Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

« Vorige berichten

BERLIOZ – L’enfance du Christ

Sunday, April 13th, 2014

BERLIOZ
L’enfance du Christ
Swedish Radio Symphony Orchestra; Choir • Robin Ticciati
Yann Beuron, Narrator • Véronique Gens, Virgin Mary • Stephan Loges, Joseph • Alastair  Miles, Father of the family
Linn SACD CKD 440 DDD 92 minutes

Uitvoering / Opname **** / *****

Eenmaal weer terug in Parijs voltooide Hector Berlioz in 1854 het eerste deel van dit drieluik over Jezus’ jonge jaren en daarmee het gehele werk. Wie deze geweldenaar kent van het hemelbestormende Requiem of het Te Deum met zijn grandioze opening, zal verrast worden door de kleine schaal van dit oratorium en de intieme opvatting. Hoewel klein van opzet, heeft de meester toch voor de nodige afwisseling gezorgd. Robin Ticciati heeft dit kleinschalige goed begrepen. Ook heeft hij een gepast oog voor de bijzondere orkesteffecten en de verhaallijn. Het Zweeds Radio Symfonie Orkest Koor zingt schitterend; net als de solisten. Een van de hoogtepunten is ongetwijfeld de scene VI “Joseph! Marie!” waar het koor mooi achterin staat en contrasteert met de solisten. De opname doet dan ook volledig recht aan Berlioz’ ideeën en heeft een gigantisch diepte perspectief en detail. Er is uiteraard wel grote concurrentie door onder andere Colin Davis’ integrale Philips opname. Maar het voordeel van deze spectaculaire Linn registratie, is de buitengewoon realistische ervaring die binnenkomt. De 5 sterren voor de opname is uiteraard voor de hoge resolutie SACD-laag. De ‘gewone’ cd klinkt een slagje meer ingesnoerd. Verder had er wat mij betreft nog wat meer muziek op gemogen op vooral de tweede cd.

Emile Stoffels
Luister Magazine 697

LALO • BERLIOZ • SAINT-SAËNS

Sunday, December 1st, 2013

LALO • BERLIOZ • SAINT-SAËNS
Flanders Symphony Orchestra Pieter Wispelwey Seikyo Kim
ONYX 4107 DDD 63.32

Uitvoering / Opname ****/**

De in Haarlem geboren Pieter Wispelwey kreeg les van onder anderen Anner Bijlsma en nam in 1990 zijn eerste cd op voor Channel Classics, met de cellosuites van Bach. Daarna volgden meer optredens en meer bekendheid. Wispelwey beheerst zowel moderne als oude cello’s. Dat is bijzonder, aangezien het spelen op darmsnaren bepaald een andere tak van sport is dan het spelen op staal. Nu dus het romantische repertoire met o.a. Lalo’s Celloconcert uit 1877. Dit concert staat in de schaduw van zijn Symphonie Espagnole en dat is niet geheel terecht. Wispelwey laat met veel vuur en pathos horen waarom. En ondanks dat Saint Saëns ons in zijn tweede celloconcert uit 1902 niet zo heel veel te vertellen heeft, maakt Wispelwey er het beste van. Seikyo Kim geeft met het Vlaams Symfonie Orkest uitstekende ondersteuning. Helaas werkt de opname niet echt mee: de solist staat wel mooi prominent in het stereobeeld, waardoor er veel detail is te bewonderen. Maar de klankbalans van het orkest is te dun en de akoestiek klinkt vreemd. Dat is erg jammer, maar dat neemt niet weg dat ik deze cd omwille van het aanstekelijke musiceren van harte aanbeveel.

Emile Stoffels
Luister Magazine 693

BERLIOZ – Grande Messe des morts

Sunday, October 6th, 2013

BERLIOZ
Grande Messe des morts
London Symphony Chorus; London Philharmonic Choir; London Symphony Orchestra;
Barry Banks; Sir Colin Davis
LSO Live LSO 0729 SACD DDD 94’04’’

Uitvoering/Opname ***/**

Het is niet voor te stellen dat het Requiem, Berlioz’ opus 5 is. Een componist die een dergelijk werk maakt, moet haast wel als een volwassene geboren zijn. Voor ons ligt Davis’ nieuwe in de St. Paul’s Cathedral opgenomen registratie. Het is goed te horen dat de akoestiek voor een groot deel zijn tempi keuze heeft bepaald. Die zijn iets langzamer dan zijn eerdere opname voor Philips. Het ligt voor de hand de oude uitvoering uit 1969 er naast te leggen. Direct valt op dat de nieuwe opname, lang niet die spanning en mystieke kracht heeft uit zijn Philips opname. Deze is in 2008 ook nog door Pentatone als een multichannel (4 kanaals) SACD uitgegeven. De LSO Live opname is te veraf en vooral spanningsloos. De o zo mooie loopjes in het hout – zoals de gitzwarte fagot in het openingsdeel – zijn nauwelijks hoorbaar. Ook zijn de verschillen in dynamiek erg groot, wat niet altijd praktisch is. Evenzo is de hoeveelheid muziek aan de karige kant. De drie sterren beoordeling voor de uitvoering, is op basis van dat ik geen enkele twijfel heb over Davis’ visie. Maar de opname gooit wat mij betreft teveel roet in het eten. Jammer.

Emile Stoffels
Luister Magazine 692

SAINT SAËNS – La Muse et le Poète

Monday, September 17th, 2012

SAINT SAËNS
La Muse et le Poète; Celloconcerto; Symphony no. 1
Kansai Philharmonic Orchestra Augustin Dumay Pavel Gomziakov Sachio Fujioka
ONYX 4091 DDD 64.13

Uitvoering/opname ****/***

Een aardig programma van ONYX met weinig gehoorde en opgenomen werken van Saint Saëns. Behalve het eerste Celloconcert, waar al veel goede uitvoeringen van bestaan. Dat kunnen we niet zeggen van het La Muse et le Poète en de eerste symfonie. Zijn eersteling binnen de wereld der symfonieën ontstond in 1853 en zowel Gounod als Berlioz waren overtuigd. Het La Muse et le Poète, dat meer dan een halve eeuw na de eerste symfonie ontstond, was oorspronkelijk geschreven als trio voor viool, cello en piano. Maar al snel schreef de inmiddels 73 geworden Saint Saëns, de piano partij om naar orkest. Het is ongetwijfeld een charmant en gepassioneerd werk dat hij in het Egyptische Luxor schreef om de Franse winter te ontvluchten. Dit warmbloedige stuk – ter nagedachtenis van zijn vriendin Mme J. Henry Carruette – ging in 1910 in première met Eugene Ysaÿe als solist. Dumay en Gomziakov voelen dit werk goed aan en weten dat ook om te zetten in hun spel door van hun solo partijen een conversatie te maken, zoals de componist het had bedoeld. Er zit een lichte klankonbalans in de opname waardoor het midden-hoog gebied wat overbelicht klinkt. Daardoor is er wel een overvloed aan detail waar te nemen.

Emile Stoffels
Luister 684

Avantgarde Uno – een State of the art weergever

Wednesday, August 3rd, 2011

‘Ik hoef het beeld alleen van het overtollig steen te bevrijden’, sprak de beeldhouwer Auguste Rodin, toen hem iets over een van zijn kunstwerken werd gevraagd. In navolging van zijn grote voorbeeld Michelangelo, wist deze erfgenaam der Barok en tegelijkertijd erflater der moderne plastiek, menselijke figuren ‘uit steen te verlossen’ op een wijze die aannemelijk maakt dat geen ander resultaat denkbaar zou zijn. Het is een soort van onvermijdelijkheid die wij ook ondervinden in de muziek van Ludwig von Beethoven.

Iets dergelijks ervoer ik ook bij het zien en horen van de Avantgarde speakers, die ik een tijd geleden voor het eerst hoorde bij Audio-Life in Buren. Ik was direct onder de indruk van de verpletterende live presentatie en probeerde me in te beelden hoe deze jongens bij mij thuis zouden klinken. Interessant in deze is dan ook de definitie dat Avantgarde Acoustic van het begrip puurheid geeft, in verband met hun producten: “Een functioneel ontwerp dat noodzakelijkerwijs ontstaat uit zijn toepassing.”

De voorhoede

Avant-garde is sedert de jaren ’20 van de vorige eeuw een gebruikte term ter aanduiding van internationaal gerichte groepen revolutionaire kunstenaars, die experimenteren met nieuwe kunstvormen en de artistieke procedés van hun voorgangers radicaal afwijzen. De term werd voor het eerst toegepast op een groep links-pacifistische kunstenaars die in 1916 bijeenkwamen in het Cabaret Voltaire te Zürich. Sindsdien wordt de term gebruikt voor een aantal groepen van vernieuwers, van voor de Tweede Wereldoorlog. De term kan eigenlijk gebruikt worden voor elke vooruitstrevende groep kunstenaars die breekt met de traditie en kan het best toegepast worden op een bepaalde levensopvatting, of meer specifiek voor een kunstenaarshouding waarin het experimenteren met nieuwe vormen centraal staat.

Precies die pioniersgeest ademt het Duitse Avantgarde Acoustic ook uit. Een bezoek aan hun website maakt dat snel duidelijk. Het bedrijf stond vorig jaar onder een nieuw motto op de High-End show in München: “Purity meets Performance”; een bedrijfsfilosofie die op bewonderingwaardige wijze in alle speakersystemen is doorgevoerd. Dus ook in het hier geteste model: de Uno. Er zijn diverse modellen in het programma, maar dit is het instapmodel en het ligt dan ook voor de hand dat er nog een Duo en een Trio is. Verder is er nog een geheel actief speakersysteem, de Solo en een indrukwekkende bashoorn.

Uiteindelijk nam ik contact op met Number 4; de importeur van Avantgarde en werden de 70 kilo zware speakers in delen in mijn huiskamer gebracht en in elkaar gezet. Dat verliep allemaal rimpelloos en toen de eerste speaker was geplaatst werd dan ook de gepaste kreet geslaakt: “Uno!”.

De afwerking is fantastisch en het design zou wat mij betreft in aanmerking komen voor een grote prijs. Juist omdat het qua design geen alleman vriendje is. Ik was in elk geval geheel overdonderd door de vormgeving. Het is opvallend in z’n eenvoud en dat maakt het zo bijzonder. Toch zijn er mensen die deze speakers om onbegrijpelijke redenen wanstaltig noemen. Verder zijn de Avantgardes in allerlei kleuren te krijgen, opdat er een goede afstemming mogelijk is met de omgeving waar ze komen te staan.

De Uno heeft een 20 inch sferische hoorn die het gebied weergeeft van 300 Hz tot 3 kHz. Daarboven neemt een 5 inch hoorntweeter het over. Het laag wordt actief gedaan met aparte 250 watt versterkers in het baskabinet, die twee 10 inch drivers per kant aansturen. Er is dus alleen een versterker nodig voor het midden en hoog. Deze beide hoorns hebben bij elkaar een gevoeligheid 104 dB en kan er met slechts enkele watts een orkaan aan geluid geproduceerd worden.

Funcionaliteit

Functioneel en logisch zijn de Avantgardes ook. Aan elke hoek van de speaker kan eenvoudig de hoogte ingesteld worden en derhalve de luidspreker laten kantelen of overhellen, wat erg veel invloed op het stereobeeld heeft. Evenzo is het mogelijk het werkgebied van de hoorns in te stellen. Aangezien het laag actief is, kon ik het goed aanpassen. In mijn huiskamer bevindt zich een lichte vorm van compressie die mij in sommige gevallen parten speelt. Maar dus niet in het geval van de Avantgardes. Ook bleken ze niet overmatig kritisch bij het plaatsen. Wel gaat er enige tijd zitten ik het in- en uitdraaien en het naar voren en achteren laten hellen van de speakers. Eenmaal naar tevredenheid opgesteld, kon het luisteren beginnen. Voor het midden en hoog gebruikte ik mijn ‘old warhorse’ de EL84 single ended buizen versterker. De Philips SACD 963 gebruikte ik zowel als bron en als loopwerk voor mijn NOS DAC’s.

Speaker bekabeling was aanvankelijk een solidcore type van AudioQuest. Ik begon hiermee omdat uit mijn ervaring sommige hoornsystemen wat nadruk kunnen hebben in het midden tot het midden-hoog. Deze ‘bruin’klinkende kabel zou dat dan moeten neutraliseren. Maar al gauw bleek dat dat niet nodig was, omdat deze weergevers een toonbeeld zijn van neutraliteit. Later werd dan ook de Heimdall van NordOst gebruikt die in mijn ondervinding volstrekt neutraal en homogeen klinkt en een mooie match bleek met de Avantgardes. Dat bleek wel uit Martes van Murcof. Het laag was aanzienlijk sneller en preciezer en toch kon ik zelfs nog wat extra laag bijdraaien.

Luisteren

De ritmische potentie was wat me als eerste opviel. Zo was Dancing Girls op Human Racing ongekend elastisch en snel. In het begin wilde ik echter vooral overdonderd worden en selecteerde daar dan ook mijn muziek op. Om een paar voorbeelden te noemen: Ouverture 1812 van Tchaikovsky, De IJzergieterij van Mosolov, de Scytische Suite van Prokofiev en het Requiem van Berlioz. Ik wilde echter aftrappen met iets zeer passends: Requiem für einen jungen Dichter van Bernd Alois Zimmermann. Deze Duitse componist die in 1967 vrijwillig uit het leven stapte, heeft een klein maar interessant oeuvre nagelaten. Belangrijker evenwel voor dit thema is, dat hij behoorde tot de Avantgarde.

Dit Requiem is een huiveringwekkend document, met een uitdrukkingskracht die de omschrijving bijna tart. Het is een Gesamtkunstwerk voor groot orkest, drie koren, solisten, sprekers, jazz combo, orgel en elektronische tapes met citaten van de grote filosofen en literatoren en geluidsfragmenten van belangrijke gebeurtenissen uit de vorige eeuw. Het slot met citaten uit o.a. Beethoven’s negende, Hey Jude van de Beatles en Joseph Goebbels’ opzwepende redevoering over de totale oorlog in februari 1943, kwam mijn huiskamer binnen op een manier die bijna fysiek was. Dat kwam niet in de laatste plaats door de luisterrijke stage die de Uno’s neerzetten.

Bij Mosolovs IJzergieterij was het net of dat de roestige fabrieksdeuren opengingen en we de arbeiders aan het werk zagen met de bewerking van het metaal. De natuurlijke resonantie en het geweld van deze noeste arbeid, was adembenemend. Zo groots en imposant! Even groots was Bruckners achtste. Wanneer de slotpassage in de finale aanbreekt, zou men bijna tot het Christendom bekeerd worden. Geen enkele stichtende literatuur of exegese kan overbrengen wat Bruckners kunst doet in deze. Het koper was pregnant en massief zonder dat het op de oren ging staan. Zelfs op geluidsvolumes die we elkaar doorgaans niet willen aanbevelen.

In de praktijk bleken de Avantgardes alles te kunnen. Groot waar het groot, klein waar het klein moet zijn. Ook kamermuziek in alle combinaties werd op de juiste schaal gepresenteerd. Zeer intiem was bijvoorbeeld Francks sonate. Chung had de correcte afbeelding en Lupu’s piano stond vrij in de ruimte zonder kleuring. Wat me keer op keer opviel was dat ik na ieder afzonderlijk stuk muziek, niet direct naar het volgende stuk ging. Blijkbaar was er behoefte aan rust of zelfs verwerking. Bijkomen moest ik ook van Poulencs Orgelconcert. Deze orgelthriller was een ervaring op zich met de Uno’s. Buitengewoon veel micro-informatie bespeurde ik op deze opname. De lucht die door de pijpen stroomt, de kleppen, de ambiance: alles was aanwezig.

Maar de realistische weergave had ook een duidelijke schaduwzijde. Om maar even af te dalen naar triviaal amusement: mijn kinderen hadden op Playstation 3 de grootste schik met deze alleseters. Call of Duty was zo realistisch dat we ons moeten afvragen of dit soort spellen nog wel verantwoord zijn. De kogels en granaten vlogen me om de oren op een manier die ik niet gewend was. De kroost vond het uiteraard geweldig, maar ik voelde me wat ongemakkelijk. Het kwam allemaal zo dichtbij…

Conclusie

Ja, ik ben inderdaad enigszins uit mijn sokken geblazen. Met lede ogen zag ik dat de Uno’s weer werden opgehaald. Ik heb dan ook bewust een week gewacht met het weer aansluiten van mijn eigen speakers. Ik kan volstaan met te zeggen dat dit de meest indrukwekkende luidsprekers zijn die ik de laatste jaren gehoord heb. De Avantgardes waren dynamisch, groots, intiem en tegelijkertijd spectaculair zonder dat het een kermis werd. Ook het design droeg bij aan de muziekbeleving. Deze weergevers zijn inderdaad ware kunststukken en ik vraag me af hoe de topmodellen klinken…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Tchaikovsky – Ouverture 1812/Philips;
Mosolov – IJzergieterij/Decca;
Prokofiev – Scytische Suite/DG;
Berlioz – Requiem/Philips;
Zimmermann – Requiem für einen jungen Dichter/Wergo;
Franck – Sonate voor Viool en Piano/Decca;
Martinu – 4de strijkkwartet/Briljant Classics;
Poulenc – Orgelconcert/Erato;
Jungen – Symphonie Concertante/Telarc;
Nik Kerhaw – Human Racing/MCA;
King Crimson – Three of a perfect pair/EG records;
Genesis – A Trick of the Tail/Virgin 2007 remix;
Murcof – Martes/ Leaf Spain

Prijs: €13.500,-

Informatie: http://www.avantgarde-acoustic.de/

CHOPIN Concerto No. 2 The 4 Versions

Monday, January 31st, 2011

CHOPIN
Concerto No. 2 op. 21 The 4 Versions
The Queensland Symphony Orchestra Edvard Tchivzhel
Heidelberg Symphony Orchestra Quintet
Cyprien Katsaris Piano 21 P21 038-N

Uitvoering/Registratie ****/*****

Voor degenen die een grondige studie van Chopins tweede pianoconcert willen horen (eigenlijk zijn eerste), is dit de kans. Het oorspronkelijke concert meegerekend, hebben we hier niet minder dan vier versies van Chopins tweede pianoconcert over twee cd’s: de orkest uitvoering dus, Chopins eigen versie voor piano solo, de uitvoering voor piano en strijkkwintet en die voor twee piano’s. Cyprien Katsaris is een Frans-Cypriotisch pianist en componist die zijn eigen label heeft opgericht: Piano 21. Genoemd na het aanbreken van de eenentwintigste eeuw. Cyprien is iemand die zich sterk maakt, niet alleen voor het ijzeren repertoire maar ook voor de minder bekende componisten en werken. Genoten heb ik o.a. van Chopins arrangement voor piano solo. Wat deze versies min of meer aantonen, is dat Berlioz wellicht gelijk had toen hij zei dat de begeleiding van dit concert weinig toevoegt. Prachtig opgenomen allemaal met een natuurlijkheid die mij sterk deed denken aan de legendarische opnames van Mercury en RCA.

Emile Stoffels
Luister 672

De Romantiek III

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek III

Met deze maand sluiten we de laatste grote Duitse componisten uit de Romantiek af. We bespraken al eerder dat men in deze generatie kunstenaars, een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende inwerking uitoefenen op de toonkunst. Maar ook de industrialisering en daarmee ook het ontstaan van het socialisme, begint het psychische klimaat van de kunstenaar te bepalen.

Het fenomeen Richard Wagner (1813 – 1883) en diens invloed is al in vorige artikelen besproken. Zijn belang en inwerking op de muziek van de 19de eeuw is nauwelijks te overschatten en hij is lang gezien als degene die aan de wieg stond van de moderne muziek. Aangezien zijn grootste en voornaamste bijdrage aan de opera is en deze artikelen als belangrijkste speerpunt de symfonie hebben, valt Wagner eigenlijk buiten het bestek van deze serie. Dat geldt ook voor Verdi (1813 – 1901) die zijn grote tegenspeler in Italië was. Het geldt uiteraard voor alle componisten die voornamelijk opera’s hebben geschreven. Berlioz komt later wel aan de beurt op basis van zijn Symfonie Fantastique. Maar laat duidelijk zijn dat Wagner een van de grootste hemellichamen in ons stelsel is.
Voor Wagner’s opera’s adviseer ik om (eerst) de ouvertures te beluisteren. In de 19de eeuw legde men een duidelijk thematisch verband tussen de ouverture en de belangrijkste episoden van de opera. Deze kunnen dus als een soort synopsis dienen en worden regelmatig 2de hands aangeboden evenals de dwarsdoorsneden en hoogtepunten. Solti op Decca, Böhm en von Karajan op DG zijn de grote namen in deze.

Ook Franz Liszt (1811 -1886) geboren in Hongarije maar de grootste muzikale wereldburger van deze eeuw, mag uiteraard niet ontbreken. Al was het alleen om het feit dat hij de schepper van het symfonische gedicht is en zodoende in meer vrijheid voor de componist voorzag. Velen hebben zich hiervan bediend: Strauss, Smetana, Dvorak, Saint-Saens en zelfs Debussy’s La Mer is ondenkbaar zonder Liszts ontdekkingen.
Tijdens zijn verblijf in Parijs heeft hij zich ingeleefd in de Franse cultuur en zich onder andere op dichter Victor Hugo geïnspireerd. Vandaar ook de Franse titels zoals zijn Les Preludes die het meest populair gebleven is van zijn symfonische gedichten. In Weimar kwam hij weer in contact met de Duitse cultuur waaruit de Faust Symfonie uit 1854 ontstond. Uitstekende keus hier is Bernstein op DG (2707 100) met de BSO. Maar ook Italië was een vaderland voor hem en inspireerde hem tot de Dante Symfonie.
Van zijn klavierwerken staat de sonate in b centraal. De pianoconcerten door Arrau (solist) en Davis (Philips 412 926-1) worden vaak aangeboden en klinken overrompelend. Samen met Wagner is hij de hoofdrolspeler van de Norddeutsche Schule.

Aanknopend bij de klassieken met een heldere, klare bijna ijle klank is Felix Mendelssohn Bartholdy (1809 – 1847). Een vroegrijpe geest die op 17 jarige leeftijd al de sprookjesachtige ouverture Midzomernachtsdroom (Szell op Philips Sequenza 6527 056!) componeerde. Mendelssohn – Joods van geboorte maar gedoopt in de Gereformeerde kerk – was het die Bachs Mattheus Passie weer op de kaart zette en alleen daarom al een standbeeld verdient. Nietzsche zei: “Felix Mendelssohn’s muziek is de muziek van de goede smaak, voor al het goede dat reeds geweest is: zij wijst steeds achter zich”. Vergeleken met Schumann – zij waren goede vrienden – is Mendelssohns muziek helderder en sprankelender.  Ook even edel, maar minder diep. Over Schumanns kunst ligt een soort van patina.
De slanke lenige pianoconcerten zijn een mooi voorbeeld hiervan. CBS heeft beide pianoconcerten gekoppeld met Perahia (solist) en Marriner (CDS 76576). De hoes is aartslelijk, maar de uitvoering en klank zijn buitengewoon. Mendelssohn is echter het meest beroemd om het prachtige vioolconcert uit 1845 waar ontelbare uitvoeringen van zijn. Hoog aangeschreven staat nog altijd die door Mutter (solist) en von Karajan (DG 2532 016).
Het beeldige octet door I Musici (Philips Sequenza 6527 076) zie je regelmatig in het 2de hands circuit. Schitterende opname met twee van zijn twaalf jeugd symfonieën voor strijkers. In deze vroege composities zitten verrassende momenten van zeldzame schoonheid die naar Bach wijzen. Ook zijn strijkkwartetten opus 12 en 13 zijn niet te versmaden. Het LaSalle Kwartet (DG 2530 053) geeft vurige vertolkingen van deze stukken.

Zijn derde symfonie heeft als bijnaam de Schotse en valt op door de donker en herfstig gekleurde harmonieën. De uitvoering door Peter Maag op de budget serie Ace of Diamonds van Decca (SDD 145) is zondermeer de zoektocht waard. Zeldzaam mooie opname en Maag doet alles goed. De koppeling is met de prachtige Ouverture de Hebriden, dat een soort concentraat is van de Schotse. Een werk van een verbluffende oorspronkelijkheid en het sublieme in de natuur blootlegt. Het is het pendant van de Manfred Ouverture van Schumann. Voor de Schotse zijn er prima alternatieven: Haitink met het LPO (Philips 9500 535) en Dohnányi op Decca met het VPO, maar voor de Hebriden Ouverture wordt dat een stuk lastiger.
Hoe anders is zijn vierde met als bijnaam de Italiaanse. Volslagen andere wereld dan de vorige symfonie. De opening kennen we allemaal. Het zijn van die “Oh ja…” melodieën die blijkbaar diep in onze west Europese vezels zitten.
Voor wat betreft de koppeling met zijn andere symfonieën zijn Abbado (Decca en DG), Leppard (Erato STU 71064) en Maazel (DG 138 684) aan te bevelen. De laatst genoemden koppelen de vierde en de Reformation (de vijfde). De bekende 3de en 4de symfonie worden meestal gekoppeld, maar lang niet altijd. Als ik een top 3 zou moeten maken van meest voorkomende platen in het tweede hands circuit, dan staat de volgende plaat daar zeker in: de uitvoering van de ‘Italiaanse’ door Sinopoli (DG 410 862-1) gekoppeld met de Unvollendete van Schubert. Wat een fantastische uitvoering, opname en cover!
Overigens het ‘probleem’ Schubert – een van de grootste geesten van de Europese toonkunst – zullen we binnen de stijlperiode behandelen voorafgaand aan de Romantiek.

We zagen ook weer in deze periode dat er in Duitsland verschillende generaties tegelijkertijd actief zijn. Enerzijds kunstenaars die door hun hoge leeftijd toch nog steeds een aanzienlijke invloed hebben op de laatromantiek en in de tweede helft van de 19de eeuw tot volle wasdom komen. Anderzijds een generatie die nog wortelt in de periode voorafgaand aan de Romantiek: het Classicisme. En er is een middengroep die zich ontplooide tijdens de eerste helft van de 19de eeuw. In Frankrijk en Italië – de andere twee dominante naties – was dat niet anders. Volgende maand komen de grote Franse Romantische componisten aan bod: Berlioz, Franck en Chopin. De Franse romantici die zich later zouden verzetten tegen de Duitse invloed.

De Romantiek II

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek II

Het woord Romantiek is ons in de mond bestorven; het is onmogelijk zelfs bij benadering alles op te noemen wat heden als romantisch wordt gekwalificeerd; Shakespeare of Chopin evengoed als een zesde-rangs film of een van de duizend-en-een romannetjes, die al voor het ter perse gaan verouderd zijn. (Norbert Loeser).

Het mag duidelijk zijn dat de term Romantiek meestal verkeerd wordt gebruikt en begrepen, waardoor de juiste betekenis verloren dreigt te gaan van dit cultuurhistorische verschijnsel, waarvan de wortels al liggen in de 18de eeuw bij de poëzie, literatuur en filosofie. Het fenomeen Romantiek is veel complexer dan de meeste mensen vermoeden en heeft vooral een duistere nachtelijke kant zoals duidelijk blijkt uit de persoonlijke omstandigheden van diverse kunstenaars. De grootheidswaanzin van Wagner, de krankzinnigheid van Schumann, het fantastische van Berlioz, enz.

De grote tegenspeler van Wagner in Duitsland en generatiegenoot van Bruckner was Johannes Brahms (1833 – 1897). Uiteraard had ook hij te maken met de veranderde geestelijke houding in Europa die de componist min of meer dwong om van het traditionele vormschema af te wijken. Zelf behoorde Brahms bij een beweging in de Romantiek die tegen de stroom van de Wagneriaanse school inging en de 18de eeuwse traditie fel verdedigde. Hij trachtte de klassieke stijl te verbinden met de romantische ideeën. Een meester van de intimiteit en de kleine vormen zoals ballade, rapsodie en het lied. Ook wel eens de geniaalste knutselaar genoemd, omdat hij de “grote overgeleverde vorm met louter kleinere eenheden vult”. Dit bracht de grote denker Nietzsche ertoe Brahms’ stijl de “Melancholie des Unvermögens” te noemen.

Puur vormtechnisch gezien, ligt zijn grootste bijdrage in de kamermuziek. Echter, zijn symfonieën zijn toch indrukwekkend. In tegenstelling tot Wagner en Berlioz die het orkest behoorlijk hadden uitgebreid, gebruikt Brahms voor zijn symfonieën niet meer instrumenten dan Beethoven voor zijn negende.
Zijn eerste symfonie wordt wel eens Beethovens 10de genoemd en zou bij serieuze klassieke muziek liefhebbers niet mogen ontbreken. De overeenkomsten met Beethoven zijn duidelijk: de heroïsche strijd en overwinning, dit alles echter op zijn eigen lyrische manier. Het intro grijpt direct aan; het is een weemoedige klacht. Het tweede deel hoort bij Brahms’ mooiste stukken voor orkest, met een prachtige melodie in de hobo. In de finale klinkt wederom Beethoven door: verbroedering.

Er zijn in de loop der tijd heel veel goede uitvoeringen vastgelegd door de grote labels en ze hebben allemaal zo hun charmes. Solti en Chailly op Decca; Jochum, Klemperer en Boult op EMI; Böhm (2 keer), Giulini, Abbado en von Karajan (3 keer) op DG. Er is echter één uitvoering waar ik iedere keer weer op terugval. En dat is die door Haitink (Philips 416 661-1) met het Concertgebouw Orkest in topvorm. Vermeldenswaard is dat de heruitgave – die vreemd genoeg moeilijk te vinden is – een fractie transparanter klinkt dan de oorspronkelijke uitgave. Ofschoon Haitink dan net niet dat weemoedige, klagende, pathetische benadrukt zoals Giulini en von Karajan dat doen, verrast Haitink mij keer op keer door de elastische aanpak. Ritmisch klopt het altijd bij deze man. En een heerlijke opname ook.

Dan de vierde symfonie. De trant van dit mooie werk is wel eens gekarakteriseerd als een herfststemming. Het meeslepende openingsthema spreekt direct aan. De climax op het einde van deel 1 is ingetogen maar gloedvol en waardig. Voor de uitvoering valt hetzelfde te zeggen als voor de eerste symfonie. Opvallend is de opname door Kleiber (DG 2532 003) die een zeer gelaagde uitvoering geeft.

Brahms heeft enorm geworsteld met de symfonie als vorm. Het eerste pianoconcert op. 15 was aanvankelijk als symfonie bedoeld. Men noemt het wel eens symfonie met obligaat klavier. De opening is huiveringwekkend voor romantische begrippen. Het tweede deel hoort bij Brahms’ meest aangrijpende stukken, terwijl het derde deel weer opvalt in edelheid. Ook hier zijn weer heel veel goede uitvoeringen van. Twee uitvoeringen duiken vaak op in het 2de hands circuit: Curzon met Szell (SXL 6023) en Haitink met Ashkenazy (SXDL 7552) beide op Decca en ook nog op de goedkope serie ‘de klassieken’ te vinden.

Bij het schrijven van het Vioolconcert sprak Brahms vaak met violist Joachim over de technische eisen. De laatste introduceerde het werk in verschillende steden. Toch werd het werk over het algemeen een “Konzert gegen die Violine” genoemd. We zijn nu zo’n 130 jaar verder en het heeft terecht repertoire gehouden. Krebbers met Haitink op Philips (6599 435) is er een waar je bijna mee doodgegooid wordt en voor kringloopprijzen, maar wat een geweldige uitvoering! Weer dezelfde lof als voor de symfonieën. Ik zou op vinyl niet verder zoeken. Overigens klinkt de CD erg goed en zit ook in de budget lijn van Philips.

Degene die de grootste en ingrijpendste invloed op Brahms heeft gehad is Robert Schumann (1810 -1856). Wellicht mogen we hem het archetype romanticus noemen. Een romantische dromer, literair begaafd en politiek geëngageerd. Typisch voor deze tijdsperiode: de kunstenaar die zich breed oriënteerde. Een tragisch verhaal van een genie die de dood op relatief jonge leeftijd zou vinden door krankzinnigheid en uitputting. Dit is een van die nachtelijke kanten van de romantiek.
De Manfred ouverture gebaseerd op het dramatische gedicht van Lord Byron is waarschijnlijk zijn mooiste orkestwerk. Schumann zei er zelf het volgende over: “Nog nooit heb ik mij met zoveel liefde en met zoveel concentratie van al mijn krachten aan een compositie gegeven als aan de Manfred”. Literair begaafd als hij zelf ook was, zal hij zich direct aangetrokken hebben gevoeld tot dit gedicht waarin “de demonische held van Byron, een wonderlijk mengsel is van de bespiegelende Faust en de misdadige door wroeging gekwelde Macbeth”, zoals verwoord door Höweller. In deze ouverture horen we inderdaad de verscheurdheid, het bitterzoete en de fatale schoonheid van de Romantiek. Ik persoonlijk denk dat er geen werk in de romantiek te vinden is, die deze nachtelijke aspecten zo voor het voetlicht brengt. Maar ook de nobele fluitmelodie aan het einde laat me iedere keer weer sterven. Er zijn twee uitvoeringen die de zoektocht waard zijn. Barenboim en Giulini beiden op DG. Bij de laatste is goed te horen dat het werk met een opmaat begint. Door kenners een witte raaf onder de orkestwerken genoemd.

Net als Barenboim (DG 2530 940) koppelt Giulini (DG 2532 040) deze ouverture aan de derde symfonie (Reinißche). Een mooiere koppeling kun je je niet voorstellen. Maar er zijn meerdere uitstekende uitvoeringen van deze symfonie. Bijvoorbeeld die door Kubelik ook op DG (138908).  Bernstein (DG 415 358-1) geeft ook op zijn manier weer een bevlogen uitvoering met op kant 2 het pianoconcert op. 54 dat tot de mooiste pianoconcerten hoort. De godin Argerich (DG 415 721-1) met Rostropovich als dirigent, laat weer zien dat dit repertoire voor haar geschreven lijkt te zijn.
In dezelfde Barenboim DG cyclus is de tweede symfonie ook erg mooi (2530 939) en gekoppeld met het weinig uitgevoerde en vastgelegde Concertstuk voor vier hoorns. Een andere interessante optie m.b.t. de tweede is die van Bernstein (DG 419 190-1). Nu is de koppeling met het schitterende Celloconcert, met Maisky als solist. In het werk ontmoet de laatste wel veel concurrentie in de oude rot Rostropovich. De heruitgave in de Klassieken serie (DG 7399 070), klinkt hoorbaar beter dan de oorspronkelijke.
Toch is Schumann vooral ook een kamercomponist geweest. Het Pianokwintet op. 44 is een van de hoogtepunten. Een mooie uitvoering geeft het Alban Berg Kwartet met Entremont op piano op EMI (27 0447-1) een opvallend mooie live opname, met als koppeling het dissonanten kwartet van Mozart. Een ander over het hoofd gezien werkje van Schumann, maar met een ongehoorde schoonheid zijn de drie Romanzen voor hobo en piano op. 94. De enige vertolking die ik op vinyl ken is die door Hansjörg Schellenberger (hobo) en Rolf Koenen (piano) op DG in de Debut serie (2555 013).

De volgende keer zullen we de generatiegenoten van Robert Schumann bespreken. Een generatie die in de kunstenaar een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende invloed uitoefenen op de toonkunst.

De Romantiek I – Anton Bruckner

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek I

Anton Bruckner (1824 – 1896)

Sommige muziek is zo verheven, schoon en edel, dat het bespreken ervan al een ontheiliging bewerkt. Iedere omschrijving gedoemd is te mislukken. Iedere verhandeling, onbevredigend blijkt. Dat geldt zeker voor de muziek van Anton Bruckner. Dit artikel is volledig aan hem gewijd, omdat hij een totaal eigen plaats inneemt in de 19de eeuwse muziek en zich volledig aan de periferie van de romantiek – en alles wat daarmee verband houdt -, bevond. De volledige concentratie op de symfonie als vorm en kunstwerk kon hij alleen volhouden, door zich vrijwel altijd afzijdig te houden van de literaire en filosofische stromingen, maar ook van zijn collega’s uit de beeldende kunst. Een andere reden is de vaste overtuiging dat in Bruckners kunst het fenomeen symfonie, de absolute bekroning vindt. Daarmee is overigens allerminst gezegd dat een Beethoven, Schubert of Mozart symfonie minder gaaf en bevredigend is.

Ontstaansgeschiedenis van de symfonie

Het blijkt dat Haydn ten onrechte de geestelijke vader genoemd wordt van de symfonie. Uit publicaties blijkt dat hij de verworvenheden van diverse voorgangers ‘slechts’ heeft toegepast. Diverse componisten uit verschillende plaatsen zijn verantwoordelijk voor de geboorte van het vormschema symfonie. Mannheim heeft naam met Johann Stamitz (1717 – 1757), maar evenzeer de noord Duitse school met CPE. Bach (1714 – 1788) en broer Wilhelm Friedemann (1710 – 1784), de Weense school met George Matthias Monn (1717 – 1750) en de Italiaanse school met Giovanni Battista Sammartini (1701 – 1775).

De verworvenheden van deze grote pioniers zijn uiteindelijk met succes door Haydn en Mozart toegepast, gecultiveerd en verder bewerkt. Via harmonische uitbreidingen door Beethoven en Berlioz, zou de lijn der ontwikkeling verder gaan om in Bruckner de meester te vinden die de symfonie een ingrijpende gedaantewisseling zou laten ondergaan, zonder de essentie aan te tasten. Hij is er in geslaagd de symfonie als vorm in overeenstemming te brengen met de veranderde geestelijke positie in de Romantiek. Een voorbeeld is de toevoeging van een derde thema of themagroep. Pas na hem zou de symfonie een langzame dood sterven.

De Symfonieën van Bruckner

De grote fout die men wel maakt is dat men de Bruckner symfonieën vergelijkt met die van de grote klassieke meesters voor hem; zoals Beethoven. Alleen al vanuit psychologisch standpunt is de kunst van deze grootse romanticus anders dan de klassieke reus Beethoven, die het mensenleed en de broederliefde bezingt. Ook is Bruckner niet de held van zijn eigen symfonieën, zoals we dat van Beethoven veronderstellen. Zijn muziek is – zij het op geheel eigen wijze – even objectief en boven persoonlijk als die van Bach.
Ook de zelfbewustheid waarmee een Wagner of Beethoven en zijn eigen tijdgenoten componeerde, is hem vreemd en ik ben geneigd te denken dat hij zich niet of nauwelijks bewust was hoe belangrijk zijn bijdrage aan de symfonische kunst wel was. Terwijl een Berlioz of Beethoven, dat wel degelijk wisten. De mooiste typering over de persoon Bruckner is wellicht die door van Hengel in diens Bruckner biografie: half imperator, half heilige. Het is overigens altijd interessant hoe de groten der aarde over elkaar praten. Johannes Brahms moet eens tegen Bruckner gezegd hebben: “ik begrijp helemaal niets van uw muziek”, waarop Bruckner repliceerde: “dat is toevallig, laat ik nu precies hetzelfde hebben”.

Er zijn er geweest die Bruckner als een Wagner epigoon hebben betiteld. Het is waar dat Bruckner Wagner aanbad en in hem een harmonische bevrijder zag. Een aantal verworvenheden van Wagner heeft Bruckner ook wel gebruikt. Maar meer ook niet en dan nog geheel op zijn eigen wijze. Alleen al het feit dat Bruckner zich niets aantrok van zijn held Wagner, om gewoon symfonieën te blijven schrijven zegt genoeg (zie vorig artikel). De opmerking door sommigen in het verleden dat Bruckner’s muziek slechts symfonische uitingen van Wagners’ opera’s zijn, is volslagen belachelijk.

Vergelijking met een Beethoven symfonie bijvoorbeeld, leert dat Bruckner het orkest significant heeft uitgebreid: een derde trompet, een bastuba, een grotere houtsectie, een harp (in de achtste) en uiteraard de zgn. Wagner tuba’s in de laatste drie symfonieën, waardoor de orkestklank aanzienlijk donkerder wordt gekleurd. Deze uitbreiding in het koper en hout, heeft natuurlijk consequenties voor de orkestklankbalans. Omdat de strijkers tegenover een massaler blazercomplex staan dan in de klassieke symfonie, moet hun aantal ook uitgebreid worden.

Zelden hebben we in de symfonische literatuur gezien dat de tweede violen en alten uit hun ondergeschikte plaats in het orkest worden gehaald en een eigen rol krijgen; en veelal zelfs een leidende functie.
Een ander opvallend en buitengewoon interessant aspect is dat de tweede violen rechts (voor de concertbezoeker) opgesteld dienen te worden, wat consequenties voor de totaalklank heeft. Omdat nu bij deze opstelling de F-gaten op het bovenblad der tweede violen meer naar achteren stralen, krijgen ze zodoende een meer omfloerste, vage mystieke klank dan de eerste violen. De laatste keer dat ik Martin Sieghart zag met het Gelders orkest in de Vereeniging in Nijmegen, had hij de tweede violen ook op rechts geplaatst en de bassen links achterin. Ik weet niet of hij dat allang doet, maar het klonk inderdaad anders dan anders.

Er zijn plekken in Bruckners muziek aan te wijzen waarin een celli thema wordt ondersteund door de tweede violen, waardoor het haast lijkt of een melodie zich met zijn eigen schaduw laat horen. Deze geheimzinnige klank is niet toevallig maar typerend voor de levensvisie van deze meester, die het eeuwige natuurmysterie verklankt, maar ook het mysterie tussen schepper en schepsel.
Ook bij het koper zien we een totaal andere behandeling dan voorheen. Niet alleen is er meer zelfstandigheid voor deze groep, maar dikwijls een ook leidende positie. Dat Bruckner het koper apart noteerde, zegt genoeg.
Eenmaal de speurtocht in zijn kunst begonnen, stuiten we op onbeschrijfelijke muzikale invallen, stemmenweefsels, klankcombinaties en vlechtwerk van melodieën waardoor wij vaak in verwarring zijn of het nu een melodie of een begeleiding betreft. Zijn muziek is nooit teveel en nooit te weinig. Luister hoe zijn muziek voortdurend spant en ontspant. Kortom: het mechanisme waarvoor de Europeaan zo gevoelig is.

Hij heeft – zijn studie symfonie in F meegerekend – 11 symfonieën, diverse koorwerken, een Te Deum en een prachtig strijkkwintet geschreven. Daar komt nog bij dat hij de meeste symfonieën op latere leeftijd nog grondig heeft herzien. Ook hierin is Bruckner uniek. En met herzien, bedoelen we niet hier en daar even wat bijschaven of polijsten. Integendeel, dit zijn ingrijpende en dus tijdrovende herzieningen geweest. Als er ergens iets verandert, dan moet dat ook op andere plekken gebeuren ter wille van de balans in de structuur. De achtste is hier wellicht het meest in het oog springende voorbeeld van. Wat een verschil met de tweede en meest uitgevoerde versie! Zo beschouwd, heeft hij het aantal symfonieën bijna verdubbeld. Uiteindelijk is hij daardoor tijd tekort gekomen om zijn geweldige 9de symfonie, af te maken.

De cycli

Er zijn in de loop der tijd veel cycli op plaat uitgebracht met beroemde dirigenten, waaronder de Brucknerianen, Haitink, Jochum, von Karajan en Walter. De complete set door von Karajan uit de jaren 70 kan men als de absolute ruggengraat beschouwen. Uit deze cyclus blijkt von Karajans meesterlijke inzicht in de structuur van de Bruckner symfonie. Vooral de derde klinkt meesterlijk, maar ook de achtste en negende zijn bij hem in goede handen. Prettig is dat deze uitvoeringen gemakkelijk in het tweede hands circuit te krijgen zijn, behalve dan de opnames uit het digitale tijdperk. Die zijn wat lastiger. Overigens wordt slechts zelden de complete set aangeboden op e-Bay. Vreemd is wel dat von Karajan nooit de nulde heeft opgenomen.
De Philips set door Haitink uit de jaren 60 en 70 is een interessante. Hoewel qua tempi hier en daar aan de snelle kant, geeft de jonge Haitink wel de wetenschappelijk verantwoorde versies van de tweede en derde, maar in het slot van het eerste deel van de negende is hij wat eigenzinnig met de paukenslagfiguur. Dat doet hij ook in zijn opname uit het begin jaren 80 en is daardoor dan wel weer consequent.
De DG set door Jochum is enigszins teleurstellend, maar zijn EMI cyclus is nuttig als aanvulling. Die worden soms als losse uitgaven her en der aangeboden en klinken bijzonder goed.

Dan de set door Inbal op Teldec Telefunken, die van alle symfonieën de oorspronkelijke versies geeft en daarom buitengewoon interessant is. Onbegrijpelijk dat de grote Bruckner interpreten nooit de eerste versie van de achtste hebben opgenomen. Voor deze versie is men op de plaat dus aangewezen op Inbal met de Frankfurters.

De losse uitgaven

Welke set men ook kiest het is altijd zinvol, dirigenten te beluisteren die slechts enkele symfonieën van Bruckner hebben opgenomen. Onder de losse uitvoeringen, vinden we voor de achtste een uitmuntende Giulini met de Weners op DG, die in veel opzichten mijn voorkeur heeft. Ook zijn negende uit hetzelfde huis is fantastisch. Het lijkt wanneer Giulini een Bruckner symfonie dirigeert, alles op natuurlijke wijze ademt. Helaas is de 9e alleen op CD beschikbaar, maar vinyl liefhebbers kunnen gerust hun toevlucht nemen tot de EMI uitgave met de Chicago Symfonie Orchestra uit eind jaren 70.
Von Karajan heeft de negende al een keer eerder opgenomen voor DG halverwege de jaren 60, die door veel liefhebbers wordt geprezen. Persoonlijk vind ik het een grote teleurstelling: veel te snel gekozen tempi. Ook de achtste die hij eind jaren 50 voor EMI heeft opgenomen, vind ik geen onverdeeld succes.
De Negende door Dohnanyi op Decca dient vermeden te worden, maar de zesde door Solti uit hetzelfde huis is een welkome aanvulling. Ook die met Klemperer op EMI heeft veel lauweren geoogst en kan als de norm worden beschouwd. De uitvoeringen van Gunther Wand met de Kölners worden regelmatig op e-Bay aangeboden en zijn ook zeer de moeite waard.

Volgende maand zullen we Bruckners tijdgenoot Brahms en de generatie daarvoor met Schumann – die Brahms heeft beïnvloed –  en Mendelssohn bespreken. Een behoudende stroming die het waardevolle erfgoed van de traditie bewaakte en kampte met de 19de eeuwse problemen van vorm en inhoud.

De Laatromantiek (II)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (II)

“A human life, I think, should be well rooted in some area of native land where it may get the love of tender kinship from the earth, for the labors men go forth to, for the sounds and accents that haunt it, for whatever will give that early home a familiar unmistakable difference amidst the future widening of knowledge.” George Eliot

Eerder werd al opgemerkt, dat de componist maatschappelijk een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in de samenleving. Een opvallend kenmerk van de laatromantiek is dan ook, een grote bloei van op nationale factoren geïnspireerde muziek.
In het Rusland van einde 19de eeuw kan men twee richtingen onderscheiden: toondichters zoals Moussorgsky (1839 – 1881) die als voedingsbodem vrijwel uitsluitend de nationale folklore gebruiken en een stroming die zich voornamelijk oriënteert op west Europa met Frankrijk als voornaamste richtpunt. Hector Berlioz is als muzikale stamvader hierin voor beide stromingen met zijn traité de l’instrumentation, erg belangrijk geweest. Dit was de orkestrale bijbel waarin de Russische componisten de kunst van het instrumenteren bestudeerden.

De belangrijkste Rus van deze laatste richting is ontegenzeggelijk Pyotr Ilyich Tchaikovsky (1840 – 1893). In zijn streven naar een Oost-West synthese grijpt hij naast onderwerpen uit de Russische geschiedenis – zoals Ouverture 1812 – duidelijk naar onderwerpen uit de westerse geschiedenis: Dante’s Francesca da Rimini of Shakspeare’s Hamlet en Romeo en Juliette. Hij heeft als veelschrijver bijna voor elke vorm wel iets gecomponeerd, maar heeft ook werken van ongelijk gehalte nagelaten. Toch hebben zijn beste werken veelal een aangrijpendheid, die men hoogst zelden hoort. Ook hier zijn de symfonieën representatief, ofschoon hij ook prachtige kamermuziek heeft gemaakt.
Von Karajan heeft de laatste drie symfonieën maar liefst 4 keer opgenomen in het stereo tijdperk als ik goed tel: een keer op EMI en drie keer op DG. Van deze, zijn de uitvoeringen op DG van halverwege de jaren 70 de meest interessante. Het eerste deel van de zesde bijvoorbeeld is veel spannender gedaan dan die uit de jaren 60. Voor velen zijn de digitale uitvoeringen uit de jaren 80 met de Weners een teleurstelling; iets dat ik zeker niet deel. Als u een complete en vooral consistente cyclus zoekt, dan is Jansons op Chandos een zeer interessante keuze en de opnames zijn eerste klas.
Over de vierde symfonie schreef Tchaikovsky in een brief: “De inleiding is tevens de kern van de gehele symfonie, zij bevat de hoofdgedachte. Deze stelt het noodlot voor, de fatale macht die de drang naar het geluk steeds weer verhindert zijn doel te bereiken, die er jaloers voor zorgt, dat welbehagen en rust niet de overhand hebben … een macht die als het zwaard van Damokles voortdurend boven ons hoofd zweeft en onophoudelijk de ziel vergiftigt. …Er blijft daarom niets anders over, zich aan haar te onderwerpen en moedeloos te klagen…Is het niet beter, zich van de werkelijkheid af te wenden en zich aan dromen over te geven?

Ook dit is een aspect der Romantiek dat zich al manifesteert in de muziek van Robert Schumann: de vlucht, de droom, de roes. Dit zijn de duistere kanten van de Romantiek. De kunst gaat langzamerhand de rol van religie overnemen, de kunstenaar die van de priester.
Het is vooral von Karajan (DG 2530 883) die in dit werk het noodlot benadrukt en laat vanaf het begin zien hoe hij boven de partituur staat. Ik ben geneigd te zeggen dat dit een van de beste uitvoeringen van von Karajan op DG is. Zowel von Karajan als Jansons (Chandos ABRD 1124) laat zien dat het van groot belang is, dergelijke werken strak uit te voeren.
Tussen de vierde en de vijfde symfonie is er nog een ander zeer aangrijpend werk geschreven. De Manfred symfonie gebaseerd op Byron. Vreemd genoeg heeft von Karajan deze nog nooit de opgenomen. Voor deze prachtige symfonie, die ik persoonlijk na de zesde de interessantste vind, zijn drie andere dirigenten op vinyl te krijgen: Chailly op Decca (421 441-1), Jansons op Chandos (ABRD 1245) en Muti op EMI (ASD 4169). De laatste twee zijn relatief eenvoudig te vinden en zijn erg goed. Echter Chailly klinkt spectaculair, maar is weer niet zo eenvoudig te krijgen.
Dan de zesde door broer Modest, ‘Pathetique’ gedoopt. De meester zei zelf over deze sluitsteen van zijn oeuvre dat hij dit beschouwde als het beste en oprechtste van zijn werken.
Het eerste deel, begint donker en droevig voornamelijk door de kreunende fagot. Weldra ontstaat een mooi lyrisch schemerig thema dat zacht eindigt in de klarinet. Abrupt wordt dit beëindigd met een klap die het noodlot inluidt en zich gaandeweg hemelbestormend ontwikkelt. Ten slotte mond dit alles uit in een aangrijpende scène die niet in woorden is te vangen. Voor dit sleutelmoment is er slechts één dirigent die dit mijns inziens op de juiste manier doet: Mariss Jansons (Chandos ABRD 1158). Von Karajan (DG 2530 774) fietst hier op alle vier de opnames die ik ken, (veel) te snel overheen. Dat is overigens de enige kritiek die ik op von Karajan heb. Haitink is hier naar mijn smaak iets te nuchter, Bernstein te eigenzinnig en Giulini te langzaam. Ik heb veel opnames gehoord, maar tot nu toe vind ik Jansons het meest overtuigend. Althans, hier.
Na een charmante wals gevolgd door een feestelijk allegro, komt ten slotte de finale. Dat is – tegen de traditie in – het langzame deel: Adagio lamentoso; Andante. Een volslagen afwijkende indeling van de symfonie. Anton Bruckner wisselde de volgorde van de middendelen in zijn Achtste al, maar het adagio als finale is opvallend. Gustaf Mahler zou dat bij zijn negende, ook doen. Tchaikovsky noemde dit deel een requiem. Het eindigt met een berustend Amen. Wat een manier om afscheid te nemen door een gekweld mens die kampte met zijn homoseksualiteit. Enfin, luistert uzelf.
Voor wat betreft de DG Galleria remasters van de opnames door von Karajan, zijn vaak wat gesluierd van klank, dus probeer de oorspronkelijke uitgaven te krijgen die hoorbaar frisser (uit)klinken. De hoezen van de Galleria’s zijn echter mooier.
Tot slot nog aandacht voor het symfonische gedicht Francesca da Rimini gebaseerd op Dante uit 1876. Al bij de opening huivert de luisteraar voor wat er gaat komen. Echter, wanneer de alles vernietigende storm opsteekt in de onderwereld – waartoe de twee overspelige geliefden zijn veroordeeld – voor eeuwig van elkaar scheidt, gaan de haren werkelijk overeind staan. Er is een mooie uitvoering op vinyl te krijgen door Stokowski met het LSO op Philips (heruitgave 416 860-1). Niet laten liggen.

Dit is overigens weer een ander aspect van de laatromantiek. De symfonie als vorm is inmiddels in onbruik aan het raken ten gunste van het “symfonische gedicht”. Dit gaf de componist meer vrijheid van de knellende vorm van de symfonie. In dit verband noem ik nog twee Russische toondichters die wat lastig zijn in te delen omdat ze van een latere generatie zijn, maar wel uitgesproken laatromantisch zijn blijven schrijven.

Het is opvallend dat tegenwoordig voor Alexander Scriabin (1872 – 1915) meer aandacht is vanwege de belangstelling voor mystieke en oosterse religies, het occulte en het fantastische. Zijn “Le Poeme de l’ecstase”, waarin de roes en de vreugde van het scheppen wordt verheerlijkt, is belangrijk te vermelden. Dit symfonische gedicht, waar de erotiek werkelijk vanaf druipt, boeit vanaf het eerste moment. Abbado met het BSO (DG 2530 137) wordt op e-Bay regelmatig aangeboden en is naar mijn mening opwindender dan Maazel op Decca.

Ofschoon ik er nog steeds niet van overtuigd ben dat Rachmaninov (1873 – 1943) tot de allergrootsten behoort, wil ik toch zijn Dodeneiland noemen. Dit hoogst evocatieve werk is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Arnold Böcklin (1827 – 1901). Het doek wordt nog steeds beschouwd als een icoon en het begin van het zogenaamde fantastische element in de schilderkunst.
Op plaat is er eigenlijk maar een aan te raden: Ashkenazy met het CGO (Decca 410 124-1) een geweldige opname en zeer vleiend voor het concertgebouworkest. Prachtige hoes ook!

Naast de Russische nationale school, handhaaft zich ook de Tsjechische muziek der 19de eeuw. Belangrijk zijn Bedrich Smetana (1824 – 1884) en vooral Antonín Dvořák (1841 – 1904). Deze meester der idylle oriënteert zich in de symfonie voornamelijk op Johannes Brahms. Van hem worden veelal de laatste drie symfonieën opgenomen. Toch zijn de eerste 6 ook de moeite waard en uiteraard zijn symfonische gedichten en concertante werken. De uitvoeringen door Colin Davis met het CGO zijn een lust voor het oor en gemakkelijk te krijgen. Overigens zijn alle opnames met Davis op Philips met het CGO de moeite waard, zover ik weet. Of het nu Haydn, Berlioz of Stravinsky is, keer op keer valt die romige Philips klank op. Van de negende zijn ontelbare opnames gemaakt, maar het lijkt iedere keer een herontdekking met Davis.

Ook Finland heeft met Jean Sibelius (1865 – 1957) een nationaal figuur die het Finse lot als een moderne atlas op zijn schouders draagt. Het symfonische gedicht Finlandia gaat over de Russische overheersing van Finland. Sibelius heeft 7 symfonieën nagelaten. Ook hier is von Karajan op DG weer een uitstekende keuze naast alweer Colin Davis op Philips.

Volgende maand deel 3 van de laatromantiek met o.a. de Duitse meesters uit deze bewogen periode. Er is uiteraard verschil tussen de generatie van omstreeks 1840 die haar werkzaamheden afsluit en de generatie die zich volledig ontplooit in dit tijdsgewricht. Dus tussen Smetana, Dvorak Tchaikovsky etc. aan de ene – en Debussy, Ravel, Mahler en Reger aan de andere kant. Ook al gehoorzamen generatiegenoten vaak aan één en dezelfde impuls, afhankelijk van het land van herkomst of individuele geaardheid vallen er dus belangrijke verschillen te constateren.

« Previous Entries