Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

« Vorige berichten

NIELSEN – The Symphonies & Concertos

Tuesday, September 13th, 2016

nielsen-dacapoNIELSEN
The Symphonies & Concertos
New York Philharmonic, Alan Gilbert
DACAPO 4 HYBRID SACD 6200003 DDD 72:23/69:20/71:25/77:16

Waardering: 7

In het vorige nummer bespraken we nog de set onder Storgårds met het BBC Philharmonic op Chandos. Nu weer een cyclus onder Alan Gilbert met het New York Philharmonic op Dacapo. Alleen nu een set van 4 schijven, waarvan een met de drie concerten: die voor fluit, voor klarinet en voor viool. Van de drie concerten, vind ik persoonlijk het klarinet concert het meest frivool en boeiend. Niet in de laatste plaats, door de grappig geschreven partituur voor de snare drum. Voor wat betreft de symfonieën is het plussen en minnen, vergeleken met de set door Storgårds. Beiden doen goede dingen. Gilbert is me net iets teveel legato. Dat stoort me het meest in het zielsklievende thema uit het derde deel van de 4de symfonie. Blomstedt grijpt me daar iedere keer weer bij de keel: de totale vervoering op het soms ondraaglijke af. Maar de finale klinkt bij Gilbert weer grootser dan bij Storgårds. Gilbert excelleert ook in de eerste symfonie, waar hij een grandeur bereikt die dicht bij Blomstedt komt. Kort en goed: zeker geen slechte set, maar alles overziend missen ook deze opnames de overweldigende directheid en vanzelfsprekendheid van Blomstedt op Decca.

Emile Stoffels
Luster Magazine

NIELSEN Complete Symphonies – John Storgårds

Saturday, August 20th, 2016

NielsenNIELSEN
Complete Symphonies
BBC Philharmonic, John Storgårds
Chandos CHAN 10859(3) DDD 66:44/73:20/71:34

Waardering: 7

Na de succesvolle opname van de Sibelius symfonieën, komt Chandos nu met de integrale opname van de Nielsen symfonieën onder John Storgårds. Het lag voor de hand deze set met die onder Blomstedt te vergelijken. De Decca opnames met het San Fransisco Symphony, vormen voor mij sinds de release de ruggengraat voor de symfonieën van Nielsen. Bij Storgårds’ eerste beluistering, was de ervaring positief. Vooral bij de eerste symfonie heeft Storgårds een aanstekelijke puls en is erg precies in de frasering. Mede hierdoor ontstaat er een lichtvoetigheid die zeer aanspreekt. Het BBC Philharmonic reageert uitermate alert. Echter, in de 4de mis ik toch de overdonderende directheid van Blomstedt. Vooral in het laatste deel missen de pauken het gewicht. Ik ben dan ook van mening dat de opname bij deze set een grote rol heeft gespeeld. Het orkest staat erg (te?) diep in het stereobeeld, zoals we van Chandos gewend zijn. Toch is er veel detail te horen. Maar het koper, het slagwerk en de lage strijkers, missen de nodige substantie. Zeker in vergelijk met de genoemde Decca’s. Hierdoor lijkt het, of dat continue de handrem wordt aangetrokken. Jammer: hier had meer in gezeten.

Emile Stoffels
Luister Magazine

PROKOFIEV – Piano Concertos Nos. 1 – 5

Thursday, June 26th, 2014

PROKOFIEV
Piano Concertos Nos. 1 – 5 (Complete)
Jean-Efflam Bavouzet (piano), (piano), BBC Philharmonic o.l.v. Gianandrea Noseda
Chandos CHAN10802(2) • DDD-2.01′
Uirvoering *** | Registratie ***

Het is een regelmatig geuite kritiek dat er weinig tot geen ontwikkeling is te horen, in de vijf pianoconcerten van Prokofiev. Toch schenken deze concerten stuk voor stuk veel voldoening. Het spel van Bavouzet is zeker verfijnd en licht. Dat laatste kan erg goed uitpakken, maar de dirigent geeft hier ook een soort lichtheid aan deze concerten. En dat is hier net iets te veel van het goede. Het lijkt wel of de muziek nooit echt los komt, terwijl die meeslepende en stuwende momenten er toch zeker wel zijn. Ook in het populaire derde concert mis ik – vooral in het laatste deel – de bitsheid en grimmigheid. Het eerste concert is wat mij betreft nog het beste geslaagd, mede doordat het inzichtelijk wordt gedaan. Indien het echter een complete set moet zijn, dan zou ik kiezen voor de heruitgave uit hetzelfde huis met Järvi en het CGO. Deze is een paar jaar geleden nog opnieuw verdoekt uitgebracht. Die opname geeft ook veel inzicht, maar heeft ook de nodige opwinding. Vooral die met Gutiérrez als solist. Verder is de wat oudere Decca-opname met Ashkenazy een uitstekende keuze, hoewel uiteindelijk overall Béroff op EMI mijn absolute favoriet blijft.

Emile Stoffels
Luister Magazine 698

SZYMANOWSKI – Stabat Mater • Harnasie

Saturday, March 22nd, 2014

SZYMANOWSKI
Stabat Mater • Harnasie
BBC Symphony Chores • BBC Symphony Orchestra • Edward Gardner
Lucy Crowe • Pamela Helen Stephen • Robert Murray • Gábor Bretz
Chandos CHSA 5123 SACD DDD 58’36

Uitvoering / opname  ***** / *****

Polen had tijdens de bloeiperiode der nationale toonkunst geen rol van betekenis gespeeld en nadat de Poolse grenzen door de Europese herschikking in 1918 weer eens waren herzien, was men uiteraard ook op zoek naar een artistieke heroriëntatie. In die tijd trad Szymanowski als sterke figuur op. Het is goed te horen dat ook Szymanowski – nadat hij was beïnvloed door Richard Strauss – zich begint af te zetten tegen de Duitse stijl, die hem zo in haar greep had. Zijn interesse voor de mystiek en oosterse religie werkte als een antidotum, maar zeker ook zijn ontdekking van Scriabin, Debussy en Stravinsky’s Petrushka. Hoogtepunt op deze cd is uiteraard het Stabat Mater uit 1925/26, dat een Byzantijnse soberheid kent. Een ‘Boeren Requiem’ dat hij schreef toen hij als directeur werkzaam was aan het conservatorium van Warschau. Het is ontegenzeggelijk Szymanowski’s belangrijkste vocale werk en is ondanks zijn bescheiden afmeting, een uiterst expressief en indringend opus. In het laatste deel horen we een melodie waarvan Szymanowski zelf zei, dat het de mooiste melodie was die hij ooit had geschreven. De opname onder Gardner is voortreffelijk in balans en het BBC koor klinkt groots en homogeen. De solisten zijn zo mogelijk in nog grotere vorm. Alles lijkt te kloppen in deze opname, maar het belangrijkste is waarschijnlijk dat de luisteraar een volslagen spirituele ervaring ondergaat: een doop in sacrale kleuren en klanken. Hier tegenover staat het heidens, liederlijke Harnasie dat Szymanowski daarna schreef: een kleurrijk volksballet over de bandieten van de Tatra’s. Om gezondheidsredenen moest hij in het Tatra gebergte verblijven en werd geboeid door de volksliederen van die streek. Ook hier krijgen we een zinderende uitvoering voorgeschoteld. Deze SACD zou in iedere kast moeten staan. Gezien de hoeveelheid speeltijd had er wat mij betreft nog wel wat extra muziek op gemogen.

Emile Stoffels
Luister Magazine 696

BARTOK – Works for Violin and Piano

Saturday, August 31st, 2013

BARTOK
Works for Violin and Piano Vol 2
James Ehnes • Andrew Armstrong
CHAN 10752 DDD 78’08

Uitvoering/opname *****/*****

Bartoks sonate voor viool solo wordt al heel lang gezien als een van de grootste en tevens moeilijkste werken in de vioolliteratuur. Het bracht Yehudi Menuhin ertoe – om maar even een dwarsstraat te noemen – de meester te vragen een aantal secties te herschrijven. En dan ging het vooral om het laatste deel. Met deze ‘symfonie voor één viool’ plaatst Bartok zijn solo vioolsonate qua schaal en grandeur op het zelfde verheven niveau als die van Bach. Met groot ontzag horen we hoe het thematisch materiaal gekneed wordt. Alle verworvenheden met betrekking tot concentratie en dichtheid van de materie uit de middelste kwartetten, zijn hier wellicht op nog wonderbaarlijkere wijze toegepast. Met deze grandioze sonate heeft Bartok zijn kamermuziek productie inderdaad op het hoogste niveau afgesloten. Dit werk zal nooit teleurstellen en Ehnes doet dat dus ook niet. Hij geeft een ongekend beheerste uitvoering met zeer veel expressie. Ik heb tijdens de gehele sonate op het puntje van mijn stoel gezeten en met de mond open geluisterd. Wat een kunde en schijnbaar gemak! Ingetogenheid gaat bij Ehnes hand in hand met een gecontroleerde roekeloosheid, die mij sterk deed denken aan Kovács’ uitvoering van Bartoks tweede vioolconcert op Hungaroton. Met name ook hoe hij zich door al die dubbelgrepen werkt in de hoekdelen. De Fuga krijgt hier haast een mate van hooghartigheid, die ik niet eerder gehoord heb. Gesublimeerd en verheven klinkt het derde deel, de Melodia. Het Presto met zijn kwartnoten en tegenritme is letterlijk adembenemend precies, zonder de innerlijke bewogenheid van dit deel op te offeren. En dit alles met de juiste tempi en dynamiek. De Chandos opname is vlekkeloos en biedt een mooie homogene presentatie voor de viool. Niet teveel galm en niet te droog: precies goed. Ik zou het wel van de daken af willen schreeuwen.

Emile Stoffels
Luister Magazine 691

TCHAIKOVSKY Symphony No. 6 – Tabachnik

Tuesday, October 23rd, 2012

TCHAIKOVSKY
Symphony No. 6, Pathétique Romeo & Juliet
Brussels Philharmonic, Michel Tabachnik
Brussels Philharmonic Recordings BPR0003 DDD 62:09

Uitvoering/opname ****/****

Tabachnik is sinds 2008 muziekdirecteur van het Brussels Philharmonic en probeert op een creatieve manier het ijzeren repertoire met de muziek van de 20ste eeuw te combineren. Zijn motto: “We zijn geen museum, wel een platform voor levende muziek.” Dat Tchaikovsky’s Pathétique nog steeds leeft laat Tabachnik overduidelijk horen en dat ervaren we direct bij de opening, als na het neerslachtige Adagio het Allegro non troppo inzet. Hier wordt schitterend spel tentoongespreid. Het doet denken aan de opname van Jansons op Chandos, die nog steeds de toetssteen vormt. Het sleutelmoment – de stormachtige passage na de zachte klarinet solo – staat hier als een huis. We kennen teveel uitvoeringen die hier te snel overheen fietsen, maar Tabachnik dus niet. De finale is – tegen de traditie in – een langzaam deel: Adagio lamentoso. Een volslagen afwijkende indeling van de symfonie. Tchaikovsky noemde dit deel een requiem en Tabachnik vat dit ook als zodanig op, hoewel von Karajan op DG hier nog steeds indrukwekkend blijft. Kort en goed: Jansons blijft voor mij de norm, von Karajan heeft zijn merites in het laatste deel, maar Tabachnik komt dicht in de buurt. Bovendien is de opname van de laatste superieur. De combinatie met Romeo en Juliet is een veel voorkomende maar niettemin een logische, gezien het thematische verband.

Emile Stoffels
Luister 685

LUTOSLAWSKI Vocal Works Volume 2

Thursday, February 23rd, 2012

LUTOSLAWSKI
Vocal Works Volume two
Lucy Crowe Toby Spence Christopher Purves
BBC Symphony Orchestra Edward Gardner

CHANDOS CHAN 10688 DDD 67:40

Uitvoering/Registratie *****/*****

In het september nummer besprak collega Riedstra al tamelijk positief de Volume one: de  orkestwerken van Lutoslawski. Deze CD bevat enkele vroege vocale werken en drie latere zeer belangrijke. Mijn eerste kennismaking met Lutoslawski’s muziek was met zijn aan Bartok opgedragen Funeral Music voor strijkers. Het was liefde op het eerste gezicht en die is nooit overgegaan. De CD opent met de op volksmuziek gebaseerde Silesian Triptych uit 1951. Vooral het onheilspellende middelste stuk komt direct binnen. Het Paroles tissées stamt uit 1965 en was geschreven voor Peter Pears, die ook de première deed. De instrumentatie is interessant: slechts strijkers, piano en harp. Het eerste deel doet aanvankelijk aan zijn genoemde Funeral Music denken. Het zwaartepunt van deze compositie ligt duidelijk op het derde deel, net zoals bijvoorbeeld bij zijn Concert voor Orkest. Net als de Paroles, is ook de aan Dietrich Fischer-Dieskau opgedragen Les Espaces du sommeil uit 1975 geïnspireerd op een gedicht (dit keer van Robert Desnos), dat zijn climax pas aan het eind bereikt. Daar is de muziek geniaal op afgestemd en de droom is hier evenzo het onderwerp. Ook het prachtige Lacrimosa uit 1937 staat erop en is zijn enig sacrale stuk. Het zou deel moeten gaan uitmaken van een Requiem dat er nooit kwam. Het programma besluit met het opvallend kleurrijke Chantefleurs et Chantefables voor sopraan en orkest uit 1990. De solisten staan helemaal in de muziek en hebben m.i. alles gegeven om deze cd tot een onverdeeld succes te maken. Dit is overigens – in tegenstelling tot de Volume one – geen SACD, maar de registratie is van een adembenemend realisme. Zelden heb ik de solisten zo mooi in het stereobeeld gehoord. Kippenvel!

Emile Stoffels
Luister 680

TCHAIKOVSKY Symphony No. 6 – Mikhail Pletnev

Saturday, January 7th, 2012

TCHAIKOVSKY
Symphony No. 6 in B minor, Op 74 Capriccio Italien, Op. 45
Russian National Orchestra Mikhail Pletnev
PentaTone Classics PTC 5186 386 SACD DDD 62:13

Uitvoering/Registratie ***/***

Tchaikovsky’s zesde – door broer Modest, ‘Pathetique’ gedoopt – werd door de meester zelf als de sluitsteen van zijn oeuvre beschouwd; als het beste en oprechtste van zijn werken. Pletnev heeft de Pathetique al eens voor Virgin opgenomen en oogstte toen veel lof. Nu dus voor PentaTone. De vorige keer was ik tamelijk onder de indruk van de vijfde, vooral hoe hij gedoceerd naar de climaxen toewerkte. Dit zorgde voor een vanzelfsprekende en natuurlijke opname. Nu had ik dat gevoel veel minder en ontwaarde ik wat overdreven nadrukjes en eigenzinnigheden. Ter vergelijk diende mijn old time favourite Mariss Jansons op Chandos. Ofschoon Pletnev zonder twijfel zo z’n momenten heeft, mist hij wat mij betreft de scherpte en souplesse van Jansons. Een sleutelmoment is altijd de stormachtige passage in het eerste deel na de zachte klarinet solo. Jansons gebruikt daar een gecontroleerde roekeloosheid en raffinement die – in tegenstelling tot Pletnev – toch niet gekunsteld aandoet. Bij het laatste deel is Jansons ook overtuigender, vooral door een zangerigheid die ik hier totaal mis. Pletnev is hier bij vlagen zelfs log en wat hoogdraverig. De opname heeft een goede klankbalans maar mist wat glans en schittering, die ik op de Chandos opname zo waardeer.

Emile Stoffels
Luister 679

Brahms Symphonien NR. 2 & 3

Wednesday, May 11th, 2011

BRAHMS
Symphonien NR. 2 & 3
Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks
Mariss Jansons

BR Klassik 900111 SACD DDD 79’

Uitvoering/Registratie *****/*****

Ook de symfonieën van Brahms beginnen de catalogus zo langzamerhand te overspoelen. Uiteraard heb ik Mariss Jansons zeer hoog zitten. Dat begon na zijn beroemde en baanbrekende Tchaikovsky vertolkingen, halverwege en eind jaren 80 voor Chandos. Aanvankelijk dacht ik dat deze Brahms symfonieën de zoveelste dertien in een dozijn zouden worden. Wat een vergissing! Met open mond hoorde ik hoe alles natuurlijk vloeit uit de handen van Jansons en wat een vanzelfsprekendheid er blijkt uit deze opvatting. Het elastische legato spel deed mij sterk denken aan de von Karajan cyclus uit de jaren 60 voor Deutsche Grammophon. Ook de orkestklank had een indringende gloed en het ensemble levert met een schijnbaar gemak, waar Jansons om vraagt. Bovendien was alles in balans. Ik zal niet zeggen dat er nu volslagen nieuwe inzichten te bespeuren waren, maar wat een geweldige uitvoering is dit. De opname is van een zeldzame romigheid en groots van gebaar en kleur. Alles klopt, ook het keurig verzorgde hoesje met op de voorkant een detail uit De brand van het Hoger- en Lagerhuis van William Turner. Hoogste waardering voor deze topproductie.

Emile Stoffels
Luister 674

De Laatromantiek (III)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (III)

In Duitsland domineert in deze periode nog altijd Richard Wagner (1813 – 1883) die het zogenaamde ‘gesamtkunstwerk’ propageert en in zijn theoretische geschriften onder andere verkondigde dat de rol van de symfonische muziek was uitgespeeld. Er zijn dan ook relatief weinig symfonieën geschreven door Duits sprekende componisten van de generatie 1860-1875. Men koos Liszt en zijn ‘symfonische dichtungen’ als voorbeeld, daarmee aangevend dat de symfonische muziek afhankelijk was geworden van het woord. Onder Wagner’s invloed verschuift het zwaartepunt der compositie naar de vocale muziek: lied of opera.

Een componist die met een verbazingwekkend gemak en behendigheid zich aanpast aan deze uitdagingen is Richard Strauss (1864 – 1949). In Duitsland is hij lange tijd als de grootste componist van de twintigste eeuw gelauwerd. Natuurlijk ook doordat hij op relatief hoge leeftijd actief is geweest tot diep in die eeuw. Toch is deze toondichter eerder een voltooier en samenvatter van het verleden, dan een pionier zoals Debussy. Deze zocht wel degelijk naar bevrijding van de muziek door de literatuur en het Wagneriaanse pathos.
“When ich wollte, kan ich ein Bierglass, tönend mahlen“, moet hij eens gesnoefd hebben. Eerlijk is eerlijk: er zijn weinig componisten die dit kunnen. Dit is zeker het geval met de “Alpen Symfonie”, dat overigens geen symfonie is, maar een symfonisch gedicht. Hier zijn twee uitvoering toonaangevend: Haitink op Philips (416 156-1) en von Karajan op DG (2532 015). Haitink met het CGO klinkt opvallend natuurlijk, maar voor de climaxen in dit werk mag von Karajan niet absoluut ontbreken. Luister bijvoorbeeld naar de overweldigende ‘Storm’ en de ’Zonsondergang’ die van een verblindende schoonheid is.

Belangrijkste symfonische gedichten van de hand van Strauss zijn Don Juan (1888), Tod und Verklärhrung (1889), Till Eulenspiegel (1895), het overbekende Also Sprach Zarathustra (1896), Don Quixote (1897), Ein Heldenleben (1898), Sinfonia Domestica (1903) en de zojuist besproken Alpen Symfonie (1915).
We kunnen rustig stellen dat er drie grote interpreten zijn die de moeite van het zoeken waard zijn: von Karajan, Haitink en Reiner. Van de laatste is een prachtige 200 gram heruitgave van Also Sprach Zarathustra verschenen op Classical Records (ALSC 1806Q).
Zijn “Metamorphosen” voor strijkorkest uit 1945 bezit een gloed die hij niet eerder bereikt had tot dan toe. Het is een waardig afscheid van het Romantische tijdperk; een laatste samenvatting door een kunstenaar die zichzelf als de laatste nazaat van Beethoven zag. Het werk besluit dan ook met een citaat uit de treurmars van de Eroica symfonie. Het werk heeft even in een kwaad daglicht gestaan, omdat men dacht dat het een klacht was over de ondergang van Hitler en zijn Derde Rijk. Deze aantijging is uiteraard achterhaald. Het klinkt saai, maar ook hier is von Karajan weer de standaard. De maestro nam het twee keer op, voor DG: in 1971 en ’83 (2530 066 en 2532 074)
Dan een van zijn beste en schoonste werken: “Die Vier Letzte Lieder” op teksten van Hesse en Eichendorff. Wat mij betreft het hoogtepunt van het orkestrale lied. Ook voor dit werk heeft von Karajan twee opnames gemaakt voor DG met Gundula Janowitz en Anna Tomowa-Sintow (2530 368; 419 188-1) en ik moet bekennen dat het moeilijk kiezen is. Vreemd genoeg zie je deze uitvoeringen niet zo heel erg vaak. Er zal dus op e-Bay gezocht moeten worden voor snel resultaat. Wel komt men in kringloopwinkels regelmatig de uitvoering met Norman en Masur tegen op Philips (6514 322). Deze is op nogal wat aspecten erg goed, maar persoonlijk vind ik de tempi net iets te traag. Er zijn uiteraard veel goede uitvoeringen van dit opus, maar de klassieke uitvoering van deze zwanenzang is en blijft natuurlijk die met Schwarzkopf en Szell op EMI, waarvan men regelmatig heruitgaven tegenkomt.

Bij Max Reger (1873 – 1916) kan men goed zien hoe de componist worstelt met het feit dat het woord belangrijker wordt dan de muziek.
Zijn kolossale “Symphonischer Prolog zur einer Tragödie” was oorspronkelijk bedoeld als eerste deel van een symfonie en duurt al ruim een half uur. En dan te weten, dat er nog 39 pagina’s werden geschrapt. Een symfonie is er gezien het muzikale klimaat van die tijd dus niet meer van gekomen: de symfonie als vorm, werd in Duitsland minder populair.
Het begint onheilspellend. Een aankondiging van het algemeen menselijk drama van noodlot, strijd, ondergang en heilsverschiet, zoals Höweler het noemt. Het stuk komt daarna langzamerhand in beweging. Uiterst zachte passages met liefelijke melodieën in het hout, worden abrupt onderbroken door plotselinge versnellingen met extatische climaxen. Dit alles mond uit in een aangrijpende koraalmelodie die helemaal opengaat en straalt en in schittering blijft toenemen. We zijn dan halverwege, om weer opnieuw de worsteling van het menselijke drama en lijden te ondergaan met aan het einde nog een keer die hemelse koraal in ietwat gewijzigde vorm. Hoe kan iemand toch zoiets moois bedenken? Het doet denken aan een gedachte van Henriette Roland Holst (1869 – 1952) uit haar gedicht “Sombre gedachten schiep een sombre tijd”:

Maar onderwijl werd in beneden-lagen
ver van ’t mistroostig ras dat heerschte op aard,
met smart ontvangen, en in pijn gebaard
de nieuwe kracht, die ons omhoog zal dragen.”

Er zijn helaas niet veel uitvoeringen te krijgen van dit gecompliceerde opus. Hoe komt het toch dat de grote dirigenten dit werk laten liggen? Ik ken maar een uitvoering op vinyl en dat is op het label Schwann Musica Mundi (VMS 1605) onder Gerd Albrecht met het Radio-Symphonie-Orchester Berlin. Vervelend is dat hij bijna niet wordt aangeboden: lastige muziek en een label met een niet al te grote oplage. Maar geen nood, voor degenen die dit werk willen leren kennen, het is ook te downloaden bij www.eclassical.com voor USD 0,99 en wordt aangeleverd op een 320kbps MPEG-1, layer 3 bestand. De uitvoering is door Leif Segerstam met Norrkoping Symphony Orchestra. Een zeer goede uitvoering en het klinkt indrukwekkend. Uiteraard is het ook te koop op CD (Bis), maar niet voor USD 0,99….
“Vier tondichtungen nach Arnold Böcklin” is een vierdelige orkestsuite geïnspireerd op schilderijen van Böcklin (1827 – 1901). Het eerste deel Der Geigende Eremit is van een onmetelijke schoonheid. Het is of men na vele jaren, weer herenigd wordt met een bekend landschap. Alsof men heilige grond betreedt. Ook hier is het aantal uitvoeringen op vinyl weer dun bezaaid, maar Järvi met het CGO (Chandos ABRD 1426) ziet men regelmatig op het net gekoppeld met de Hiller variaties. Dit is overigens een van de weinige keren dat het CGO te beluisteren is op een ander label.
Qua orkestwerken dienen nog genoemd te worden: Eine Balletsuite op. 130; Eine Romantische suite op. 125; Konzert im alten Stil op. 123; de Serenade in G groot op. 95; Variationen und Fuge über ein Thema von Mozart op. 132 en Variationen über ein lustiges Thema von Joh. Adam Hiller op. 100.
Reger, heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten: concertante werken, prachtige kamermuziek en orgelwerken. Zijn orgel oeuvre komt men op vinyl regelmatig goedkoop her en der tegen en ze kunnen de vergelijking met andere orgelcomponisten, bijvoorbeeld César Frank, gemakkelijk doorstaan. Ofschoon ik niet al zijn orgelwerken ken, aarzel ik niet die aan te bevelen.

Zelfs bij Gustav Mahler (1860 – 1911) die tegen de stroom in toch nog symfonieën blijft schrijven en daarin ook zondermeer te prijzen is, ziet men dat hij het vocale aspect soms toch nog een belangrijke of zelfs dominante positie verleent. Zie symfonieën 2, 3, 4 en 8. Zijn orkestrale liederen echter, nemen in zijn oeuvre een bijzondere plaats in. En persoonlijk denk ik, dat daar precies Mahler’s belangrijkste bijdrage ligt.
Het maandblad “Klassieke Zaken” schrijft in het juni nummer over Mahler: “Het Koninklijk Concertgebouworkest nam onlangs een spraakmakende beslissing: in het nieuwe seizoen 2008-9 staat er geen Mahler op het programma. Een Mahlerloos jaar dus voor het orkest dat geldt als de belichaming van de Nederlandse Mahlertraditie. Is zo’n time out erg of juist niet? De menigen daarover zijn verdeeld, liggen ergens tussen het ‘verontrustend’ van Kaspar Jansen in NRC Handelsblad en een droge, constatering in.”
‘Verontrustend’ nog wel. Waarschijnlijk hoor ik bij de mensen aan de andere kant van het spectrum, die zouden opmerken dat het eens tijd werd. De eerlijkheid gebiedt toch te zeggen dat Mahler buiten proportioneel wordt uitgevoerd; op het stomvervelende af zelfs.
Afgezien van vlagen van aangrijpende schoonheid, komt zijn muziek – althans in de symfonieën – op mij veelal, sentimenteel, gezocht en soms ronduit aanstellerig over. Het mist de edelheid en vanzelfsprekendheid die andere grote componisten kenmerkt. Niettemin wordt deze componist van formaat door een aantal beschouwd als een van de grootste symfonici na Beethoven en geniet een ongekende populariteit. Niet in de laatste plaats vermoed ik, doordat Mahler een geliefd marketingobject geworden is. Mahlerbrilletjes, Mahlerhorloges, Mahlerstropdasjes en zelfs Mahlerwijn hadden we een aantal jaartjes geleden.
Ook het aantal Mahler symfonieëncycli begint zo langzamerhand een ware plaag te worden. Bernstein, de grote Mahler advocaat, stuitte in het verleden op veel weerstand; uitgerekend bij de Weners zelf. Scheissmusik noemden ze het. Bernstein noemde Mahler zelfs een groot profeet. Hoe au serieus we dit moeten nemen valt te raden. Hij nam de symfonieëncyclus wel twee keer op: voor CBS met de New Yorkers en het LSO en voor DG met het CGO, weer de New Yorkers en de Weners. Deze laatste cyclus is mateloos populair op e-Bay.
De cyclus op DG door Kubelik wordt wel hier en daar in antiquariaten en kringlopen aangeboden en is een verfrissing te noemen. Zijn opnames worden soms een beetje onderuit geschreven, maar de veelal (te) ingetogen interpretaties van hem – bijvoorbeeld het Pianoconcert van Robert Schumann – pakt hier uitstekend uit. Wat me bij deze uitvoeringen opviel was de onbevangenheid. Geen aanstellerij, geen effectbejag die je bij Bernstein veelal aantreft, ofschoon ik denk dat Lenny het wel integer bedoelde.
Ook de uitvoeringen door Haitink die als een groot Mahler interpreet bekend staat, zijn nog goed verkrijgbaar in de kringloopbakken. Vooral de eerste en vierde van zijn tweede cyclus. Ook die van “Das Lied der Erde”. De uitvoering van dit mooie lied door Jochum op DG, zou je alleen al voor de hoes kopen.
De uitvoeringen door von Karajan vond ik erg tegenvallen, behalve de zesde die in de Peguin Guide de hemel wordt in geprezen. Terecht.
De cyclus met Abbado op DG is behoorlijk consistent wat ik zo hoor van Mahler liefhebbers. Abbado is en blijft een edele dirigent. De tweede symfonie heeft echter last van behoorlijke dynamische verschillen wat niet altijd handig is.
De cycli door Solti op Decca kenmerkt zich door een spectaculaire klank.

Als laatste noemen we Hugo Wolf (1860 – 1903). Deze trouwe vriend van Anton Bruckner en veel te weinig gehoord, is vooral bekend om zijn liederen. En met goede reden. Het is de laatste grote meester van het Duitse lied met pianobegeleiding. Uiteraard door de gekozen vorm ziet men bij hem de sterke verbondenheid met het gedicht. Zijn “Spanisches en Italienisches Liederbuch” zijn weergaloos. Probeer Fischer-Dieskau (Bariton), Schwarzkopf (Sopraan) en Moore (piano) voor de Spaanse liederen op DG te krijgen (DG 413 226-1). Voor de Italiaanse liederen (DG 2705 018) wederom Diskau, Seefried en Werba/Demus (piano). Ofschoon Wolfs grootste bijdrage de liederen zijn, is ook zijn Italienische Serenade een kostelijk stuk kamermuziek. Veel mooie Decca opnames zijn ooit op de goedkopere serie “Ace of Diamonds” verschenen. Het Küchl kwartet geeft een bevlogen uitvoering van deze prachtige serenade (Decca SDD 543).

We hebben in de laatste 3 afleveringen componisten besproken die men laatromantisch noemt. Het blijft altijd een hachelijke onderneming grenzen en lijnen te trekken. Waarom noemen we Bartok nu modern en Reger laatromantisch? De indeling door Norbert Loeser acht ik een bruikbare: “Wij trekken de scheidslijn tussen het verleden en de ‘moderne’ muziek daar, waar de componist niet alleen theoretisch maar ook praktisch in zijn creatief werk vrijwillig of gedwongen experimentator wordt. Waar hij voor het eerst voelt dat hij in een artistieke dwangpositie verkeert, waaruit een vlucht nauwelijks meer mogelijk is.” Het is het opzettelijk zoeken naar het ongehoorde, ja, zelfs het absurde. Het nieuwe willen tot elke prijs.
Volgende keer beginnen we met de Romantiek. We zullen grote namen tegenkomen: Schumann, Mendelssohn, Brahms, Chopin, Berlioz en Bruckner. Een stijlperiode die niets maar dan ook niets heeft te maken met wat mensen zoal verstaan onder Romantiek of romantisch.

« Previous Entries