Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

DOHNÁNYI Symphony No. 2

Wednesday, April 22nd, 2015

Dohnanyi JimenezDOHNÁNYI
Symphony No. 2 • Two Songs
Evan Thomas Jones, Baritone
Florida State University Symphony Orchestra, Alexander Jiménez
Naxos 8.573008 DDD 65:44

Uitvoering **** | Opname ****

Dohnányi’s krachtige tweede werd gecomponeerd aan het einde van WO II, maar de structuur en opzet wijst toch duidelijk naar de Romantiek, met een welhaast Bruckneriaanse lengte. Het is geschreven voor een enorm orkest. Dohnányi citeerde uit The Tragedy of Man over zijn symfonie: “Het doel is het einde van de glorieuze strijd. Het doel is de dood, leven is een gevecht.” Evenzo zei hij dat dit ook de laatste symfonie zou zijn en dan doelde hij op het einde van de symfonie, als genre. Dit is de definitief gereviseerde versie uit 1957 die door Dohnányi’s neef Antal Dorati ten doop werd gehouden. Het eerste deel deed mij enigszins denken aan de eerste symfonie van William Walton. Verder zijn er sterke invloeden van Richard Strauss en Brahms. De finale opent met Bachs koraal “Komm, süßer Tod”. Vijf variaties op dat thema leiden een fuga in, die dan weer uitmond in een groots coda. Deze symfonie is blijkbaar vaak uitgevoerd, maar niet vaak opgenomen. De twee liederen uit 1912 op Gomoll laten een voslagen andere Dohnányi horen. Jammer dat ze er bij Naxos voor gekozen hebben om de Duitse lied teksten op hun website te zetten, in plaats van in het boekje. In z’n geheel een begerenswaardige cd.

Emile Stoffels
Luister Magazine 702

De Romantiek III

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek III

Met deze maand sluiten we de laatste grote Duitse componisten uit de Romantiek af. We bespraken al eerder dat men in deze generatie kunstenaars, een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende inwerking uitoefenen op de toonkunst. Maar ook de industrialisering en daarmee ook het ontstaan van het socialisme, begint het psychische klimaat van de kunstenaar te bepalen.

Het fenomeen Richard Wagner (1813 – 1883) en diens invloed is al in vorige artikelen besproken. Zijn belang en inwerking op de muziek van de 19de eeuw is nauwelijks te overschatten en hij is lang gezien als degene die aan de wieg stond van de moderne muziek. Aangezien zijn grootste en voornaamste bijdrage aan de opera is en deze artikelen als belangrijkste speerpunt de symfonie hebben, valt Wagner eigenlijk buiten het bestek van deze serie. Dat geldt ook voor Verdi (1813 – 1901) die zijn grote tegenspeler in Italië was. Het geldt uiteraard voor alle componisten die voornamelijk opera’s hebben geschreven. Berlioz komt later wel aan de beurt op basis van zijn Symfonie Fantastique. Maar laat duidelijk zijn dat Wagner een van de grootste hemellichamen in ons stelsel is.
Voor Wagner’s opera’s adviseer ik om (eerst) de ouvertures te beluisteren. In de 19de eeuw legde men een duidelijk thematisch verband tussen de ouverture en de belangrijkste episoden van de opera. Deze kunnen dus als een soort synopsis dienen en worden regelmatig 2de hands aangeboden evenals de dwarsdoorsneden en hoogtepunten. Solti op Decca, Böhm en von Karajan op DG zijn de grote namen in deze.

Ook Franz Liszt (1811 -1886) geboren in Hongarije maar de grootste muzikale wereldburger van deze eeuw, mag uiteraard niet ontbreken. Al was het alleen om het feit dat hij de schepper van het symfonische gedicht is en zodoende in meer vrijheid voor de componist voorzag. Velen hebben zich hiervan bediend: Strauss, Smetana, Dvorak, Saint-Saens en zelfs Debussy’s La Mer is ondenkbaar zonder Liszts ontdekkingen.
Tijdens zijn verblijf in Parijs heeft hij zich ingeleefd in de Franse cultuur en zich onder andere op dichter Victor Hugo geïnspireerd. Vandaar ook de Franse titels zoals zijn Les Preludes die het meest populair gebleven is van zijn symfonische gedichten. In Weimar kwam hij weer in contact met de Duitse cultuur waaruit de Faust Symfonie uit 1854 ontstond. Uitstekende keus hier is Bernstein op DG (2707 100) met de BSO. Maar ook Italië was een vaderland voor hem en inspireerde hem tot de Dante Symfonie.
Van zijn klavierwerken staat de sonate in b centraal. De pianoconcerten door Arrau (solist) en Davis (Philips 412 926-1) worden vaak aangeboden en klinken overrompelend. Samen met Wagner is hij de hoofdrolspeler van de Norddeutsche Schule.

Aanknopend bij de klassieken met een heldere, klare bijna ijle klank is Felix Mendelssohn Bartholdy (1809 – 1847). Een vroegrijpe geest die op 17 jarige leeftijd al de sprookjesachtige ouverture Midzomernachtsdroom (Szell op Philips Sequenza 6527 056!) componeerde. Mendelssohn – Joods van geboorte maar gedoopt in de Gereformeerde kerk – was het die Bachs Mattheus Passie weer op de kaart zette en alleen daarom al een standbeeld verdient. Nietzsche zei: “Felix Mendelssohn’s muziek is de muziek van de goede smaak, voor al het goede dat reeds geweest is: zij wijst steeds achter zich”. Vergeleken met Schumann – zij waren goede vrienden – is Mendelssohns muziek helderder en sprankelender.  Ook even edel, maar minder diep. Over Schumanns kunst ligt een soort van patina.
De slanke lenige pianoconcerten zijn een mooi voorbeeld hiervan. CBS heeft beide pianoconcerten gekoppeld met Perahia (solist) en Marriner (CDS 76576). De hoes is aartslelijk, maar de uitvoering en klank zijn buitengewoon. Mendelssohn is echter het meest beroemd om het prachtige vioolconcert uit 1845 waar ontelbare uitvoeringen van zijn. Hoog aangeschreven staat nog altijd die door Mutter (solist) en von Karajan (DG 2532 016).
Het beeldige octet door I Musici (Philips Sequenza 6527 076) zie je regelmatig in het 2de hands circuit. Schitterende opname met twee van zijn twaalf jeugd symfonieën voor strijkers. In deze vroege composities zitten verrassende momenten van zeldzame schoonheid die naar Bach wijzen. Ook zijn strijkkwartetten opus 12 en 13 zijn niet te versmaden. Het LaSalle Kwartet (DG 2530 053) geeft vurige vertolkingen van deze stukken.

Zijn derde symfonie heeft als bijnaam de Schotse en valt op door de donker en herfstig gekleurde harmonieën. De uitvoering door Peter Maag op de budget serie Ace of Diamonds van Decca (SDD 145) is zondermeer de zoektocht waard. Zeldzaam mooie opname en Maag doet alles goed. De koppeling is met de prachtige Ouverture de Hebriden, dat een soort concentraat is van de Schotse. Een werk van een verbluffende oorspronkelijkheid en het sublieme in de natuur blootlegt. Het is het pendant van de Manfred Ouverture van Schumann. Voor de Schotse zijn er prima alternatieven: Haitink met het LPO (Philips 9500 535) en Dohnányi op Decca met het VPO, maar voor de Hebriden Ouverture wordt dat een stuk lastiger.
Hoe anders is zijn vierde met als bijnaam de Italiaanse. Volslagen andere wereld dan de vorige symfonie. De opening kennen we allemaal. Het zijn van die “Oh ja…” melodieën die blijkbaar diep in onze west Europese vezels zitten.
Voor wat betreft de koppeling met zijn andere symfonieën zijn Abbado (Decca en DG), Leppard (Erato STU 71064) en Maazel (DG 138 684) aan te bevelen. De laatst genoemden koppelen de vierde en de Reformation (de vijfde). De bekende 3de en 4de symfonie worden meestal gekoppeld, maar lang niet altijd. Als ik een top 3 zou moeten maken van meest voorkomende platen in het tweede hands circuit, dan staat de volgende plaat daar zeker in: de uitvoering van de ‘Italiaanse’ door Sinopoli (DG 410 862-1) gekoppeld met de Unvollendete van Schubert. Wat een fantastische uitvoering, opname en cover!
Overigens het ‘probleem’ Schubert – een van de grootste geesten van de Europese toonkunst – zullen we binnen de stijlperiode behandelen voorafgaand aan de Romantiek.

We zagen ook weer in deze periode dat er in Duitsland verschillende generaties tegelijkertijd actief zijn. Enerzijds kunstenaars die door hun hoge leeftijd toch nog steeds een aanzienlijke invloed hebben op de laatromantiek en in de tweede helft van de 19de eeuw tot volle wasdom komen. Anderzijds een generatie die nog wortelt in de periode voorafgaand aan de Romantiek: het Classicisme. En er is een middengroep die zich ontplooide tijdens de eerste helft van de 19de eeuw. In Frankrijk en Italië – de andere twee dominante naties – was dat niet anders. Volgende maand komen de grote Franse Romantische componisten aan bod: Berlioz, Franck en Chopin. De Franse romantici die zich later zouden verzetten tegen de Duitse invloed.

De Romantiek I – Anton Bruckner

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek I

Anton Bruckner (1824 – 1896)

Sommige muziek is zo verheven, schoon en edel, dat het bespreken ervan al een ontheiliging bewerkt. Iedere omschrijving gedoemd is te mislukken. Iedere verhandeling, onbevredigend blijkt. Dat geldt zeker voor de muziek van Anton Bruckner. Dit artikel is volledig aan hem gewijd, omdat hij een totaal eigen plaats inneemt in de 19de eeuwse muziek en zich volledig aan de periferie van de romantiek – en alles wat daarmee verband houdt -, bevond. De volledige concentratie op de symfonie als vorm en kunstwerk kon hij alleen volhouden, door zich vrijwel altijd afzijdig te houden van de literaire en filosofische stromingen, maar ook van zijn collega’s uit de beeldende kunst. Een andere reden is de vaste overtuiging dat in Bruckners kunst het fenomeen symfonie, de absolute bekroning vindt. Daarmee is overigens allerminst gezegd dat een Beethoven, Schubert of Mozart symfonie minder gaaf en bevredigend is.

Ontstaansgeschiedenis van de symfonie

Het blijkt dat Haydn ten onrechte de geestelijke vader genoemd wordt van de symfonie. Uit publicaties blijkt dat hij de verworvenheden van diverse voorgangers ‘slechts’ heeft toegepast. Diverse componisten uit verschillende plaatsen zijn verantwoordelijk voor de geboorte van het vormschema symfonie. Mannheim heeft naam met Johann Stamitz (1717 – 1757), maar evenzeer de noord Duitse school met CPE. Bach (1714 – 1788) en broer Wilhelm Friedemann (1710 – 1784), de Weense school met George Matthias Monn (1717 – 1750) en de Italiaanse school met Giovanni Battista Sammartini (1701 – 1775).

De verworvenheden van deze grote pioniers zijn uiteindelijk met succes door Haydn en Mozart toegepast, gecultiveerd en verder bewerkt. Via harmonische uitbreidingen door Beethoven en Berlioz, zou de lijn der ontwikkeling verder gaan om in Bruckner de meester te vinden die de symfonie een ingrijpende gedaantewisseling zou laten ondergaan, zonder de essentie aan te tasten. Hij is er in geslaagd de symfonie als vorm in overeenstemming te brengen met de veranderde geestelijke positie in de Romantiek. Een voorbeeld is de toevoeging van een derde thema of themagroep. Pas na hem zou de symfonie een langzame dood sterven.

De Symfonieën van Bruckner

De grote fout die men wel maakt is dat men de Bruckner symfonieën vergelijkt met die van de grote klassieke meesters voor hem; zoals Beethoven. Alleen al vanuit psychologisch standpunt is de kunst van deze grootse romanticus anders dan de klassieke reus Beethoven, die het mensenleed en de broederliefde bezingt. Ook is Bruckner niet de held van zijn eigen symfonieën, zoals we dat van Beethoven veronderstellen. Zijn muziek is – zij het op geheel eigen wijze – even objectief en boven persoonlijk als die van Bach.
Ook de zelfbewustheid waarmee een Wagner of Beethoven en zijn eigen tijdgenoten componeerde, is hem vreemd en ik ben geneigd te denken dat hij zich niet of nauwelijks bewust was hoe belangrijk zijn bijdrage aan de symfonische kunst wel was. Terwijl een Berlioz of Beethoven, dat wel degelijk wisten. De mooiste typering over de persoon Bruckner is wellicht die door van Hengel in diens Bruckner biografie: half imperator, half heilige. Het is overigens altijd interessant hoe de groten der aarde over elkaar praten. Johannes Brahms moet eens tegen Bruckner gezegd hebben: “ik begrijp helemaal niets van uw muziek”, waarop Bruckner repliceerde: “dat is toevallig, laat ik nu precies hetzelfde hebben”.

Er zijn er geweest die Bruckner als een Wagner epigoon hebben betiteld. Het is waar dat Bruckner Wagner aanbad en in hem een harmonische bevrijder zag. Een aantal verworvenheden van Wagner heeft Bruckner ook wel gebruikt. Maar meer ook niet en dan nog geheel op zijn eigen wijze. Alleen al het feit dat Bruckner zich niets aantrok van zijn held Wagner, om gewoon symfonieën te blijven schrijven zegt genoeg (zie vorig artikel). De opmerking door sommigen in het verleden dat Bruckner’s muziek slechts symfonische uitingen van Wagners’ opera’s zijn, is volslagen belachelijk.

Vergelijking met een Beethoven symfonie bijvoorbeeld, leert dat Bruckner het orkest significant heeft uitgebreid: een derde trompet, een bastuba, een grotere houtsectie, een harp (in de achtste) en uiteraard de zgn. Wagner tuba’s in de laatste drie symfonieën, waardoor de orkestklank aanzienlijk donkerder wordt gekleurd. Deze uitbreiding in het koper en hout, heeft natuurlijk consequenties voor de orkestklankbalans. Omdat de strijkers tegenover een massaler blazercomplex staan dan in de klassieke symfonie, moet hun aantal ook uitgebreid worden.

Zelden hebben we in de symfonische literatuur gezien dat de tweede violen en alten uit hun ondergeschikte plaats in het orkest worden gehaald en een eigen rol krijgen; en veelal zelfs een leidende functie.
Een ander opvallend en buitengewoon interessant aspect is dat de tweede violen rechts (voor de concertbezoeker) opgesteld dienen te worden, wat consequenties voor de totaalklank heeft. Omdat nu bij deze opstelling de F-gaten op het bovenblad der tweede violen meer naar achteren stralen, krijgen ze zodoende een meer omfloerste, vage mystieke klank dan de eerste violen. De laatste keer dat ik Martin Sieghart zag met het Gelders orkest in de Vereeniging in Nijmegen, had hij de tweede violen ook op rechts geplaatst en de bassen links achterin. Ik weet niet of hij dat allang doet, maar het klonk inderdaad anders dan anders.

Er zijn plekken in Bruckners muziek aan te wijzen waarin een celli thema wordt ondersteund door de tweede violen, waardoor het haast lijkt of een melodie zich met zijn eigen schaduw laat horen. Deze geheimzinnige klank is niet toevallig maar typerend voor de levensvisie van deze meester, die het eeuwige natuurmysterie verklankt, maar ook het mysterie tussen schepper en schepsel.
Ook bij het koper zien we een totaal andere behandeling dan voorheen. Niet alleen is er meer zelfstandigheid voor deze groep, maar dikwijls een ook leidende positie. Dat Bruckner het koper apart noteerde, zegt genoeg.
Eenmaal de speurtocht in zijn kunst begonnen, stuiten we op onbeschrijfelijke muzikale invallen, stemmenweefsels, klankcombinaties en vlechtwerk van melodieën waardoor wij vaak in verwarring zijn of het nu een melodie of een begeleiding betreft. Zijn muziek is nooit teveel en nooit te weinig. Luister hoe zijn muziek voortdurend spant en ontspant. Kortom: het mechanisme waarvoor de Europeaan zo gevoelig is.

Hij heeft – zijn studie symfonie in F meegerekend – 11 symfonieën, diverse koorwerken, een Te Deum en een prachtig strijkkwintet geschreven. Daar komt nog bij dat hij de meeste symfonieën op latere leeftijd nog grondig heeft herzien. Ook hierin is Bruckner uniek. En met herzien, bedoelen we niet hier en daar even wat bijschaven of polijsten. Integendeel, dit zijn ingrijpende en dus tijdrovende herzieningen geweest. Als er ergens iets verandert, dan moet dat ook op andere plekken gebeuren ter wille van de balans in de structuur. De achtste is hier wellicht het meest in het oog springende voorbeeld van. Wat een verschil met de tweede en meest uitgevoerde versie! Zo beschouwd, heeft hij het aantal symfonieën bijna verdubbeld. Uiteindelijk is hij daardoor tijd tekort gekomen om zijn geweldige 9de symfonie, af te maken.

De cycli

Er zijn in de loop der tijd veel cycli op plaat uitgebracht met beroemde dirigenten, waaronder de Brucknerianen, Haitink, Jochum, von Karajan en Walter. De complete set door von Karajan uit de jaren 70 kan men als de absolute ruggengraat beschouwen. Uit deze cyclus blijkt von Karajans meesterlijke inzicht in de structuur van de Bruckner symfonie. Vooral de derde klinkt meesterlijk, maar ook de achtste en negende zijn bij hem in goede handen. Prettig is dat deze uitvoeringen gemakkelijk in het tweede hands circuit te krijgen zijn, behalve dan de opnames uit het digitale tijdperk. Die zijn wat lastiger. Overigens wordt slechts zelden de complete set aangeboden op e-Bay. Vreemd is wel dat von Karajan nooit de nulde heeft opgenomen.
De Philips set door Haitink uit de jaren 60 en 70 is een interessante. Hoewel qua tempi hier en daar aan de snelle kant, geeft de jonge Haitink wel de wetenschappelijk verantwoorde versies van de tweede en derde, maar in het slot van het eerste deel van de negende is hij wat eigenzinnig met de paukenslagfiguur. Dat doet hij ook in zijn opname uit het begin jaren 80 en is daardoor dan wel weer consequent.
De DG set door Jochum is enigszins teleurstellend, maar zijn EMI cyclus is nuttig als aanvulling. Die worden soms als losse uitgaven her en der aangeboden en klinken bijzonder goed.

Dan de set door Inbal op Teldec Telefunken, die van alle symfonieën de oorspronkelijke versies geeft en daarom buitengewoon interessant is. Onbegrijpelijk dat de grote Bruckner interpreten nooit de eerste versie van de achtste hebben opgenomen. Voor deze versie is men op de plaat dus aangewezen op Inbal met de Frankfurters.

De losse uitgaven

Welke set men ook kiest het is altijd zinvol, dirigenten te beluisteren die slechts enkele symfonieën van Bruckner hebben opgenomen. Onder de losse uitvoeringen, vinden we voor de achtste een uitmuntende Giulini met de Weners op DG, die in veel opzichten mijn voorkeur heeft. Ook zijn negende uit hetzelfde huis is fantastisch. Het lijkt wanneer Giulini een Bruckner symfonie dirigeert, alles op natuurlijke wijze ademt. Helaas is de 9e alleen op CD beschikbaar, maar vinyl liefhebbers kunnen gerust hun toevlucht nemen tot de EMI uitgave met de Chicago Symfonie Orchestra uit eind jaren 70.
Von Karajan heeft de negende al een keer eerder opgenomen voor DG halverwege de jaren 60, die door veel liefhebbers wordt geprezen. Persoonlijk vind ik het een grote teleurstelling: veel te snel gekozen tempi. Ook de achtste die hij eind jaren 50 voor EMI heeft opgenomen, vind ik geen onverdeeld succes.
De Negende door Dohnanyi op Decca dient vermeden te worden, maar de zesde door Solti uit hetzelfde huis is een welkome aanvulling. Ook die met Klemperer op EMI heeft veel lauweren geoogst en kan als de norm worden beschouwd. De uitvoeringen van Gunther Wand met de Kölners worden regelmatig op e-Bay aangeboden en zijn ook zeer de moeite waard.

Volgende maand zullen we Bruckners tijdgenoot Brahms en de generatie daarvoor met Schumann – die Brahms heeft beïnvloed –  en Mendelssohn bespreken. Een behoudende stroming die het waardevolle erfgoed van de traditie bewaakte en kampte met de 19de eeuwse problemen van vorm en inhoud.