Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

MESSIAEN – Turangalîla Symphonie

Saturday, December 22nd, 2012

MESSIAEN
Turangalîla-Symphonie
Bergen Philharmonic Orchestra • Juanjo Mena • Steven Osborne (piano) • Cynthia Millar (ondes martenot)
Hyperion CDA 67816 DDD 77′

Uitvoering/opname ****/****

Dit uiterst exotische werk blijft een inspanning zeker ook voor de luisteraar en een hele zit: ruim vijf kwartier. Een ware uitdaging vormt ook het vinden en volgen van de structuur, die er wel degelijk is. Ik geloof ook dat dit soort werken de grootste kracht haalt uit een live uitvoering, waarin de luisteraar omringd wordt in een bad vol exotische klanken. Messiaen was gefascineerd door volksmuziek, Hinduritmen en uitheemse instrumenten. Maar ook door de ritmiek van de oude Grieken en Indiase muziek. Koussewitzky – van wie de opdracht kwam – beschouwde dit werk na Le Sacre als het grootste van de twintigste eeuw. Apart is dan wel dat zijn leerling Leonard Bernstein weer betrekkelijk koel was over dit werk, maar wel een briljante première gaf in 1949. Messiaen herzag het werk overigens nog in 1990. Deze Hyperion opname onder Juanjo Mena kan niet genegeerd worden. De Ondes Martenot – die overigens in Franse conservatoria nog steeds wordt gedoceerd– staat er schitterend op. Na drie en een halve minuut bijvoorbeeld horen we een opvallend diepe bas figuur, die ik op andere opnames nog niet gehoord had. De verleiding was groot om de inmiddels gediscontinueerde Decca SACD opname onder Chailly, er naast te leggen. Die heeft nog steeds veel gezag, maar deze opname is een meer dan uitstekend alternatief en steekt bovendien de modernere opnames naar de kroon.

Emile Stoffels
Luister 686

Diskotabel – de vergelijking

Saturday, March 12th, 2011

Op 27 februari werd in de vergelijking van Diskotabel op Radio 4, Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky besproken. Liefst negen uitvoeringen werden met elkaar vergeleken naar aanleiding van een nieuwe opname onder Andrew Litton op Bis. Ofschoon de commentaren een vertekend beeld geven, was het wel weer nuttig dit o zo belangrijke werk te bespreken.

Uit de eerste ronde bleek dat opname A een toporkest is met de nodige articulatie en balans. Opname B was wat langzamer, maar ook meeslepender en grillig. Opname C kwam er wat minder positief vanaf. Hier vond men het toch wat vlakker en minder pakkend. Ook de openingssolo van de fagottist was minder aansprekend en speelde meer op safe.

A. Bergen Philharmonic Orchestra, Litton BIS
B. Bamberger Symphoniker Nott, Jonathan Tudor
C. Cleveland Orchestra, Chailly Decca

Bij de tweede ronde was een panellid erg te spreken over D aangezien deze opname het meest authentiek overkwam. E bleek weer wat vlakker te zijn en te voorzichtig. Dit zou door de opname kunnen komen. Opname F werd weliswaar als eigenzinnig ervaren, maar was erg opwindend. Er was veel drive te bespeuren.

D. Koninklijk Concertgebouw Orkest Jansons, RCO Live RCO
E. London Philharmonic Orchestra, Haitink DECCA (oorspronkelijk op Philips uitgebracht)
F. Kirov Orkest, Gergiev PHILIPS

Bij de laatste ronde werd de opening van het tweede deel beluisterd. Hier werd vrij snel duidelijk en was men unaniem van mening dat opname H het hoogtepunt van de uitzending vormde. Alles leek hier te kloppen.

G. Detroit Symphony Orchestra, Dorati DECCA
H. Cleveland Orchestra, Boulez Deutsche Grammophon
I. Columbia Symphony Orchestra, Stravinsky Sony

Aan het slot waren het voor twee panelleden, opname H en F die er uitsprongen en voor een panellid opname H en D. Boulez op Deutsche Grammophon dus de kampioen, Gergiev op Philips op de tweede plaats en Jansons op RCO Live kreeg brons.

Voor mij persoonlijk blijft die onder Davis op Philips met het Concertgebouw Orkest uit 1977 nog steeds de toetssteen.