Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

Saturday, July 7th, 2012

Het is inmiddels ruim een jaar geleden dat de recensie over de Kanzy KAAM 1000 versterker in het audioblad Hifi Video Test zou verschijnen: een waarlijk peperdure buizen versterker van Nederlandse bodem. Music Emotions had reeds in November van 2010 een artikel van deze extravagante versterker gepubliceerd. Een test die m.i. vlees nog vis was. Geen duidelijke uitspraken, laat staan harde conclusies. Uiteraard kon HiFi Video Test niet achterblijven en zou in april 2011 ook met een artikel komen. Ik had de eer deze klus op me te nemen, maar het liep allemaal ietsje anders. Neerlands oudste audioblad besloot namelijk in te grijpen, door eerst het interview – een essentieel onderdeel van het artikel – te schrappen. Dit was het slot interview dat ik met Lars en Paul Dam van Kanzy bij mij thuis had, nadat ik de test had afgerond. Uiteindelijk besloot HVT om het hele artikel maar niet te publiceren. De reden voor het schrappen van het artikel, houd ik maar voor me. Hoe dan ook: dit was voor mij dan ook het begin van het einde, voor wat betreft de samenwerking met HVT. Hier alsnog mijn recensie. Ruim een jaar te laat, maar beter laat…

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

De Kanzy KAAM 1000 heeft geen introductie meer nodig in dit land. Niemand minder dan Jan Douwe Kroeske en Leo Blokhuis hebben de machine bij Polyhymnia in oktober 2010 met verve geïntroduceerd. Aan mij de eer om nadat het stof weer wat was opgetrokken, de heavy tube amplifier aan de tand te voelen. Want een eer is het, om een pretentieuze versterker van eigen bodem in huis te hebben.

Uiteraard wilde ik eerst wat meer van het bedrijf weten en dus toog ik naar IJsselstein bij Utrecht waar het bedrijfspand staat. Bovendien had ik nogal wat brandende vragen naar aanleiding van eerdere publicaties. Het interview duurde dan ook enkele uren.

Na een korte rondleiding en kennismaking, stak commercieel directeur Lars Dam van wal om uit te leggen wat hen motiveert en welke kant ze op willen. Om te beginnen wilde de firma Kanzy een amp met een uitstraling van absolute meesterschap; een gilde waarbij de reproduceerbaarheid volstrekt is gegarandeerd. Zo was een deugdelijk ontwerp van de kast een hele zoektocht, maar bijvoorbeeld ook de kwaliteit van de schroefjes voor de montage. Kanzy verwacht van haar toeleveringsbedrijven, de hoogste kwaliteit en dat ze dat over 10 jaar ook nog kunnen. Dat in zichzelf is niet eenvoudig en vergt veel overleg, tijd en afstemmen. Continuïteit moet dus gewaarborgd zijn en dat vereist dan ook een lange termijn visie.
Lars legde uit dat de Kanzy KAAM 1000 in de markt wordt gezet voor verzamelaars aangezien er slechts een gelimiteerde oplage zal zijn. Ook mikt men op de audiofiel die de centjes er voor over heeft en de zogenaamde “Wannahaves”, die naast een Porsche en een huisje in Monaco, ook een Kanzy willen hebben. Ten slotte is Kanzy zich nu aan het richten op de Aziatische markt. Al met al was mijn eerste indruk van de mannen van Kanzy er een van enthousiasme. Mensen met een drive, een commercieel geslaagd product neer te zetten. Aangezien Kanzy nog geen enkele reputatie heeft en daarmee een achterstand op de gevestigde merken en fabrikanten, wordt dit project terecht als een ware uitdaging ervaren door de grondleggers.

Wat later schoof de technische man aan tafel: Ir. Paul Dam, de vader van… Paul heeft zich in zijn ontwerp niet laten leiden, neen zelfs niet laten inspireren door andere ontwerpers en fabrikanten. Dat verklaart sommige eigenzinnige keuzes bij deze machine. Die eigenzinnigheid geldt niet zozeer voor het gekozen schema. Ik vroeg hem bijvoorbeeld waarom er een push-pull ontwerp is gebruikt. Hij antwoordde dat push-pull intrinsiek – in tegenstelling tot single-ended – de even harmonische vervorming elimineert. Bovendien is een push-pull een veiligere keuze, met het oog op wat de consument thuis aan weergevers heeft. Ook is er gekozen voor nieuwe productiebuizen en geen NOS (new old stock). “Tegenwoordig is men in staat om een betrouwbaardere buis te fabriceren door betere technieken die ze vroeger niet hadden. De keuze voor de KT88 is een pragmatische.”, vervolgt Paul. “Het is een veel voorkomende buis die behoorlijk wat vermogen kan leveren en we hebben de eindbuis zo ingesteld, dat we slechts het meest steile gedeelte van het werkgebied van de buis gebruiken. Daarom maakt het eigenlijk niet uit welke buis gebruikt wordt. Het zijn juist die minder steile gebieden in het werkgebied van de buis, die het zogenaamde eigen karakter geven van zeg een EL34, een KT88, een EL84 enz.” Deze aanpak zou ook de neutrale weergave van de versterker ten goede komen. Uiteraard heeft deze keuze een keerzijde: een beperkter vermogen. Vandaar dat Paul heeft gekozen voor parallel push-pull. Dus, vier buizen per kanaal in plaats van twee. De Kanzy onderscheid zich ook al niet door de keuze van de stuurbuizen: ‘slechts’ de nederige ecc83. De Opel Kadet onder de dubbeltriodes. Ook dit was een praktische keuze: net als de KT88 is dit een veel voorkomende buis die daardoor de reproduceerbaarheid garandeert. Het doorselecteren van de aangeleverde dubbeltriodes was volgens Paul een hele toer die en passant ook nog even een buizentester hiervoor heeft ontwikkeld. Volgens Paul moeten er vanwege de ongelijkheid tussen de twee helften binnen de dubbeltriode, minstens 8 of zelfs 9 van de 10 ecc83’s verworpen worden om aan de hoge standaard te voldoen.
Het tot elke prijs door willen voeren van buizentechniek, is een opvatting van Paul die mij wel kan bekoren. Zo is er voor de gelijkrichting gekozen voor vier EZ81 gelijkrichtbuizen per kanaal. Dit uiteraard omdat de gehele machine volledig dubbel mono is opgebouwd. Graag had Paul Dam gekozen voor de GZ34 op die plek, maar dit is een aanzienlijk forsere buis en zou moeilijk passen in het chassis; dat al niet klein is. Aan het einde van mijn bezoek kreeg ik ook nog de binnenkant te zien van de Kanzy, wat weer de nodige vragen opriep bij me. En zo vloog de tijd om…

Uiterlijk

Na een tijdje was het dan zover. De Kanzy KAAM 1000 werd bij mij afgeleverd door Lars Dam. Direct zag ik dat er ook de nodige aandacht is besteed aan de wijze waarop de versterker vervoerd moet worden. Het is een kist van massief eikenhout en bovendien zit er een leren flap bij, die onder de versterker geschoven kan worden om het plaatsen van de machine te vergemakkelijken. Dat is met 40 kilogram schoon aan de haak, geen overbodige luxe. Ten slotte levert Kanzy een leren etui met een complete reserve buizenset met de EL34 van Electro Harmonix als eindpit. Deze zijn technisch vergelijkbaar met de KT88 en dus moeiteloos uit te wisselen.
Tja, waar moet je beginnen bij een versterker van dit kaliber? Ik weet dat er mensen zijn die hem spuuglelijk vinden, maar ook zijn er lieden die hem prachtig vinden. Dat in zichzelf is al een positieve indicatie: het ontlokken van een reactie. Dat is waar de kunstenaar – en bij uitbreiding de ontwerper – naar op zoek is. Het laatste dat men wil is, helemaal geen reactie. Persoonlijk vind ik de versterker inderdaad vrij groot, maar de verhouding klopt naar mijn gevoel aardig. Hierdoor wordt in elk geval de uitgebreide buizenbezetting (8 KT88’s en 8 ecc83’s) op het chassis, toch geen rommelig ‘glasservies’ zoals we weleens vaker zien. En dat is wat mij vaak zo stoort. Mijn demo exemplaar was overigens donkergrijs, maar ik neem aan dat de koper hier een keuze heeft.

Functionaliteit

Eenmaal op zijn plek nam ik de tijd om het beest wat van dichterbij te bekijken. Over de functionaliteit had ik nogal wat op- en aanmerkingen die ik net als mijn luister indrukken uitvoerig en eerlijk besproken heb met Lars en Paul, toen de amp weer werd opgehaald. Een beknopt verslag staat aan het einde van dit artikel.
Om te beginnen ontbreekt helaas een afstandsbediening. Dat is één ding. Wat de machine nog lastiger te bedienen maakt, is dat er gekozen is voor een mono potmeter per kanaal. En of dat al niet lastig genoeg is, er is zelfs geen schaalverdeling aangebracht. Het enige houvast in deze is dat er zich op de volumeknoppen meerdere gaatjes bevinden, waardoor men bij benadering een idee heeft. Ik moet zeggen dat me dat in het begin niet meeviel, maar alles went zullen we maar zeggen…
Iets dat mij in hoge mate bevreemde of op zijn minst opviel, was het volgende. Er is namelijk gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet. En ofschoon dit een chiquere en meer solide oplossing is dan de gangbare euro entree, wordt hiermee wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om eventjes met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. En dat vind ik zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. De meegeleverde kabel is van een gemiddelde kwaliteit, maar daar kom ik straks op terug.

Op de achterkant waar ook de lichtnetschakelaar en de UL/Triode schakelaar zit, zit een aardeschroefje voor de platenspeler. Ik had daar persoonlijk liever een draaiknopje gehad. Overigens is de MC trap afgesloten met een 47K weerstand. Dat is m.i. een schier oneindige waarde. Zaak in deze is dat de vinylliefhebber hier de juiste waarde doorgeeft aan Kanzy, opdat het element correct wordt afgesloten.
Ten slotte zijn de speaker terminals van onberispelijke kwaliteit. Op mijn model zaten ‘slechts’ Cardas aansluitingen. Omdat dit bedrijf volgens Lars niet altijd aan de specs kan voldoen die Kanzy stelt hiervoor, is men verder gegaan met WBT. Deze staan boven iedere discussie. Voor dit heeft Kanzy dus voor de hoogste kwaliteit gekozen. Dan zou men hetzelfde verwachten voor de cinch ingangen, maar vreemd genoeg heeft men hier gekozen voor eenvoudige Neutrics. Niets mis met deze ingangen. Voldoen prima, maar waarom dan hier ook niet de hoogste standaard?

De ingewanden

Iets dergelijk had ik ook met sommige toegepaste componenten in het binnenste van de versterker. Voor de weerstanden heeft men kosten noch moeite gespaard. En met goede reden! Ook ik heb ervaren dat weerstanden – soms afhankelijk van de plek – een gigantische invloed op de klank hebben. Kanzy heeft de weerstanden speciaal bij een bedrijf laten ontwikkelen dat ook aan de luchtvaart en de medische industrie levert. Als Kanzy een order plaatst, dan begint daar pas de productie. We kunnen ons voorstellen dat dat een dure aangelegenheid is. Deze moeite had ik dan ook verwacht op andere kritische plekken zoals de koppelcondensators (die Paul gebruikt ipv. van interstage trafo’s). Echter daar heeft men voor relatief eenvoudige Auricaps gekozen. En ook hier geldt weer: niets mis met Auricaps, maar de verhouding met de speciaal op bestelling ontwikkelde weerstanden is m.i. een beetje zoek. Op zijn minst mogen we op deze kritische plaatsen de top exemplaren van topmerken verwachten. Iets dat men verwacht in een buizen versterker van 60K. Overigens, voor de ontkoppeling van de kathodes is wel voor bi-polaire Mundorf elco’s gekozen. Men zou daar evenwel zelfs kunnen gaan voor (olie in papier) condensatoren ipv. elco’s. Echter, omdat Paul Dam daar de min of meer extreme waarde van 470 uF gebruikt, zouden de genoemde condensatoren te groot worden om te plaatsen. Overigens is alles hard-wired en heeft men consequent gebruik gemaakt van zilverdraad en zilversoldeer. Voor de uitgangstrafo’s heeft men gekozen voor de ringkern types van Ir. Menno van der Veen. Ofschoon er voor- en tegenstanders van ringkern trafo’s zijn, zijn deze types met veel succes toegepast in veel goede versterkers met een uitstekende reputatie.

Welke cd als eerste te draaien?

Na een uur opwarmen achtte ik de tijd rijp om een geluidsimpressie te krijgen; indachtig dat een buizenmachine nog een hele tijd te gaan heeft voordat hij zijn top bereikt. De algemene indruk was er een van aangenaamheid en de nodige rust. Bovendien was er een behoorlijke stage. Murcofs Martes was wat minder elastisch en ritmisch dan me lief was. Bovendien kwam het op mij over met een meer getemperde snelheid en openheid. Ook de vijf stukken voor orkest van Schoenberg, klonk minder spits en tastbaar, maar dat zou zich ongetwijfeld in de komende uren wel oplossen. En anders de komende dagen wel. Peter Gabriel had wel voldoende punch, maar dat lag in de lijn der verwachting. Ik weet uit ervaring wat een KT88 in UL schakeling kan brengen in dat opzicht. Een dergelijke substantie in het laag had ik bijvoorbeeld ook al bij de Cayin gehoord, alleen net niet met die articulatie en autoriteit. Toch had ik een meer gebeitelde bas verwacht.

De Hoofdronde

De volgende dagen was het tijd voor de luistersessies waaruit we graag definitieve conclusies willen trekken. Ook heb ik gemeend in dit geval een nog bredere selectie afspeel materiaal te gebruiken dan ik doorgaans al doe. Dit, omdat ik inmiddels wel weet dat ook vaste referentie opnames tot een vorm van bedrijfsblindheid kunnen leiden. Bovendien komt het soms voor, dat zelfs referentie opnames uiteindelijk door de mand kunnen vallen en daarmee het gehele luisterkader op losse schroeven zet. Waakzaamheid is hierin dan ook een voorwaarde. Een recensent mag in deze nooit op zijn lauweren rusten!

Wat mij enigszins bevreemde was dat ik het meeste in UL schakeling afluisterde. Dat is raar want ik had bij alle versterkers die deze schakel optie hadden, tot nu toe precies het omgekeerde. In triode werd het laag iets weker en bovendien werd de algemene klanksignatuur minder spannend. Wel werd overgeproduceerd materiaal aangenamer en minder vermoeiend. Feit blijft dat er in UL, meer ‘snap’ was. Meer levendigheid dus, ten koste van een ietwat ingesnoerd stereobeeld en separatie.
Random Acts of Happiness van Bruford had wel een opvallende autoriteit, maar ik miste toch teveel inner detail en alles in het midden-hoog gebied leek aan het oor ontrokken door een soort nevel. Dat bleek ook het geval bij Miles Davis’ Decoy en Sacred Love van Sting. In z’n algemeenheid klonk het mij allemaal te bruin en besloot daarop de meegeleverde voedingskabel uit te wisselen voor mijn NordOst Valhalla. Daarvoor moest wel ‘even’ de bajonet aansluiting omgewisseld worden. Het bleek een buitengewoon nuttige exercitie. De Kanzy werd weer ingeschakeld en alles was bij toverslag anders. Ten eerste: de ‘nevel’ was goeddeels opgelost en er was ineens de nodige inner detail. Snelheid en openheid was nu overduidelijk meer aanwezig. Bovendien was er meer hoogte in het stereobeeld gekomen. Overigens was het totale stereobeeld in z’n algemeenheid een behoorlijke slag uitgebreid. Evenzo leken de zaken langer uit te klinken en ritmisch leek er veel gewonnen, ten koste van een prettige bulk volume in het midden-laag. Maar er was nu wel meer voelbaar sublaag. Kort gezegd, de gehele klanksignatuur van de versterker was totaal veranderd. Het leek of dat de Kanzy on steroïds was, die voor de nodige gespierdheid zorgde. Opvallend was dat mijn voorkeur voor de UL stand was omgebogen naar triode schakeling. Toch had ik nog steeds mijn bedenkingen over het beperkt doorlopende hoog en was het midden en midden-hoog naar mijn smaak nog steeds iets te bruin. Maar deze actie liet wel zien hoe belangrijk een goede voedingskabel is.

De grootste kritiek evenwel bleef dat ik nog steeds niet het idee had, volledig in de muziek gezogen te worden. Iets dat ik bijvoorbeeld wel bij de Kronzilla had en in iets mindere mate bij de Melody AN211. Schumans vioolconcert klonk niet spannend genoeg en ook vond ik het kleurenpalet relatief te beperkt. Nog steeds was er het gevoel dat het geen versterker is die de mond vanaf de eerste minuut snoert en iedere poging tot discussie ontmoedigt. Iets dat zich eigenlijk al moet manifesteren bij de eerste luisterindruk. Wellicht was mijn verwachtingspatroon te hoog…?

Uiteraard heb ik in dit geval een paar mensen uitgenodigd om hun mening te horen zonder ze te souffleren, maar ook zij kwamen onafhankelijk van elkaar tot een vergelijkbare conclusie. De rode draad was ook hier: relatief te weinig spannend en betrokkenheid. De laatste dag heb ik ook nog de reserve buizenset beluisterd met de EL34, maar al vrij snel werd duidelijk dat de beste resultaten met de KT88’s te halen zijn. De EL34 set klonk veel te bruin en te sompig. Dat kan ook liggen aan het merk. Ik weet dat meerderen deze ervaring hebben met Electro Harmonix.

Eindconclusie

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat de Kanzy mij totaal niet heeft weten te overtuigen. Te weinig had ik tijdens het doorluisteren het idee, dat ik naar een bijzondere versterker aan het luisteren was. Noch had ik het gevoel dat deze amp vanaf het begin af aan geen enkele ruimte zou laten voor discussie. Ook niet de dagen erna en dat was wel wat ik verwacht had, gezien het prijskaartje. Waar de Kanzy m.i. wel bijzonder in was, was de mate van autoriteit en rust waarmee alles werd neergezet. Dit is denkelijk het resultaat van de compromisloos opgebouwde voeding.
Ik bleef dan ook met het gevoel zitten dat we hier met een versterker te maken hebben met een zeer grote potentie, maar klankmatig nog lang niet is uitontwikkeld. De vraag was dan ook: heeft men tijdens de ontwikkeling wel een luister panel ingeroepen, die de nodige sturing kon geven hierin? En zo ja, hoe is dit panel gebruikt? Waarom bijvoorbeeld wel peperdure weerstanden met spectaculaire specificaties, maar niet de koppelcondensatoren? Overigens, de specs zijn één ding, maar wat doen ze klankmatig? Zijn ze vergeleken met andere op audio gebied gerenommeerde weerstanden zoals Takman, Audio Note tantaal enz? Redenen genoeg om deze zaken terug te koppelen naar de mannen van Kanzy. Deze vragen en bevindingen zouden dan ook het eindgesprek dicteren.

Terugkoppeling

Hier volgt een samenvatting van het gesprek dat ik had met Lars en Paul Dam toen ze de Kanzy weer kwamen ophalen. Uiteraard heb ik het koren van het kaf gescheiden.

ES: Is dit model het prototype? LD: neen, dit is het demomodel. ES: ik vraag dat, omdat mij een aantal dingen opvielen. Er zijn relatief goedkope cinch aansluitingen ten opzichte van dure speaker terminals gebruikt. LD: Dat klopt. Ofschoon de Neutrics prima zijn, kan ik me voorstellen dat de toplijn van WBT meer passend is. Wij staan daar wel voor open om daar naar te kijken. ES: ik vroeg het ook ivm. de afwezigheid van de afstandsbediening en schaalverdeling rond de volume regeling. PD: vanuit puristisch oogpunt hebben we niet gekozen voor een afstandsbediening, omdat er dan gebruik gemaakt moet worden van een motortje. Dat zorgt weer voor storingen en dat willen we niet. ES: gemak en purisme hoeven elkaar tegenwoordig niet noodzakelijkerwijs uit te sluiten. Toch? LD: een andere overweging was dat we de gebruiker graag betrokken willen houden bij de muziek. Bovendien als ik zie wat voor een ritueel sommige vinylliefhebbers moeten doorlopen voordat ze eens kunnen luisteren, dan moet dit geen probleem zijn. ES: dat klopt, maar door dit is men nog meer tijd kwijt. Bovendien vinden veel mensen het fijn of zelfs belangrijk, om tijdens een muziekstuk vanwege de dynamische verschillen het volume aan te passen. Overigens maakt de keuze voor twee mono potmeters, de zaak nog lastiger af te stemmen. LD: Dat begrijp ik, maar er zit altijd wel een links rechts verschil in zelfs de beste stereopotmeters. En dan heb je toch weer een balansknop nodig om het verschil recht te trekken. Maar als de koper liever een balansknop heeft met een stereo potmeter, dan kan dat. ES: dat is goed om te weten.
ES: dan iets anders. Waarom hebben jullie gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet? PD: dit is de beste manier. De euro entree is eigenlijk gemaakt voor het strijkijzer en biedt een inferieur contactoppervlak. ES: nooit geweten van het strijkijzer, maar hiermee wordt wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. Dat vind ik eerlijk gezegd zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. LD: wij willen hierin ook een bepaalde eigenzinnigheid betrachten. ES: alles goed en wel, maar de kwaliteit van de meegeleverde voedingskabel is vrij gemiddeld. Ik ben zo vrij geweest om mijn NordOst Valhalla kabel aan de bajonetaansluiting te laten zetten en was blij dat ik die vrijheid had genomen. Het plaatste de versterker in een aantal facetten klankmatig op een ander plan. LD: wij zijn geen kabelfabrikant en voelen ons niet verantwoordelijk voor de audiofiele kwaliteit van de kabel. Anders gezegd: het moet technisch volstaan en meer niet. Dat wil niet zeggen dat we blind willen zijn voor ontwikkelingen op dat gebied. Wij zijn inmiddels ook wel bezig om daar eens naar te kijken. Wellicht dat we de markt wat in beweging kunnen brengen zodat fabrikanten van hoge kwaliteitskabels zich gaan richten op bajonetaansluitingen. ES: ben benieuwd. Misschien een samenwerkingsverband met NordOst? PD: Je gebruikt op die plek weliswaar een mooie voedingskabel, maar ik zag in jouw luisterruimte geen scheidingstrafo voor het lichtnet. Dan moet je dat eigenlijk ook doen. En geloof jij nu echt dat dat stukje kabel invloed heeft op de weergave? Dat is technisch onmogelijk. Is het niet meer een stukje emotie? ES: noem het hoe je wilt, maar kennelijk heeft het invloed op de klank en niet zo weinig ook en ik sta daar bepaald niet alleen in. Ik snap ook wel dat een techneut zaken wil kunnen meten, maar wellicht dat we in de toekomst wel hiertoe in staat zijn. Voor wat betreft de scheidingstrafo: ik geloof niet dat de meeste audiofielen en recensenten een scheidingstrafo hebben. En die zullen die verschillen in kabels toch ook opmerken. Dat neemt niet weg dat het een goed idee is om over een scheidingstrafo na te denken. Alles in dienst voor de verbetering, zou ik zeggen…
ES: Ik moet zeggen dat de Kanzy me ook klankmatig niet meeviel. Wellicht dat mijn verwachtingspatroon te hoog was, maar ik kreeg geen blosjes op mijn wangen. En in de loop van de dagen bekroop mij het gevoel dat ik met een versterker te maken had die in potentie uitstekend is, maar klankmatig nog niet geheel is uitontwikkeld. Ik zeg dat, met het oog op de enigszins onbalans in kosten en moeite tussen bijvoorbeeld de koppel condensatoren en weerstanden. En zelfs weerstanden met verpletterende specificaties, zijn nog geen garantie voor voortreffelijke klankeigenschappen. LD: Het is uiteraard de mening van een recensent, waar ik moeite mee heb is de suggestie dat de KAAM 1000 nog niet is uitontwikkeld. We hebben een behoorlijke tijd gestoken in het doorluisteren van de gebruikte componenten. We hebben daar en aantal serieuze luisteraars voor gebruikt en moesten uiteindelijk een keuze maken. Uiteindelijk zijn het de Auricaps geworden. Ik weet dat het altijd weer beter kan, maar wij staan volstrekt achter de keuze die we hebben gemaakt. PD: Het kan zeker beter. Ik weet dat Menno van der Veen een condensator aan het ontwikkelen is die volstrekt compromisloos is. Ik heb hier veel vertrouwen in en wordt wellicht in de Kanzy toegepast. ES: interessante ontwikkeling. Het is mijn ervaring dat de klanksignatuur enorm beïnvloed wordt op deze plek.
ES: Ik weet ook dat Menno van der Veen silverwired uitgangstrafo’s heeft. Heb je daar over nagedacht? PD: Uiteraard! Maar uit ervaring weet ik dat silverwired UGT’s de neiging hebben om scherp te klinken, maar ik heb ze niet geprobeerd. ES: niets op tegen om dat alsnog te doen. Toch? En wellicht ook UGT’s van andere fabrikanten proberen?

Emile Stoffels

Melody AN211 Integrated tube amplifier

Thursday, May 19th, 2011

Melody AN211 – Wie het dichtst bij de buis zit…

In 1606 zette Willem Janszoon van de VOC als eerste Europeaan voet aan Australische wal. Wat hij toen niet vond, bleek later wel degelijk in overvloed aanwezig te zijn: goud, zilver en andere waardevolle grondstoffen. Deze grondstoffen vormen nu de belangrijkste reden voor de sterke groei van de Australische economie en heeft dit werelddeel de banden met China de laatste jaren behoorlijk versterkt.

Het Australische Melody Valve Hifi, dat producent is van hoogwaardige buizenversterkers, klopt al een tijdje terecht op de deur. Het bedrijf uit Melbourne heeft recentelijk een poging gedaan, vaste voet in Europa te krijgen door met Robytone als haar nieuwe exclusieve distributeur in zee te gaan. Dit werd bekrachtigd met een zesjarige distributieovereenkomst. Ondanks dat Melody top componenten gebruikt en jaren van research achter de rug heeft – het heeft een eigen research en development afdeling – weet het zijn producten toch betaalbaar te houden.

Uiterlijk

Tot nu toe was deze fabrikant uit Downunder vooral bekend door versterkers met een strak piano-zwart uiterlijk in hoogglans. Nu heeft dit merk – waarvan louter de assemblage in China geschiedt – haar nieuwe buizenversterker de AN211, een compleet nieuw gezicht gegeven.

De fraaie AN211 is breder dan hij diep is en met veel zorg afgewerkt. Zie daar het gedegen aluminium frame met de prachtige gelakte houten panelen aan de zijkant. Aan de voorkant vinden we de volume- en keuzeschakelaar, die beide uitermate degelijk aanvoelen. Op het chassis staan de twee machtige 211 eindbuizen die veel gezag inboezemen, met daar tussenin iets dat mij laat glimlachen: een voedingsbuis! En naar ik heb begrepen is deze gecombineerd met solid-state diodes. De genoemde gelijkrichtbuis is de 5AR4/GZ34 in een mooie ST uitvoering (geschouderd). Weliswaar is het ‘slechts’ nieuwe productie en dus geen ‘new old stock’, …maar toch. De input buis is een alledaagse ecc83/12AX7; laten we maar zeggen de Opel Kadet van de dubbeltriodes. Het is voor de potentiële koper erg interessant die buis een keer te vervangen door de 5751 of 6072. Of beter nog de 6829 van General Electrics of de E180cc van Mullard of Philips. Vandaar gaat het signaal naar een volgende dubbeltriode, de 4P1S7. Zo alledaags de ecc83 is, zo uitzonderlijk is deze 4P1S7 die de 211 uiteindelijk aanstuurt. Het is een buis waar weinig over te vinden is op het net en daardoor is het lastig te achterhalen waarom men voor dit  type koos.

Praktijk

De volumeregelaar gaat via een stappen potmeter die mijns inziens iets te grof is. Helaas heeft Melody niet voorzien in een afstandsbediening, maar de distributeur wist me echter te vertellen dat die wel beschikbaar komt. Wel is er keuze voor vier en acht ohms aansluiting en is er de mogelijkheid symmetrisch aan te sturen. De lichtnetschakelaar moest ik in het begin even zoeken en bevindt zich – althans voor mij – op een minder voor de handliggende plaats: rechts op het zijpaneel.

Geschiedenis

Wat mij uiteraard direct aansprak, was de gebruikte eindbuis: de GL 211. ‘Eindelijk’, dacht ik. Deze voormalige zendbuis wordt ook door Audio Note gebruikt in de wereldbefaamde Ongaku, maar ook Air Tight en Cary hebben prachtige versterkers gemaakt met deze eindbuis. Bij de laatste kon de koper kiezen tussen de 211 of 845 als eindpit. Deze wordt dan aangestuurd door een andere eindbuis, niet minder dan de 300B. Om maar even aan te geven op welk niveau de 211 buis zit…

De geschiedenis van de GL-211 buis – d.w.z. vóór de tweede wereld oorlog -, leert ons dat het oorspronkelijk een zendbuis is. Het waren toen de meest krachtige buizen en konden door de fabricage erg veel hebben. Aangezien we het hier over een direct verhitte triode hebben – wat wil zeggen dat de kathode tevens de gloeidraad is – ga ik er vanuit dat er niet of nauwelijks tegenkoppeling is toegepast.

Ik ken inmiddels veel kundige zelfbouwers van buizen apparatuur, maar de meesten durven de 211 buis niet te gebruiken vanwege de hoge spanning. We hebben het hier namelijk over – afhankelijk van de instelling – 1000 volt! Dat is niet zomaar iets. Gezien het gespecificeerde uitgangsvermogen van 16 watt in klasse-A van de AN211, zal de spanning zelfs nog wat hoger zijn. Ik vraag me weleens af hoe het zal voelen als men wordt blootgesteld aan een dergelijke spanning. De meeste buizen worden onder normale omstandigheden ingesteld op 250 tot 300 volt, soms wat meer. De 211 en zijn broertjes nemen daar dus geen genoegen mee…

Luisteren

Aangezien mijn exemplaar relatief langdurig voor shows is gebruikt, ging ik er vanuit dat het inspeelproces geen dominante rol van betekenis zou spelen. Toch zou de Melody in kleurenrijkdom toenemen tijdens zijn verblijf bij mij thuis.

Na een half uurtje opwarmen begon ik met de eerste Cd’s en eigenlijk vrijwel direct was me duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand was. Of misschien ook weer niet, want dit is nu eenmaal de sensatie van het luisteren naar een single-ended ontwerp. Het is die onversneden openheid en gemak, die ik van mijn eigen single-ended versterkers ken. Met dit verschil dat de 211, vermogen en autoriteit in spades levert. Allereerst was het wellicht de gecontroleerde roekeloosheid die mij trof van deze machine. De lage registers uit Bachs Prelude en Fuga BWV 544 rolden – weliswaar zonder de gelaagdheid van de ModWright KWA 100 – bruut, doch gearticuleerd de kamer binnen. Dat krachtige laag mis ik wel eens bij mijn eigen EL84 Single Ended versterker, maar dit is ook de aard van de 211 buis. Brittens War Requiem had de gewenste openheid: het kamerensemble was ook hier goed te lokaliseren, los van de rest van het orkest en had duidelijk een eigen plaats op het podium. Het Libera Me was schokkend reëel en mondde uiteindelijk uit in een waar Armageddon; vooral doordat het koor zo opvallend overeind bleef. Maar ook de manier waarop de AN211 intimiteit overbrengt. Bijvoorbeeld bij My Funny Valentine: Miles Davis In Concert. Reeds de opening van de eerste track met de piano, heeft een spanning die lang niet alle versterkers voor het voetlicht weten te brengen. Ook bij track 3 was de ‘uitnodiging’ van George Coleman naar het midden van het podium, buitengewoon makkelijk te volgen door de hoge doorluisterbaarheid. Zonder dogmatiek te willen nastreven, lijkt het erop of dat die betrokkenheid slechts is voorbehouden aan single-ended buizen versterkers. Het stereobeeld liep ver door tot achter de speakers. Opvallend was hierbij dat het beeld steeds breder werd, naarmate het zich naar achteren uitstrekte. Ofschoon het aan glans zeker niet ontbrak, had ik bij slagen op bekkens wel het idee dat duurdere solid state versterkers naar hun aard wat meer metaal laten horen. In Prokofievs 7de pianosonate waren de linker- en rechterhand gemakkelijk van elkaar te onderscheiden; erg belangrijk bij deze complexe muziek. Evenzo hoorde ik hier in de lagere registers meer nuance en elasticiteit dan met mijn eigen single-ended versterker. Bij ‘People’ op King Crimsons Thrack ging het helemaal los en kwam dat aspect in het laag, nog meer tot uitdrukking. Het had overvloedige drive en tegelijkertijd was het gearticuleerd. Dat gaat niet altijd samen, maar machines die dat wel kunnen zoals de Melody, klinken dan ook erg ritmisch.

Conclusie

De Melody AN211 is een droomversterker die me zelfs ‘s nachts wakker gehouden heeft, maar geen enkele keer heeft teleurgesteld. Welk materiaal ik ook aanbood: kamermuziek, groot koor of pop. Iedere keer was hij in staat een open en realistisch geluidsbeeld te reproduceren met een fabuleuze controle. De AN211 zal gezien het bescheiden vermogen evenwel het meest stralen met speakers vanaf 90 dB gevoeligheid. Een combinatie met grote paneelluidsprekers, zal dan ook minder gelukkig uitpakken. En ook bij de Melody AN211 geldt dat er moet worden geïnvesteerd in tijd en moeite mbt. luidspreker- en voedingskabels en interlinks, om tot een juiste afstemming met de rest van de installatie te komen. Inderdaad hebben we het hier over een waar topproduct uit downunder, tegen een uitermate betaalbare prijs. Uiteraard gaat het niet over een reep chocolade, maar in dit geval is €3950,- echt een koopje.

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Organ Works – J.S. Bach/Hurford – Decca;
War Requiem – Britten/Rattle – EMI;
My Funny Valentine: Miles Davis In Concert – Sony;
Pianosonate No. 7 – Prokofiev/Pollini – DG;
King Crimson – Thrack Virgin Records;
Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;

Aurexx Crystal 1 – een buizen avontuur

Monday, March 21st, 2011

Aurexx Crystal 1 – een buizen avontuur

Kunnen we ons een wereld voorstellen, zonder Marktplaats? Hoe vaak zitten we niet te gluren naar de advertenties tegen die overbekende zachtgele achtergrond? ‘Kijke kijke nie kopuh’ is wat ons Nederlanders op vakantie weleens wordt verweten. Trouwens, ikzelf doe dat ook hoor…

Hoe dan ook, er zijn zo van die koopjes die werkelijk de moeite waard zijn. Een tijdje terug bijvoorbeeld werden we overspoeld met aanbiedingen van de Aurexx Crystal 1, die voor ware spotprijzen werd aangeboden: als bouwkit of reeds afgebouwd. Het is een EL84 single-ended versterkertje met slechts één dubbeltriode voor de aansturing. Simpeler kan het gewoon niet en dat is de kracht van dit ontwerp. Strikt genomen zouden we moeten spreken van een eindversterkertje met een volumeregeling. Het moppie wordt overigens ook regelmatig tweedehands op ‘s Nederlands meest bezochte website aangeboden voor een slordige honderd euro. Het vermogen is 3 a 4 watt; voorwaarde is dus wel een luidspreker met een gevoeligheid vanaf 92 dB.

AREXX Engineering uit Zwolle die dus regelmatig die kits en afgebouwde exemplaren aanbiedt voor zachte prijzen, wist me te vertellen dat ze bij onze oosterburen als warme broodjes over de toonbank gaan.

Radio Bulletin

Het begon allemaal in 1998 met het elektronica tijdschrift RB Elektronica. RB stond toen voor Radio Bulletin. Er werd toen in dat blad een single-ended buizenversterkertje gepresenteerd, gebaseerd op de EL84. De Jama RB-010. Het kitje kostte toen in de voorinschrijving 374 gulden en het afgebouwde model, vijf  tientjes meer. In datzelfde jaar kwam RB – dat toen al bijna 70 jaar bestond – ook nog met een push-pull uitvoering. Later is de naam veranderd in Aurexx en is de productie naar Azië gegaan, naar ik heb begrepen.

‘Wolf in schaapsklederen’

Het is algemeen bekend dat de EL84 buitengewoon makkelijk is aan te sturen. Er is dus geen complexe stuurtrap nodig om de EL84 open te trekken, in tegenstelling tot veruit de meeste direct verhitte triodes. Maar zelfs ook in vergelijk met veel tetrodes en penthodes. Ik heb inmiddels nogal wat versterkertjes met deze buis gehoord, maar ben nog nooit teleurgesteld door deze eindpit. D’accord, de ene was wat opvallender dan de andere, maar wat al deze versterkers kenmerkte, was de typische EL84 kwaliteit: een aanstekelijke, frisse, open klank met de nodige verfijning die direct aanspreekt en ook aan blijft spreken. Er wordt altijd een beetje denigrerend over deze buis gedaan, omdat het slechts een indirect verhitte penthode is. Wat veel mensen blijkbaar ontgaat, is dat de El84 in de jaren 50 door Philips als een echte audiobuis ontworpen is. En dat is te horen. Toch lees ik inmiddels steeds vaker op  forums, dat veel hobbyisten en ontwerpers deze buis wel degelijk bejubelen. Peter Qvortrup de grote man van Audio Note zegt er over:
”I like the EL84, in fact I prefer it to all the more powerful pentodes/tetrodes”.

De EL84 – de Amerikaanse equivalent is de 6BQ5 – wordt wel eens ‘the baby with the bite’ of ‘een wolf in schaapsklederen’ genoemd. Dat komt door het pittige karakter en het relatief kleine formaat. Hij is vingerdik en 68 mm hoog. Een kleine glaskolf dus, waardoor hij ook behoorlijk heet wordt. Koeling kan nog wel eens een aandachtspunt zijn. Oppassen geblazen dus met kleine kinderen.

Ofschoon het dingetje uit de doos al opvallend goed klinkt, ligt de kracht van deze versterker vooral ook in de potentie. De onderdelen die erbij worden geleverd zijn van gemiddelde kwaliteit. De potmeter is tegenwoordig een Alps, niet de toplijn maar toch. De uitgangstrafo’s echter zijn verassend goed en behoorlijk fors. Echt leuk wordt het als de andere componenten op de kritische plaatsen worden vervangen. Ik kan het weten, want ik heb er veel mee geëxperimenteerd. Vooral de volgende stappen zijn de moeite waard.

Glas voor glas

Voor degenen die voorlopig niet zoveel zin hebben het chassis los te draaien, kan een buizenuitwisseling al erg leuke verbeteringen geven. Oorspronkelijk worden er EL84 Sovteks meegeleverd en een ecc83; veelal van EI. Op Amerikaanse sites wordt de TAD EL84 geroemd. Die heb ikzelf nog niet gehoord, maar die ga ik zeker een keer proberen aangezien dit nieuwe productie betreft. Met NOS (new old stock) El84’s heb ik prima resultaten behaald met de Philips Miniwatt en Tungsram. De grote klapper – in mijn beleving althans – was het uitwisselen van de ecc83. Ik heb hier van alles geprobeerd: 5751’s en 6072’s van allerlei soorten en merken, maar de eyeopener was de 6829 van General Electrics. Op een goede tweede plaats kwam de e180cc van Philips. Deze types trekken wel iets meer gloeispanning, maar dan heb je ook iets zullen we maar zeggen. Aangezien er maar eentje nodig is, lopen de kosten niet zo op. Op e-Bay worden ze regelmatig aangeboden en dan kun je zien dat enkele buizen verhoudingsgewijs goedkoper zijn dan paartjes.

De binnenkant

Gelijkrichtdiodes

Dit zijn hoorbare verbeteringen: minder structuur in het signaal dus meer schoonheid, sneller en gearticuleerder laag en verder doorlopend hoog. Probeer de ultra-fast-soft-recovery typen. Let wel op de maximaal toelaatbare spanning! Een aantal betere typen beginnen vaak met de letters BYV of BYT in het typenummer. Op een forum las ik dat de Vishay 1n5062 waanzinnig moeten klinken, maar ik heb daar geen ervaring mee. Van een aantal hobbyisten heb ik begrepen dat de silicium carbide typen van Infineon Technologies, de vergelijking met een buizengelijkrichter kunnen doorstaan. Verder raad ik aan te googelen op Eddie Vaughn. Dit is een echte goeroe met veel verstand van zaken en een indrukwekkende ervaring.

Weerstanden

Rondom de stuurbuis. Ofschoon een aantal zeer gerespecteerde goeroes het niet eens met me zullen zijn, heb ik ervaren dat deze plek na de kwaliteit van de uitgangstrafo’s, de meest kritische plek is. Zelf heb ik de beste resultaten behaald met een Riken Ohm weerstand voor de anode en een Audio Note tantaal voor de kathode. Takman weerstanden klinken het meest neutraal, maar aangezien de EL84 wel wat voluminositeit in het laag kan gebruiken, zijn de tantaal weerstanden hier wel op hun plaats.

Ook de kathodeweerstand van de eindbuizen is de moeite van het aanpakken waard. Daar zou inderdaad een robuuste weerstand gezet kunnen worden met goede klankeigenschappen, zoals de Kiwane of een dikke Audio Note Tantaal.

Ten slotte geeft een kwaliteitsverbetering van de roosterlek weerstand ook de nodige verbeteringen.

Elco’s

Dan de ontkoppel elco die over de kathodeweerstand van de eindbuis staat. Hier zitten oorspronkelijk Nichecons. Er is inmiddels wel een soort van consensus ontstaan dat op die bewuste plek, een Blackgate FK type buitengewoon mooie dingen doet. Aangezien de Black Gates tamelijk zeldzaam worden, is de Elna Cerafine of Silmic II een goed alternatief. Uiteraard net als de weerstanden wel de oorspronkelijke waardes aanhouden.

Koppel condensators

Buitengewoon heilzaam is het  de koppel condensators te vervangen. Er zijn ontzettend veel mogelijkheden, maar ik heb toen de Jensens koperfolies gebruikt. Ik kan me echter voorstellen dat een mooie Mundorfs daar ook goed werk verricht. Deze zijn heden ten dage zeer populair en daar is goede reden voor.

Tegenkoppeling

Last but not least is er mijn inziens teveel tegenkoppeling toegepast in het concept. Dit kan gemakkelijk verlaagd worden. Oorspronkelijk zit daar een 12K weerstand, maar ik heb daar toen een 25K ingezet. Dit geeft minder versmering en meer openheid. En meer gain bovendien. Het zal me overigens niet verbazen dat het ook zinnig is ook daar een kwaliteitsweerstand te plaatsen.

Helemaal leuk wordt het, indien de EL84 triode wordt geschakeld. Dat houd in dat het schermrooster met de anode wordt verbonden. De El84 in triode klinkt werkelijk schitterend, daar zijn de meesten het wel over eens. De klank lijkt dan erg veel op een echte triode, maar toch anders. Tevens valt dan de noodzakelijkheid weg van tegenkoppeling. De keerzijde is dat het vermogen met ruim 60% wordt verminderd en pas interessant wordt voor speakers vanaf 95 dB gevoeligheid. Ik heb dat lange tijd gedaan en werkt goed. Oké, de IJzergieterij van Mosolov – om maar een dwarsstraat te noemen – wordt wat lastig. Maar kamermuziek, jazz en kleine bezettingen in het algemeen, gaat prima.

Uitbesteden

Voor degenen die niet zo geweldig met de soldeerbout overweg kunnen of simpelweg niet de gelegenheid hebben te knutselen, die raad ik aan met een beetje goed netwerken in contact te komen met handige hobbyisten. Er zal wel iets betaald moeten worden, maar uit ervaring weet ik dat deze mensen het gewoon ontzettend leuk vinden in een versterker op een verantwoorde manier te graven. Die kosten zullen dus echt wel meevallen, net als de genoemde onderdelen.

Op deze manier kunnen we een relatief goedkoop versterkertje naar een ongekend niveau tillen die veel duurdere concurrenten en merken van naam, ernstig in verlegenheid brengt. Ook kan op deze manier de versterker op persoonlijke smaak worden getuned. Zolang het vermogen maar geen dominerende rol van betekenis speelt. Veel plezier met het avontuur.

Emile Stoffels

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

Tuesday, February 8th, 2011

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

“Iemand moest Jozef K. verraden hebben, want ondanks dat hij de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen, werd hij op een ochtend gearresteerd door de verbruikspolitie”.

Tja, wie zal het zeggen: wellicht komt er ooit nog een tijd waarin er geen plaats meer zal zijn, voor apparatuur met een buitensporig hoog verbruik. We kennen allemaal de discussies over duurzame energie en het uitbannen van apparatuur, dat bepaald niet groen is. Laten we dus in de tussentijd – zolang het nog kan – dan maar genieten van buizenversterkers, totdat op een dag ook bij ons een opsporingsambtenaar op de deur klopt…

Dat er mooie dingen uit de voormalig Boheemse stad Praag komen, is bekend en niet in de laatste plaats door het Boheemse kristal. Het is over de gehele wereld befaamd. De omgeving van bijvoorbeeld Karlovy Vary, leent zich uitstekend voor het onttrekken van grondstoffen voor het vervaardigen van kristal en glas. Er is in de omringende bossen voldoende hout en geschikt zand te vinden. De kwalificatie “kristal” wordt gegeven aan glas met een hoog loodgehalte. Hierdoor krijgt het glas het vermogen te schitteren als diamant. Het echtpaar Kron uit Praag houdt zich echter met een andere toepassing van glas bezig en wel met het vervaardigen van buizen en buizenversterkers.

Oude wijn in nieuwe zakken…

Het begon allemaal in 1992 met de verbetering van bestaande triodes en het ontwikkelen van eigen power triodes. Het succes dat nu geboekt is, is dan ook het resultaat van het onderzoek en vergelijk dat ze gedaan hebben tussen de handgemaakte KR buizen en de massaproducties, gemaakt op de apparatuur uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Kron onderwerpt ook het glas voor de buis, aan een strenge selectie. Het glasblazen, de glaskolven van de buis en de bedrading ervan, wordt in eigen hand gehouden. Hierdoor is de kwaliteit zo hoog van deze handgemaakte producten, dat het inmiddels heeft geresulteerd in een leidende positie op het gebied van eindbuizen. Enkele typen zijn de 842, de KR 300B en de T1610; ’s werelds grootste en krachtigste triodebuis. De buis die gebruikt wordt in de SDi35.

Inmiddels is Riccardo niet meer onder ons, maar zijn vrouw Eunice heeft de zaken succesvol voortgezet. Op dit moment zitten er 15 verschillende versterkers in het programma waaronder twee solid-state typen. De afgelopen jaren heeft KR een aantal opvallende prijzen in de wacht gesleept zoals Best Amplifier Of The Year, Best Tube Amplifier, Best Amp Of The Year en een 6Moons.com Blue Moon Award.

Het wilde beest

Het was een warme dag in het najaar toen de Kronzilla bij mij werd afgeleverd in een houten kist. God zij dank was Cor Dekker van Musical Reality bereid om het 50 kilo wegende monster mee naar boven te slepen. Dat ‘beest’ dankt zijn naam overigens ook voor een belangrijk deel aan een andere bruut. De eerste Kronzilla kreeg in 1999 het predikaat “Amplifier of the Century” in de USA en dat was ten tijde van de film Godzilla. Amerikanen geven graag bijnaampjes en zo kreeg de versterker de naam: Kronzilla. Uiteraard vernoemd naar de ontwerper Riccardo Kron.

Bij het uitpakken geloofde ik mijn ogen niet. De Kronzilla gebruikt een waarlijk  beestachtige eindpit. Het is de T1610, die eigenlijk een dubbele 805 in één glaskolf (2 X 805 = 1610) is. Ik heb me laten informeren dat KR een speciale pomp heeft moeten ontwikkelen om deze gigantische glaskolf vacuüm te trekken. Het lijkt me dan ook een echte bezienswaardigheid, dit productieproces eens zelf te bekijken. Ook de buispennen zijn bestiaal groot: vingerlang en dik. De fysieke vergelijking van de EL84 met de 211 was al hilarisch; met de T1610 is het ronduit belachelijk.

Techniek

Wat m.b.t. het verbruik geldt voor de door mij geteste Melody AN 211 (verschijnt in een toekomstig nummer), geldt voor de Kronzilla vanzelfsprekend nog meer. De gebruikte T1610 buis steekt werkelijk apollinisch af tegen de 211 buis. En dat is toch geen kleine jongen. De opgegeven spanning op de anode van de 1610 is maximaal 650 volt en dat levert dan 50 watt in klasse A op bij de SX versie. Bij de SDi 35 staat er klaarblijkelijk minder spanning op de anode en dienovereenkomstig levert hij 35 watt.

Uiteraard zit de Kronzilla in een andere prijscategorie dan de Melody AN 211. Toch kan ik het niet laten de twee in een aantal aspecten met elkaar te vergelijken. De SDi 35 is een zogenaamd hybride ontwerp: in plaats van stuurbuizen, worden er FETs gebruikt. Dat is voor de verstokte buizenaanbidder als vloeken in de kerk, maar het valt toch niet ontkenen dat een aantal ontwerpers succesvol gebruik maakt van deze methode. Ook ervaren veel audio liefhebbers FETs in combinatie met buizen, als een zeer gelukkig huwelijk. In het geval van de Kronzilla heb ik begrepen dat men wel met een buizen stuurtrap heeft geëxperimenteerd, maar uiteindelijk gaf de combinatie met de FET toch een beter resultaat.

Luisteren

Wat mij bij de eerste tonen direct trof, was het schijnbaar oneindig ver doorlopend hoog. Iets wat nog wel eens een punt van kritiek is bij veel buizenversterkers. Cymbals lieten meer metaal horen dan ik gewend was met mijn eigen EL84 SE versterker, zonder ook maar een zweempje van korreligheid of vervorming. Bij het Wynton Marsalis Quartet had de eerste klap van de snaredrum een ongekende snelheid, die zelfs voor wat schrik effect zorgde. En dan het verbazingwekkend gemak van de reproductie. Het viel op dat bij hoog afspeel volume, Dianne Reeves met groot gemak luider kon zingen zonder dicht te lopen. De Kronzilla was dus heel gemakkelijk in staat om veel dynamische verschillen weer te geven. Iets wat ik tot op zekere hoogte ook bij de Pass Labs INT-30A hoorde. De Melody is daar weer minder toe in staat. Mijn eigen El84 single ended versterker kwam daar al helemaal niet bij aan te pas, maar dat heeft ook veel met hetvermogen en vooral de slew rate te maken. Ook in het laag kwam de Kronzilla griezelig dichtbij de ModWright KWA100. Zelfs in dat identificerende aspect waarin de ModWright zich zo onderscheidde bij mij: die opvallende gelaagdheid in de basweergave. Uiteindelijk blijft de Amerikaan hierin toch de baas, maar het zegt wel iets over waarin een single ended toch toe in staat kan zijn. Echter, twee zaken moeten we niet vergeten: de Kronzilla is ruim drie keer de prijs van de Melody AN211 en ook zal het makkelijke karakter van mijn speakers een rol van betekenis spelen. Bij complexe en lastige luidsprekersystemen zal de Kronzilla het moeilijker krijgen, ofschoon ik geloof dat hij ook een luidspreker zal aansturen die een relatief zware wissel op een versterker trekt.

Een aantal MFSL platen hebben een overvloedig laag, soms op het overdreven af. Het is algemeen bekend dat sommige artiesten absoluut niet gecharmeerd waren van bepaalde MFSL remasters, omdat er excessief veel bas was bijgesneden. Zo is er bij de Mobile remaster van Powerful People van Gino Vannelli, behoorlijk wat bas vergeleken met de gewone productie master (die overigens uitstekend klinkt). Normaal geeft dat met mijn EL84 versterker een probleempje, MAAR… niet met de Kronzilla. Bij ‘Lady’ en ‘Felicia’ was er absoluut geen sprake van onaangenaam bonkend laag. Integendeel: de bas was volumineus doch schoon, snel en geprofileerd. Bovendien ontwaarde ik verscheidende laagjes in de basregisters. Ook de Sonata Da Chiesa van Andriessen, was nagenoeg vrijer van kleuring dan ik de laatste tijd gewend was.

Dan de sterkste merites van de buis: vloeiendheid, openheid, vanzelfsprekendheid, het gevoel te hebben: “dat alles klopt”. Dat kwam bij het beest uit Praag allemaal bij elkaar. Peter Gabriel had een stroperigheid die de Kronzilla deelde met de Melody AN211, met dat verschil dat de eerste nog meer inner detail liet horen. Ook had ik het idee dat de uithoeken van het stereobeeld werden verkend. Bij de Manfred Symfonie, had het orgel aan het einde duidelijk een eigen plek en toch was het mooi geïntegreerd in het orkest. Ook had het slagwerk, hoogte in het stereobeeld. De strijkersecties waren allemaal apart aan te wijzen en de houtblazers werden heuse personages. De vijf stukken voor orkest opus 16 van Arnold Schoenberg, klonken pregnant en de instrumenten waren door de hoge mate van tastbaarheid, met een verbazingwekkend gemak te volgen tot ver in het grote geluidsbeeld. Inner detail was hier wederom overvloedig aanwezig. Ja, ronduit sensationeel was te horen hoe de Kronzilla alles losweekte. Ook de zaken die niet direct iets te maken hebben met muziek: speeksel, geschuifel, gekreun, gestommel en niet te vergeten het applaus op live registraties, dat doorgaans een goede lakmoesproef vormt.

Conclusie

13.000 euro is op z’n zachtst gezegd een aanzienlijk bedrag, maar de nagenoeg compromisloze performance van deze Tsjech is opvallend te noemen. Handgemaakte producten kosten nu eenmaal meer. Het beest uit Praag is tot nu toe de best klinkende single-ended buizenversterker, die ik ooit bij mij thuis gehoord heb. Uiteraard is de Kronzilla niet drie keer beter dan bijvoorbeeld de Melody AN 211, maar hij gaat wel een stap verder in het losweken van detail, stereo beeld en loopt verder door in de frequentie uitersten. Ook is het schijnbaar onbeperkt kleuren palet een van de kwalificaties van de Kronzilla.

Het is dat we de gloeidraden (helaas) nagenoeg niet kunnen zien branden, anders zouden we nog gaan denken dat het een echt levend wezen is…

Emile Stoffels

Gebruikte CDs:

Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;
Scratch my Back – Peter Gabriel;
Random Acts of Happiness – Bill Bruford;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;
PRIÈRE: 
Andriessen, Franck, Saint-Saëns, Klop/Toon Hagen;
Tsjaikovsky/Manfred Symfonie – Chailly/Decca;
Powerful People/Gino Vannelli – MFSL;

Yarland P100 hoofdtelefoonversterker

Tuesday, December 28th, 2010

Yarland P100 hoofdtelefoonversterker

Ik ben bepaald geen hoofdtelefoon luisteraar. Hoe kwam ik er dan bij deze test aan te vragen bij de hoofdredacteur? Het kwam – denk ik – door het feit dat het een versterker is met een buizen bezetting die ik goed ken. Bovendien heb ik iets met houten frontjes en Yarland heeft dat goed gedaan door hun relatief goedkope producten, chique eruit te laten zien.

Ik heb inmiddels nogal wat EL84 versterkertjes gehoord, maar ben nog nooit teleurgesteld in deze buis. Oké, de ene was wat opvallender dan de andere, maar wat al deze versterkers kenmerkte, was de typische EL84 kwaliteit: een aanstekelijke, frisse, open klank in het midden-hoog die direct aanspreekt en ook aan blijft spreken. Een groot voordeel van de EL84 is, in tegenstelling tot veruit de meeste direct verhitte triodes, dat hij gemakkelijk is aan te sturen. Beide kanalen kunnen – in het geval van single ended configuratie – door slechts één dubbeltriode met gemak worden aangestuurd. Een simpele schakeling dus met een minimum aan onderdelen en versterkingstrappen. En dat is te horen.

Er wordt altijd een beetje denigrerend over deze buis gedaan, omdat het een indirect verhitte buis is en geen direct verhitte triode. Wat veel mensen blijkbaar ontgaat, is dat de El84 in de jaren 50 door Philips als een echte audiobuis ontworpen is. Toch lees ik op forums steeds vaker dat hobbyisten en ontwerpers deze buis wel bejubelen.

De EL84 – de Amerikaanse equivalent is de 6BQ5 – wordt wel eens “the baby with the bite’ of ‘een wolf in schaapsklederen’ genoemd. Dat komt door het pittige karakter en het relatief kleine formaat. Hij is vingerdik en 68 mm hoog. Een kleine glaskolf dus, waardoor hij ook behoorlijk heet wordt. Koeling kan nog wel eens een aandachtspunt zijn. Oppassen geblazen dus met kleine kinderen. Een kort moment van onvoorzichtigheid, levert de geur van gebraden vlees op. Bij de Yarland zit alles netjes onder het deksel.

Gezien het relatief lage vermogen dat de fabrikant opgeeft, dacht ik aanvankelijk dat de El84’s in triode zijn geschakeld*. De binnenkant van de versterker leert echter dat er ‘gewoon’ penthode schakeling is toegepast en het lage vermogen te verklaren is door de opvallend lage instelling van de eindbuizen. Ik mat 75 volt op de anode en een paar volts meer op het schermrooster. Dat is wel erg laag.
Verder worden de eindbuizen aangestuurd door twee dubbel triodes, de 6N3. Van deze wordt echter maar één helft gebruikt. Dit is een stuurbuis die door Yarland veel wordt toegepast.

De Klank

Zoals gezegd luisterde ik niet veel via een hoofdtelefoon en heb daar dan ook nooit echt in geïnvesteerd. Ik heb een Philips HP820 die rond de 40 Euro kostte als ik het me goed herinner. Niets bijzonders dus. Echter, nadat ik de versterker een halfuur had opgewarmd ging er toch een soort van microkosmos voor me open. Veel detail, maar nooit vermoeiend. Het midden is – zoals ik al verwachtte – het sterkste punt: rijk, vloeibaar, en open. Maar ook het hoog loopt behoorlijk ver door en klinkt zoet, doch energiek. De opening van track 4 op Product van Brand X, had de juiste hoeveelheid informatie, zonder opdringerig te worden. Bij het tweede deel van Bartok’s ‘Muziek…’, waren de verschillende instrumentengroepen met groot gemak van elkaar te onderscheiden. Gekraak van de vloer, geschuifel met de stoelen, geritsel van het papier. Het was er allemaal! Ook viel weer op dat de strijkers correct klinken, wat een belangrijk criterium is. Iets dat niet alle versterkers gegeven is. King Crimson had de juiste volumineusheid in het lage midden en laag, zonder echt heel diep te gaan. Modderig werd het overigens nergens. Luid draaien zorgde echter voor enige vervorming, maar dat was dan ook een geluidsniveau die we elkaar bepaald niet willen adviseren. Stolen Car van Sting klonk realistisch, los, en precies.

En dan te weten dat er nog aardig wat te verbeteren valt. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan om de fabrieksbuizen te vervangen door zogenaamde new old stock exemplaren. Dat is een kwestie van het deksel eraf halen en de buizen omprikken. Een exercitie van niets, zou ik zeggen. Probeer eens een paartje Philips – al dan niet miniwatts – te scoren op Marktplaats en de 6N3’s te vervangen door de General Electric 5670. Uiteraard zijn er ook goede nieuwe producties, zoals JJ. Ofschoon velen behoorlijk overtuigd zijn van de Electro Harmonix EL84’s, ben ik iets terughoudender. Van een paartje dat ik ooit had, was een exemplaar defect. Deze trok teveel stroom en zou uiteindelijk mijn uitgangstrafo vernield hebben. Ik heb het gelukkig op tijd ontdekt. Vandaar het trauma.
Dan waren er behoorlijke verschillen tussen de 32 en 300 ohm aansluiting. De laatste was stiller met een iets uitgebreider kleurenpallet, maar minder aansprekend op het gebied van dynamische contrasten. Ik vooronderstel in deze, dat het muziekgenre leidend zal zijn voor de luisteraar.
De plug weer terug in de hoofdtelefooningang van de Harman/Kardon versterker, was een koude douche. Na eenmaal een Rochefort 10 of een Westvleteren ervaren te hebben, kun je absoluut niet meer terug naar een Bavaria pilsje.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn. Deze hoofdtelefoon versterker klinkt te goed voor het geld en is dus een buitenkansje voor mensen die regelmatig met een koptelefoon luisteren. In z’n algemeenheid loont het zondermeer de moeite om een dedicated hoofdtelefoonversterker aan te schaffen. Dat geld voor veel zaken natuurlijk. De Yarland P100 klinkt oneindig veel beter dan het chipje dat in menig versterker zit voor de hoofdtelefoonversterking. Ik kan me voorstellen dat het helemaal een klankfeest wordt met een dikke Sennheisser of welk prachtig ander merk ook.

Wat ik Yarland nog als feedback wil geven, is dat ze wellicht eens kunnen overwegen om deze versterker zo te maken dat hij tevens als geïntegreerde versterker dienst kan doen. Er zal dan een extra aftakking op de secundaire kant van de uitgangstrafo’s moeten komen voor de huiskamerluidsprekers (4 of 8 ohm) met speakeruitgangen en een tweede ingang voor een extra bron met een keuzeschakelaar. En – dat zou erg mooi zijn – een schakelaar om tussen triode en penthode instelling te kunnen schakelen. Luidsprekers ten noorden van 92dB rendement, zijn dan voor een dergelijke versterker uiteraard een eis.

EMile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Brand-X – Product;
Brand-X – Masques;
Sting – Sacred Love;
Bartok – Muziek voor Strijkers, Slagwerk en Celesta/Fritz Reiner;
King Crimson – The Power to Believe

Cayin VP-100-i

Thursday, December 16th, 2010

Cayin VP-100-i

Ons leven wordt veelal bemoeilijkt, door de keuzes die we kunnen maken. Ook binnen een luxe onderwerp als audio. Wat zullen we kiezen? Multichannel of ‘gewoon’ stereo? Gescheiden of geïntegreerde versterking? Buizen of torren (transistors)? Push-pull of single ended? Hoog rendement luidsprekers met laagvermogens versterkers of andersom? Nieuw of tweede hands? Of wellicht zelf (laten) bouwen?

Buizen zijn tegenwoordig HOT. Ofschoon een buizenversterker relatief eenvoudig zeer goed kan klinken, dienen we ons te realiseren dat er ook slechte buizenversterkers zijn. Een buizenconcept op zichzelf, is niet zaligmakend. Ook zouden we er goed aan doen, de jongste ontwikkelingen te volgen op het gebied van klasse D versterking, veelal gebaseerd op de inmiddels beroemde Tripath chips. Hierover meer in een later artikel wellicht. Hoe dan ook, het is voor velen duidelijk dat een buis bepaalde kwaliteiten heeft die een transistor eenvoudigweg niet heeft.

De hier geteste buizenversterker en CD speler zijn producten van Cayin. Dit bedrijf is gevestigd in de buurt van Hong Kong en heeft al meer dan 10 jaar een goede reputatie in onder andere Amerika, Engeland, Duitsland en Frankrijk.

Mijn eerste visuele kennismaking met Cayin was de HA-1A koptelefoonversterker met het mooie patrijspoortje, van waarachter de buizen ons verleidelijk aankijken. Ik weet nog dat ik samen met een collega likkebaardend naar de foto’s op het Internet keek. De hier geteste VP-100-i is een totaal ander verhaal.

De apparaten kwamen bij mij via de distributeur Hay End Audio te Venlo en hij vertelde dat de apparatuur was ingespeeld. Dat is een absolute voorwaarde: denk eens aan al dat ‘ijzer’ dat moet inspelen en niet te vergeten de weerstanden en condensatoren. Dat duurt even.

Hij had de apparatuur laten bezorgen door een in audio gespecialiseerd logistiek bedrijf. De chauffeur had ze met een steekkarretje in de gang gezet. Toen ik de enorme doos wilde optillen, begreep ik direct waarom: nadat ik het op mijn luisterkamer had staan op zolder, moest ik direct een banaan eten. Tip: haal beneden éérst de apparatuur uit de doos, om de manoeuvreerruimte te vergroten want een dergelijke versterker naar boven slepen is een martelgang op zich.

De versterker ziet er imposant, degelijk en gelikt uit. Het is een geïntegreerde versterker met naar keuze triode (2 x 24 watt) of UL* (2 x 50 watt) bedrijf. Tot 2 x 15 watt werkt hij in klasse A. Het verschil met mijn eigen versterker is opvallend. Niet alleen qua afmeting en vermogen, maar vooral qua type buizenbezetting. Waar de Cayin vier KT 88 eindbuizen heeft (twee per kanaal in push-pull configuratie), aangestuurd door vijf dubbeltriodes, heeft mijn eigen versterker slechts twee EL84 eindbuizen (een per kanaal in Single Ended configuratie), aangestuurd door slechts één dubbeltriode.

De eindbuis – de KT88 – is een van de vele indirect verhitte buizen en staat erom bekend dat hij in UL bedrijf erg goed kan presteren. Wat mij al geruime tijd opvalt, is dat versterkers met KT 88 eindbuizen structureel duurder zijn dan hun broeders met EL34 eindbuizen. Terwijl de EL34 zondermeer vergelijkbaar is met de KT 88. Niettemin, de kwaliteit is ook in zeer hoge mate afhankelijk van hoe de buizen staan ingesteld, de kwaliteit van de uitgang trafo’s en de voeding. Een tijd geleden ben ik – na intensief experimenteren – erachter gekomen dat op kritische plekken, de kwaliteit van de weerstanden een enorme invloed op het geluid heeft. Dit is vooral zo bij de anode en kathode kant van de stuurbuis.

Nieuw t.o.v. de voorganger – de Ti88 – is de extra spanningsstabiliserende 6SN7 buis voor de voeding van de voorversterkertrappen.

Buizen gelijkrichting wordt tegenwoordig helaas nog zelden toegepast. Jammer, ofschoon ik de fabrikant wel begrijp. Solid-state gelijkrichting kost minder ruimte, is goedkoper, ontwikkelt nauwelijks warmte en is groener bovendien. En de nieuwste generatie silicon carbide solid-state gelijkrichters klinkt fenomenaal.

Luisteren

Laat ik beginnen te zeggen dat de Cayin me bepaald niet teleurstelde. Voor mij is klankbalans het hoogste goed. Dat wil niet zeggen dat een versterker geen voorkeurtjes mag hebben, maar de balans in zijn geheel moet ongeveer kloppen. Na een uurtje opwarmen bleek de VP-100-i daarover te beschikken. Althans, in triode bedrijf. Bij overschakelen naar UL, ontwaarde ik enige overbelichting in het middenhoog. Dat werd vooral duidelijk bij de toch enigszins uitgesproken opname So van Peter Gabriel. Iets dat ik me nog herinner van de Prima Luna Prologue II (ook met KT 88 in push-pull configuratie), die dat nog extremer had. Doch, bij oudere opnames en daarmee bedoel ik de eerste generatie Cd’s en vroege remasters, pakte dat veelal goed uit.

Wat ook vrijwel direct opviel was de slagkracht. Bij de opening van Alan Parsons’ Piramid werd duidelijk hoe krachtig. De eerste klap, na het vier noten motiefje van Voyager, had een snelheid en precisie die ik niet eerder heb waargenomen met mijn eigen versterkers, noch met andere versterkers die ik hier thuis heb beluisterd. Behalve dan met de Sphinx Project 14 die ik ooit heb gehad. Dit zijn dan ook wel eigenschappen waarin de KT 88 in UL excelleert.

Ook was er weinig of geen sprake van hardheid. De mondharmonica op track 1 van Spirit of Eden is hierin behoorlijk kritisch. Menig versterker valt hier door de mand, maar niet de Cayin. Toch viel een overvloedige hoeveelheid detail en informatie waar te nemen.

Dit was in overtreffende mate het geval bij de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bela Bartok. Dit is een mooie live opname waarin het gehoest en geschuifel goed te horen is. Ook de hoeveelheid ruimte suggestie is opmerkelijk en het omslaan van de bladzijden is zeer realistisch.

Een ander aspect van de Cayin is de hoeveelheid energie die overgebracht kan worden. In de genoemde sonate, komt in het begin twee keer een slag op het bekken voor. In het bijzonder de eerste slag, laat de luisteraar enkele centimeters omhoog veren. De Cayin bleek in staat deze energie over te brengen; vooral in UL bedrijf.

Los van de stereo breedte die opvalt bij het nummer Hyper-Gamma-Spaces op Piramid, ontwaarde ik ook hoogte in het stereobeeld, hoewel mijn huidige single ended versterker het nog net iets breder en hoger wegzet. Die hoogte was nog opvalleder bij Patricia Barbers Cafe Blue. De contrabas op Ode To Billy Joe is echt manhoog in de ruimte.

Over een ding kan ik heel duidelijk zijn. Bij violen prefereerde ik zonder enige twijfel de triode stand. In UL heeft de weergave wat meer ‘snap’, zoals de Amerikanen dat zeggen. Dat kan bij een aantal opnames natuurlijk te veel van het goede zijn. Overigens, wil het niet zeggen dat UL bedrijf altijd wat geprononceerder klinkt dan triode bedrijf. Ook hier ligt het aan de gebruikte buis en vooral de instelling daarvan.

Conclusie

Laten we eerlijk zijn. Het is geen goedkope versterker en al helemaal niet voor Chinese begrippen. Er zijn genoeg versterkers op deze aardkloot met een vergelijkbare buizenbezetting en vermogen voor onder de 1000 euro en ook Cayin zelf heeft goedkopere modellen. Echter, Cayin onderscheid zich duidelijk als een A-merk, door de degelijkheid en uitstraling. Ook blijkt dat de componenten zwevend zijn gemonteerd en ik kan me ook voorstellen dat Cayin behoorlijk wat ontwikkelingskosten heeft gestopt in de uitgangstrafo’s gezien de klank.

Een belangrijke vraag voor een potentiële koper zou kunnen zijn: heb ik dit vermogen werkelijk nodig? Luisteraars staan vaak versteld wat voor een orkaan van geluid een paar nederige watjes kunnen produceren. Hiervoor zijn wel hoog rendement luidsprekers voor nodig. In het algemeen kan ik me voorstellen dat speakers met een rendement van lager dan 90 dB – en dat zijn de meeste -, de kracht en souplesse van de Cayin of een vergelijkbare amp nodig hebben; mede afhankelijk ook van de grilligheid van de luidsprekers.

Ik heb het donkerbruine vermoeden dat de oude Quad electrostaten ESL 57 (de beroemde straalkacheltjes) met deze versterker, wel eens een meer dan voortreffelijke combinatie zou kunnen zijn. Het zijn weliswaar electrostaten, maar niet zo lastig als de meeste andere paneelluidsprekers.

Ook zal de Cayin goed het verschil kunnen laten horen tussen de fabrieksbuizen en NOS buizen. Dit zou een goede upgrade zijn. Te beginnen met de stuur- en inputbuizen. Later kunnen de eindbuizen wellicht aangepakt worden.

Het verschil tussen UL en triode is erg groot. Het schakelen tussen deze twee mogelijkheden gebeurt op de afstandsbediening. Ik vind dit een schitterende feature. Het stelt de luisteraar in staat de klanksignatuur van de versterker onmiddellijk en dramatisch te veranderen. Erg handig! Dit is ook op de goedkopere modellen. Het verschil tussen 4 en 8 ohm was in mijn geval niet groot. Dat zal anders zijn op lastigere luidsprekers.

CD speler

Dan de Cd speler. Die ziet er ook erg fraai en degelijk uit, net als de vesterker. In elke CD100i worden alleen streng geselecteerde condensatoren en buizen gebruikt.

Deze speler heeft naast de cinch buizenuitgang (2 maal 6922 = e88cc), symmetrische XLR uitgangen (via Burr Brown opamps). Het buizengedeelte heeft een eigen stabilisatie en is goed afgeschermd. Voor het upsamplen heeft Cayin de SRC4192-Chip gebruikt. De DA-converter is een PCM-1792-D/A-converter van Burr Brown.

Ofschoon de e88cc door veel buizen goeroes wordt verfoeid, denk ik persoonlijk dat het er maar net aan ligt waar je de buis voor gebruikt en vooral hoe de buis wordt ingesteld.

Er is keuze tussen 44 kHz upsampling en 192 kHz. Ik heb begrepen dat de tentklok modificatie alleen werkt met de 16/44kHz optie.

De klank

Ofschoon de importeur vertelde dat de speler was ingespeeld, bleek na een paar dagen de klank toch nog steeds te verbeteren. Dat is natuurlijk niet vreemd. Na enige tijd werd duidelijk dat de Cayin een enigszins afgeroomde signatuur heeft vergeleken met mijn Philips CDD 882/NOS DAC combinatie, maar wel schoon zonder ‘kruimels’ in het midden-hoog.

Het was weer een tijdje geleden, maar de verschillen tussen zogenaamde NOS (non oversampling) DACs en machines die wel gebruik maken van oversampling, waren weer overduidelijk. Ikzelf kan niet meer zonder NOS. Eenmaal gewend aan de aangename klank, de vanzelfsprekendheid en de rust van NOS op een accu voeding is er geen weg meer terug. Daar staat tegenover dat NOS machines in het uiterste hoog en laag net iets minder energie lijken over te brengen. Dat was te horen met de bekkenslag op de eerder genoemde Bartok sonate.

Die afgeroomde klank viel vooral op bij late remasters, zoals de 50th anniversary serie van Philips, maar ook op de jongste remasters van Alan Parsons en Genesis. Sommige van deze uitgaven klinken onder bepaalde omstandigheden wat scherp. Dat laat de Cayin dan ook duidelijk horen. Daarmee is absoluut niet gezegd dat de CD100i scherp of onaangenaam klinkt. Dat bleek wel weer op The Spirit Of Eden van Talk Talk.

Op Toto IV Limited Millennium Edition, die beduidend beter klinkt dan de normale uitgave, was iets duidelijker het lachje optrack 10 te lokaliseren dan bij mijn combinatie. Bij David Sylvians Colours of the Behave leek het stereobeeld net iets breder, maar mijn combinatie zette het geheel iets dieper weg. Ook de contrabas op track 7 had iets meer attaque op de Cayin. Ook is de CD100i erg precies met de afbeelding. Bij “Excuse Me” op Peter Gabriel I, viel de tuba LETTERLIJK aan te wijzen.

Verschillen tussen 16/44kHz en upsampling (24/192kHz) is niet altijd eenvoudig vast te stellen. Bij wat meer uitgesproken opnames, ontwaarde ik wat meer informatie in vooral percussie instrumenten. “Dear Mr. Man” op Musicology van Prince is zo’n opname die deze specifieke verschillen enigszins uitvergroot, maar het blijft een behoorlijke exercitie van herhaald luisteren om het te horen. Wellicht heb ik net niet de juiste cd’s geselecteerd om deze verschillen uit te vergroten.

Hoe de speler zonder de tentlabs modificatie klinkt weet ik natuurlijk niet, maar wat ik wel weet is dat de mensen van het genoemde bedrijfje, heel goed weten waar ze mee bezig zijn.

Conclusie

De CD100i is een dijk van een CD speler die de concurrentie met (veel) duurdere westerse modellen gemakkelijk aankan. Hij zal in staat zijn om met een verbazingwekkend gemak de verschillen in opnames en zelfs tussen de tracks op een CD precies weer te geven. De CD100i zal het beste schikken in een set met een wat volslanke signatuur. Net als de hierboven geteste versterker, onderscheidt de Cd speler zich ook door de uitstraling en het design dat van zeer goede smaak getuigt.

Emile Stoffels

Gebruikte Cd’s:

Musicologie – Prince
Spirit of Eden (remaster 1997) – Talk Talk
Colours of the Behave – David Sylvian
Piramid (remaster 2007) – Alan Parsons
So (remaster) – Peter Gabriel
Peter Gabriel I (remaster 2002) – Peter Gabriel
Bela Bartok Sonate voor twee piano’s en slagwerk (Philips 420 157-2)

*Noot: UL = Ultralinear. Dat wil zeggen dat de spanning voor het schermrooster via een aparte tap op de primaire kant van de uitgangstrafo komt, ipv. dat het schermrooster een eigen spanning krijgt (dus niet via de primaire kant van de uitgangstrafo). In het laatste geval zou het ‘gewoon’ penthode instelling zijn. Bij triode optie gaat men nog een stapje verder dan UL: het schermrooster wordt volledig aan de anode gelegd. De anode en het schermrooster worden een, waardoor de klank op een triode gaat lijken. Toch, klinkt een echte triode anders.

Pass Labs INT-30A

Thursday, December 16th, 2010

Pass Labs INT-30A

De CV van meneer Pass mag indrukwekkend genoemd worden. In een van de vorige nummers lazen we een interessant artikel over deze pionier van de audiowereld. Zijn ontwerpen en patenten vormen zonder enige twijfel sterke geloofsbrieven en door de samenwerking met o.a. Treshold, Adcom en Mobile Fidelity, kon deze moderne aartsvader der techniek uiteindelijk zijn eigen producten ontwikkelen. Deze keer voelen we de Pass Labs INT-30A aan de tand, een geïntrigeerde 30 watt klasse-A versterker; de kleinste en meest recente uit de Pass familie.

In 1991 kwam Nelson Pass met zijn moedermodel, de Pass Aleph 0; een single-ended transistor ontwerp in klasse-A schakeling. Hiervan zijn uiteindelijk de X modellen afgeleid. Er zijn sindsdien nogal wat modellen verschenen van Pass’ hand, maar de rode draad is toch wel het simplisme in zijn ontwerpen. Minder kan inderdaad meer zijn: hoe minder versterkingstrappen, hoe minder het signaal wordt bezoedeld. Daaruit volgt weer, dat er niet of nauwelijks gecorrigeerd moet worden met feedback en de nodige gain om de feedback weer te compenseren. Deze simplistische aanpak is uiteraard ook toegepast bij Pass’ nieuweling.

Introductie

Bij de INT-30A heeft Pass Labs de bejubelde XA30.5 eindversterker onder één dak

samengebracht met de XP10 voorversterker. Een opvallende ontwikkeling, gezien Pass’ jarenlange ‘weigering’ geïntegreerde versterkers te vervaardigen. Nu zijn er dan ineens twee geïntegreerde modellen: het testmodel en de INT-150 (geen klasse-A), die qua uiterlijk en functionaliteit identiek is aan de INT-30A. Bij de eindversterking is gebruik gemaakt van de Supersymmetric topology. Een gepatenteerde methode die werd geïntroduceerd met de X1000 uit 1998 en hier is gecombineerd met de klasse-A instelling en andere verworvenheden van de Aleph generatie. Althans, tot 30 watt. Daarna schakelt hij over op klasse AB om uiteindelijk een slordige 100 watt aan vier en 150 watt aan acht ohm te leveren. Dat maakt hem breed toepasbaar voor veel luidsprekers. Men hoeft dus niet noodzakelijkerwijs op zoek naar gevoelige speakers, ofschoon ik me dan wel kan voorstellen dat de krachtiger INT-150 iets nadrukkelijker in de keuze betrokken zou worden.

Uiterlijk

De uitstraling van deze jongste telg is sober, maar krachtig en verzorgd. Het front is van fraai bewerkt aluminium, met een horizontale uitsparing over de gehele voorzijde waar de keuzetoetsen zich bevinden: Power, Mute, en de vier Inputs. Aan de rechterkant bevindt zich de volumeregelaar, die uitermate soepel draait. Ook het blauwe display is overzichtelijk en toont ons alleen datgene wat we nodig hebben. Handig is bijvoorbeeld de mogelijkheid, gescheiden de links-rechts balans te kunnen aflezen.

De koelvinnen aan de zijkant, zijn mooi geïntegreerd opdat de behuizing niet lomp oogt. Klasse-A versterkers hebben overigens de reputatie stroomvreters en smeltovens te zijn, maar van dat laatste heb ik niets gemerkt.

Uiteraard heb ik het deksel er niet af gehaald, maar ik heb alle reden te geloven dat het van binnen tot in de puntjes is afgewerkt.

In tegenstelling tot veel huidige versterkers, is er bij de Pass geen keuze tussen 4 en 8 ohm uitgangen, maar is er wel de mogelijkheid hem symmetrisch aan te sturen. Ook zit er een pre-out aansluiting op voor degenen die in de toekomst toch nog een losse eindversterker willen aanschaffen. Verder wordt er een eenvoudige, maar robuuste en uitstekend werkende afstandsbediening bijgeleverd. Hiermee kan onder andere, de balans worden geregeld. Tot slot zit er 3 jaar garantie op deze machine.

Luisteren

Aangezien deze machine door de gekozen schakeling uiteindelijk over een overvloedig uitgangsvermogen beschikt, besloot ik de Pass Labs maar direct aan te sluiten op mijn hoog rendement systeem in mijn luisterkamer en niet eerst te toetsen aan lastigere luidsprekers. Zodoende kon de Pass makkelijk binnen zijn klasse-A kader blijven werken. Zoals al eerder gezegd, draai ik doorgaans met de EL84 eindbuis in single-ended klasse-A schakeling. We hebben het dan over een kleine 3 watt, wat zou betekenen dat de Pass geen enkel zweetdruppeltje zou plengen en de belasting van mijn luidsprekers niet eens zou opmerken.

Ondanks dat de dealer me verzekerde dat de amp volledig was ingespeeld, heb ik hem toch eerst een aantal dagen aan het net gehangen voordat ik ging luisteren. Na een week begon ik met een globale luistersessie, om een eerste impressie te krijgen. In mijn eerste aantekeningen staat: “niet slecht, maar teveel grijstinten”. Na een half uur echter begint het kleurenpalet zich geleidelijk uit te breiden, om vervolgens na een paar uur zich geheel te ontwikkelen.

De Pass openbaarde een verbazingwekkend gemak en het vermogen een groot podium neer te zetten. Bill Brufords Random Acts Of Happiness werd volslagen geloofwaardig voor het voetlicht geplaatst. De basklarinet op track 5 had een presentatie zoals ik die slechts sporadisch heb gehoord. Met veel druk in het midden-laag zonder dat het op de oren ging staan. Ook het applaus – veelal een goede graadmeter – droeg bij aan de live ervaring.

Wynton Marcalis Kwartet was een totaal andere sensatie. Ofschoon de Pass de neiging heeft enigszins terughoudend te zijn in het laag, had de contrabas genoeg punch en accuratesse. De snaredrum in het linkerkanaal was inderdaad hout op vel en klonk vitaal, zonder dat het agressief werd. Ook de stem van Dianne Reeves, die bij tijd en wijle snel in luidheid toeneemt, leek de Pass niet te deren. Moeiteloos werd de jazz diva op het podium gepresenteerd. Brand X’ Live Stock was enerverend, waarbij de basloopjes van Percy Jones buitengewoon makkelijk waren te volgen.

Zoals alle goede versterkers, onthulde ook de Pass hoogte in het stereobeeld met een lichtelijk concaaf vormend dieptebeeld. Dat was goed te horen op Berlioz’ Fantastique.

Vergeleken met de Quad II Classic Integrated – die ik eerder testte -, heeft de Pass een iets soberder kleurenpalet en lijkt een tikkeltje minder betrokken. Maar laten we wel wezen: die aanstekelijke betrokkenheid – het gevoel hebben in de muziek gezogen te worden – is in mijn ervaring iets dat slechts is weggelegd voor goede buizenversterkers en dan in het bijzonder de single-ended typen. De Pass is eerder beschouwend van aard. Het meest opvallend van de Pass was wellicht dat hij – nog duidelijker dan bij de Quad – nauwelijks voorkeur gebieden liet horen. Dat bleek ook uit de mondharmonica solo op de eerste track van Spirit of Eden. Sommigen zullen deze homogeniteit interpreteren als eentonig of saai, maar ik vind dat een kwaliteit. Men kan uren achtereen luisteren. Luistermoeheid zal de potentiële consument volstrekt niet overkomen met deze uitgewogen versterker.

Kort en goed. De Nelson Pass INT-30A is indrukwekkend: neutraal, mild en MET behoud van detail. Hij kan luid zonder ook maar ergens geprononceerd te klinken.

Conclusie

Het is alweer even geleden dat ik me bezig hield met solid-state versterkers, behalve dan met de laatste generaties klasse-D versterkers die tegenwoordig behoorlijk wat furore maken. Ten onrechte! De Pass heeft bij mij een aantal weken gestaan en bood mij weer een totaal andere kijk op muziek reproductie. Dat in zichzelf is al een belangrijke kwalificatie en daarvoor verdient de INT-30A het predicaat: authentiek. Deze jongste loot moet 6900 euro kosten en is daarmee niet de goedkoopste in zijn klasse. Echter, de koper haalt er dan ook bijzonder veel muziek mee in huis en een versterker die zich niet laat beïndrukken door inefficiënte speakers. Toen de Pass weer werd opgehaald, had ik de neiging de dealer op mijn knieën te smeken of de amp nog een paar weken bij mij zou kunnen blijven. Ik heb van mijn ouders evenwel geleerd, dat smeken meestal geen zin heeft…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Berlioz – Symfonie Fantastique Philips/Davis;
Bill Brufords – Random Acts Of Happiness;
Brand X – Live Stock;
Miles Davis In Concert – My Funny Valentine;
Talk Talk – Spirit of Eden;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;