Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

De Romantiek IV – Frankrijk

Thursday, December 30th, 2010

De Romantiek IV

Frankrijk

Met het Congres van Wenen in 1815 hoopte men rust en stabiliteit in Europa te brengen. Als we echter de historische kaarten van Europa bekijken vanaf dat moment, dan is daar bitter weinig van terecht gekomen. Bonaparte was weliswaar verslagen en Frankrijk tot zijn ‘natuurlijke grenzen’ teruggebracht, maar de nationalistische gevoelens die door de Franse Revolutie waren aangewakkerd – ook bij andere naties – hadden nu genoeg kritische massa. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst.

Frankrijk ging op dat gebied zelfs een grote rol van betekenis spelen naast Duitsland en is met Hector Berlioz (1803 – 1869) een van de grootste en invloedrijkste toonzetters van de Romantiek. Deze is, als muzikale stamvader met zijn ‘traité de l’instrumentation’ als orkestrale bijbel, maatgevend voor velen geweest.
Met zijn Symfonie Fantastique – slechts 3 jaar na Beethoven’s dood (!) – geeft hij de klassieke symfonie een programmawerking en kunnen we dit gedurfde werk gerust de sjabloon noemen voor de moderne programma symfonie voor veel componisten. Het is een 5-delig werk – wat al opvallend is in zichzelf – dat sterk als autobiografisch gezien kan worden en bij uitbreiding tot een zelfportret van de Romanticus van die tijd. Het programma beschrijft verschillende situaties in het leven waarin de kunstenaar, verzeild kan raken. Berlioz had recentelijk kennis gemaakt met de werken van Shakespeare en de symfonieën van Beethoven. De directe aanleiding echter was een uitvoering in 1827 van Hamlet van degenoemde dramaturg, met ene Herriett Smithson in de rol van Ophelia. Zij blonk bepaald uit en haar verschijning, moet als een bom zijn ingeslagen. De vrouw zou een dwanggedachte voor hem worden en na twee jaar zou hij zijn gevoelens vastleggen in de Symfonie Fantastique om zichzelf te bevrijden van deze obsessie. Een wederkerend muzikaal motief vertegenwoordigt deze Idée Fixe. Er is hier geen plaats alle delen uitvoerig te beschrijven, maar de Mars naar het schavot (het vierde deel) is wellicht het meest typerend. Dit stuk is zo evocatief dat, zelfs als we de titel niet zouden weten, we wel horen dat het hier gaat om een terechtstelling of iets dat daar op lijkt. Het vijfde deel – De Heksen Sabbat – is zeer zeker voor die tijd angstaanjagend geweest.
Uit bronnen blijkt dat Berlioz, nadat hij de eerste drie delen had gecomponeerd, hoorde dat Herriett geen hoofdrollen meer speelde maar louter figureerde. Dit was een bittere teleurstelling voor hem en de gedachte is dat de twee laatste delen in het teken staan van wraak. Wraak voor de obsessie die zijn leven zo had beheerst.
De Fantastique is altijd sterk vertegenwoordigd geweest in de catalogi en er zijn veel goede uitvoeringen. De nummer één is toch wel die met Davis en het Concertgebouworkest op Philips (6500 774). Hij heeft dit werk drie keer vastgelegd: met het LSO, het CGO en de Weners. De laatste is echter alleen op CD beschikbaar. De CGO opname uit 1974 onderscheidt zich door een hoge mate van natuurlijkheid. Ook de hoes is prachtig met The Devil’s Incantation door de Goya (1746 – 1828).
Een andere goede vinden we op Decca door Haitink (SXL 6938) uit de nadagen van het analoge tijdperk. Helaas een aartslelijke hoes, maar ook een spectaculair natuurlijke opname. Mogelijk Decca’s beste opname uit de herfst van het analoge tijdperk.
Andere uitstekende alternatieven zijn die door Abbado (DG 410 895-1) en von Karajan (DG 2530 597) prachtige DG hoezen weer overigens.
Uiteraard moeten we het grootse Requiem nog noemen, het Te Deum, zijn Lelio dat een vervolg is op de Fantastique zijn Harold en Italie en de liederencyclus La Nuit D’ete. Het integrale Berlioz programma is uitgekomen op Philips onder Colin Davis en kan rustig als de ruggengraat genoemd worden.

Er is meerdere malen op gewezen dat de symfonie als vorm zijn heerschappij voor een groot deel aan het symfonische gedicht heeft afgestaan. Dit geldt ook voor de sonate die zijn gezag heeft afgegeven aan kleinere op de literatuur geïnspireerde vormen zoals het impromptu, prelude, nocturne, ballade enz. Door de belangstelling van de componist voor nationalistische thema’s verschijnen er ook typische dansvormen zoals de polonaise en de mazurka.

Dit brengt ons direct bij Frederic Chopin (1810 – 1849), die ondanks de zojuist genoemde vormen een van de minst literair ingestelde componisten van de Romantiek blijkt te zijn. Zijn subjectieve kunst dringt diep door in de nachtelijke aspecten van het menselijke leven en vooronderstelt geen literaire inhoud, maar is wel in hoge mate visionair, angstig, doch kernachtig en gecondenseerd. Ofschoon in Polen geboren, rekenen we deze componist tot de Franse Romantiek. Niet alleen omdat zijn vader Frans was, maar zijn kunst is onmiskenbaar Frans.
Belangrijkste interpreten zijn wel Arrau (Philips), Rubinstein (RCA) en Ashkenazy (DECCA). De laatste twee domineren zo’n  beetje de catalogus, maar Barenboim, Polini, Pires en Argerich (allen op DG) hebben hun sporen in deze muziek ook verdiend.
Zijn ballades dragen een nachtelijke lading. Ze bouwen voort op de gezongen ballades van Schubert, maar krijgen bij hem een totaal nieuwe vorm en inhoud.
Uit zijn Etudes opus 10 is het derde stuk natuurlijk overbekend. Dit is weer zo’n moment dat aangrijpt, zeg maar, op het middenrif. De Etudes hadden een technische uitdaging als uitgangspunt, maar de originaliteit van deze werken maakte de aanleiding tot bijzaak. Laten we volstaan te zeggen dat het gehele piano oeuvre van Chopin uniek en richtinggevend is geweest voor de muziekgeschiedenis.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling tijdens de Romantiek in Frankrijk speelt zich af in de orgelkunst. De orgels in deze tijd onderscheiden zich door een grotere soepelheid in de toonvorming en een grotere verscheidenheid van de registers. En voornamelijk in Frankrijk zijn de orgels door het romantische orkest beïnvloed. De registers zijn naar de gevoelige aard van de strijkers, fluiten, hobo’s enz geïntoneerd, zonder dat de Franse orgelbouwmeesters de kernmerken van het klassieke tijdperk hadden opgeofferd.

Charles Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) die ons – ondanks zijn charme – niet zo heel erg veel heeft te vertellen, is vooral beroemd om zijn orgelsymfonie. Hoewel het wemelt van goede uitvoeringen, is de interpretatie van Barenboim (DG 2530 619) wel zeer de moeite waard. Het valt namelijk niet mee voor een mastering engineer een dergelijk werk voor groot orkest uitgebreid mét orgel goed te snijden, maar hier heeft DG het toch aardig gedaan. We hebben deze opname diverse keren, hoog genoteerd op audiofiele lijsten gezien.

Ofschoon hij niet in deze stijlperiode thuishoort, noem ik in dit verband toch nog het orgelconcert uit 1938 van Francis Poulenc (1899 – 1963) die ons inhoudelijk meer te bieden heeft en dieper peilt. Een orgelthriller met aan het slot een schitterend eerbetoon aan Bach. Marie Claire Alain met Martinon (dus niet met Conlon!) op Erato (STU 70637) is een must. Weliswaar niet op vinyl, maar toch vermeldenswaard is de Symphonie Concertante van Joseph Jongen (1873 – 1953) onder de Waart op Telarc.

Echter, het is César Francks (1822 – 1890) orgelmuziek die ons hoofd naar boven richt, zoekend naar de religieuze ervaring. Denkelijk na Bach de belangrijkste orgelcomponist. Het religieuze en meditatieve karakter dat zijn muziek draagt, deelt hij met Bruckner, maar is meer hymnisch. Zijn Six Pièce d’Orgue zijn van een onmetelijke schoonheid, maar dat geldt eigenlijk voor al zijn orgelwerken. Albert de Klerk op CBS (S77332) of David Sanger (Bis) ziet men regelmatig tweede hands. Francks Prelude, Koraal & Fuga – stevig bekritiseerd door Saint Saëns – behoort tot de beste stukken uit de pianoliteratuur. Devoyon op Erato (NUM 75098) koppelt dit beeldige werk met de Prelude, Aria en Finale die bijna van hetzelfde hoge niveau is. De twee werken zouden leiden tot de drie prachtige grote Koralen voor orgel. Het lijkt erop dat Franck van 1884 tot 1887 naar een nieuwe klavierstijl zocht. Dit vond zijn hoogtepunt in een uniek zangerig pianoconcert, de Variations Symphoniques die een waardige voortzetting is van de pianoconcerten van Beethoven.

Deze maand sluiten we de Romantiek af. De volgende keren zullen we de grote Klassieken bespreken: Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. Representanten van een tijdperk die men terecht als een van de hoogtepunten kan zien van de West-Europese beschaving.

De Romantiek III

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek III

Met deze maand sluiten we de laatste grote Duitse componisten uit de Romantiek af. We bespraken al eerder dat men in deze generatie kunstenaars, een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende inwerking uitoefenen op de toonkunst. Maar ook de industrialisering en daarmee ook het ontstaan van het socialisme, begint het psychische klimaat van de kunstenaar te bepalen.

Het fenomeen Richard Wagner (1813 – 1883) en diens invloed is al in vorige artikelen besproken. Zijn belang en inwerking op de muziek van de 19de eeuw is nauwelijks te overschatten en hij is lang gezien als degene die aan de wieg stond van de moderne muziek. Aangezien zijn grootste en voornaamste bijdrage aan de opera is en deze artikelen als belangrijkste speerpunt de symfonie hebben, valt Wagner eigenlijk buiten het bestek van deze serie. Dat geldt ook voor Verdi (1813 – 1901) die zijn grote tegenspeler in Italië was. Het geldt uiteraard voor alle componisten die voornamelijk opera’s hebben geschreven. Berlioz komt later wel aan de beurt op basis van zijn Symfonie Fantastique. Maar laat duidelijk zijn dat Wagner een van de grootste hemellichamen in ons stelsel is.
Voor Wagner’s opera’s adviseer ik om (eerst) de ouvertures te beluisteren. In de 19de eeuw legde men een duidelijk thematisch verband tussen de ouverture en de belangrijkste episoden van de opera. Deze kunnen dus als een soort synopsis dienen en worden regelmatig 2de hands aangeboden evenals de dwarsdoorsneden en hoogtepunten. Solti op Decca, Böhm en von Karajan op DG zijn de grote namen in deze.

Ook Franz Liszt (1811 -1886) geboren in Hongarije maar de grootste muzikale wereldburger van deze eeuw, mag uiteraard niet ontbreken. Al was het alleen om het feit dat hij de schepper van het symfonische gedicht is en zodoende in meer vrijheid voor de componist voorzag. Velen hebben zich hiervan bediend: Strauss, Smetana, Dvorak, Saint-Saens en zelfs Debussy’s La Mer is ondenkbaar zonder Liszts ontdekkingen.
Tijdens zijn verblijf in Parijs heeft hij zich ingeleefd in de Franse cultuur en zich onder andere op dichter Victor Hugo geïnspireerd. Vandaar ook de Franse titels zoals zijn Les Preludes die het meest populair gebleven is van zijn symfonische gedichten. In Weimar kwam hij weer in contact met de Duitse cultuur waaruit de Faust Symfonie uit 1854 ontstond. Uitstekende keus hier is Bernstein op DG (2707 100) met de BSO. Maar ook Italië was een vaderland voor hem en inspireerde hem tot de Dante Symfonie.
Van zijn klavierwerken staat de sonate in b centraal. De pianoconcerten door Arrau (solist) en Davis (Philips 412 926-1) worden vaak aangeboden en klinken overrompelend. Samen met Wagner is hij de hoofdrolspeler van de Norddeutsche Schule.

Aanknopend bij de klassieken met een heldere, klare bijna ijle klank is Felix Mendelssohn Bartholdy (1809 – 1847). Een vroegrijpe geest die op 17 jarige leeftijd al de sprookjesachtige ouverture Midzomernachtsdroom (Szell op Philips Sequenza 6527 056!) componeerde. Mendelssohn – Joods van geboorte maar gedoopt in de Gereformeerde kerk – was het die Bachs Mattheus Passie weer op de kaart zette en alleen daarom al een standbeeld verdient. Nietzsche zei: “Felix Mendelssohn’s muziek is de muziek van de goede smaak, voor al het goede dat reeds geweest is: zij wijst steeds achter zich”. Vergeleken met Schumann – zij waren goede vrienden – is Mendelssohns muziek helderder en sprankelender.  Ook even edel, maar minder diep. Over Schumanns kunst ligt een soort van patina.
De slanke lenige pianoconcerten zijn een mooi voorbeeld hiervan. CBS heeft beide pianoconcerten gekoppeld met Perahia (solist) en Marriner (CDS 76576). De hoes is aartslelijk, maar de uitvoering en klank zijn buitengewoon. Mendelssohn is echter het meest beroemd om het prachtige vioolconcert uit 1845 waar ontelbare uitvoeringen van zijn. Hoog aangeschreven staat nog altijd die door Mutter (solist) en von Karajan (DG 2532 016).
Het beeldige octet door I Musici (Philips Sequenza 6527 076) zie je regelmatig in het 2de hands circuit. Schitterende opname met twee van zijn twaalf jeugd symfonieën voor strijkers. In deze vroege composities zitten verrassende momenten van zeldzame schoonheid die naar Bach wijzen. Ook zijn strijkkwartetten opus 12 en 13 zijn niet te versmaden. Het LaSalle Kwartet (DG 2530 053) geeft vurige vertolkingen van deze stukken.

Zijn derde symfonie heeft als bijnaam de Schotse en valt op door de donker en herfstig gekleurde harmonieën. De uitvoering door Peter Maag op de budget serie Ace of Diamonds van Decca (SDD 145) is zondermeer de zoektocht waard. Zeldzaam mooie opname en Maag doet alles goed. De koppeling is met de prachtige Ouverture de Hebriden, dat een soort concentraat is van de Schotse. Een werk van een verbluffende oorspronkelijkheid en het sublieme in de natuur blootlegt. Het is het pendant van de Manfred Ouverture van Schumann. Voor de Schotse zijn er prima alternatieven: Haitink met het LPO (Philips 9500 535) en Dohnányi op Decca met het VPO, maar voor de Hebriden Ouverture wordt dat een stuk lastiger.
Hoe anders is zijn vierde met als bijnaam de Italiaanse. Volslagen andere wereld dan de vorige symfonie. De opening kennen we allemaal. Het zijn van die “Oh ja…” melodieën die blijkbaar diep in onze west Europese vezels zitten.
Voor wat betreft de koppeling met zijn andere symfonieën zijn Abbado (Decca en DG), Leppard (Erato STU 71064) en Maazel (DG 138 684) aan te bevelen. De laatst genoemden koppelen de vierde en de Reformation (de vijfde). De bekende 3de en 4de symfonie worden meestal gekoppeld, maar lang niet altijd. Als ik een top 3 zou moeten maken van meest voorkomende platen in het tweede hands circuit, dan staat de volgende plaat daar zeker in: de uitvoering van de ‘Italiaanse’ door Sinopoli (DG 410 862-1) gekoppeld met de Unvollendete van Schubert. Wat een fantastische uitvoering, opname en cover!
Overigens het ‘probleem’ Schubert – een van de grootste geesten van de Europese toonkunst – zullen we binnen de stijlperiode behandelen voorafgaand aan de Romantiek.

We zagen ook weer in deze periode dat er in Duitsland verschillende generaties tegelijkertijd actief zijn. Enerzijds kunstenaars die door hun hoge leeftijd toch nog steeds een aanzienlijke invloed hebben op de laatromantiek en in de tweede helft van de 19de eeuw tot volle wasdom komen. Anderzijds een generatie die nog wortelt in de periode voorafgaand aan de Romantiek: het Classicisme. En er is een middengroep die zich ontplooide tijdens de eerste helft van de 19de eeuw. In Frankrijk en Italië – de andere twee dominante naties – was dat niet anders. Volgende maand komen de grote Franse Romantische componisten aan bod: Berlioz, Franck en Chopin. De Franse romantici die zich later zouden verzetten tegen de Duitse invloed.

De Laatromantiek (III)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (III)

In Duitsland domineert in deze periode nog altijd Richard Wagner (1813 – 1883) die het zogenaamde ‘gesamtkunstwerk’ propageert en in zijn theoretische geschriften onder andere verkondigde dat de rol van de symfonische muziek was uitgespeeld. Er zijn dan ook relatief weinig symfonieën geschreven door Duits sprekende componisten van de generatie 1860-1875. Men koos Liszt en zijn ‘symfonische dichtungen’ als voorbeeld, daarmee aangevend dat de symfonische muziek afhankelijk was geworden van het woord. Onder Wagner’s invloed verschuift het zwaartepunt der compositie naar de vocale muziek: lied of opera.

Een componist die met een verbazingwekkend gemak en behendigheid zich aanpast aan deze uitdagingen is Richard Strauss (1864 – 1949). In Duitsland is hij lange tijd als de grootste componist van de twintigste eeuw gelauwerd. Natuurlijk ook doordat hij op relatief hoge leeftijd actief is geweest tot diep in die eeuw. Toch is deze toondichter eerder een voltooier en samenvatter van het verleden, dan een pionier zoals Debussy. Deze zocht wel degelijk naar bevrijding van de muziek door de literatuur en het Wagneriaanse pathos.
“When ich wollte, kan ich ein Bierglass, tönend mahlen“, moet hij eens gesnoefd hebben. Eerlijk is eerlijk: er zijn weinig componisten die dit kunnen. Dit is zeker het geval met de “Alpen Symfonie”, dat overigens geen symfonie is, maar een symfonisch gedicht. Hier zijn twee uitvoering toonaangevend: Haitink op Philips (416 156-1) en von Karajan op DG (2532 015). Haitink met het CGO klinkt opvallend natuurlijk, maar voor de climaxen in dit werk mag von Karajan niet absoluut ontbreken. Luister bijvoorbeeld naar de overweldigende ‘Storm’ en de ’Zonsondergang’ die van een verblindende schoonheid is.

Belangrijkste symfonische gedichten van de hand van Strauss zijn Don Juan (1888), Tod und Verklärhrung (1889), Till Eulenspiegel (1895), het overbekende Also Sprach Zarathustra (1896), Don Quixote (1897), Ein Heldenleben (1898), Sinfonia Domestica (1903) en de zojuist besproken Alpen Symfonie (1915).
We kunnen rustig stellen dat er drie grote interpreten zijn die de moeite van het zoeken waard zijn: von Karajan, Haitink en Reiner. Van de laatste is een prachtige 200 gram heruitgave van Also Sprach Zarathustra verschenen op Classical Records (ALSC 1806Q).
Zijn “Metamorphosen” voor strijkorkest uit 1945 bezit een gloed die hij niet eerder bereikt had tot dan toe. Het is een waardig afscheid van het Romantische tijdperk; een laatste samenvatting door een kunstenaar die zichzelf als de laatste nazaat van Beethoven zag. Het werk besluit dan ook met een citaat uit de treurmars van de Eroica symfonie. Het werk heeft even in een kwaad daglicht gestaan, omdat men dacht dat het een klacht was over de ondergang van Hitler en zijn Derde Rijk. Deze aantijging is uiteraard achterhaald. Het klinkt saai, maar ook hier is von Karajan weer de standaard. De maestro nam het twee keer op, voor DG: in 1971 en ’83 (2530 066 en 2532 074)
Dan een van zijn beste en schoonste werken: “Die Vier Letzte Lieder” op teksten van Hesse en Eichendorff. Wat mij betreft het hoogtepunt van het orkestrale lied. Ook voor dit werk heeft von Karajan twee opnames gemaakt voor DG met Gundula Janowitz en Anna Tomowa-Sintow (2530 368; 419 188-1) en ik moet bekennen dat het moeilijk kiezen is. Vreemd genoeg zie je deze uitvoeringen niet zo heel erg vaak. Er zal dus op e-Bay gezocht moeten worden voor snel resultaat. Wel komt men in kringloopwinkels regelmatig de uitvoering met Norman en Masur tegen op Philips (6514 322). Deze is op nogal wat aspecten erg goed, maar persoonlijk vind ik de tempi net iets te traag. Er zijn uiteraard veel goede uitvoeringen van dit opus, maar de klassieke uitvoering van deze zwanenzang is en blijft natuurlijk die met Schwarzkopf en Szell op EMI, waarvan men regelmatig heruitgaven tegenkomt.

Bij Max Reger (1873 – 1916) kan men goed zien hoe de componist worstelt met het feit dat het woord belangrijker wordt dan de muziek.
Zijn kolossale “Symphonischer Prolog zur einer Tragödie” was oorspronkelijk bedoeld als eerste deel van een symfonie en duurt al ruim een half uur. En dan te weten, dat er nog 39 pagina’s werden geschrapt. Een symfonie is er gezien het muzikale klimaat van die tijd dus niet meer van gekomen: de symfonie als vorm, werd in Duitsland minder populair.
Het begint onheilspellend. Een aankondiging van het algemeen menselijk drama van noodlot, strijd, ondergang en heilsverschiet, zoals Höweler het noemt. Het stuk komt daarna langzamerhand in beweging. Uiterst zachte passages met liefelijke melodieën in het hout, worden abrupt onderbroken door plotselinge versnellingen met extatische climaxen. Dit alles mond uit in een aangrijpende koraalmelodie die helemaal opengaat en straalt en in schittering blijft toenemen. We zijn dan halverwege, om weer opnieuw de worsteling van het menselijke drama en lijden te ondergaan met aan het einde nog een keer die hemelse koraal in ietwat gewijzigde vorm. Hoe kan iemand toch zoiets moois bedenken? Het doet denken aan een gedachte van Henriette Roland Holst (1869 – 1952) uit haar gedicht “Sombre gedachten schiep een sombre tijd”:

Maar onderwijl werd in beneden-lagen
ver van ’t mistroostig ras dat heerschte op aard,
met smart ontvangen, en in pijn gebaard
de nieuwe kracht, die ons omhoog zal dragen.”

Er zijn helaas niet veel uitvoeringen te krijgen van dit gecompliceerde opus. Hoe komt het toch dat de grote dirigenten dit werk laten liggen? Ik ken maar een uitvoering op vinyl en dat is op het label Schwann Musica Mundi (VMS 1605) onder Gerd Albrecht met het Radio-Symphonie-Orchester Berlin. Vervelend is dat hij bijna niet wordt aangeboden: lastige muziek en een label met een niet al te grote oplage. Maar geen nood, voor degenen die dit werk willen leren kennen, het is ook te downloaden bij www.eclassical.com voor USD 0,99 en wordt aangeleverd op een 320kbps MPEG-1, layer 3 bestand. De uitvoering is door Leif Segerstam met Norrkoping Symphony Orchestra. Een zeer goede uitvoering en het klinkt indrukwekkend. Uiteraard is het ook te koop op CD (Bis), maar niet voor USD 0,99….
“Vier tondichtungen nach Arnold Böcklin” is een vierdelige orkestsuite geïnspireerd op schilderijen van Böcklin (1827 – 1901). Het eerste deel Der Geigende Eremit is van een onmetelijke schoonheid. Het is of men na vele jaren, weer herenigd wordt met een bekend landschap. Alsof men heilige grond betreedt. Ook hier is het aantal uitvoeringen op vinyl weer dun bezaaid, maar Järvi met het CGO (Chandos ABRD 1426) ziet men regelmatig op het net gekoppeld met de Hiller variaties. Dit is overigens een van de weinige keren dat het CGO te beluisteren is op een ander label.
Qua orkestwerken dienen nog genoemd te worden: Eine Balletsuite op. 130; Eine Romantische suite op. 125; Konzert im alten Stil op. 123; de Serenade in G groot op. 95; Variationen und Fuge über ein Thema von Mozart op. 132 en Variationen über ein lustiges Thema von Joh. Adam Hiller op. 100.
Reger, heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten: concertante werken, prachtige kamermuziek en orgelwerken. Zijn orgel oeuvre komt men op vinyl regelmatig goedkoop her en der tegen en ze kunnen de vergelijking met andere orgelcomponisten, bijvoorbeeld César Frank, gemakkelijk doorstaan. Ofschoon ik niet al zijn orgelwerken ken, aarzel ik niet die aan te bevelen.

Zelfs bij Gustav Mahler (1860 – 1911) die tegen de stroom in toch nog symfonieën blijft schrijven en daarin ook zondermeer te prijzen is, ziet men dat hij het vocale aspect soms toch nog een belangrijke of zelfs dominante positie verleent. Zie symfonieën 2, 3, 4 en 8. Zijn orkestrale liederen echter, nemen in zijn oeuvre een bijzondere plaats in. En persoonlijk denk ik, dat daar precies Mahler’s belangrijkste bijdrage ligt.
Het maandblad “Klassieke Zaken” schrijft in het juni nummer over Mahler: “Het Koninklijk Concertgebouworkest nam onlangs een spraakmakende beslissing: in het nieuwe seizoen 2008-9 staat er geen Mahler op het programma. Een Mahlerloos jaar dus voor het orkest dat geldt als de belichaming van de Nederlandse Mahlertraditie. Is zo’n time out erg of juist niet? De menigen daarover zijn verdeeld, liggen ergens tussen het ‘verontrustend’ van Kaspar Jansen in NRC Handelsblad en een droge, constatering in.”
‘Verontrustend’ nog wel. Waarschijnlijk hoor ik bij de mensen aan de andere kant van het spectrum, die zouden opmerken dat het eens tijd werd. De eerlijkheid gebiedt toch te zeggen dat Mahler buiten proportioneel wordt uitgevoerd; op het stomvervelende af zelfs.
Afgezien van vlagen van aangrijpende schoonheid, komt zijn muziek – althans in de symfonieën – op mij veelal, sentimenteel, gezocht en soms ronduit aanstellerig over. Het mist de edelheid en vanzelfsprekendheid die andere grote componisten kenmerkt. Niettemin wordt deze componist van formaat door een aantal beschouwd als een van de grootste symfonici na Beethoven en geniet een ongekende populariteit. Niet in de laatste plaats vermoed ik, doordat Mahler een geliefd marketingobject geworden is. Mahlerbrilletjes, Mahlerhorloges, Mahlerstropdasjes en zelfs Mahlerwijn hadden we een aantal jaartjes geleden.
Ook het aantal Mahler symfonieëncycli begint zo langzamerhand een ware plaag te worden. Bernstein, de grote Mahler advocaat, stuitte in het verleden op veel weerstand; uitgerekend bij de Weners zelf. Scheissmusik noemden ze het. Bernstein noemde Mahler zelfs een groot profeet. Hoe au serieus we dit moeten nemen valt te raden. Hij nam de symfonieëncyclus wel twee keer op: voor CBS met de New Yorkers en het LSO en voor DG met het CGO, weer de New Yorkers en de Weners. Deze laatste cyclus is mateloos populair op e-Bay.
De cyclus op DG door Kubelik wordt wel hier en daar in antiquariaten en kringlopen aangeboden en is een verfrissing te noemen. Zijn opnames worden soms een beetje onderuit geschreven, maar de veelal (te) ingetogen interpretaties van hem – bijvoorbeeld het Pianoconcert van Robert Schumann – pakt hier uitstekend uit. Wat me bij deze uitvoeringen opviel was de onbevangenheid. Geen aanstellerij, geen effectbejag die je bij Bernstein veelal aantreft, ofschoon ik denk dat Lenny het wel integer bedoelde.
Ook de uitvoeringen door Haitink die als een groot Mahler interpreet bekend staat, zijn nog goed verkrijgbaar in de kringloopbakken. Vooral de eerste en vierde van zijn tweede cyclus. Ook die van “Das Lied der Erde”. De uitvoering van dit mooie lied door Jochum op DG, zou je alleen al voor de hoes kopen.
De uitvoeringen door von Karajan vond ik erg tegenvallen, behalve de zesde die in de Peguin Guide de hemel wordt in geprezen. Terecht.
De cyclus met Abbado op DG is behoorlijk consistent wat ik zo hoor van Mahler liefhebbers. Abbado is en blijft een edele dirigent. De tweede symfonie heeft echter last van behoorlijke dynamische verschillen wat niet altijd handig is.
De cycli door Solti op Decca kenmerkt zich door een spectaculaire klank.

Als laatste noemen we Hugo Wolf (1860 – 1903). Deze trouwe vriend van Anton Bruckner en veel te weinig gehoord, is vooral bekend om zijn liederen. En met goede reden. Het is de laatste grote meester van het Duitse lied met pianobegeleiding. Uiteraard door de gekozen vorm ziet men bij hem de sterke verbondenheid met het gedicht. Zijn “Spanisches en Italienisches Liederbuch” zijn weergaloos. Probeer Fischer-Dieskau (Bariton), Schwarzkopf (Sopraan) en Moore (piano) voor de Spaanse liederen op DG te krijgen (DG 413 226-1). Voor de Italiaanse liederen (DG 2705 018) wederom Diskau, Seefried en Werba/Demus (piano). Ofschoon Wolfs grootste bijdrage de liederen zijn, is ook zijn Italienische Serenade een kostelijk stuk kamermuziek. Veel mooie Decca opnames zijn ooit op de goedkopere serie “Ace of Diamonds” verschenen. Het Küchl kwartet geeft een bevlogen uitvoering van deze prachtige serenade (Decca SDD 543).

We hebben in de laatste 3 afleveringen componisten besproken die men laatromantisch noemt. Het blijft altijd een hachelijke onderneming grenzen en lijnen te trekken. Waarom noemen we Bartok nu modern en Reger laatromantisch? De indeling door Norbert Loeser acht ik een bruikbare: “Wij trekken de scheidslijn tussen het verleden en de ‘moderne’ muziek daar, waar de componist niet alleen theoretisch maar ook praktisch in zijn creatief werk vrijwillig of gedwongen experimentator wordt. Waar hij voor het eerst voelt dat hij in een artistieke dwangpositie verkeert, waaruit een vlucht nauwelijks meer mogelijk is.” Het is het opzettelijk zoeken naar het ongehoorde, ja, zelfs het absurde. Het nieuwe willen tot elke prijs.
Volgende keer beginnen we met de Romantiek. We zullen grote namen tegenkomen: Schumann, Mendelssohn, Brahms, Chopin, Berlioz en Bruckner. Een stijlperiode die niets maar dan ook niets heeft te maken met wat mensen zoal verstaan onder Romantiek of romantisch.

De Modernen (I)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (I)

De klassieke muziekliefhebber, die in het begin al moeite genoeg heeft zich te oriënteren temidden van de klassieke muziek vóór 1900, moet toch welhaast in een totale staat van verwarring verkeren als hij of zij de toonkunst van de 20ste eeuw betreedt. Er zijn in die voorgaande eeuwen nog nooit zoveel stromingen en substromingen geweest als in die bewuste eeuw.
Volgens een aantal scherpe denkers wijst dit eerder op muzikale armoede dan op rijkdom. Het blijkt namelijk dat de componisten uit dit tijdsvak, de traditie en de tonale verworvenheden van de Romantiek eerder als last dan als zegen hebben ervaren. Vandaar dat sommige moderne kunstenaars zich van radicale stijlmiddelen hebben bediend om maar vooral niet tot slechts een navolger te worden betiteld.
De meest radicale toonzetter uit deze tijd is ongetwijfeld Arnold Schönberg. Ofschoon hij met zijn atonale systeem en definitieve breuk met het verleden ontegenzeggelijk tot de grootste vernieuwers gerekend moet worden, ervaar ik deze kunst persoonlijk eerder als notenschikking dan muziek. De zgn. 2de Weense School (Schönberg, Berg en Webern) en haar navolgers zullen hier dan ook niet behandeld worden.

Over welke tijdsperiode hebben we het in dit artikel? We beginnen met de generatie kunstenaars die grofweg geboren zijn in de periode 1875 -1905 en in hun taal aanknopen bij het verleden, maar toch buitengewoon vernieuwend zijn gebleken.

Bela Bartok (1881 -1945)

Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta

Dit is een van die zeldzame werken die zowel de ziel als het intellect streelt en van de hoogste innerlijke beschaving getuigt. Voor deze schepping – die in 1936 ontstond – heeft Bartok voor elk der vier delen, een andere instrumentale combinatie gebruikt, een andere vorm gekozen en andere klankbeelden gebruikt zodat het werk een buitengewone rijkdom van aspecten vertoont.
Los van de twee aparte strijkersgroepen die zijn voorgeschreven, dient – volgens de meester – ook de harp en het klavier tot de snarengroep verstaan te worden. Deze hoogst uitzonderlijke en vooral eigenzinnige orkestbezetting vereist een speciale opstelling op het podium, die ook door Bartok in de partituur nauwkeurig is aangegeven.
Het eerste stuk is een fuga, maar anders dan bij Bach. Een volgens Bartok’s eigen principes. Opvallend is dat de climax wordt bereikt niet alleen doordat het orkest luider speelt, maar ook door de innerlijke constructie.
Het tweede deel blijft verbazen, vooral als na een minuut of 4 de strijkers met het klavier een zeer merkwaardige atmosfeer neerzetten, verstrekt door de xylofoon en trom.
In het derde deel is het dit keer de betovering die de luisteraar eenvoudigweg niet kan ontgaan. Let vooral op de speciale glijd effecten van de pauken, zowel opgaand als neergaand in dialoog met de xylofoon.
De finale, die net zoals de vorige stukken uit meerdere secties bestaat, opent uitbundig en levendig en komt in de voorlaatste sectie op een wonderbaarlijke manier terug op het fuga thema van het eerste deel.

Wat mij betreft zijn er drie meer dan uitstekende uitvoeringen op vinyl verkrijgbaar: Marriner op Argo, Reiner op RCA en Haitink op Philips. Marriner is veruit het makkelijkst te scoren én voor weinig geld. Haitink is al wat moeilijker, maar zeker niet onmogelijk en Reiner is ook verschenen op een 180 gram audiofiele heruitgave die werkelijk schitterend klinkt, maar ik vind hier de midprice cd een uitstekend alternatief. Bovendien wordt dit werk op cd gekoppeld met het Concert voor Orkest.
Bij Marinner is de (logische) koppeling met het “Divertimento voor strijkers”. Typisch voor Argo is de ruimtelijke warme strijkersklank en het realistische slagwerk; vooral de xylofoon helemaal aan het einde van het derde deel is LETTERLIJK tastbaar.
Van de oorspronkelijke uitgave (Argo ZRG657) is een uitstekende en betaalbare Nederlandse heruitgave gemaakt (Argo 6557 556), die ietsje scherper klinkt maar zeker niet onprettig.
Dan de uitvoering van Haitink. Prachtige akoestiek! In het eerste deel, zijn er melodielijnen te horen die weer onhoorbaar zijn bij andere dirigenten. Bij het slaan op de snaren in het laatste deel, is waar te nemen hoe natuurlijk de oude Philips opnames toen waren en ook hier heeft Haitink weer een bijzondere puls te pakken die hem tot zo’n groot dirigent maakt. De oorspronkelijke uitgave wordt gekoppeld met de Harry Janos Suite van Kodaly, later is deze gekoppeld met het 2de pianoconcert van Bartok, hetgeen ik logischer vind. Ook is er een uitgave verschenen in de spotgoedkope serie “Muziek onder Woorden”. Daar is een behoorlijk verschil in klanksignatuur vast te stellen. Deze klinkt wat donkerder, maar wel erg mooi.

Tot slot Reiner, die Bartok zelf gekend heeft, met het CSO op RCA. Over deze uitvoering is al veel gezegd en geschreven. Wat ik er nog aan toe wil voegen is dat het tweede deel bij Reiner een mate van vinnigheid of zelfs agressiviteit heeft die ik bij nogal wat uitvoeringen mis. Yehudi Menuhin zei: “Bartok had een intens gevoelsleven. Een vuurvreter. En hij had het constant onder controle”.
Samenvattend: begin met Marriner, ga daarna op zoek naar Haitink en koop Reiner op (SA)CD. Als zeer goede alternatieven wil ik hier ook nog de beide von Karajan uitvoeringen (DGG en EMI) noemen.

Concert voor Orkest

Zover ik weet is dit het eerste concertante werk voor een orkest en bovendien is het 5-delig, net als zijn 4de en 5de strijkkwartet. Dit briljant geschreven stuk, heeft zich altijd in veel belangstelling weten te verheugen. Dit komt wellicht door het humoristische vierde deel, het Intermezzo Interrotto. Het ligt dan ook voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn en ook zeer goede. Solti(Decca), Dorati (Mercury en Philips) en Reiner (RCA) voeren de lijst aan. Solti met het LSO (SXL 6212) heeft uiteindelijk mijn voorkeur, maar hij heeft het later met het CSO (SXDL 7536) nog eens overgedaan en die is ook erg goed. Je ziet hem regelmatig aangeboden voor weinig geld.
Reiner is net als het vorige werk ook op een audiofiele heruitgave verschenen. Zie hierboven.
Dorati met het LSO Fontana (Grandioso 894 020 ZKY) is oorspronkelijk op Mercury verschenen maar veel opnames zijn op Philips en Fontana heruitgegeven. Dit is zo’n voorbeeld. Mooie opname: helder, diep, hoog, breed enz. Alles schittert. Ook Dorati heeft het een tweede keer opgenomen en wel met het CGO op Philips (411 132-1), die met een Edison is bekroond.

Pianoconcerten No. 1 en 2.

In het eerste concert, valt het middendeel op doordat het slagwerk een voorname rol inneemt en de piano als slagwerkinstrument wordt gebruikt. Het melodische materiaal gaat terug op de Arabische volksmuziek. Verder valt op dat dit concerto buitengewoon grondig bewerkt is, waarin thema’s voortdurend van gedaante verwisselen.
Dan het tweede concert uit 1931. Het was een poging een ‘meer toegankelijk’ concert te schrijven vergeleken met het vorige. In het oog springend is dat in het eerste deel, de strijkers zwijgen. Van alle uitvoeringen die ik intussen gehoord heb, is de uitvoering door Abbado met Pollini (DG 2530 901) met afstand de beste. Zij zijn een waar koningskoppel en bovendien is deze plaat gemakkelijk te krijgen voor weinig geld. Regelmatig zie je hem in een antiquariaat en anders heeft eBay het wel. Kovacevich en Davis op Philips zijn een goede tweede keus, ondanks dat de opnames een correcte klankbalans ontberen.

Vioolconcert no. 2

Een waarlijk schitterend vioolconcert met een overvloed aan melodische invallen. Met dit werk voltooid in 1938, slaat Bartok weer een andere weg in. Het vitale en krachtige eerste deel, dat contrasteert met het dromerige middendeel, knoopt qua vorm duidelijk aan bij de Romantiek met een virtuoze cadens die haar weerga niet kent. Hieruit zou blijken hoe goed de meester op de hoogste was met het karakter en de mogelijkheden van de viool. In het laatste deel keren elementen van het eerste deel in gewijzigde vorm terug.
Solti met Chung op Decca (SXL 6802) is relatief gemakkelijk te krijgen en een prima uitvoering. Szyring met Haitink op Philips is nog natuurlijker, maar wel lastiger te krijgen.

Igor Stravinsky (1882 – 1971)

Le Sacre du Printemps

Is er een werk te noemen dat historisch gezien zo belangrijk is? De première was in 1913 onder Pierre Monteux en het mag als algemeen bekend worden verondersteld, dat het een muzikale aardbeving veroorzaakte. Dit ballet verklankt een tafereel in het voorchristelijke Rusland waar uiteindelijk een door de oudsten uitgekozen maagd zich dood danst. C. Höweler schrijft dat dit barbaarse werk “zich niet bekommert om de verheerlijking van de lente door de tederheid van bloesems, maar op gaat in wild stortende stromen en lawines, in de kiemkracht, die rotsen laat splijten door zaad”. Hoe waar is dit! Het gaat hier inderdaad niet om schoonheid, maar om een artistiek verantwoorde weergave van lelijkheid*; het huiveringwekkende, het sublieme in de natuur volgens Schopenhauer.

Ofschoon sommige auteurs dit werk nog steeds betitelen als een laatste uitloper der Romantiek, maakt het nog steeds een hyper moderne indruk. Dit werk, dat grotendeels steunt op de ritmiek, is blijkbaar voor veel orkesten nog steeds een uitdaging. Vooral het slot, waarin het metrum constant verandert.

Binnen wat er relatief eenvoudig te krijgen is, zijn er drie uitvoeringen interessant: Davis met het CGO op Philips (9500 323), Bernstein met de Israel Philharmonic Orchestra op DG (2532 075) en Boulez met Cleveland op CBS (S 72607). De laatste is qua klank verreweg de minste. De opname mist kleur en fundament, maar het is een zeer goede uitvoering. Boulez trekt de luisteraar direct het werk binnen. Heel spannend gedaan. Bernstein drukt zijn stempel maar doet dat hier geloofwaardig én met goede smaak. Er zijn erg veel orkestdetails te horen. Davis, moet even “op stoom” komen, maar is daarna niet te houden. Uiteindelijk mijn favoriet.

Symphony in three movements

Door velen de zogenaamde “neosacre” genoemd, omdat dit werk is ontstaan in Stravinsky’s neoclassicistische periode en bij vlagen in ritmisch en harmonisch opzicht aan zijn Le Sacre doet denken.
Los van de uitvoering door de meester zelf, is Charles Dutoit met de Suisse Romande op Decca onverslaanbaar. Alles klopt op deze uitvoering. De plaat wordt regelmatig op het net aangeboden. Colin Davis met de Bayerische Rundfunk op Philips mag er ook wezen.

Symphony of Psalms

Het hoogtepunt in Stravinsky’s neoclassicistische periode en van een indringende schoonheid. Geïnspireerd op Psalm 38, 39 en 150. Opvallend is hier het gekozen instrumentarium: geen violen en altviolen, geen klarinetten, maar wel twee piano’s, een uitgebreide koper- en houtsectie en uiteraard het vierdelige koor dat de Psalm teksten in het Latijn zingt. Is het een terugkeer naar de God van het oude testament of integendeel naar de engel des lichts?
Het meest voor de hand liggende is uiteraard de uitvoering door de meester zelf op CBS, die de ene keer met de Symfonie in C, de andere keer met de Symfonie in drie delen gekoppeld wordt. Bernstein heeft het ook opgenomen voor hetzelfde label. Voor deze uitvoering zult u naar E-Bay moeten.
Deze maand heb ik me bewust beperkt tot de twee belangrijkste toonzetters uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Volgende maand zal ik meer componisten uit deze tijd bespreken alsook enkele minder bekende werken.

*Noot: We moeten […] onderscheid maken tussen manifestaties van het lelijke an sich (uitwerpselen, een lijk in ontbinding een mens vol walgelijke zweren), het formeel lelijke, oftewel de wanverhouding tussen de delen van een geheel en de artistieke weergaven van beide. Umberto Eco, De geschiedenis van de lelijkheid.