook in zijn opname uit het begin jaren 80 en is daardoor dan wel weer consequent.
De DG set door Jochum is enigszins teleurstellend, maar zijn EMI cyclus is nuttig als aanvulling. Die worden soms als losse uitgaven her en der aangeboden en klinken bijzonder goed.

Dan de set door Inbal op Teldec Telefunken, die van alle symfonieën de oorspronkelijke versies geeft en daarom buitengewoon interessant is. Onbegrijpelijk dat de grote Bruckner interpreten nooit de eerste versie van de achtste hebben opgenomen. Voor deze versie is men op de plaat dus aangewezen op Inbal met de Frankfurters.

De losse uitgaven

Welke set men ook kiest het is altijd zinvol, dirigenten te beluisteren die slechts enkele symfonieën van Bruckner hebben opgenomen. Onder de losse uitvoeringen, vinden we voor de achtste een uitmuntende Giulini met de Weners op DG, die in veel opzichten mijn voorkeur heeft. Ook zijn negende uit hetzelfde huis is fantastisch. Het lijkt wanneer Giulini een Bruckner symfonie dirigeert, alles op natuurlijke wijze ademt. Helaas is de 9e alleen op CD beschikbaar, maar vinyl liefhebbers kunnen gerust hun toevlucht nemen tot de EMI uitgave met de Chicago Symfonie Orchestra uit eind jaren 70.
Von Karajan heeft de negende al een keer eerder opgenomen voor DG halverwege de jaren 60, die door veel liefhebbers wordt geprezen. Persoonlijk vind ik het een grote teleurstelling: veel te snel gekozen tempi. Ook de achtste die hij eind jaren 50 voor EMI heeft opgenomen, vind ik geen onverdeeld succes.
De Negende door Dohnanyi op Decca dient vermeden te worden, maar de zesde door Solti uit hetzelfde huis is een welkome aanvulling. Ook die met Klemperer op EMI heeft veel lauweren geoogst en kan als de norm worden beschouwd. De uitvoeringen van Gunther Wand met de Kölners worden regelmatig op e-Bay aangeboden en zijn ook zeer de moeite waard.

Volgende maand zullen we Bruckners tijdgenoot Brahms en de generatie daarvoor met Schumann – die Brahms heeft beïnvloed –  en Mendelssohn bespreken. Een behoudende stroming die het waardevolle erfgoed van de traditie bewaakte en kampte met de 19de eeuwse problemen van vorm en inhoud.

De Laatromantiek (II)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (II)

“A human life, I think, should be well rooted in some area of native land where it may get the love of tender kinship from the earth, for the labors men go forth to, for the sounds and accents that haunt it, for whatever will give that early home a familiar unmistakable difference amidst the future widening of knowledge.” George Eliot

Eerder werd al opgemerkt, dat de componist maatschappelijk een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in de samenleving. Een opvallend kenmerk van de laatromantiek is dan ook, een grote bloei van op nationale factoren geïnspireerde muziek.
In het Rusland van einde 19de eeuw kan men twee richtingen onderscheiden: toondichters zoals Moussorgsky (1839 – 1881) die als voedingsbodem vrijwel uitsluitend de nationale folklore gebruiken en een stroming die zich voornamelijk oriënteert op west Europa met Frankrijk als voornaamste richtpunt. Hector Berlioz is als muzikale stamvader hierin voor beide stromingen met zijn traité de l’instrumentation, erg belangrijk geweest. Dit was de orkestrale bijbel waarin de Russische componisten de kunst van het instrumenteren bestudeerden.

De belangrijkste Rus van deze laatste richting is ontegenzeggelijk Pyotr Ilyich Tchaikovsky (1840 – 1893). In zijn streven naar een Oost-West synthese grijpt hij naast onderwerpen uit de Russische geschiedenis – zoals Ouverture 1812 – duidelijk naar onderwerpen uit de westerse geschiedenis: Dante’s Francesca da Rimini of Shakspeare’s Hamlet en Romeo en Juliette. Hij heeft als veelschrijver bijna voor elke vorm wel iets gecomponeerd, maar heeft ook werken van ongelijk gehalte nagelaten. Toch hebben zijn beste werken veelal een aangrijpendheid, die men hoogst zelden hoort. Ook hier zijn de symfonieën representatief, ofschoon hij ook prachtige kamermuziek heeft gemaakt.
Von Karajan heeft de laatste drie symfonieën maar liefst 4 keer opgenomen in het stereo tijdperk als ik goed tel: een keer op EMI en drie keer op DG. Van deze, zijn de uitvoeringen op DG van halverwege de jaren 70 de meest interessante. Het eerste deel van de zesde bijvoorbeeld is veel spannender gedaan dan die uit de jaren 60. Voor velen zijn de digitale uitvoeringen uit de jaren 80 met de Weners een teleurstelling; iets dat ik zeker niet deel. Als u een complete en vooral consistente cyclus zoekt, dan is Jansons op Chandos een zeer interessante keuze en de opnames zijn eerste klas.
Over de vierde symfonie schreef Tchaikovsky in een brief: “De inleiding is tevens de kern van de gehele symfonie, zij bevat de hoofdgedachte. Deze stelt het noodlot voor, de fatale macht die de drang naar het geluk steeds weer verhindert zijn doel te bereiken, die er jaloers voor zorgt, dat welbehagen en rust niet de overhand hebben … een macht die als het zwaard van Damokles voortdurend boven ons hoofd zweeft en onophoudelijk de ziel vergiftigt. …Er blijft daarom niets anders over, zich aan haar te onderwerpen en moedeloos te klagen…Is het niet beter, zich van de werkelijkheid af te wenden en zich aan dromen over te geven?

Ook dit is een aspect der Romantiek dat zich al manifesteert in de muziek van Robert Schumann: de vlucht, de droom, de roes. Dit zijn de duistere kanten van de Romantiek. De kunst gaat langzamerhand de rol van religie overnemen, de kunstenaar die van de priester.
Het is vooral von Karajan (DG 2530 883) die in dit werk het noodlot benadrukt en laat vanaf het begin zien hoe hij boven de partituur staat. Ik ben geneigd te zeggen dat dit een van de beste uitvoeringen van von Karajan op DG is. Zowel von Karajan als Jansons (Chandos ABRD 1124) laat zien dat het van groot belang is, dergelijke werken strak uit te voeren.
Tussen de vierde en de vijfde symfonie is er nog een ander zeer aangrijpend werk geschreven. De Manfred symfonie gebaseerd op Byron. Vreemd genoeg heeft von Karajan deze nog nooit de opgenomen. Voor deze prachtige symfonie, die ik persoonlijk na de zesde de interessantste vind, zijn drie andere dirigenten op vinyl te krijgen: Chailly op Decca (421 441-1), Jansons op Chandos (ABRD 1245) en Muti op EMI (ASD 4169). De laatste twee zijn relatief eenvoudig te vinden en zijn erg goed. Echter Chailly klinkt spectaculair, maar is weer niet zo eenvoudig te krijgen.
Dan de zesde door broer Modest, ‘Pathetique’ gedoopt. De meester zei zelf over deze sluitsteen van zijn oeuvre dat hij dit beschouwde als het beste en oprechtste van zijn werken.
Het eerste deel, begint donker en droevig voornamelijk door de kreunende fagot. Weldra ontstaat een mooi lyrisch schemerig thema dat zacht eindigt in de klarinet. Abrupt wordt dit beëindigd met een klap die het noodlot inluidt en zich gaandeweg hemelbestormend ontwikkelt. Ten slotte mond dit alles uit in een aangrijpende scène die niet in woorden is te vangen. Voor dit sleutelmoment is er slechts één dirigent die dit mijns inziens op de juiste manier doet: Mariss Jansons (Chandos ABRD 1158). Von Karajan (DG 2530 774) fietst hier op alle vier de opnames die ik ken, (veel) te snel overheen. Dat is overigens de enige kritiek die ik op von Karajan heb. Haitink is hier naar mijn smaak iets te nuchter, Bernstein te eigenzinnig en Giulini te langzaam. Ik heb veel opnames gehoord, maar tot nu toe vind ik Jansons het meest overtuigend. Althans, hier.
Na een charmante wals gevolgd door een feestelijk allegro, komt ten slotte de finale. Dat is – tegen de traditie in – het langzame deel: Adagio lamentoso; Andante. Een volslagen afwijkende indeling van de symfonie. Anton Bruckner wisselde de volgorde van de middendelen in zijn Achtste al, maar het adagio als finale is opvallend. Gustaf Mahler zou dat bij zijn negende, ook doen. Tchaikovsky noemde dit deel een requiem. Het eindigt met een berustend Amen. Wat een manier om afscheid te nemen door een gekweld mens die kampte met zijn homoseksualiteit. Enfin, luistert uzelf.
Voor wat betreft de DG Galleria remasters van de opnames door von Karajan, zijn vaak wat gesluierd van klank, dus probeer de oorspronkelijke uitgaven te krijgen die hoorbaar frisser (uit)klinken. De hoezen van de Galleria’s zijn echter mooier.
Tot slot nog aandacht voor het symfonische gedicht Francesca da Rimini gebaseerd op Dante uit 1876. Al bij de opening huivert de luisteraar voor wat er gaat komen. Echter, wanneer de alles vernietigende storm opsteekt in de onderwereld – waartoe de twee overspelige geliefden zijn veroordeeld – voor eeuwig van elkaar scheidt, gaan de haren werkelijk overeind staan. Er is een mooie uitvoering op vinyl te krijgen door Stokowski met het LSO op Philips (heruitgave 416 860-1). Niet laten liggen.

Dit is overigens weer een ander aspect van de laatromantiek. De symfonie als vorm is inmiddels in onbruik aan het raken ten gunste van het “symfonische gedicht”. Dit gaf de componist meer vrijheid van de knellende vorm van de symfonie. In dit verband noem ik nog twee Russische toondichters die wat lastig zijn in te delen omdat ze van een latere generatie zijn, maar wel uitgesproken laatromantisch zijn blijven schrijven.

Het is opvallend dat tegenwoordig voor Alexander Scriabin (1872 – 1915) meer aandacht is vanwege de belangstelling voor mystieke en oosterse religies, het occulte en het fantastische. Zijn “Le Poeme de l’ecstase”, waarin de roes en de vreugde van het scheppen wordt verheerlijkt, is belangrijk te vermelden. Dit symfonische gedicht, waar de erotiek werkelijk vanaf druipt, boeit vanaf het eerste moment. Abbado met het BSO (DG 2530 137) wordt op e-Bay regelmatig aangeboden en is naar mijn mening opwindender dan Maazel op Decca.

Ofschoon ik er nog steeds niet van overtuigd ben dat Rachmaninov (1873 – 1943) tot de allergrootsten behoort, wil ik toch zijn Dodeneiland noemen. Dit hoogst evocatieve werk is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Arnold Böcklin (1827 – 1901). Het doek wordt nog steeds beschouwd als een icoon en het begin van het zogenaamde fantastische element in de schilderkunst.
Op plaat is er eigenlijk maar een aan te raden: Ashkenazy met het CGO (Decca 410 124-1) een geweldige opname en zeer vleiend voor het concertgebouworkest. Prachtige hoes ook!

Naast de Russische nationale school, handhaaft zich ook de Tsjechische muziek der 19de eeuw. Belangrijk zijn Bedrich Smetana (1824 – 1884) en vooral Antonín Dvořák (1841 – 1904). Deze meester der idylle oriënteert zich in de symfonie voornamelijk op Johannes Brahms. Van hem worden veelal de laatste drie symfonieën opgenomen. Toch zijn de eerste 6 ook de moeite waard en uiteraard zijn symfonische gedichten en concertante werken. De uitvoeringen door Colin Davis met het CGO zijn een lust voor het oor en gemakkelijk te krijgen. Overigens zijn alle opnames met Davis op Philips met het CGO de moeite waard, zover ik weet. Of het nu Haydn, Berlioz of Stravinsky is, keer op keer valt die romige Philips klank op. Van de negende zijn ontelbare opnames gemaakt, maar het lijkt iedere keer een herontdekking met Davis.

Ook Finland heeft met Jean Sibelius (1865 – 1957) een nationaal figuur die het Finse lot als een moderne atlas op zijn schouders draagt. Het symfonische gedicht Finlandia gaat over de Russische overheersing van Finland. Sibelius heeft 7 symfonieën nagelaten. Ook hier is von Karajan op DG weer een uitstekende keuze naast alweer Colin Davis op Philips.

Volgende maand deel 3 van de laatromantiek met o.a. de Duitse meesters uit deze bewogen periode. Er is uiteraard verschil tussen de generatie van omstreeks 1840 die haar werkzaamheden afsluit en de generatie die zich volledig ontplooit in dit tijdsgewricht. Dus tussen Smetana, Dvorak Tchaikovsky etc. aan de ene – en Debussy, Ravel, Mahler en Reger aan de andere kant. Ook al gehoorzamen generatiegenoten vaak aan één en dezelfde impuls, afhankelijk van het land van herkomst of individuele geaardheid vallen er dus belangrijke verschillen te constateren.

De Laatromantiek (I)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (I)

Marcel Proust heeft het in zijn In de schaduw van de bloeiende meisjes over een niet-bestaande schilder Elstir. Deze schildert, zoals we de dingen op het eerste gezicht zien. Het is dat ene vluchtige moment waarop ons intellect nog niet begonnen is ons uit te leggen wat die dingen eigenlijk zijn. Ook is de indruk die deze dingen op ons maken, nog niet vervangen door dat wat we erover weten. Elstir, brengt de dingen terug tot louter impressies.*
Het waren de Franse componisten die omstreeks 1900 weer de middeleeuwse toonreeksen gebruikten in hun werk. Toen Ma Mère l’Oye van Ravel ten gehore werd gebracht had men het idee dat deze klanken ontegenzeggelijk nieuw waren, maar tegelijkertijd had het iets antieks. De invloed die deze stroming op de ontwikkelingen hierna zou hebben, is nauwelijks te overschatten.

Claude Achille Debussy (1862 – 1918)

Ik geloof dat we de historie geen geweld aandoen, als we stellen dat deze kunstenaar de grootste en belangrijkste van deze stroming is. Hij is degene geweest die voor de Franse muziek nieuwe wegen heeft gebaand, die het waagde volkomen nieuwe paden in te slaan en toch de aansluiting met de oude Franse meesters wist te bewaren. Debussy heeft vele uitdrukkingsmogelijkheden uit andere streken voor zijn werk gebruikt, maar hij is zozeer Fransman gebleven dat men hem de eretitel ‘Claude de France’ al tijdens zijn leven schonk. Beginnend vanuit de romantiek heeft hij zich met zijn La Mer, Prélude à l’après-midi d’un faune, Images pour Orchestre om slechts enkele werken te noemen, onsterfelijk gemaakt.
La Mer. Dit drieluik van de zee is absoluut een meesterwerk dat, zelfs bij herhaald luisteren, nooit teleurstelt. Volgens velen het hoogtepunt van Debussy’s orkestwerken. Het ligt voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn. Giulini op EMI is een klassieker, maar is moeilijk te krijgen. Von Karajan (DG 138 923) uit 1965, is een plaat die men vaak tegenkomt voor kringloopprijzen en is een referentie uitvoering volgens velen. De klankverschillen tussen het eerste (blauwe tulpjes) en tweede label zijn marginaal, maar wel duidelijk hoorbaar. Ook is er een heruitgave in de Galerie serie verschenen (DG 2543 058).
Zijn latere opname uit 1986 (DG 413 589-1) is zeker niet beter, ofschoon het een gezocht plaatje op e-Bay is. De koppeling is nagenoeg dezelfde: ook met de Daphnis et Chloé suite en de schitterende Prélude à l’après-midi d’un faune. Het werk waarvan Ravel zei dat, toen hij het voor het eerst hoorde, hij muziek pas goed begreep. Een andere bron vertelt dat de tranen over zijn wangen rolde van ontroering. Ofschoon er veel mooie uitvoeringen van zijn en von Karajans uitvoering volkomen bevredigend is, luister ik meestal naar Charles Munchs uitvoering op RCA die de dromerigheid van dit werk meer benadrukt.

Zijn Trois Nocturnes voor orkest door Abbado en het BSO (DG 2530 038), zijn onderling verschillend van orkestratie. Het dromerige doch geconcentreerde Nuages is voor beperkt orkest, zonder trompetten of trombones. Fêtes is voor groot orkest, terwijl Sirènes in zijn orkestratie geen trombones heeft, maar wel een instrumentaal behandeld vrouwenkoor. Het is wellicht als Debussy’s meest impressionistische werk op te vatten, daar hijzelf verklaarde: “De titel ‘Nocturnes’ moet hier in een meer algemene en hoofdzakelijk decoratieve zin opgevat worden”. Het gaat hier dus om de indrukken (impressies). Op kant twee staat de versie met koor van de balletsuite Daphnis et Chloé van Ravel en die is prachtig.

Maurice Ravel (1875 – 1937)

Deze half baskische kunstenaar wordt veelal in een ademtocht genoemd met Debussy. Men zou kunnen opmerken, dat Ravel qua geboortejaar niet zou misstaan in het artikel van vorige maand. Hij bevindt zich dan ook meer aan het einde van de romantiek, dan de 12 jaar oudere Debussy. Echter, zijn streven naar uiterste helderheid en logica houdt hem binnen de perken van een, weliswaar met grote vrijheid behandelde, tonaliteit. Het is toch net even anders als zijn jongere landgenoot Honegger bijvoorbeeld, met wie hij overigens wel in zijn latere leven het teruggrijpen op de 18de eeuw deelt.
Door zijn Spaans-Baskische moeder draagt hij de Iberische cultuur in zich, wat zijn belangstelling voor Spaanse onderwerpen en taferelen verklaart.
Zijn Rhapsodie espagnole voor orkest uit 1907/8 is een schitterend voorbeeld hiervan. Het is een buitengewoon kleurige orkestsuite. Haitink heeft het twee keer opgenomen: in 1961 (Philips Universo 6580 055) en 1971 (Philips 9500 347). De laatste – met de mooie Henri-Edmond Cross hoes – is wat sneller en opwindender gedaan, maar de opname uit 1961 is wat natuurlijker, ofschoon het bij de latere opname niet aan natuurlijkheid ontbreekt. Luister maar eens naar het tweede (Malagueña) en het vierde deel (Feria) dat de herinneringen aan een volksfeest oproept. Dit is een van de beste Philips opnames die ik ken. De kalk komt van de muren…

La Valse het choreografische gedicht voor orkest uit 1919-1920. Dit werk is tijdloos. Howeler beschrijfthet als volgt: deze muziek welde uit het gebied van het onderbewuste, van de droom. Van de beangstigende droom, de obsessie. Zoals de mens de dagelijkse gebeurtenissen, de ‘dagresten’, in zijn slaap verwerkt tot symbolen, om in die schijnbaar onsamenhangende droomtaal zijn diepste zielenleven te verdichten, zo is door Ravel de wals, het oude danstype, tot een ‘dagrest’ geworden die aan een angstig visioen tot stramien dient. […]. De componist is hierdoor het grensgebied van kunst en pathologie genaderd […]. Wellicht een leuk walsje voor Andre Rieu en zijn ensemble een keertje, in plaats van een walsje van Johan Strauss…  Ook hier is Haitink (Philips 9500 314) aantrekkelijk en eenvoudig te vinden voor weinig geld, net als de vorige. U herkent de plaat aan de mooie Paul Cézanne cover.

Alborada del Gracioso, Menuet Antique en Une Barque sur l’Océan zijn verrukkelijke stukken van Ravel. Deze zijn verschenen in de budget serie Galleria (niet te verwarren met de Galerie serie, ook van DG!) van Deutsche Grammofoon door Ozawa (DG 415 815-1). De Galleria’s zijn heruitgaven die digitaal geremastered zijn en ik moet zeggen dat ik op een paar uitzonderingen na, niet onder indruk ben van deze serie. Ze klinken over het algemeen muffer en gecomprimeerder dan hun oorspronkelijke broeders.
Op deze plaat is het resultaat echter wisselend. Vooral Alborada del Gracioso heeft behoorlijk geprofiteerd van de oppoetsbeurt. Het hoog heeft veel meer energie dan de oorspronkelijke master, die beduidend suffer klinkt. Verder is deze plaat aantrekkelijk, omdat er nogal wat belangrijke stukken op staan. Waaronder La Valse. Alleen als u nog steeds geen genoeg kunt krijgen van de Bolero, waarmee deze stukken o.a. gekoppeld zijn, dan raad ik u aan de oorspronkelijke uitgave te bemachtigen (DG 2530 475). Met de remaster is de akoestiek bijna verdwenen en de unieke timbres van de instrumenten zijn moeilijker vast te stellen.

De beide pianoconcerten zijn zondermeer de moeite waard. Het langzame deel van het Pianoconcert in G, uit 1929–1931 is wonderschoon. De Haas/Alceo (Philips 839 755 LY) opname koppelt beide concerten en klinkt prachtig. Echter, deze uitvoering ontmoet stevige concurrentie van Argerich met Abbado (DG 139 349). Hier is de koppeling met het 3de pianoconcert van Prokofiev.

Albert Roussel (1869 – 1937)

Waar Ravel al wat bonter klinkt dan de ‘pasteltinten’ van Debussy, is Roussel al weer iets krachtiger en grover. Een componist die vaak over het hoofd wordt gezien, ofschoon we tegenwoordig niet mogen klagen over het aantal integrale opnamen van zijn symfonieën die in de loop der tijd nu zijn verschenen. Toch heb ik het sterke gevoel dat Roussel (te) weinig wordt uitgevoerd in de concertzaal.
Van Roussel zult u niet zo snel iets vinden in de kringloopbakken en antiquariaten. Op e-Bay wordt de eerste en de derde symfonie door Dutoit (Erato NUM 75 283) regelmatig aangeboden en betaalbaar, ook op het moment van schrijven. Vervelend is alleen, dat de shipping costs vanuit de US belachelijk hoog zijn.
In zijn eerste symfonie bespeurt men de impressionistische invloeden. Het zijn eigenlijk vier symfonische schetsen. Vooral het eerste deel is buitengewoon beeldend. Een klagende opening door de houtblazers over de droefgeestigheid van het winterse woud. In het laatste deel trekken de bosgeesten voorbij en met de verstilling van de natuur eindigt het werk.
De derde is zijn populairste en meest opgenomen. Het is een robuust, krachtig en enigszins joviaal werk.

Zo gemakkelijk als de 1ste en de 3de te krijgen zijn, zo extreem moeilijk zijn 2de en 4de Erato (NUM 75 284) te vinden. Ik heb er geen verklaring voor. Erg jammer, want de tweede is de zoektocht absoluut waard. Het werk is recentelijk door Eschenbach uitgevoerd en vastgelegd op Ondine.“One of the greatest musical discoveries I’ve made in years,” verklaarde de dirigent. Dat gevoel had ik ook als luisteraar toen ik dit schitterende werk ruim twintig jaar geleden voor het eerst hoorde. Toegegeven, de Erato hoezen zijn aartslelijk, maar er is nog niet een dirigent geweest die me meer heeft weten te bekoren en te overtuigen dan Dutoit. Behalve misschien de tweede onder Pierre Dervaux op EMI (2C 069-73096).

Ook Paul Dukas (1865 – 1935) gebruikt krachtige kleuren, maar streeft – net als bij Roussel – ook naar een nieuwe klassieke uitdrukking. L’apprenti sorcier (De Tovenaarsleerling) is zijn populairste werk, een symfonisch scherzo gebaseerd op Goethe’s gelijknamige ballade. Aarzel geen moment als u de uitvoering van David Zinman met het Rotterdams Filharmonisch Orkest ziet op Philips (9500 533). Het is een buitengewoon levendige en realistische opname die het schuim in de vissenkom zal veroorzaken.

Volgende maand deel 2 van de Laatromantiek. Een bewogen, veelzijdige en uiterst vruchtbare periode, die een groot aantal werken van blijvende betekenis heeft opgeleverd. Het is ook een tijd dat de componist, maatschappelijk een steeds belangrijkere rol gaat spelen. De componist is een nationaal figuur aan het worden. Norbert Loeser omschrijft het als volgt: “…nooit eerder was het […] gebeurd, […] dat een heel volk in een musicus de symbolische incarnatie van zijn eigen grootheid, van zijn beste eigenschappen en hoedanigheden zag.”

*Umberto Eco, Geschiedenis van de Schoonheid

BRUCKNER Symphony Nr. 8

Tuesday, December 21st, 2010

BRUCKNER
Symphony Nr. 8 urfassung 1887
Philharmoniker Hamburg Simone Young
OEHMS OC 638 DDD 31’/52’

Uitvoering *** / Opname *****

’Meine Achte ist ein Mysterium’, maar er zijn vele mysteriën in deze werkelijkheid. Zo is het nog steeds een raadsel dat dirigenten zoals von Karajan, Haitink, Giulini etc. nooit deze eerste versie hebben opgenomen. Hoe dan ook, Bruckner aanbidders die alleen de 1890 versie kennen – hetzij de Haas, hetzij de Nowak uitgave – zullen van de ene in de andere verbazing vallen bij het beluisteren van deze oerversie uit 1887. Het meest opvallend is wel het slot van het eerste deel, maar bij herhaald luisteren vallen talrijke verschillen op. Zowel in de instrumentatie als in de behandeling en verwerking van de materie. Bovendien is de eerste versie maarliefst 164 maten langer dan de tweede versie. Vergelijking met Tintner op Naxos dringt zich uiteraard op. De tempi en fraseringen van Tintner bevallen mij beter. Ook is Young bij de climaxen te gematigd naar mijn smaak, maar de imposant gedetailleerde opname maakt veel goed.

Emíle Stoffels
Luister 662

« Previous Entries