Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Alan Parsons – Tales of Mystery and Imagination Edgar Allan Poe

Tuesday, July 30th, 2013

Persoonlijk heb ik Alan Parsons eersteling altijd zijn beste gevonden en beluister hem nog altijd graag. Deze plaat heeft voor de hand liggend door het onderwerp iets griezelig mystieks. Het werd opgenomen in de Abbey Road studio in 1975 en released het jaar daarop. Het idee voor het project kwam van manager en schrijver Eric Woolfson. In 1987 kwam er een re-mix met recitaties van Orson Welles en toegevoegde gitaarpartijen. Maar ook de algehele atmosfeer (galm toevoeging) zou wat veranderen. Het ligt dan ook voor de hand dat er twee kampen zijn: het ene voor de oorspronkelijke mix, het andere voor de re-mix. In dit stuk gaat het echter over mijn bevindingen van de verschillen in de diverse persingen van de oorspronkelijke mix.

Ik kwam al snel tot een short list van drie persingen die een interessant vergelijk bieden. De US gemastered door Doug Sax, de UK door Chris Blair en de Mobile Fidelity Sound Lab (MoFi). De relatief muf klinkende Duitse persing was in de eerste ronde al afgevallen en de veelvoorkomende Portugese persing zal geen hoogvlieger zijn, ofschoon ik die nooit gehoord heb. De Hollandse heb ik overigens ook nooit gehoord.
Uiteindelijk heeft de US, de beste klankbalans samen met de UK, die wat droger klinkt en iets minder geprofileerd en vol in het laag. In onder andere de Pavane op kant 2 blijkt de MoFi tot mijn grote teleurstelling minder ballen te hebben. Dat wijkt behoorlijk af van mijn ervaring met dit label. Veelal is bij de MoFi het laag overvloedig aanwezig. Zie “Powerful People” van Gino Vannelli en “Trick of the Tail” van Genesis. Wel is het midden iets opener en klinkt alles erg schoon. De UK is soms ook wat bas schuw, zoals blijkt op het laatste nummer van kant 1. Het is vooral het sub-laag dat opvalt bij de US persing en het gigantische beeld. Duidelijk de eerste keus dus. De UK en de MoFi strijden ieder om de tweede plaats. De prijzen van de MoFi op eBay in ogenschouw genomen, ben ik geneigd de UK dan het voordeel te geven.

De MoFi CD is een totaal ander verhaal: een volslagen andere klankbalans, maar zeker niet verkeerd. Minder gain met (soms te) veel laag. Ook iets minder open, maar het pakt veelal goed uit. Je zou niet zeggen dat dit hetzelfde masteringsbedrijf is als die, die de plaat heeft gesneden. Over de hele linie is dit een absolute aanrader.

De Luxe Edition (dubbelaar) die een aantal jaren geleden is uitgekomen, biedt zowel de oorspronkelijke mix als de re-mix uit 1987. De oorspronkelijke mix is – afgezien van de MoFi (uit 1994) – nooit eerder op cd uitgegeven en zou in die zin dus interessant kunnen zijn. Echter, slechts voor het bonusmateriaal (interview Parsons en Woolfson) en het mooie cd boekje met informatie, is deze uitgave aantrekkelijk. Helaas is voor de oorspronkelijke mix kennelijk een inferieure mastertape gebruikt. Het is in de verste verte geen vergelijk met de MoFi en zeker ook niet met de plaat (welke persing dan ook). De klankbalans is niet goed: droog, dor en grijs. De tweede schijf (de re-mix uit 1987 dus) was al veel eerder uitgegeven door (Mercury) en is een verhaal apart. De recitaties door Orson Welles zijn natuurlijk fantastisch. De klankbalans van de mix als geheel is echter minder bevredigend, vergeleken met de oorspronkelijke. Op de een of andere manier is er een hardere klank ontstaan die wat onnatuurlijk overkomt met een enigszins opgeblazen laag en artificieel hoog. Van dat laag is overigens in de eerste paar nummers niets te merken. Daar klinkt alles vooral dunner dan de oorspronkelijke mix.

Alles overziend kan men voor deze eersteling van Alan Parsons af met de US; al dat niet de reissue, zolang maar gesneden bij TML door Doug Sax. De MoFi cd uit 1994 is ook zeer aan te bevelen. Die doet het helaas zoals alle MoFi producten goed op eBay en zal wat moeilijker te bemachtigen zijn. Bovendien is die niet voor een habbekrats te  krijgen. En ten slotte op basis van de artistieke toevoegingen van Orsin Welles, de in 1987 uitgegeven re-mix; al dan niet op plaat. De Luxe Edition zou ik lekker vergeten.

Ten overvloede wijs ik er nog op dat zelfs als men een mooie door Doug Sax gesneden US persing heeft bemachtigd, dat nog geen garantie voor succes is. Het kan best zijn dat men de laatste uit de productie lijn heeft uit een inmiddels versleten matrijs.

Emile Stoffels

Genesis – Seconds Out

Saturday, January 26th, 2013

Seconds Out van de Britse band Genesis is denkelijk een van de best opgenomen live concerten ooit. Het was hun tweede live plaat uit 1977, maar dit keer zonder aartsengel Peter Gabriel. Voor deze tour waren er al twee albums verschenen sinds het vertrek van Gabriel: “Trick of the Tail” en “Wind and Wuthering”. Een aantal jaren geleden kwamen de remixes van de studio opnames op SACD al uit met DVD. Recentelijk bracht Rhino alles op vinyl uit, met gemixte reacties. Nu brengt gigant EMI ook Seconds Out uit, maar nu mag het resultaat er echt wezen.  Ik was de laatste tijd wat voorzichtig geworden mbt. heruitgaven, maar EMI heeft me tot nu toe nog niet teleurgesteld. Hoogtepunt is wat mij betreft kant 3 en 4 met de Cinema Show, Dance on a Vulcano en Los Endos. Een waar feest, vooral omdat op de Cinema Show ook Bill Bruford meedoet. Wat willen we nog meer? De kardinale vraag is nu: moeten degenen die de oorspronkelijke uitgave (originele mix) op vinyl, of cd reeds hebben, nu naar de winkel hollen om deze heruitgave te kopen? JA! Wat is er dan veranderd ten opzichte van de oorspronkelijke releases? Om te beginnen loop het laag onenindig verder door en is bovendien luider dan de uitgaven die ik heb: Nederlandse, Britse en US persingen. Dit komt de algemene klankbalans ten goede. Ook is het diepte perspectief sterk verbeterd. Dit is zo’n typische manier van masteren waardoor men de neiging heeft om steeds luider af te spelen. En toch blijft het aangenaam. Deze dubbelaar zal in de meeste winkels net over de 30 euro kosten. Geen geld.

Emile Stoffels

Avantgarde Uno – een State of the art weergever

Wednesday, August 3rd, 2011

‘Ik hoef het beeld alleen van het overtollig steen te bevrijden’, sprak de beeldhouwer Auguste Rodin, toen hem iets over een van zijn kunstwerken werd gevraagd. In navolging van zijn grote voorbeeld Michelangelo, wist deze erfgenaam der Barok en tegelijkertijd erflater der moderne plastiek, menselijke figuren ‘uit steen te verlossen’ op een wijze die aannemelijk maakt dat geen ander resultaat denkbaar zou zijn. Het is een soort van onvermijdelijkheid die wij ook ondervinden in de muziek van Ludwig von Beethoven.

Iets dergelijks ervoer ik ook bij het zien en horen van de Avantgarde speakers, die ik een tijd geleden voor het eerst hoorde bij Audio-Life in Buren. Ik was direct onder de indruk van de verpletterende live presentatie en probeerde me in te beelden hoe deze jongens bij mij thuis zouden klinken. Interessant in deze is dan ook de definitie dat Avantgarde Acoustic van het begrip puurheid geeft, in verband met hun producten: “Een functioneel ontwerp dat noodzakelijkerwijs ontstaat uit zijn toepassing.”

De voorhoede

Avant-garde is sedert de jaren ’20 van de vorige eeuw een gebruikte term ter aanduiding van internationaal gerichte groepen revolutionaire kunstenaars, die experimenteren met nieuwe kunstvormen en de artistieke procedés van hun voorgangers radicaal afwijzen. De term werd voor het eerst toegepast op een groep links-pacifistische kunstenaars die in 1916 bijeenkwamen in het Cabaret Voltaire te Zürich. Sindsdien wordt de term gebruikt voor een aantal groepen van vernieuwers, van voor de Tweede Wereldoorlog. De term kan eigenlijk gebruikt worden voor elke vooruitstrevende groep kunstenaars die breekt met de traditie en kan het best toegepast worden op een bepaalde levensopvatting, of meer specifiek voor een kunstenaarshouding waarin het experimenteren met nieuwe vormen centraal staat.

Precies die pioniersgeest ademt het Duitse Avantgarde Acoustic ook uit. Een bezoek aan hun website maakt dat snel duidelijk. Het bedrijf stond vorig jaar onder een nieuw motto op de High-End show in München: “Purity meets Performance”; een bedrijfsfilosofie die op bewonderingwaardige wijze in alle speakersystemen is doorgevoerd. Dus ook in het hier geteste model: de Uno. Er zijn diverse modellen in het programma, maar dit is het instapmodel en het ligt dan ook voor de hand dat er nog een Duo en een Trio is. Verder is er nog een geheel actief speakersysteem, de Solo en een indrukwekkende bashoorn.

Uiteindelijk nam ik contact op met Number 4; de importeur van Avantgarde en werden de 70 kilo zware speakers in delen in mijn huiskamer gebracht en in elkaar gezet. Dat verliep allemaal rimpelloos en toen de eerste speaker was geplaatst werd dan ook de gepaste kreet geslaakt: “Uno!”.

De afwerking is fantastisch en het design zou wat mij betreft in aanmerking komen voor een grote prijs. Juist omdat het qua design geen alleman vriendje is. Ik was in elk geval geheel overdonderd door de vormgeving. Het is opvallend in z’n eenvoud en dat maakt het zo bijzonder. Toch zijn er mensen die deze speakers om onbegrijpelijke redenen wanstaltig noemen. Verder zijn de Avantgardes in allerlei kleuren te krijgen, opdat er een goede afstemming mogelijk is met de omgeving waar ze komen te staan.

De Uno heeft een 20 inch sferische hoorn die het gebied weergeeft van 300 Hz tot 3 kHz. Daarboven neemt een 5 inch hoorntweeter het over. Het laag wordt actief gedaan met aparte 250 watt versterkers in het baskabinet, die twee 10 inch drivers per kant aansturen. Er is dus alleen een versterker nodig voor het midden en hoog. Deze beide hoorns hebben bij elkaar een gevoeligheid 104 dB en kan er met slechts enkele watts een orkaan aan geluid geproduceerd worden.

Funcionaliteit

Functioneel en logisch zijn de Avantgardes ook. Aan elke hoek van de speaker kan eenvoudig de hoogte ingesteld worden en derhalve de luidspreker laten kantelen of overhellen, wat erg veel invloed op het stereobeeld heeft. Evenzo is het mogelijk het werkgebied van de hoorns in te stellen. Aangezien het laag actief is, kon ik het goed aanpassen. In mijn huiskamer bevindt zich een lichte vorm van compressie die mij in sommige gevallen parten speelt. Maar dus niet in het geval van de Avantgardes. Ook bleken ze niet overmatig kritisch bij het plaatsen. Wel gaat er enige tijd zitten ik het in- en uitdraaien en het naar voren en achteren laten hellen van de speakers. Eenmaal naar tevredenheid opgesteld, kon het luisteren beginnen. Voor het midden en hoog gebruikte ik mijn ‘old warhorse’ de EL84 single ended buizen versterker. De Philips SACD 963 gebruikte ik zowel als bron en als loopwerk voor mijn NOS DAC’s.

Speaker bekabeling was aanvankelijk een solidcore type van AudioQuest. Ik begon hiermee omdat uit mijn ervaring sommige hoornsystemen wat nadruk kunnen hebben in het midden tot het midden-hoog. Deze ‘bruin’klinkende kabel zou dat dan moeten neutraliseren. Maar al gauw bleek dat dat niet nodig was, omdat deze weergevers een toonbeeld zijn van neutraliteit. Later werd dan ook de Heimdall van NordOst gebruikt die in mijn ondervinding volstrekt neutraal en homogeen klinkt en een mooie match bleek met de Avantgardes. Dat bleek wel uit Martes van Murcof. Het laag was aanzienlijk sneller en preciezer en toch kon ik zelfs nog wat extra laag bijdraaien.

Luisteren

De ritmische potentie was wat me als eerste opviel. Zo was Dancing Girls op Human Racing ongekend elastisch en snel. In het begin wilde ik echter vooral overdonderd worden en selecteerde daar dan ook mijn muziek op. Om een paar voorbeelden te noemen: Ouverture 1812 van Tchaikovsky, De IJzergieterij van Mosolov, de Scytische Suite van Prokofiev en het Requiem van Berlioz. Ik wilde echter aftrappen met iets zeer passends: Requiem für einen jungen Dichter van Bernd Alois Zimmermann. Deze Duitse componist die in 1967 vrijwillig uit het leven stapte, heeft een klein maar interessant oeuvre nagelaten. Belangrijker evenwel voor dit thema is, dat hij behoorde tot de Avantgarde.

Dit Requiem is een huiveringwekkend document, met een uitdrukkingskracht die de omschrijving bijna tart. Het is een Gesamtkunstwerk voor groot orkest, drie koren, solisten, sprekers, jazz combo, orgel en elektronische tapes met citaten van de grote filosofen en literatoren en geluidsfragmenten van belangrijke gebeurtenissen uit de vorige eeuw. Het slot met citaten uit o.a. Beethoven’s negende, Hey Jude van de Beatles en Joseph Goebbels’ opzwepende redevoering over de totale oorlog in februari 1943, kwam mijn huiskamer binnen op een manier die bijna fysiek was. Dat kwam niet in de laatste plaats door de luisterrijke stage die de Uno’s neerzetten.

Bij Mosolovs IJzergieterij was het net of dat de roestige fabrieksdeuren opengingen en we de arbeiders aan het werk zagen met de bewerking van het metaal. De natuurlijke resonantie en het geweld van deze noeste arbeid, was adembenemend. Zo groots en imposant! Even groots was Bruckners achtste. Wanneer de slotpassage in de finale aanbreekt, zou men bijna tot het Christendom bekeerd worden. Geen enkele stichtende literatuur of exegese kan overbrengen wat Bruckners kunst doet in deze. Het koper was pregnant en massief zonder dat het op de oren ging staan. Zelfs op geluidsvolumes die we elkaar doorgaans niet willen aanbevelen.

In de praktijk bleken de Avantgardes alles te kunnen. Groot waar het groot, klein waar het klein moet zijn. Ook kamermuziek in alle combinaties werd op de juiste schaal gepresenteerd. Zeer intiem was bijvoorbeeld Francks sonate. Chung had de correcte afbeelding en Lupu’s piano stond vrij in de ruimte zonder kleuring. Wat me keer op keer opviel was dat ik na ieder afzonderlijk stuk muziek, niet direct naar het volgende stuk ging. Blijkbaar was er behoefte aan rust of zelfs verwerking. Bijkomen moest ik ook van Poulencs Orgelconcert. Deze orgelthriller was een ervaring op zich met de Uno’s. Buitengewoon veel micro-informatie bespeurde ik op deze opname. De lucht die door de pijpen stroomt, de kleppen, de ambiance: alles was aanwezig.

Maar de realistische weergave had ook een duidelijke schaduwzijde. Om maar even af te dalen naar triviaal amusement: mijn kinderen hadden op Playstation 3 de grootste schik met deze alleseters. Call of Duty was zo realistisch dat we ons moeten afvragen of dit soort spellen nog wel verantwoord zijn. De kogels en granaten vlogen me om de oren op een manier die ik niet gewend was. De kroost vond het uiteraard geweldig, maar ik voelde me wat ongemakkelijk. Het kwam allemaal zo dichtbij…

Conclusie

Ja, ik ben inderdaad enigszins uit mijn sokken geblazen. Met lede ogen zag ik dat de Uno’s weer werden opgehaald. Ik heb dan ook bewust een week gewacht met het weer aansluiten van mijn eigen speakers. Ik kan volstaan met te zeggen dat dit de meest indrukwekkende luidsprekers zijn die ik de laatste jaren gehoord heb. De Avantgardes waren dynamisch, groots, intiem en tegelijkertijd spectaculair zonder dat het een kermis werd. Ook het design droeg bij aan de muziekbeleving. Deze weergevers zijn inderdaad ware kunststukken en ik vraag me af hoe de topmodellen klinken…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Tchaikovsky – Ouverture 1812/Philips;
Mosolov – IJzergieterij/Decca;
Prokofiev – Scytische Suite/DG;
Berlioz – Requiem/Philips;
Zimmermann – Requiem für einen jungen Dichter/Wergo;
Franck – Sonate voor Viool en Piano/Decca;
Martinu – 4de strijkkwartet/Briljant Classics;
Poulenc – Orgelconcert/Erato;
Jungen – Symphonie Concertante/Telarc;
Nik Kerhaw – Human Racing/MCA;
King Crimson – Three of a perfect pair/EG records;
Genesis – A Trick of the Tail/Virgin 2007 remix;
Murcof – Martes/ Leaf Spain

Prijs: €13.500,-

Informatie: http://www.avantgarde-acoustic.de/

Genesis SACDs

Friday, December 17th, 2010

Hoe definitief is definitief

Dick Steffens besprak de Genesis 1970 – 1975 box al in het HVT januari nummer van 2009 en was zeer enthousiast. Ik moet zeggen dat ik als Genesis liefhebber ook reikhalzend heb uitgekeken naar deze luxe heruitgave. Tegelijkertijd dacht ik: maar we hebben toch al de Definitive Remasters? Hoe definitief is definitief? Toch klopt het wel: deze SACD’s zijn geen reMASTERS maar reMIXES.

Dat wordt duidelijk als je het interview met Nick Davis leest (http://www.genesis-news.com/genesis/reviews/sacds/interview-with-nick-davis.htm); de man die de vorige remasters heeft gedaan en nu dus de 2007 remixes.

Toen begin jaren 90 die remasters uitkwamen, dacht iedereen dat dat de laatste waren. Per slot heetten ze ‘definitive remaster’. Over het algemeen genomen waren ze beter dan de eerste generatie CD’s. Over Foxtrot en Trick of the Tail had ik zo mijn twijfels, maar Selling England… bijvoorbeeld was behoorlijk verbeterd, ofschoon mijn zwarte schijf (Duitse persing) toch aanzienlijk beter klonk. De hinderlijke brom op The Lamb… was weggepoetst, Genesis Live was aanzienlijk doorzichtiger en in mindere mate Nursery Cryme ook. And Then There Were Three had duidelijk meer ballen gekregen, maar Abacab bleef teleurstellend mat klinken, vooral in vergelijk met mijn US persing.

Toen de box via de post arriveerde, was Selling England By The Pound wat mij betreft het meest voor de hand liggend om als eerste te beluisteren. Ik weet nog dat ik in 1982 tijdens de CD show van Wim van Putten, halverwege Firth of Fifth erin kwam. Ik dacht: “wat is dit in hemelsnaam voor een muziek?”. Na het nummer vertelde van Putten gortdroog dat dit van Genesis’ LP Selling England by the Pound kwam. Ik was compleet in de war. Wat klonk Phil Collins vreemd en wat een verschil met Abacab en de andere single die ik van Genesis kende. Daar moest ik het mijne van weten. Sindsdien is dit album niet meer weg te denken uit mijn leven. Er zijn momenten aan te wijzen waarin de tekst op zodanige manier met de muziek samensmelt, dat het geheel meer is dan de som der delen. Sinds ik dit album ken, heeft het me nooit teleurgesteld en het is mijn vaste overtuiging dat het een van de absolute hoogtepunten is uit de popgeschiedenis. Dat is een hele kreet, maar zo denk ik er echt over.

Luisteren

Bij de remixes van Genesis moeten we niet direct denken aan ingrijpende veranderingen zoals Alan Parsons heeft gedaan op zijn eerste CD Tales of Mystery and Imaginations Edgar Allan Poe. Toen werden er nieuwe synthesizer en gitaar partijen toegevoegd. Nog los van de recitaties door Orson Welles. Toch is er hier meer veranderd dan op de andere albums: de post Gabriel SACD’s zullen we maar zeggen. Hieronder volgt slechts een fractie van opvallende zaken uit mijn aantekeningen die ik de moeite waard vond te melden.

Trespass heeft het minst geprofiteerd van de remix, omdat er toen nog met 8 sporen werd opgenomen. Maar Nursery Crime des te meer. De grootste winst op deze plaat bij deze remix is te horen aan het einde van de Musical Box wanneer Gabriel de rol van het oude mannetje vertolkt en declameert: “You stand there with your fixed expression, casting doubt on all I have to say…” Gabriel klinkt daar luider in die grootse climax en dat is echt cruciaal. Dat was vroeger veel te zacht gemixed waardoor dat fragment maar gedeeltelijk uit de verf kwam. Track 6 loopt nu over in 7 en dat vind ik irritant. De Foutain of Salmacis dient naar mijn smaak vanuit de stilte te openen.

Bij Watcher of the Skies op Foxtrot blijft Steve’s gitaar links in de speaker hangen, net als de klokjes op Supper’s Ready van het Apocalypse gedeelte. Verder is het op dit 23 minuten durende stuk, niet meer mogelijk om gebruik te maken van de index. Vooral Get ‘Em Out by Friday vaart wel bij deze oppoets beurt. Het is een feest te luisteren naar Gabriels stembuigingen en fratsen. Ook valt op dat de bassen en vooral de bas pedaal beter te horen is en dientengevolge meer impact heeft. De basloopjes van Rutherfort zijn veel makkelijker te volgen, door dat extra beetje reliëf en contour.

Dat is in overtreffende mate aanwezig op Selling England…maar daar staat tegenover dat het hoge midden soms wat te uitgesproken klinkt.
Op de opening van The Battle of Epping Forest is nu minder ruimte te horen. Bij de vorige mix kon je de aan marcherende straatbende van links achter naar je toe horen komen, om vervolgens naar rechtsachter weg te sterven. Echter, het meest schokkende ontwaarde ik op de opening van Dancing with the Moonlit Knight. Voor de zinsnede “Time goes by” (0.56’) is blijkbaar heel even een ander spoor gebruikt. Niet alleen zingt Gabriel het minder lekker en in een ander register, maar er is ook goed te horen dat dat spoor onbewerkt is qua omgevingsatmosfeer. Het heeft ongetwijfeld met Nick Davis’ verhaal in de voetnoot te maken. Ik begrijp werkelijk niet dat dat onopgemerkt is gebleven.

Bij The Lamb… hoor je toch dat deze plaat in de basis al niet super was. Het is wat plat allemaal. Aan het slot van het titelstuk horen we dat de andere sporen die Gabriel heeft ingezongen nu luider zijn gemixed. Dit overstemt echter de cadans waar dit nummer het goeddeels van moet hebben. Mooi is wel dat op de Chamber of 32 Doors de achtergrond stemmen van Gabriel en Collins veel beter te horen zijn, net als bij Lilywhite Lilith.

Extra’s

Naast de geluidstechnische zaken zijn de interviews van de bandleden als extra’s ook interessant. Ze werpen licht op een aantal zaken. Jammer dat er geen Nederlandse ondertiteling is, want soms moet je toch moeite doen om de jongens goed te volgen.

In het 2007 Reissues interview op de bonus disk, zijn de bandleden unaniem lovend over de remix. Terugkijkend vertellen Collins en Rutherford dat het vroeger erg moeilijk was om een goede mix te maken. Het was meer een kwestie van geluk, bovendien was er toen veel tijdsdruk. Banks is buitengewoon lyrisch over de 5.1 mix van The Cinema Show en dan vooral het eerste stuk.

Op de bonus CD in hetzelfde groene boekje, staan o.a. ook nog drie nummers die ons aardig bekend voorkomen: Provocation (vgl. Fountain Of Salmacis), Frustration (vgl. Anyway) en Manipulation (vgl. Musical Box).

Conclusie

Alles overziend, moet ik zeggen dat het wel een belevenis was deze remixes. Toch geloof ik dat we gezond kritisch moeten blijven. Een aantal zaken hebben duidelijk geprofiteerd van deze heruitgave, andere zaken minder. De vocalen zijn luider en meer naar voren geschoven; meer op de speakerlijn. Dat geldt ook voor achtergrondstemmen. Hoog en laag lopen verder door. Of dat altijd een zegen is, valt te betwijfelen. Het midden is soms wat teveel van het goede en het hoog soms (te) scherp. Over het geheel is de klank wat harder geworden en minder warm. Ook is er veel meer gain, wat direct A-B vergelijk met de vroegere CD’s bemoeilijkt. Anders gezegd: ik vind het geen onverdeeld succes, maar wel de moeite waard. De oude CD’s verkopen raad ik niet aan.

Wat we nog moeten afwachten is of de Live CD’s ook nog aan de beurt komen: Three Sides Live, Seconds Out en Genesis Live. Daarna, op naar de Definitive Remixes?

Emile Stoffels

Noot: The hardest work is something else. The paperwork in those early days wasn’t really good. So trying to find the track sheets is a lot harder. So I have a perfect multitrack, I know what song it is but I have no idea which tracks were used for the song. I can work out most of them but – I just did a recall of More Fool Me as we speak and there are three lead vocals and no track sheet so we didn’t know which was used for the lead vocal. So we had to analyze which track sings which line.

Cayin VP-100-i

Thursday, December 16th, 2010

Cayin VP-100-i

Ons leven wordt veelal bemoeilijkt, door de keuzes die we kunnen maken. Ook binnen een luxe onderwerp als audio. Wat zullen we kiezen? Multichannel of ‘gewoon’ stereo? Gescheiden of geïntegreerde versterking? Buizen of torren (transistors)? Push-pull of single ended? Hoog rendement luidsprekers met laagvermogens versterkers of andersom? Nieuw of tweede hands? Of wellicht zelf (laten) bouwen?

Buizen zijn tegenwoordig HOT. Ofschoon een buizenversterker relatief eenvoudig zeer goed kan klinken, dienen we ons te realiseren dat er ook slechte buizenversterkers zijn. Een buizenconcept op zichzelf, is niet zaligmakend. Ook zouden we er goed aan doen, de jongste ontwikkelingen te volgen op het gebied van klasse D versterking, veelal gebaseerd op de inmiddels beroemde Tripath chips. Hierover meer in een later artikel wellicht. Hoe dan ook, het is voor velen duidelijk dat een buis bepaalde kwaliteiten heeft die een transistor eenvoudigweg niet heeft.

De hier geteste buizenversterker en CD speler zijn producten van Cayin. Dit bedrijf is gevestigd in de buurt van Hong Kong en heeft al meer dan 10 jaar een goede reputatie in onder andere Amerika, Engeland, Duitsland en Frankrijk.

Mijn eerste visuele kennismaking met Cayin was de HA-1A koptelefoonversterker met het mooie patrijspoortje, van waarachter de buizen ons verleidelijk aankijken. Ik weet nog dat ik samen met een collega likkebaardend naar de foto’s op het Internet keek. De hier geteste VP-100-i is een totaal ander verhaal.

De apparaten kwamen bij mij via de distributeur Hay End Audio te Venlo en hij vertelde dat de apparatuur was ingespeeld. Dat is een absolute voorwaarde: denk eens aan al dat ‘ijzer’ dat moet inspelen en niet te vergeten de weerstanden en condensatoren. Dat duurt even.

Hij had de apparatuur laten bezorgen door een in audio gespecialiseerd logistiek bedrijf. De chauffeur had ze met een steekkarretje in de gang gezet. Toen ik de enorme doos wilde optillen, begreep ik direct waarom: nadat ik het op mijn luisterkamer had staan op zolder, moest ik direct een banaan eten. Tip: haal beneden éérst de apparatuur uit de doos, om de manoeuvreerruimte te vergroten want een dergelijke versterker naar boven slepen is een martelgang op zich.

De versterker ziet er imposant, degelijk en gelikt uit. Het is een geïntegreerde versterker met naar keuze triode (2 x 24 watt) of UL* (2 x 50 watt) bedrijf. Tot 2 x 15 watt werkt hij in klasse A. Het verschil met mijn eigen versterker is opvallend. Niet alleen qua afmeting en vermogen, maar vooral qua type buizenbezetting. Waar de Cayin vier KT 88 eindbuizen heeft (twee per kanaal in push-pull configuratie), aangestuurd door vijf dubbeltriodes, heeft mijn eigen versterker slechts twee EL84 eindbuizen (een per kanaal in Single Ended configuratie), aangestuurd door slechts één dubbeltriode.

De eindbuis – de KT88 – is een van de vele indirect verhitte buizen en staat erom bekend dat hij in UL bedrijf erg goed kan presteren. Wat mij al geruime tijd opvalt, is dat versterkers met KT 88 eindbuizen structureel duurder zijn dan hun broeders met EL34 eindbuizen. Terwijl de EL34 zondermeer vergelijkbaar is met de KT 88. Niettemin, de kwaliteit is ook in zeer hoge mate afhankelijk van hoe de buizen staan ingesteld, de kwaliteit van de uitgang trafo’s en de voeding. Een tijd geleden ben ik – na intensief experimenteren – erachter gekomen dat op kritische plekken, de kwaliteit van de weerstanden een enorme invloed op het geluid heeft. Dit is vooral zo bij de anode en kathode kant van de stuurbuis.

Nieuw t.o.v. de voorganger – de Ti88 – is de extra spanningsstabiliserende 6SN7 buis voor de voeding van de voorversterkertrappen.

Buizen gelijkrichting wordt tegenwoordig helaas nog zelden toegepast. Jammer, ofschoon ik de fabrikant wel begrijp. Solid-state gelijkrichting kost minder ruimte, is goedkoper, ontwikkelt nauwelijks warmte en is groener bovendien. En de nieuwste generatie silicon carbide solid-state gelijkrichters klinkt fenomenaal.

Luisteren

Laat ik beginnen te zeggen dat de Cayin me bepaald niet teleurstelde. Voor mij is klankbalans het hoogste goed. Dat wil niet zeggen dat een versterker geen voorkeurtjes mag hebben, maar de balans in zijn geheel moet ongeveer kloppen. Na een uurtje opwarmen bleek de VP-100-i daarover te beschikken. Althans, in triode bedrijf. Bij overschakelen naar UL, ontwaarde ik enige overbelichting in het middenhoog. Dat werd vooral duidelijk bij de toch enigszins uitgesproken opname So van Peter Gabriel. Iets dat ik me nog herinner van de Prima Luna Prologue II (ook met KT 88 in push-pull configuratie), die dat nog extremer had. Doch, bij oudere opnames en daarmee bedoel ik de eerste generatie Cd’s en vroege remasters, pakte dat veelal goed uit.

Wat ook vrijwel direct opviel was de slagkracht. Bij de opening van Alan Parsons’ Piramid werd duidelijk hoe krachtig. De eerste klap, na het vier noten motiefje van Voyager, had een snelheid en precisie die ik niet eerder heb waargenomen met mijn eigen versterkers, noch met andere versterkers die ik hier thuis heb beluisterd. Behalve dan met de Sphinx Project 14 die ik ooit heb gehad. Dit zijn dan ook wel eigenschappen waarin de KT 88 in UL excelleert.

Ook was er weinig of geen sprake van hardheid. De mondharmonica op track 1 van Spirit of Eden is hierin behoorlijk kritisch. Menig versterker valt hier door de mand, maar niet de Cayin. Toch viel een overvloedige hoeveelheid detail en informatie waar te nemen.

Dit was in overtreffende mate het geval bij de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bela Bartok. Dit is een mooie live opname waarin het gehoest en geschuifel goed te horen is. Ook de hoeveelheid ruimte suggestie is opmerkelijk en het omslaan van de bladzijden is zeer realistisch.

Een ander aspect van de Cayin is de hoeveelheid energie die overgebracht kan worden. In de genoemde sonate, komt in het begin twee keer een slag op het bekken voor. In het bijzonder de eerste slag, laat de luisteraar enkele centimeters omhoog veren. De Cayin bleek in staat deze energie over te brengen; vooral in UL bedrijf.

Los van de stereo breedte die opvalt bij het nummer Hyper-Gamma-Spaces op Piramid, ontwaarde ik ook hoogte in het stereobeeld, hoewel mijn huidige single ended versterker het nog net iets breder en hoger wegzet. Die hoogte was nog opvalleder bij Patricia Barbers Cafe Blue. De contrabas op Ode To Billy Joe is echt manhoog in de ruimte.

Over een ding kan ik heel duidelijk zijn. Bij violen prefereerde ik zonder enige twijfel de triode stand. In UL heeft de weergave wat meer ‘snap’, zoals de Amerikanen dat zeggen. Dat kan bij een aantal opnames natuurlijk te veel van het goede zijn. Overigens, wil het niet zeggen dat UL bedrijf altijd wat geprononceerder klinkt dan triode bedrijf. Ook hier ligt het aan de gebruikte buis en vooral de instelling daarvan.

Conclusie

Laten we eerlijk zijn. Het is geen goedkope versterker en al helemaal niet voor Chinese begrippen. Er zijn genoeg versterkers op deze aardkloot met een vergelijkbare buizenbezetting en vermogen voor onder de 1000 euro en ook Cayin zelf heeft goedkopere modellen. Echter, Cayin onderscheid zich duidelijk als een A-merk, door de degelijkheid en uitstraling. Ook blijkt dat de componenten zwevend zijn gemonteerd en ik kan me ook voorstellen dat Cayin behoorlijk wat ontwikkelingskosten heeft gestopt in de uitgangstrafo’s gezien de klank.

Een belangrijke vraag voor een potentiële koper zou kunnen zijn: heb ik dit vermogen werkelijk nodig? Luisteraars staan vaak versteld wat voor een orkaan van geluid een paar nederige watjes kunnen produceren. Hiervoor zijn wel hoog rendement luidsprekers voor nodig. In het algemeen kan ik me voorstellen dat speakers met een rendement van lager dan 90 dB – en dat zijn de meeste -, de kracht en souplesse van de Cayin of een vergelijkbare amp nodig hebben; mede afhankelijk ook van de grilligheid van de luidsprekers.

Ik heb het donkerbruine vermoeden dat de oude Quad electrostaten ESL 57 (de beroemde straalkacheltjes) met deze versterker, wel eens een meer dan voortreffelijke combinatie zou kunnen zijn. Het zijn weliswaar electrostaten, maar niet zo lastig als de meeste andere paneelluidsprekers.

Ook zal de Cayin goed het verschil kunnen laten horen tussen de fabrieksbuizen en NOS buizen. Dit zou een goede upgrade zijn. Te beginnen met de stuur- en inputbuizen. Later kunnen de eindbuizen wellicht aangepakt worden.

Het verschil tussen UL en triode is erg groot. Het schakelen tussen deze twee mogelijkheden gebeurt op de afstandsbediening. Ik vind dit een schitterende feature. Het stelt de luisteraar in staat de klanksignatuur van de versterker onmiddellijk en dramatisch te veranderen. Erg handig! Dit is ook op de goedkopere modellen. Het verschil tussen 4 en 8 ohm was in mijn geval niet groot. Dat zal anders zijn op lastigere luidsprekers.

CD speler

Dan de Cd speler. Die ziet er ook erg fraai en degelijk uit, net als de vesterker. In elke CD100i worden alleen streng geselecteerde condensatoren en buizen gebruikt.

Deze speler heeft naast de cinch buizenuitgang (2 maal 6922 = e88cc), symmetrische XLR uitgangen (via Burr Brown opamps). Het buizengedeelte heeft een eigen stabilisatie en is goed afgeschermd. Voor het upsamplen heeft Cayin de SRC4192-Chip gebruikt. De DA-converter is een PCM-1792-D/A-converter van Burr Brown.

Ofschoon de e88cc door veel buizen goeroes wordt verfoeid, denk ik persoonlijk dat het er maar net aan ligt waar je de buis voor gebruikt en vooral hoe de buis wordt ingesteld.

Er is keuze tussen 44 kHz upsampling en 192 kHz. Ik heb begrepen dat de tentklok modificatie alleen werkt met de 16/44kHz optie.

De klank

Ofschoon de importeur vertelde dat de speler was ingespeeld, bleek na een paar dagen de klank toch nog steeds te verbeteren. Dat is natuurlijk niet vreemd. Na enige tijd werd duidelijk dat de Cayin een enigszins afgeroomde signatuur heeft vergeleken met mijn Philips CDD 882/NOS DAC combinatie, maar wel schoon zonder ‘kruimels’ in het midden-hoog.

Het was weer een tijdje geleden, maar de verschillen tussen zogenaamde NOS (non oversampling) DACs en machines die wel gebruik maken van oversampling, waren weer overduidelijk. Ikzelf kan niet meer zonder NOS. Eenmaal gewend aan de aangename klank, de vanzelfsprekendheid en de rust van NOS op een accu voeding is er geen weg meer terug. Daar staat tegenover dat NOS machines in het uiterste hoog en laag net iets minder energie lijken over te brengen. Dat was te horen met de bekkenslag op de eerder genoemde Bartok sonate.

Die afgeroomde klank viel vooral op bij late remasters, zoals de 50th anniversary serie van Philips, maar ook op de jongste remasters van Alan Parsons en Genesis. Sommige van deze uitgaven klinken onder bepaalde omstandigheden wat scherp. Dat laat de Cayin dan ook duidelijk horen. Daarmee is absoluut niet gezegd dat de CD100i scherp of onaangenaam klinkt. Dat bleek wel weer op The Spirit Of Eden van Talk Talk.

Op Toto IV Limited Millennium Edition, die beduidend beter klinkt dan de normale uitgave, was iets duidelijker het lachje optrack 10 te lokaliseren dan bij mijn combinatie. Bij David Sylvians Colours of the Behave leek het stereobeeld net iets breder, maar mijn combinatie zette het geheel iets dieper weg. Ook de contrabas op track 7 had iets meer attaque op de Cayin. Ook is de CD100i erg precies met de afbeelding. Bij “Excuse Me” op Peter Gabriel I, viel de tuba LETTERLIJK aan te wijzen.

Verschillen tussen 16/44kHz en upsampling (24/192kHz) is niet altijd eenvoudig vast te stellen. Bij wat meer uitgesproken opnames, ontwaarde ik wat meer informatie in vooral percussie instrumenten. “Dear Mr. Man” op Musicology van Prince is zo’n opname die deze specifieke verschillen enigszins uitvergroot, maar het blijft een behoorlijke exercitie van herhaald luisteren om het te horen. Wellicht heb ik net niet de juiste cd’s geselecteerd om deze verschillen uit te vergroten.

Hoe de speler zonder de tentlabs modificatie klinkt weet ik natuurlijk niet, maar wat ik wel weet is dat de mensen van het genoemde bedrijfje, heel goed weten waar ze mee bezig zijn.

Conclusie

De CD100i is een dijk van een CD speler die de concurrentie met (veel) duurdere westerse modellen gemakkelijk aankan. Hij zal in staat zijn om met een verbazingwekkend gemak de verschillen in opnames en zelfs tussen de tracks op een CD precies weer te geven. De CD100i zal het beste schikken in een set met een wat volslanke signatuur. Net als de hierboven geteste versterker, onderscheidt de Cd speler zich ook door de uitstraling en het design dat van zeer goede smaak getuigt.

Emile Stoffels

Gebruikte Cd’s:

Musicologie – Prince
Spirit of Eden (remaster 1997) – Talk Talk
Colours of the Behave – David Sylvian
Piramid (remaster 2007) – Alan Parsons
So (remaster) – Peter Gabriel
Peter Gabriel I (remaster 2002) – Peter Gabriel
Bela Bartok Sonate voor twee piano’s en slagwerk (Philips 420 157-2)

*Noot: UL = Ultralinear. Dat wil zeggen dat de spanning voor het schermrooster via een aparte tap op de primaire kant van de uitgangstrafo komt, ipv. dat het schermrooster een eigen spanning krijgt (dus niet via de primaire kant van de uitgangstrafo). In het laatste geval zou het ‘gewoon’ penthode instelling zijn. Bij triode optie gaat men nog een stapje verder dan UL: het schermrooster wordt volledig aan de anode gelegd. De anode en het schermrooster worden een, waardoor de klank op een triode gaat lijken. Toch, klinkt een echte triode anders.