Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Tsjechische gloed

Sunday, February 5th, 2012

Naar aanleiding van een optreden van het Elias kwartet op 12 Januari in de Vereeniging in Nijmegen, werd de onderstaande recensie geschreven. Op het programma stonden het strijkkwartet nr. 10 op. 51 uit 1879 en het pianokwintet nr. 2 op. 81 uit 1887, van Antonín Dvorak. De avond opende met Meditation voor strijkkwartet over de oud-Tsjechische hymne ‘St. Wenceslaus’, opus 35a uit 1914 van Josef Suk.

“A human life, I think, should be well rooted in some area of native land where it may get the love of tender kinship from the earth, for the labors men go forth to, for the sounds and accents that haunt it, for whatever will give that early home a familiar unmistakable difference amidst the future widening of knowledge.” George Eliot

Deze gedachte is ontegenzeggelijk van toepassing op componisten van de nationalistische stroming die in Centraal- en Oost-Europa ontstond en uiteindelijk zijn wortels heeft in de Franse revolutie. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst. Een opvallend kenmerk van de laatromantiek is dan ook, een grote bloei van op nationale factoren en volksmuziek geïnspireerde muziek. Daar uit volgde dat de componist maatschappelijk een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in de samenleving.

Antonín Dvoraks kunst, heeft dat alles in zich. Deze meester der idylle oriënteerde zich in de symfonie en kamermuziek voornamelijk op Johannes Brahms. Het strijkkwartet nr. 10 op. 51 uit 1879 van deze Tsjechische meester en het pianokwintet nr. 2 op. 81 uit 1887, stonden op het programma In de Nijmeegse Vereeniging door het Elias kwartet.

Meditatie

De avond werd echter afgetrapt met de Meditation voor strijkkwartet over de oud-Tsjechische hymne ‘St. Wenceslaus’, opus 35a uit 1914 van Josef Suk. Centraal in deze koraal zijn de woorden: “Laat onze natie en toekomstige generaties niet vergaan.” Suk was leerling van Dvorak en later nog diens schoonzoon. Zijn Meditation is een overwegend lamenterend stuk, dat zowel als strijkorkest als kwartet wordt uitgevoerd. Het jeugdige Elias kwartet zat volledig in de muziek en spreidde veel toewijding ten toon. Bij de eerste inzet door de alt, was het al duidelijk dat het een gedenkwaardig avondje zou worden. Indachtig het belang van dit werk.

Volume

Opvallend was de verbluffende voluminositeit dat een strijkkwartet bereikt in deze zaal. Er blijkt eenvoudigweg geen kleine zaal nodig te zijn. Ik had het kunnen weten, omdat ik hier al eerder de sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bela Bartok hoorde. En dat was een onvergetelijk middagje. De akoestiek hier in de Vereeniging wordt door velen geroemd en naast die van het concertgebouw in Amsterdam gesteld. Niet vreemd dat diverse grote musici hier kwamen opnemen: Martha Argerich met Nelson Freire en Frans Brüggen, die hier met het orkest van de 18de eeuw enkele Beethoven symfonieën opnam voor Philips. Zelf was een van mijn mooiste ervaringen hier het War Requiem van Benjamin Britten, in het kader van de 65 jarige herdenking van de bevrijding van Nijmegen.

Feest

In Dvoraks strijkkwartet, ontblootte het Elias de in cultuur gebrachte volksdansen met veel zwier. Dit folkloristisch feest bereikte een hoogtepunt in het tweede deel: de Dumka, een dans uit de Oekraïne van lyrisch melancholisch karakter. Echter in het derde deel – het Andante con moto -, is er zelfs sprake van sublimatie van het materiaal. Onze Elias vrienden brachten dit belangrijke aspect, ruim voldoende voor het voetlicht.

Na de pauze restte nog het glorieuze pianokwintet nr. 2. Dit stuk is nog wat expressiever en uiteraard kleurrijker, door de toevoeging van de piano. De Amerikaanse pianist Andrew Armstrong en het Elias trakteerden ons, op energiek en tegelijk verfijnd spel. De balans was overigens volmaakt tussen het strijkkwartet en de piano. De timbres der instrumenten mengden opvallend fraai. Nimmer was er een hinderlijke nadruk. Ja, het werd een feestelijke afsluiting van een schitterende avond.

Nagloei

Nadat de laatste noten waren uitgeklonken, applaudisseerden de toehoorders hun handen warm. Ook alle complimenten aan de mensen die de inrichting van het podium hebben verzorgd, dat eenvoudig doch smaakvol was ingericht. Een mooi bloemstuk in de ruimte en de belichting met het logo van de Nijmeegse stichting voor kamermuziek fraai geprojecteerd op de wand. Fijn was ook te zien dat de zaal nagenoeg vol zat.

Napraten met de musici over de voorstelling, leerde dat het Elias kwartet ook de kwartetten Nos. 2 en 3 van Britten aan het opnemen is. Ik hoop dit internationale gezelschap met onder andere deze werken, spoedig weer in het Concertgebouw de Vereeniging te horen…

Emile Stoffels

De Romantiek IV – Frankrijk

Thursday, December 30th, 2010

De Romantiek IV

Frankrijk

Met het Congres van Wenen in 1815 hoopte men rust en stabiliteit in Europa te brengen. Als we echter de historische kaarten van Europa bekijken vanaf dat moment, dan is daar bitter weinig van terecht gekomen. Bonaparte was weliswaar verslagen en Frankrijk tot zijn ‘natuurlijke grenzen’ teruggebracht, maar de nationalistische gevoelens die door de Franse Revolutie waren aangewakkerd – ook bij andere naties – hadden nu genoeg kritische massa. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst.

Frankrijk ging op dat gebied zelfs een grote rol van betekenis spelen naast Duitsland en is met Hector Berlioz (1803 – 1869) een van de grootste en invloedrijkste toonzetters van de Romantiek. Deze is, als muzikale stamvader met zijn ‘traité de l’instrumentation’ als orkestrale bijbel, maatgevend voor velen geweest.
Met zijn Symfonie Fantastique – slechts 3 jaar na Beethoven’s dood (!) – geeft hij de klassieke symfonie een programmawerking en kunnen we dit gedurfde werk gerust de sjabloon noemen voor de moderne programma symfonie voor veel componisten. Het is een 5-delig werk – wat al opvallend is in zichzelf – dat sterk als autobiografisch gezien kan worden en bij uitbreiding tot een zelfportret van de Romanticus van die tijd. Het programma beschrijft verschillende situaties in het leven waarin de kunstenaar, verzeild kan raken. Berlioz had recentelijk kennis gemaakt met de werken van Shakespeare en de symfonieën van Beethoven. De directe aanleiding echter was een uitvoering in 1827 van Hamlet van degenoemde dramaturg, met ene Herriett Smithson in de rol van Ophelia. Zij blonk bepaald uit en haar verschijning, moet als een bom zijn ingeslagen. De vrouw zou een dwanggedachte voor hem worden en na twee jaar zou hij zijn gevoelens vastleggen in de Symfonie Fantastique om zichzelf te bevrijden van deze obsessie. Een wederkerend muzikaal motief vertegenwoordigt deze Idée Fixe. Er is hier geen plaats alle delen uitvoerig te beschrijven, maar de Mars naar het schavot (het vierde deel) is wellicht het meest typerend. Dit stuk is zo evocatief dat, zelfs als we de titel niet zouden weten, we wel horen dat het hier gaat om een terechtstelling of iets dat daar op lijkt. Het vijfde deel – De Heksen Sabbat – is zeer zeker voor die tijd angstaanjagend geweest.
Uit bronnen blijkt dat Berlioz, nadat hij de eerste drie delen had gecomponeerd, hoorde dat Herriett geen hoofdrollen meer speelde maar louter figureerde. Dit was een bittere teleurstelling voor hem en de gedachte is dat de twee laatste delen in het teken staan van wraak. Wraak voor de obsessie die zijn leven zo had beheerst.
De Fantastique is altijd sterk vertegenwoordigd geweest in de catalogi en er zijn veel goede uitvoeringen. De nummer één is toch wel die met Davis en het Concertgebouworkest op Philips (6500 774). Hij heeft dit werk drie keer vastgelegd: met het LSO, het CGO en de Weners. De laatste is echter alleen op CD beschikbaar. De CGO opname uit 1974 onderscheidt zich door een hoge mate van natuurlijkheid. Ook de hoes is prachtig met The Devil’s Incantation door de Goya (1746 – 1828).
Een andere goede vinden we op Decca door Haitink (SXL 6938) uit de nadagen van het analoge tijdperk. Helaas een aartslelijke hoes, maar ook een spectaculair natuurlijke opname. Mogelijk Decca’s beste opname uit de herfst van het analoge tijdperk.
Andere uitstekende alternatieven zijn die door Abbado (DG 410 895-1) en von Karajan (DG 2530 597) prachtige DG hoezen weer overigens.
Uiteraard moeten we het grootse Requiem nog noemen, het Te Deum, zijn Lelio dat een vervolg is op de Fantastique zijn Harold en Italie en de liederencyclus La Nuit D’ete. Het integrale Berlioz programma is uitgekomen op Philips onder Colin Davis en kan rustig als de ruggengraat genoemd worden.

Er is meerdere malen op gewezen dat de symfonie als vorm zijn heerschappij voor een groot deel aan het symfonische gedicht heeft afgestaan. Dit geldt ook voor de sonate die zijn gezag heeft afgegeven aan kleinere op de literatuur geïnspireerde vormen zoals het impromptu, prelude, nocturne, ballade enz. Door de belangstelling van de componist voor nationalistische thema’s verschijnen er ook typische dansvormen zoals de polonaise en de mazurka.

Dit brengt ons direct bij Frederic Chopin (1810 – 1849), die ondanks de zojuist genoemde vormen een van de minst literair ingestelde componisten van de Romantiek blijkt te zijn. Zijn subjectieve kunst dringt diep door in de nachtelijke aspecten van het menselijke leven en vooronderstelt geen literaire inhoud, maar is wel in hoge mate visionair, angstig, doch kernachtig en gecondenseerd. Ofschoon in Polen geboren, rekenen we deze componist tot de Franse Romantiek. Niet alleen omdat zijn vader Frans was, maar zijn kunst is onmiskenbaar Frans.
Belangrijkste interpreten zijn wel Arrau (Philips), Rubinstein (RCA) en Ashkenazy (DECCA). De laatste twee domineren zo’n  beetje de catalogus, maar Barenboim, Polini, Pires en Argerich (allen op DG) hebben hun sporen in deze muziek ook verdiend.
Zijn ballades dragen een nachtelijke lading. Ze bouwen voort op de gezongen ballades van Schubert, maar krijgen bij hem een totaal nieuwe vorm en inhoud.
Uit zijn Etudes opus 10 is het derde stuk natuurlijk overbekend. Dit is weer zo’n moment dat aangrijpt, zeg maar, op het middenrif. De Etudes hadden een technische uitdaging als uitgangspunt, maar de originaliteit van deze werken maakte de aanleiding tot bijzaak. Laten we volstaan te zeggen dat het gehele piano oeuvre van Chopin uniek en richtinggevend is geweest voor de muziekgeschiedenis.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling tijdens de Romantiek in Frankrijk speelt zich af in de orgelkunst. De orgels in deze tijd onderscheiden zich door een grotere soepelheid in de toonvorming en een grotere verscheidenheid van de registers. En voornamelijk in Frankrijk zijn de orgels door het romantische orkest beïnvloed. De registers zijn naar de gevoelige aard van de strijkers, fluiten, hobo’s enz geïntoneerd, zonder dat de Franse orgelbouwmeesters de kernmerken van het klassieke tijdperk hadden opgeofferd.

Charles Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) die ons – ondanks zijn charme – niet zo heel erg veel heeft te vertellen, is vooral beroemd om zijn orgelsymfonie. Hoewel het wemelt van goede uitvoeringen, is de interpretatie van Barenboim (DG 2530 619) wel zeer de moeite waard. Het valt namelijk niet mee voor een mastering engineer een dergelijk werk voor groot orkest uitgebreid mét orgel goed te snijden, maar hier heeft DG het toch aardig gedaan. We hebben deze opname diverse keren, hoog genoteerd op audiofiele lijsten gezien.

Ofschoon hij niet in deze stijlperiode thuishoort, noem ik in dit verband toch nog het orgelconcert uit 1938 van Francis Poulenc (1899 – 1963) die ons inhoudelijk meer te bieden heeft en dieper peilt. Een orgelthriller met aan het slot een schitterend eerbetoon aan Bach. Marie Claire Alain met Martinon (dus niet met Conlon!) op Erato (STU 70637) is een must. Weliswaar niet op vinyl, maar toch vermeldenswaard is de Symphonie Concertante van Joseph Jongen (1873 – 1953) onder de Waart op Telarc.

Echter, het is César Francks (1822 – 1890) orgelmuziek die ons hoofd naar boven richt, zoekend naar de religieuze ervaring. Denkelijk na Bach de belangrijkste orgelcomponist. Het religieuze en meditatieve karakter dat zijn muziek draagt, deelt hij met Bruckner, maar is meer hymnisch. Zijn Six Pièce d’Orgue zijn van een onmetelijke schoonheid, maar dat geldt eigenlijk voor al zijn orgelwerken. Albert de Klerk op CBS (S77332) of David Sanger (Bis) ziet men regelmatig tweede hands. Francks Prelude, Koraal & Fuga – stevig bekritiseerd door Saint Saëns – behoort tot de beste stukken uit de pianoliteratuur. Devoyon op Erato (NUM 75098) koppelt dit beeldige werk met de Prelude, Aria en Finale die bijna van hetzelfde hoge niveau is. De twee werken zouden leiden tot de drie prachtige grote Koralen voor orgel. Het lijkt erop dat Franck van 1884 tot 1887 naar een nieuwe klavierstijl zocht. Dit vond zijn hoogtepunt in een uniek zangerig pianoconcert, de Variations Symphoniques die een waardige voortzetting is van de pianoconcerten van Beethoven.

Deze maand sluiten we de Romantiek af. De volgende keren zullen we de grote Klassieken bespreken: Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. Representanten van een tijdperk die men terecht als een van de hoogtepunten kan zien van de West-Europese beschaving.