Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

ENESCU – Complete Works for Violin and Piano – Vol. 1

Saturday, January 25th, 2014

ENESCU
Complete Works for Violin and Piano – Vol. 1
Axel Strauss, Violin • Ilya Poletaev, Piano
Naxos 8.57 29961 DDD 67’21

Uitvoering/opname ****/****

George Enescu – door Pablo Casals het grootste muzikale fenomeen sinds Mozart genoemd – was niet alleen een voortreffelijk violist, maar ook een uitstekend pianist en dirigent. In zijn muziek horen we de Duitse complexiteit enerzijds en de verfijnde Franse harmonie en kleur. Enescu’s oeuvre is relatief klein: 33 opus nummers, maar er schijnen nog veel onvoltooide manuscripten in het Enescu Museum in Boekarest te liggen. Het is vooral Enescu’s 2de aan Jacques Thibaud opgedragen vioolsonate op. 6 uit 1899 die mij zo trof. Hij studeerde zelfs nog aan het Parijs’ conservatorium, toen hij deze sonate schreef. De invloed van Faure is wel te horen, van wie Enescu compositieles kreeg. Maar vooral ook die van Cesar Franck. Wat mij zo positief opviel is dat Axel Strauss en Ilya Poletaev een goed oog hebben voor de pauzes die Enescu hier en daar subtiel heeft ingebouwd en de algehele structuur van dit werk. De derde sonate heeft een volslagen andere hoedanigheid: hier overheerst de Roemeense folklore. Opmerkelijk is dat Enescu de volksmuziek duidelijk anders bewerkt dan bijvoorbeeld Bartok. Ook hier valt de overtuiging en speelvreugde van Strauss en Poletaev op. De opname is levendig en aangenaam door de uitstekende klankbalans. Aanbevolen!

Emile Stoffels
Luister Magazine 695

DEVAERE – Complete Works

Friday, December 9th, 2011

DEVAERE
Complete Works
Hans Reyckelynck Inge Spinette Ignace Michiels Hilde Coppé Werner van Mechelen
ET’CETERA KTC 1425 DDD 78:07

Uitvoering/Registratie ****/****

Wie vindt dat Mozart en Chopin te vroeg zijn gestorven; André Devaere stierf nog jonger: hij werd slechts 24 jaar. De vraag is waar zou deze jonge Vlaamse componist zijn uitgekomen, als hij niet aan zijn verwondingen zou zijn bezweken in 1914? We zullen het nooit weten. Hoe dan ook, als we luisteren naar zijn sonate in E en dan vooral de eerste twee stukken, kunnen we niet anders dan onder de indruk komen van zijn ogenschijnlijk grensloze talent. Het is qua harmonie en stemvoering in de traditie van Johannes Brahms en César Franck en doet bijwijlen denken aan de Prelude, Koraal en Fuga voor piano, van zijn illustere voorloper. Ook de eendelige sonate opus 2 spreidt een opvallende vanzelfsprekendheid en helderheid ten toon. Evenzo laat deze Cd Devaere’s veelzijdigheid zien. De Preludium en Fugue voor orgel is ronduit indrukwekkend en straalt, maar de Songs opus 1 zijn daarentegen weer broos en intiem. Kortom: wat mogen we dankbaar zijn voor deze ontdekking. De voorzichtige vier sterren waardering is omdat er – zover ik weet – geen eerdere werken van Devaere zijn opgenomen. Voor wat betreft de betekenis van deze schijf kan er geen misverstand bestaan: hoogste belang! Ook het boekje met de informatie is helemaal af.

Emile Stoffels
Luister 679

De Romantiek IV – Frankrijk

Thursday, December 30th, 2010

De Romantiek IV

Frankrijk

Met het Congres van Wenen in 1815 hoopte men rust en stabiliteit in Europa te brengen. Als we echter de historische kaarten van Europa bekijken vanaf dat moment, dan is daar bitter weinig van terecht gekomen. Bonaparte was weliswaar verslagen en Frankrijk tot zijn ‘natuurlijke grenzen’ teruggebracht, maar de nationalistische gevoelens die door de Franse Revolutie waren aangewakkerd – ook bij andere naties – hadden nu genoeg kritische massa. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst.

Frankrijk ging op dat gebied zelfs een grote rol van betekenis spelen naast Duitsland en is met Hector Berlioz (1803 – 1869) een van de grootste en invloedrijkste toonzetters van de Romantiek. Deze is, als muzikale stamvader met zijn ‘traité de l’instrumentation’ als orkestrale bijbel, maatgevend voor velen geweest.
Met zijn Symfonie Fantastique – slechts 3 jaar na Beethoven’s dood (!) – geeft hij de klassieke symfonie een programmawerking en kunnen we dit gedurfde werk gerust de sjabloon noemen voor de moderne programma symfonie voor veel componisten. Het is een 5-delig werk – wat al opvallend is in zichzelf – dat sterk als autobiografisch gezien kan worden en bij uitbreiding tot een zelfportret van de Romanticus van die tijd. Het programma beschrijft verschillende situaties in het leven waarin de kunstenaar, verzeild kan raken. Berlioz had recentelijk kennis gemaakt met de werken van Shakespeare en de symfonieën van Beethoven. De directe aanleiding echter was een uitvoering in 1827 van Hamlet van degenoemde dramaturg, met ene Herriett Smithson in de rol van Ophelia. Zij blonk bepaald uit en haar verschijning, moet als een bom zijn ingeslagen. De vrouw zou een dwanggedachte voor hem worden en na twee jaar zou hij zijn gevoelens vastleggen in de Symfonie Fantastique om zichzelf te bevrijden van deze obsessie. Een wederkerend muzikaal motief vertegenwoordigt deze Idée Fixe. Er is hier geen plaats alle delen uitvoerig te beschrijven, maar de Mars naar het schavot (het vierde deel) is wellicht het meest typerend. Dit stuk is zo evocatief dat, zelfs als we de titel niet zouden weten, we wel horen dat het hier gaat om een terechtstelling of iets dat daar op lijkt. Het vijfde deel – De Heksen Sabbat – is zeer zeker voor die tijd angstaanjagend geweest.
Uit bronnen blijkt dat Berlioz, nadat hij de eerste drie delen had gecomponeerd, hoorde dat Herriett geen hoofdrollen meer speelde maar louter figureerde. Dit was een bittere teleurstelling voor hem en de gedachte is dat de twee laatste delen in het teken staan van wraak. Wraak voor de obsessie die zijn leven zo had beheerst.
De Fantastique is altijd sterk vertegenwoordigd geweest in de catalogi en er zijn veel goede uitvoeringen. De nummer één is toch wel die met Davis en het Concertgebouworkest op Philips (6500 774). Hij heeft dit werk drie keer vastgelegd: met het LSO, het CGO en de Weners. De laatste is echter alleen op CD beschikbaar. De CGO opname uit 1974 onderscheidt zich door een hoge mate van natuurlijkheid. Ook de hoes is prachtig met The Devil’s Incantation door de Goya (1746 – 1828).
Een andere goede vinden we op Decca door Haitink (SXL 6938) uit de nadagen van het analoge tijdperk. Helaas een aartslelijke hoes, maar ook een spectaculair natuurlijke opname. Mogelijk Decca’s beste opname uit de herfst van het analoge tijdperk.
Andere uitstekende alternatieven zijn die door Abbado (DG 410 895-1) en von Karajan (DG 2530 597) prachtige DG hoezen weer overigens.
Uiteraard moeten we het grootse Requiem nog noemen, het Te Deum, zijn Lelio dat een vervolg is op de Fantastique zijn Harold en Italie en de liederencyclus La Nuit D’ete. Het integrale Berlioz programma is uitgekomen op Philips onder Colin Davis en kan rustig als de ruggengraat genoemd worden.

Er is meerdere malen op gewezen dat de symfonie als vorm zijn heerschappij voor een groot deel aan het symfonische gedicht heeft afgestaan. Dit geldt ook voor de sonate die zijn gezag heeft afgegeven aan kleinere op de literatuur geïnspireerde vormen zoals het impromptu, prelude, nocturne, ballade enz. Door de belangstelling van de componist voor nationalistische thema’s verschijnen er ook typische dansvormen zoals de polonaise en de mazurka.

Dit brengt ons direct bij Frederic Chopin (1810 – 1849), die ondanks de zojuist genoemde vormen een van de minst literair ingestelde componisten van de Romantiek blijkt te zijn. Zijn subjectieve kunst dringt diep door in de nachtelijke aspecten van het menselijke leven en vooronderstelt geen literaire inhoud, maar is wel in hoge mate visionair, angstig, doch kernachtig en gecondenseerd. Ofschoon in Polen geboren, rekenen we deze componist tot de Franse Romantiek. Niet alleen omdat zijn vader Frans was, maar zijn kunst is onmiskenbaar Frans.
Belangrijkste interpreten zijn wel Arrau (Philips), Rubinstein (RCA) en Ashkenazy (DECCA). De laatste twee domineren zo’n  beetje de catalogus, maar Barenboim, Polini, Pires en Argerich (allen op DG) hebben hun sporen in deze muziek ook verdiend.
Zijn ballades dragen een nachtelijke lading. Ze bouwen voort op de gezongen ballades van Schubert, maar krijgen bij hem een totaal nieuwe vorm en inhoud.
Uit zijn Etudes opus 10 is het derde stuk natuurlijk overbekend. Dit is weer zo’n moment dat aangrijpt, zeg maar, op het middenrif. De Etudes hadden een technische uitdaging als uitgangspunt, maar de originaliteit van deze werken maakte de aanleiding tot bijzaak. Laten we volstaan te zeggen dat het gehele piano oeuvre van Chopin uniek en richtinggevend is geweest voor de muziekgeschiedenis.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling tijdens de Romantiek in Frankrijk speelt zich af in de orgelkunst. De orgels in deze tijd onderscheiden zich door een grotere soepelheid in de toonvorming en een grotere verscheidenheid van de registers. En voornamelijk in Frankrijk zijn de orgels door het romantische orkest beïnvloed. De registers zijn naar de gevoelige aard van de strijkers, fluiten, hobo’s enz geïntoneerd, zonder dat de Franse orgelbouwmeesters de kernmerken van het klassieke tijdperk hadden opgeofferd.

Charles Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) die ons – ondanks zijn charme – niet zo heel erg veel heeft te vertellen, is vooral beroemd om zijn orgelsymfonie. Hoewel het wemelt van goede uitvoeringen, is de interpretatie van Barenboim (DG 2530 619) wel zeer de moeite waard. Het valt namelijk niet mee voor een mastering engineer een dergelijk werk voor groot orkest uitgebreid mét orgel goed te snijden, maar hier heeft DG het toch aardig gedaan. We hebben deze opname diverse keren, hoog genoteerd op audiofiele lijsten gezien.

Ofschoon hij niet in deze stijlperiode thuishoort, noem ik in dit verband toch nog het orgelconcert uit 1938 van Francis Poulenc (1899 – 1963) die ons inhoudelijk meer te bieden heeft en dieper peilt. Een orgelthriller met aan het slot een schitterend eerbetoon aan Bach. Marie Claire Alain met Martinon (dus niet met Conlon!) op Erato (STU 70637) is een must. Weliswaar niet op vinyl, maar toch vermeldenswaard is de Symphonie Concertante van Joseph Jongen (1873 – 1953) onder de Waart op Telarc.

Echter, het is César Francks (1822 – 1890) orgelmuziek die ons hoofd naar boven richt, zoekend naar de religieuze ervaring. Denkelijk na Bach de belangrijkste orgelcomponist. Het religieuze en meditatieve karakter dat zijn muziek draagt, deelt hij met Bruckner, maar is meer hymnisch. Zijn Six Pièce d’Orgue zijn van een onmetelijke schoonheid, maar dat geldt eigenlijk voor al zijn orgelwerken. Albert de Klerk op CBS (S77332) of David Sanger (Bis) ziet men regelmatig tweede hands. Francks Prelude, Koraal & Fuga – stevig bekritiseerd door Saint Saëns – behoort tot de beste stukken uit de pianoliteratuur. Devoyon op Erato (NUM 75098) koppelt dit beeldige werk met de Prelude, Aria en Finale die bijna van hetzelfde hoge niveau is. De twee werken zouden leiden tot de drie prachtige grote Koralen voor orgel. Het lijkt erop dat Franck van 1884 tot 1887 naar een nieuwe klavierstijl zocht. Dit vond zijn hoogtepunt in een uniek zangerig pianoconcert, de Variations Symphoniques die een waardige voortzetting is van de pianoconcerten van Beethoven.

Deze maand sluiten we de Romantiek af. De volgende keren zullen we de grote Klassieken bespreken: Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. Representanten van een tijdperk die men terecht als een van de hoogtepunten kan zien van de West-Europese beschaving.

De Modernen (II)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (II)

Duitsland is als muzikale hoofdmacht haar leidende rol kwijtgeraakt aan Frankrijk, Oost Europa en Oostenrijk. Een ontwikkeling die zich in de laatromantiek al aftekende. De meest in het oog springende toondichters uit deze tijd hebben we vorige maand al behandeld.
Deze maand ‘de anderen’ en zoals ik heb beloofd, een aantal onderbelichte componisten of werken van componisten.

Arthur Honegger (1892 – 1955)

De belangrijkste componist uit Frankrijk en noodzakelijk te vermelden als een der belangrijkste symfonici uit deze stijlperiode. Ook deze opvallende toondichter heeft een taal gevonden die vernieuwing paart aan de traditie. Honegger wil naar eigen zeggen het “oude spel op nieuwe wijze spelen”. Voor hem betekende het schrijven van symfonieën, een terugkeer naar de driedeligheid van het vroege classicisme.
Al zijn vijf symfonieën zijn aan te bevelen, waarvan de vierde – in mijn ervaring – de langste tijd nodig heeft om door te dringen. De tweede, derde en zijn Pacific 231 zijn waarschijnlijk zijn populairste werken. Twee dirigenten zijn toonaangevend: von Karajan en Dutoit. De laatste heeft alle symfonieën opgenomen en zijn werkelijk prachtig geregistreerd.

De tweede, geschreven voor strijkers en trompet die pas aan het eind een rol speelt, is ontstaan tijdens een diepe depressie door de Duitse bezetting van Frankrijk. Ofschoon dit goed te horen is, slaagt hij erin om zich helder en doorzichtig uit te drukken. Iets dat weinig componisten uit de 20ste eeuw gegeven is.
In iets mindere mate geldt die doorzichtigheid ook voor de derde uit 1945 -46. In deze symfonie wilde hij de opstand van de moderne mens symboliseren tegen de vloed van barbarisme, domheid, het lijden, mechanisatie en de bureaucratie, die ons al enige jaren bedreigt. Dat is nog steeds zo en misschien mag ik eraan toevoegen: vadsigheid, gemakzucht en het onvermogen autonoom te denken.
De tweede symfonie is bij von Karajan (DG 2530 068) met de derde gekoppeld. Deze opname heeft zo langzamerhand een cultstatus bereikt. En terecht. De opname locatie voor wat betreft de derde, is de Jezus Christus kerk in Berlijn (opgenomen 1969, pas in 1973 gereleased) en de opening is verpletterend. Bijna horror.
Bij Dutoit (Erato NUM 75117) zijn de scherpe kantjes eraf, maar dat kan gedeeltelijk verklaard worden doordat de opname mooier is en men dan vervolgens niet het gevoel heeft dat het dak eraf gaat. Ach, beide uitvoeringen zijn gemakkelijk te krijgen op het net. Waarom niet beide kopen?

Het is opvallend te constateren dat Rusland voor 1850, in de muziek nauwelijks een rol van betekenis heeft gespeeld, en een eeuw later staat zij met Stravinsky, Prokofiev en Sjostakovich in de voorste rij. Deze verrassende opkomst is te danken aan de sterke muzikale potentie van het Russische volk.

Serge Prokofiev (1891 – 1953)

Na Stravinsky een der oorspronkelijkste toondichters uit Rusland en buitengewoon kleurrijk. Järvi heeft erg veel van Prokofiev opgenomen in de jaren 80 op Chandos en ook al zijn symfonieën. Die zijn gemakkelijk op e-Bay te vinden en zijn een uitstekende keuze.
Een groter contrast tussen de eerste – in de stijl van Haydn gecomponeerd – en de tweede, is moeilijk denkbaar. Met de laatste wilde hij een werk van “ijzer en staal” schrijven en kan gezien worden als een verklanking van de Russische industrialisatie uit de jaren 20 net als De Fabriek uit de symfonische suite op 41.
De derde met thematisch materiaal uit zijn Opera de Vurige Engel, is samen met de vijfde wellicht zijn meest uitgevoerde.
De derde door Chailly (DG 410 988-1) en de vijfde door von Karajan (DG 139040) vinden we regelmatig in de kringloopbakken, maar het is zondermeer de moeite waard om ook eens op zoek te gaan naar Jansons (Chandos) en Ashkenazy (Decca).
Ofschoon de pianoconcerten onderling niet direct een ontwikkeling laten zien, zou u uzelf tekort doen deze muziek te laten liggen. Vooral het tweede en derde pianoconcert zijn de moeite waard. Van de integrale opnames duiken er twee regelmatig in het tweede hands circuit op: Ashkenazy met Previn (Decca) en Beroff met Masur (EMI). De eerste set wordt het meest gelauwerd en vooral de Nederlandse heruitgave klinkt fenomenaal. Echter, persoonlijk vind ik de EMI set qua interpretatie sterker.
Dan de Scytische suite. Prokofiev had het aangeleverd als ballet aan Serge Diaghilev, die helaas weinig interesse toonde. Hij werkte het ballet vervolgens om tot een vierdelige suite. Net als de “Le Sacre” van Stravinsky, is dit weer een werk dat onmiddellijk binnenkomt en een onuitwisbare indruk achterlaat. Abbado met het CSO (DG 2530 967) is veruit de beste uitvoering die ik ken en wordt regelmatig aangeboden voor niet al te veel geld.

Tot slot de pianosonate no. 7 door Pollini (DG 2530 225). Een briljant werk en ongelofelijk beheerst uitgevoerd. De enige kritiek die ik op de opname heb, is dat de piano wat weinig body in de lage registers heeft. Iets wat ik vaker ontwaar bij DG. Niettemin, kopen!

Shostakovich (1906 – 1975)

Hoewel ik vind dat deze componist niet altijd de doorzichtigheid van bijvoorbeeld een Arthur Honegger bereikt, maken zijn symfonieën wel een verpletterende indruk. Ik wil hier graag de 10de symfonie noemen. Er zijn twee uitvoeringen die relatief eenvoudig te krijgen zijn: beide door vonKarajan (DG 139020 en 2532 030). Von Karajan heeft altijd een speciale affiniteit gehad met deze symfonie.

De Nederlanders

Het komt uit Nederland. Oh… dan kan het niets zijn. Toch? Het is een schande dat we het nog steeds moeten doen met povere opnames van obscure labels als we de Nederlandse componisten uit deze periode willen beluisteren. Op een Donemus verzamelplaat vinden we bijvoorbeeld de derde symfonie van Henk Badings (1907 – 1987). Mono en niet om aan te horen; of dat je door een sleutelgat luistert. Onbegrijpelijk dat Nederlandse dirigenten niet een aantal symfonieën en concertante werken hebben opgenomen. Nee, wel de zoveelste Mahler of Beethoven symfonieën cyclus. Ik geloof eerlijk gezegd niet dat we daar op zitten te wachten. Nu heb ik op Radio 4 recentelijk wel vernomen, dat er wat meer belangstelling is voor Badings’ werk.
Zijn Ballade voor Fluit en Harp uit 1950 is een aantal keren opgenomen en op plaat hebben we Abbie de Quant met Edward Witsenburg op EMI (1A 037-25128) die niet meer dan een of twee euro in de kringloopwinkel zou moeten kosten. Het is een prachtig werk en over de instrumenten combinatie zei de componist: “…beide kunnen zij op dezelfde mysterieuze wijze uit de stilte tevoorschijn komen en in de stilte terugkeren”.

Die schandelijke situatie is minstens zo van toepassing op de muziek van Hendrik Andriessen (1892 – 1981), die vier symfonieën heeft gecomponeerd waarvan ik van de laatste durf te beweren dat dit meesterwerk zich kan meten met de beste symfonieën van de 20ste eeuw.
Het is een uitgebalanceerd werk waarin het hoofdthema iedere keer in gewijzigde vorm terugkeert in alle drie de delen. In het eerste deel – het Pièce de résistance – laat Andriessen ons ongekende muzikale invallen horen. Na een ernstige introductie, ontplooit het deel zich zo overtuigend dat de luisteraar zich onmogelijk aan de ijzeren greep kan ontworstelen. Ook valt direct op hoe Andriessen zijn voorliefde voor Bach combineert met de harmonische verworvenheden van César Franck en Albert Roussel en speelt met metrum en tempo. In het middendeel komen we tot rust in een schijnbare luwte met boeiende melodielijnen in de houtblazers, om ten slotte in het Allegro vivace overweldigd te worden. Het is een finale maar met een zeer sterk scherzo karakter. Dit dansante deel, heeft een kracht en levendigheid die ik echt zelden gehoord heb.
Het hoofdthema voor deze serie is weliswaar vinyl, maar soms bestaat de noodzaak af te wijken van het hoofdthema. En wel hierom. De zojuist besproken vierde symfonie is ooit op CD verschenen met het Residentie Orkest onder Ed Spanjaard op Olympia (OCD 507). Dit is een verzamel CD van Nederlandse componisten met o.a. de eerder genoemde Henk Badings en Alphons Diepenbrock (1862 – 1921). De CD is gediscontinueerd, maar wordt heel soms op e-Bay aangeboden. Twijfel dan niet!
Van Willem Pijper (1894 – 1947), die over het algemeen gezien wordt als Neerlans knapste componist uit deze periode, is meer opgenomen. Op Donemus hebben we een aantal dubbelaars met o.a. zijn drie symfonieën. Helaas vragen antiquariaten onredelijke prijzen voor platen op het Donemus label.

De Amerikanen

Degenen die nog steeds denken dat Amerikanen in het beste geval alleen maar epigonen arbeid kunnen verrichten, moeten zich maar eens in de volgende composities verdiepen. Men zal een boeiende uitdrukkingsvorm ontdekken die volslagen uniek is.

Roy Harris Symfonie No. 3, William Schuman Symfonie No. 3, NYP – L. Bernstein (DG 419 780-1)
“Laten we onszelf niets wijs maken.”, zei Roy Harris (1898 – 1979), “Mijn derde symfonie kwam op een tijd dat er behoefte aan was.” Toegegeven, het klinkt wellicht wat zelfbewust, maar Amerika was in de jaren 30 volgens Aaron Copland toe aan een ‘ernstige symfonie’.
Zodra het zangerige openingsthema van de celli inzet, gaat men voor de bijl. Het opus blijft zich schitterend door ontwikkelen tot aan een tragische climax op het einde, die voor altijd zal beklijven. Het is een eendelig werk dat uit meerdere secties bestaat en iets minder dan 20 minuten duurt. Voor het eerst uitgevoerd in Boston onder Serge Koussevitzky. Mede door hem was Amerika halverwege de 20ste eeuw, rijk aan symfonieën.
Zo ook de derde symfonie van William Schuman (1910 – 1992) die gekoppeld is met die van Roy Harris. Er zijn er die Schuman een bravoure componist vinden. Voor een aantal bladzijden klopt dat, denk ik. Aan de andere kant kunnen we dat ook van andere gevestigde componisten zeggen, maar een Amerikaan heeft nu eenmaal minder krediet. Hoe dan ook, deze symfonie bestaat uit twee delen die elk weer uit twee delen bestaan en in elkaar overlopen. Het langzame derde deel is een prachtig mijmerend stuk. Beide werken staan onder directie van Leonard Bernstein, die hier zo’n beetje op zijn best is. En dan ook nog die schitterende hoes van Thomas Hart Benton. Mooi product van DG. Is na wat speurwerk op het net te vinden en inmiddels op CD weer heruitgegeven.

We blijven nog heel even bij William Schuman omdat ik vind dat zijn vioolconcert de moeite waard is. Men zou het een tweedelige symfonie met viool kunnen noemen. En het spettert! Ik ken nauwelijks een concertant werk dat zo met de deur in huis valt. Op vinyl is er slechts één te vinden, maar dat is dan ook tevens een schot in de roos. Het is de uitvoering door Zukofsky en Michael Tilson Thomas met de Boston Symphony Orchestra uit 1971 (DG2530103). De koppeling is met een ander mooi werk: de 2de symfonie van Walter Piston (1894 – 1976). 
Een andere interessante plaat met hetzelfde ensemble en uit die tijd is Charles Ives (1874 – 1954) Three Places in New England (DG 2530 048), gekoppeld met Sun-trader van Carl Ruggles (1876 – 1971) gebaseerd op Robert Brownings gedicht Pauline. Het laatste is een dissonerend stuk van ruim 16 minuten en aan het einde bent u wel toe aan een kopje kalmerende groene thee.
Tot slot een apart geïnstrumenteerd en vooral exotisch werk: de Toccata voor Orkest “Tabuh-Tabuhan” uit 1936 van Colin McPhee (1900 – 1964). Hierin wordt een uitgebreide Balinese slagwerksectie gebruikt. Het resultaat van jarenlange research op Bali en Java. De hoekdelen vallen vooral op door het ritme en in het middendeel speelt de fluit een oorspronkelijke Balinese melodie. De opname is uit 1956 door Howard Hanson en de Eastman-Rochester Orchestra op Mercury Golden Imports (SRI 75116). Uit deze plaat blijkt duidelijk dat men toen uitstekende opnames kon maken.
Overigens niet alle Mercury Golden Imports zijn even goed. Bijvoorbeeld Respighi – Church windows/Festa di Roma (SRI 75113) zou ik lekker laten liggen.

Volgende maand beginnen we met de laatromantiek waarbij het impressionisme is inbegrepen. Een tijdsgewricht met de daarbij behorende geestelijke houding en een periode waarin componisten zich op de grens van tonaliteit bewegen.