Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Sonus Faber Venere 1.5 – de kleine verleider

Thursday, April 25th, 2013

Sonus Faber Venere 1.5 – de kleine verleider

Mijn eerste kennismaking met het Italiaanse Sonus Faber, was met de revolutionaire Electa Amator. Een prachtig uitziend en klinkend ontwerp. Diezelfde combinatie vinden we ook weer bij de Venere 1.5 monitor luidspreker terug. Het programma zal uiteindelijk 6 modellen omvatten. Drie zijn er reeds beschikbaar, waaronder de hier besproken Venere 1.5 en de duurdere 2.5.

Eenmaal uitgepakt werd weer duidelijk hoe netjes en strak deze weergevers eruit zien. Een lust voor het oog zijn deze boxen door het ontwerp, dat ook nog een technisch doel dient: het onderdrukken van ongewenste interne resonanties. Functionaliteit en schoonheid sluiten elkaar dus niet noodzakelijkerwijs uit. Mooi afgewerkt zijn ook de stands, die eenvoudig versteld kunnen worden.

Mode

Er is niets veranderlijks dan een mens. We ondervinden regelmatig dat niet alleen onze persoonlijke voorkeur, maar ook de collectieve smaak in de loop der tijd verandert. Wat voor pakweg 15 jaar geleden nog beoordeeld werd als dynamisch, gedetailleerd en open, kan in onze tijd zo maar worden aangemerkt als steriel, koud en afstandelijk. Dat kan in geen geval over de geluidspresentatie van de Venere’s, gezegd worden. Neen, eerder innemend, betrokken en verleidelijk; zoals duidelijk zou blijken…

Luisteren

Ik trapte af met Murcofs Martes om te kijken hoe de Venere’s reageerden op impulsrijke muziek. Verrassend snel en open werd track 3 weergegeven, zonder uit de bocht te vliegen. Berlioz’ Fantastique klonk opvallend gelaagd, waarbij de verschillende timbres gemakkelijk te onderscheiden bleven. Dat rijke kleurenpalet, viel evenzeer op bij Poulenc. Ook de percussie in Bartoks pianoconcert, klonk correct en natuurlijk. Bij dit alles, viel het diepe en relatief precieze stereobeeld op. Bovendien deden de Venere’s het mijn inziens belangrijkste aspect ook goed: de algemene klankbalans. Ofschoon ik daarvoor wat meer aan de slag moest. Opvallend was hoe de Venere’s reageerden op verplaatsingen in de luisterruimte. Aanvankelijk was de hoeveelheid laag en sub-laag ietwat onderbelicht, maar dat was snel verholpen door de speakers een halve meter naar achteren te plaatsen. Dit ging wel ten koste van wat resolutie, maar de klankbalans was nu aanzienlijk verbeterd. De beste resultaten behaalde ik uiteindelijk door de speakers 1.20 van de achterwand en 1.50 meter van de zijwanden te plaatsen, met een lichte indraaiing van ca. 15 graden. Een krachtige versterker is wel een voorwaarde om de Venere’s volledig te laten stralen. Maar dan zijn dit ook absolute droomspeakers in hun prijsklasse.

Etherische warmte

Alles overziend een prachtige weergever, die niet bedoeld is om opnames en andere componenten in de audioketen te fileren. In tegendeel, dit zijn luidsprekers die – na een dag hard werken in deze lawaaimaatschappij – ons eenvoudig laten genieten van muziek. De Venere’s leveren meer dan ze kosten en hun etherische warmte zal mij nog lang bijblijven…

Emile Stoffels
Luister Magazine

Gebruikte apparatuur:
ModWright SLW 9.0 SE Signature voorversterker;
ModWight KWA 100 SE eindversterker;
Marantz 7001 SACD speler;
Siltech Interlinks en luidsprekerkabels;
NordOst voedingskabels

Gebruikte software:
Berlioz – Symphonie Fantastique, Davis; Philips
Murcof – Martes; Leaf Label
Bartok – Pianoconcerten, Pollini/Abbado; DG
Schoenberg Berg Webern – Vienna, Dorati; Mercury
Poulenc – Jos van Immerseel;
Zig Zag

Prijzen (per paar):
Venere 1.5, stand model € 1.150,00 per paar
Stands voor Venere 1.5            € 450,00 per paar
Verkrijgbaar in de kleuren piano zwart en wit

Informatie:
Website importeur en (BeNeLux) dealers: www.durob.nl

BRITTEN – Violin Concerto; Double Concerto; Lachrymae

Friday, July 27th, 2012

BRITTEN
Violin Concerto Double Concerto Lachrymae
Anthony Marwood Lawrence Power BBC Scottish Sumphony Orchestra Ilan Volkov
Hyperion CDA 67801 DDD 64’16

Uitvoering/opname ****/***

Directe aanleiding en inspiratie was onder andere Brittens aanwezigheid bij de première van Bergs vioolconcert in Barcelona. Britten herzag het werk in 1950, 1958 en 1965. Welke versie hier gespeeld wordt, blijkt niet duidelijk uit het boekje. Hoe dan ook: Marwoods vertolking getuigt ontegenzeggelijk van visie, maar heeft niet de zeggingskracht van Lubotsky. Noch zoekt hij de uithoeken van dit werk op, zoals Zimmermann dat deed. Deze aanpak laat meer licht horen, waar die van de anderen meer impact en drama hebben. Het dubbelconcert in B mineur uit 1932 wordt niet vaak uitgevoerd of opgenomen. Het is een jeugdig werk dat niet uitgesproken concertant aandoet. Geen opvallende rol voor de viool of alt dus. Het prachtige Lachrymae uit 1950 op een lied van Dowland, was oorspronkelijk voor altviool en piano. De pianopartij werd echter vlak voor Brittens dood in 1976 omgeschreven tot strijkorkest. De met een Edison genomineerde uitvoering van Zimmermann op Sony blijft mijn voorkeur behouden en niet te vergeten de klassieke opname door Lubotsky op Decca onder de componist. Echter deze schijf is toch aantrekkelijk door de toevoeging van het dubbelconcert en het Lachrymae. De mooie cover van Richard Smiths ‘Sunset over Sea’, maakt deze Hyperion cd tot iets begerenswaardigs.

Emile Stoffels
Luister 683

Melody AN211 Integrated tube amplifier

Thursday, May 19th, 2011

Melody AN211 – Wie het dichtst bij de buis zit…

In 1606 zette Willem Janszoon van de VOC als eerste Europeaan voet aan Australische wal. Wat hij toen niet vond, bleek later wel degelijk in overvloed aanwezig te zijn: goud, zilver en andere waardevolle grondstoffen. Deze grondstoffen vormen nu de belangrijkste reden voor de sterke groei van de Australische economie en heeft dit werelddeel de banden met China de laatste jaren behoorlijk versterkt.

Het Australische Melody Valve Hifi, dat producent is van hoogwaardige buizenversterkers, klopt al een tijdje terecht op de deur. Het bedrijf uit Melbourne heeft recentelijk een poging gedaan, vaste voet in Europa te krijgen door met Robytone als haar nieuwe exclusieve distributeur in zee te gaan. Dit werd bekrachtigd met een zesjarige distributieovereenkomst. Ondanks dat Melody top componenten gebruikt en jaren van research achter de rug heeft – het heeft een eigen research en development afdeling – weet het zijn producten toch betaalbaar te houden.

Uiterlijk

Tot nu toe was deze fabrikant uit Downunder vooral bekend door versterkers met een strak piano-zwart uiterlijk in hoogglans. Nu heeft dit merk – waarvan louter de assemblage in China geschiedt – haar nieuwe buizenversterker de AN211, een compleet nieuw gezicht gegeven.

De fraaie AN211 is breder dan hij diep is en met veel zorg afgewerkt. Zie daar het gedegen aluminium frame met de prachtige gelakte houten panelen aan de zijkant. Aan de voorkant vinden we de volume- en keuzeschakelaar, die beide uitermate degelijk aanvoelen. Op het chassis staan de twee machtige 211 eindbuizen die veel gezag inboezemen, met daar tussenin iets dat mij laat glimlachen: een voedingsbuis! En naar ik heb begrepen is deze gecombineerd met solid-state diodes. De genoemde gelijkrichtbuis is de 5AR4/GZ34 in een mooie ST uitvoering (geschouderd). Weliswaar is het ‘slechts’ nieuwe productie en dus geen ‘new old stock’, …maar toch. De input buis is een alledaagse ecc83/12AX7; laten we maar zeggen de Opel Kadet van de dubbeltriodes. Het is voor de potentiële koper erg interessant die buis een keer te vervangen door de 5751 of 6072. Of beter nog de 6829 van General Electrics of de E180cc van Mullard of Philips. Vandaar gaat het signaal naar een volgende dubbeltriode, de 4P1S7. Zo alledaags de ecc83 is, zo uitzonderlijk is deze 4P1S7 die de 211 uiteindelijk aanstuurt. Het is een buis waar weinig over te vinden is op het net en daardoor is het lastig te achterhalen waarom men voor dit  type koos.

Praktijk

De volumeregelaar gaat via een stappen potmeter die mijns inziens iets te grof is. Helaas heeft Melody niet voorzien in een afstandsbediening, maar de distributeur wist me echter te vertellen dat die wel beschikbaar komt. Wel is er keuze voor vier en acht ohms aansluiting en is er de mogelijkheid symmetrisch aan te sturen. De lichtnetschakelaar moest ik in het begin even zoeken en bevindt zich – althans voor mij – op een minder voor de handliggende plaats: rechts op het zijpaneel.

Geschiedenis

Wat mij uiteraard direct aansprak, was de gebruikte eindbuis: de GL 211. ‘Eindelijk’, dacht ik. Deze voormalige zendbuis wordt ook door Audio Note gebruikt in de wereldbefaamde Ongaku, maar ook Air Tight en Cary hebben prachtige versterkers gemaakt met deze eindbuis. Bij de laatste kon de koper kiezen tussen de 211 of 845 als eindpit. Deze wordt dan aangestuurd door een andere eindbuis, niet minder dan de 300B. Om maar even aan te geven op welk niveau de 211 buis zit…

De geschiedenis van de GL-211 buis – d.w.z. vóór de tweede wereld oorlog -, leert ons dat het oorspronkelijk een zendbuis is. Het waren toen de meest krachtige buizen en konden door de fabricage erg veel hebben. Aangezien we het hier over een direct verhitte triode hebben – wat wil zeggen dat de kathode tevens de gloeidraad is – ga ik er vanuit dat er niet of nauwelijks tegenkoppeling is toegepast.

Ik ken inmiddels veel kundige zelfbouwers van buizen apparatuur, maar de meesten durven de 211 buis niet te gebruiken vanwege de hoge spanning. We hebben het hier namelijk over – afhankelijk van de instelling – 1000 volt! Dat is niet zomaar iets. Gezien het gespecificeerde uitgangsvermogen van 16 watt in klasse-A van de AN211, zal de spanning zelfs nog wat hoger zijn. Ik vraag me weleens af hoe het zal voelen als men wordt blootgesteld aan een dergelijke spanning. De meeste buizen worden onder normale omstandigheden ingesteld op 250 tot 300 volt, soms wat meer. De 211 en zijn broertjes nemen daar dus geen genoegen mee…

Luisteren

Aangezien mijn exemplaar relatief langdurig voor shows is gebruikt, ging ik er vanuit dat het inspeelproces geen dominante rol van betekenis zou spelen. Toch zou de Melody in kleurenrijkdom toenemen tijdens zijn verblijf bij mij thuis.

Na een half uurtje opwarmen begon ik met de eerste Cd’s en eigenlijk vrijwel direct was me duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand was. Of misschien ook weer niet, want dit is nu eenmaal de sensatie van het luisteren naar een single-ended ontwerp. Het is die onversneden openheid en gemak, die ik van mijn eigen single-ended versterkers ken. Met dit verschil dat de 211, vermogen en autoriteit in spades levert. Allereerst was het wellicht de gecontroleerde roekeloosheid die mij trof van deze machine. De lage registers uit Bachs Prelude en Fuga BWV 544 rolden – weliswaar zonder de gelaagdheid van de ModWright KWA 100 – bruut, doch gearticuleerd de kamer binnen. Dat krachtige laag mis ik wel eens bij mijn eigen EL84 Single Ended versterker, maar dit is ook de aard van de 211 buis. Brittens War Requiem had de gewenste openheid: het kamerensemble was ook hier goed te lokaliseren, los van de rest van het orkest en had duidelijk een eigen plaats op het podium. Het Libera Me was schokkend reëel en mondde uiteindelijk uit in een waar Armageddon; vooral doordat het koor zo opvallend overeind bleef. Maar ook de manier waarop de AN211 intimiteit overbrengt. Bijvoorbeeld bij My Funny Valentine: Miles Davis In Concert. Reeds de opening van de eerste track met de piano, heeft een spanning die lang niet alle versterkers voor het voetlicht weten te brengen. Ook bij track 3 was de ‘uitnodiging’ van George Coleman naar het midden van het podium, buitengewoon makkelijk te volgen door de hoge doorluisterbaarheid. Zonder dogmatiek te willen nastreven, lijkt het erop of dat die betrokkenheid slechts is voorbehouden aan single-ended buizen versterkers. Het stereobeeld liep ver door tot achter de speakers. Opvallend was hierbij dat het beeld steeds breder werd, naarmate het zich naar achteren uitstrekte. Ofschoon het aan glans zeker niet ontbrak, had ik bij slagen op bekkens wel het idee dat duurdere solid state versterkers naar hun aard wat meer metaal laten horen. In Prokofievs 7de pianosonate waren de linker- en rechterhand gemakkelijk van elkaar te onderscheiden; erg belangrijk bij deze complexe muziek. Evenzo hoorde ik hier in de lagere registers meer nuance en elasticiteit dan met mijn eigen single-ended versterker. Bij ‘People’ op King Crimsons Thrack ging het helemaal los en kwam dat aspect in het laag, nog meer tot uitdrukking. Het had overvloedige drive en tegelijkertijd was het gearticuleerd. Dat gaat niet altijd samen, maar machines die dat wel kunnen zoals de Melody, klinken dan ook erg ritmisch.

Conclusie

De Melody AN211 is een droomversterker die me zelfs ‘s nachts wakker gehouden heeft, maar geen enkele keer heeft teleurgesteld. Welk materiaal ik ook aanbood: kamermuziek, groot koor of pop. Iedere keer was hij in staat een open en realistisch geluidsbeeld te reproduceren met een fabuleuze controle. De AN211 zal gezien het bescheiden vermogen evenwel het meest stralen met speakers vanaf 90 dB gevoeligheid. Een combinatie met grote paneelluidsprekers, zal dan ook minder gelukkig uitpakken. En ook bij de Melody AN211 geldt dat er moet worden geïnvesteerd in tijd en moeite mbt. luidspreker- en voedingskabels en interlinks, om tot een juiste afstemming met de rest van de installatie te komen. Inderdaad hebben we het hier over een waar topproduct uit downunder, tegen een uitermate betaalbare prijs. Uiteraard gaat het niet over een reep chocolade, maar in dit geval is €3950,- echt een koopje.

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Organ Works – J.S. Bach/Hurford – Decca;
War Requiem – Britten/Rattle – EMI;
My Funny Valentine: Miles Davis In Concert – Sony;
Pianosonate No. 7 – Prokofiev/Pollini – DG;
King Crimson – Thrack Virgin Records;
Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

Tuesday, February 8th, 2011

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

“Iemand moest Jozef K. verraden hebben, want ondanks dat hij de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen, werd hij op een ochtend gearresteerd door de verbruikspolitie”.

Tja, wie zal het zeggen: wellicht komt er ooit nog een tijd waarin er geen plaats meer zal zijn, voor apparatuur met een buitensporig hoog verbruik. We kennen allemaal de discussies over duurzame energie en het uitbannen van apparatuur, dat bepaald niet groen is. Laten we dus in de tussentijd – zolang het nog kan – dan maar genieten van buizenversterkers, totdat op een dag ook bij ons een opsporingsambtenaar op de deur klopt…

Dat er mooie dingen uit de voormalig Boheemse stad Praag komen, is bekend en niet in de laatste plaats door het Boheemse kristal. Het is over de gehele wereld befaamd. De omgeving van bijvoorbeeld Karlovy Vary, leent zich uitstekend voor het onttrekken van grondstoffen voor het vervaardigen van kristal en glas. Er is in de omringende bossen voldoende hout en geschikt zand te vinden. De kwalificatie “kristal” wordt gegeven aan glas met een hoog loodgehalte. Hierdoor krijgt het glas het vermogen te schitteren als diamant. Het echtpaar Kron uit Praag houdt zich echter met een andere toepassing van glas bezig en wel met het vervaardigen van buizen en buizenversterkers.

Oude wijn in nieuwe zakken…

Het begon allemaal in 1992 met de verbetering van bestaande triodes en het ontwikkelen van eigen power triodes. Het succes dat nu geboekt is, is dan ook het resultaat van het onderzoek en vergelijk dat ze gedaan hebben tussen de handgemaakte KR buizen en de massaproducties, gemaakt op de apparatuur uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Kron onderwerpt ook het glas voor de buis, aan een strenge selectie. Het glasblazen, de glaskolven van de buis en de bedrading ervan, wordt in eigen hand gehouden. Hierdoor is de kwaliteit zo hoog van deze handgemaakte producten, dat het inmiddels heeft geresulteerd in een leidende positie op het gebied van eindbuizen. Enkele typen zijn de 842, de KR 300B en de T1610; ’s werelds grootste en krachtigste triodebuis. De buis die gebruikt wordt in de SDi35.

Inmiddels is Riccardo niet meer onder ons, maar zijn vrouw Eunice heeft de zaken succesvol voortgezet. Op dit moment zitten er 15 verschillende versterkers in het programma waaronder twee solid-state typen. De afgelopen jaren heeft KR een aantal opvallende prijzen in de wacht gesleept zoals Best Amplifier Of The Year, Best Tube Amplifier, Best Amp Of The Year en een 6Moons.com Blue Moon Award.

Het wilde beest

Het was een warme dag in het najaar toen de Kronzilla bij mij werd afgeleverd in een houten kist. God zij dank was Cor Dekker van Musical Reality bereid om het 50 kilo wegende monster mee naar boven te slepen. Dat ‘beest’ dankt zijn naam overigens ook voor een belangrijk deel aan een andere bruut. De eerste Kronzilla kreeg in 1999 het predikaat “Amplifier of the Century” in de USA en dat was ten tijde van de film Godzilla. Amerikanen geven graag bijnaampjes en zo kreeg de versterker de naam: Kronzilla. Uiteraard vernoemd naar de ontwerper Riccardo Kron.

Bij het uitpakken geloofde ik mijn ogen niet. De Kronzilla gebruikt een waarlijk  beestachtige eindpit. Het is de T1610, die eigenlijk een dubbele 805 in één glaskolf (2 X 805 = 1610) is. Ik heb me laten informeren dat KR een speciale pomp heeft moeten ontwikkelen om deze gigantische glaskolf vacuüm te trekken. Het lijkt me dan ook een echte bezienswaardigheid, dit productieproces eens zelf te bekijken. Ook de buispennen zijn bestiaal groot: vingerlang en dik. De fysieke vergelijking van de EL84 met de 211 was al hilarisch; met de T1610 is het ronduit belachelijk.

Techniek

Wat m.b.t. het verbruik geldt voor de door mij geteste Melody AN 211 (verschijnt in een toekomstig nummer), geldt voor de Kronzilla vanzelfsprekend nog meer. De gebruikte T1610 buis steekt werkelijk apollinisch af tegen de 211 buis. En dat is toch geen kleine jongen. De opgegeven spanning op de anode van de 1610 is maximaal 650 volt en dat levert dan 50 watt in klasse A op bij de SX versie. Bij de SDi 35 staat er klaarblijkelijk minder spanning op de anode en dienovereenkomstig levert hij 35 watt.

Uiteraard zit de Kronzilla in een andere prijscategorie dan de Melody AN 211. Toch kan ik het niet laten de twee in een aantal aspecten met elkaar te vergelijken. De SDi 35 is een zogenaamd hybride ontwerp: in plaats van stuurbuizen, worden er FETs gebruikt. Dat is voor de verstokte buizenaanbidder als vloeken in de kerk, maar het valt toch niet ontkenen dat een aantal ontwerpers succesvol gebruik maakt van deze methode. Ook ervaren veel audio liefhebbers FETs in combinatie met buizen, als een zeer gelukkig huwelijk. In het geval van de Kronzilla heb ik begrepen dat men wel met een buizen stuurtrap heeft geëxperimenteerd, maar uiteindelijk gaf de combinatie met de FET toch een beter resultaat.

Luisteren

Wat mij bij de eerste tonen direct trof, was het schijnbaar oneindig ver doorlopend hoog. Iets wat nog wel eens een punt van kritiek is bij veel buizenversterkers. Cymbals lieten meer metaal horen dan ik gewend was met mijn eigen EL84 SE versterker, zonder ook maar een zweempje van korreligheid of vervorming. Bij het Wynton Marsalis Quartet had de eerste klap van de snaredrum een ongekende snelheid, die zelfs voor wat schrik effect zorgde. En dan het verbazingwekkend gemak van de reproductie. Het viel op dat bij hoog afspeel volume, Dianne Reeves met groot gemak luider kon zingen zonder dicht te lopen. De Kronzilla was dus heel gemakkelijk in staat om veel dynamische verschillen weer te geven. Iets wat ik tot op zekere hoogte ook bij de Pass Labs INT-30A hoorde. De Melody is daar weer minder toe in staat. Mijn eigen El84 single ended versterker kwam daar al helemaal niet bij aan te pas, maar dat heeft ook veel met hetvermogen en vooral de slew rate te maken. Ook in het laag kwam de Kronzilla griezelig dichtbij de ModWright KWA100. Zelfs in dat identificerende aspect waarin de ModWright zich zo onderscheidde bij mij: die opvallende gelaagdheid in de basweergave. Uiteindelijk blijft de Amerikaan hierin toch de baas, maar het zegt wel iets over waarin een single ended toch toe in staat kan zijn. Echter, twee zaken moeten we niet vergeten: de Kronzilla is ruim drie keer de prijs van de Melody AN211 en ook zal het makkelijke karakter van mijn speakers een rol van betekenis spelen. Bij complexe en lastige luidsprekersystemen zal de Kronzilla het moeilijker krijgen, ofschoon ik geloof dat hij ook een luidspreker zal aansturen die een relatief zware wissel op een versterker trekt.

Een aantal MFSL platen hebben een overvloedig laag, soms op het overdreven af. Het is algemeen bekend dat sommige artiesten absoluut niet gecharmeerd waren van bepaalde MFSL remasters, omdat er excessief veel bas was bijgesneden. Zo is er bij de Mobile remaster van Powerful People van Gino Vannelli, behoorlijk wat bas vergeleken met de gewone productie master (die overigens uitstekend klinkt). Normaal geeft dat met mijn EL84 versterker een probleempje, MAAR… niet met de Kronzilla. Bij ‘Lady’ en ‘Felicia’ was er absoluut geen sprake van onaangenaam bonkend laag. Integendeel: de bas was volumineus doch schoon, snel en geprofileerd. Bovendien ontwaarde ik verscheidende laagjes in de basregisters. Ook de Sonata Da Chiesa van Andriessen, was nagenoeg vrijer van kleuring dan ik de laatste tijd gewend was.

Dan de sterkste merites van de buis: vloeiendheid, openheid, vanzelfsprekendheid, het gevoel te hebben: “dat alles klopt”. Dat kwam bij het beest uit Praag allemaal bij elkaar. Peter Gabriel had een stroperigheid die de Kronzilla deelde met de Melody AN211, met dat verschil dat de eerste nog meer inner detail liet horen. Ook had ik het idee dat de uithoeken van het stereobeeld werden verkend. Bij de Manfred Symfonie, had het orgel aan het einde duidelijk een eigen plek en toch was het mooi geïntegreerd in het orkest. Ook had het slagwerk, hoogte in het stereobeeld. De strijkersecties waren allemaal apart aan te wijzen en de houtblazers werden heuse personages. De vijf stukken voor orkest opus 16 van Arnold Schoenberg, klonken pregnant en de instrumenten waren door de hoge mate van tastbaarheid, met een verbazingwekkend gemak te volgen tot ver in het grote geluidsbeeld. Inner detail was hier wederom overvloedig aanwezig. Ja, ronduit sensationeel was te horen hoe de Kronzilla alles losweekte. Ook de zaken die niet direct iets te maken hebben met muziek: speeksel, geschuifel, gekreun, gestommel en niet te vergeten het applaus op live registraties, dat doorgaans een goede lakmoesproef vormt.

Conclusie

13.000 euro is op z’n zachtst gezegd een aanzienlijk bedrag, maar de nagenoeg compromisloze performance van deze Tsjech is opvallend te noemen. Handgemaakte producten kosten nu eenmaal meer. Het beest uit Praag is tot nu toe de best klinkende single-ended buizenversterker, die ik ooit bij mij thuis gehoord heb. Uiteraard is de Kronzilla niet drie keer beter dan bijvoorbeeld de Melody AN 211, maar hij gaat wel een stap verder in het losweken van detail, stereo beeld en loopt verder door in de frequentie uitersten. Ook is het schijnbaar onbeperkt kleuren palet een van de kwalificaties van de Kronzilla.

Het is dat we de gloeidraden (helaas) nagenoeg niet kunnen zien branden, anders zouden we nog gaan denken dat het een echt levend wezen is…

Emile Stoffels

Gebruikte CDs:

Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;
Scratch my Back – Peter Gabriel;
Random Acts of Happiness – Bill Bruford;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;
PRIÈRE: 
Andriessen, Franck, Saint-Saëns, Klop/Toon Hagen;
Tsjaikovsky/Manfred Symfonie – Chailly/Decca;
Powerful People/Gino Vannelli – MFSL;

De Modernen (I)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (I)

De klassieke muziekliefhebber, die in het begin al moeite genoeg heeft zich te oriënteren temidden van de klassieke muziek vóór 1900, moet toch welhaast in een totale staat van verwarring verkeren als hij of zij de toonkunst van de 20ste eeuw betreedt. Er zijn in die voorgaande eeuwen nog nooit zoveel stromingen en substromingen geweest als in die bewuste eeuw.
Volgens een aantal scherpe denkers wijst dit eerder op muzikale armoede dan op rijkdom. Het blijkt namelijk dat de componisten uit dit tijdsvak, de traditie en de tonale verworvenheden van de Romantiek eerder als last dan als zegen hebben ervaren. Vandaar dat sommige moderne kunstenaars zich van radicale stijlmiddelen hebben bediend om maar vooral niet tot slechts een navolger te worden betiteld.
De meest radicale toonzetter uit deze tijd is ongetwijfeld Arnold Schönberg. Ofschoon hij met zijn atonale systeem en definitieve breuk met het verleden ontegenzeggelijk tot de grootste vernieuwers gerekend moet worden, ervaar ik deze kunst persoonlijk eerder als notenschikking dan muziek. De zgn. 2de Weense School (Schönberg, Berg en Webern) en haar navolgers zullen hier dan ook niet behandeld worden.

Over welke tijdsperiode hebben we het in dit artikel? We beginnen met de generatie kunstenaars die grofweg geboren zijn in de periode 1875 -1905 en in hun taal aanknopen bij het verleden, maar toch buitengewoon vernieuwend zijn gebleken.

Bela Bartok (1881 -1945)

Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta

Dit is een van die zeldzame werken die zowel de ziel als het intellect streelt en van de hoogste innerlijke beschaving getuigt. Voor deze schepping – die in 1936 ontstond – heeft Bartok voor elk der vier delen, een andere instrumentale combinatie gebruikt, een andere vorm gekozen en andere klankbeelden gebruikt zodat het werk een buitengewone rijkdom van aspecten vertoont.
Los van de twee aparte strijkersgroepen die zijn voorgeschreven, dient – volgens de meester – ook de harp en het klavier tot de snarengroep verstaan te worden. Deze hoogst uitzonderlijke en vooral eigenzinnige orkestbezetting vereist een speciale opstelling op het podium, die ook door Bartok in de partituur nauwkeurig is aangegeven.
Het eerste stuk is een fuga, maar anders dan bij Bach. Een volgens Bartok’s eigen principes. Opvallend is dat de climax wordt bereikt niet alleen doordat het orkest luider speelt, maar ook door de innerlijke constructie.
Het tweede deel blijft verbazen, vooral als na een minuut of 4 de strijkers met het klavier een zeer merkwaardige atmosfeer neerzetten, verstrekt door de xylofoon en trom.
In het derde deel is het dit keer de betovering die de luisteraar eenvoudigweg niet kan ontgaan. Let vooral op de speciale glijd effecten van de pauken, zowel opgaand als neergaand in dialoog met de xylofoon.
De finale, die net zoals de vorige stukken uit meerdere secties bestaat, opent uitbundig en levendig en komt in de voorlaatste sectie op een wonderbaarlijke manier terug op het fuga thema van het eerste deel.

Wat mij betreft zijn er drie meer dan uitstekende uitvoeringen op vinyl verkrijgbaar: Marriner op Argo, Reiner op RCA en Haitink op Philips. Marriner is veruit het makkelijkst te scoren én voor weinig geld. Haitink is al wat moeilijker, maar zeker niet onmogelijk en Reiner is ook verschenen op een 180 gram audiofiele heruitgave die werkelijk schitterend klinkt, maar ik vind hier de midprice cd een uitstekend alternatief. Bovendien wordt dit werk op cd gekoppeld met het Concert voor Orkest.
Bij Marinner is de (logische) koppeling met het “Divertimento voor strijkers”. Typisch voor Argo is de ruimtelijke warme strijkersklank en het realistische slagwerk; vooral de xylofoon helemaal aan het einde van het derde deel is LETTERLIJK tastbaar.
Van de oorspronkelijke uitgave (Argo ZRG657) is een uitstekende en betaalbare Nederlandse heruitgave gemaakt (Argo 6557 556), die ietsje scherper klinkt maar zeker niet onprettig.
Dan de uitvoering van Haitink. Prachtige akoestiek! In het eerste deel, zijn er melodielijnen te horen die weer onhoorbaar zijn bij andere dirigenten. Bij het slaan op de snaren in het laatste deel, is waar te nemen hoe natuurlijk de oude Philips opnames toen waren en ook hier heeft Haitink weer een bijzondere puls te pakken die hem tot zo’n groot dirigent maakt. De oorspronkelijke uitgave wordt gekoppeld met de Harry Janos Suite van Kodaly, later is deze gekoppeld met het 2de pianoconcert van Bartok, hetgeen ik logischer vind. Ook is er een uitgave verschenen in de spotgoedkope serie “Muziek onder Woorden”. Daar is een behoorlijk verschil in klanksignatuur vast te stellen. Deze klinkt wat donkerder, maar wel erg mooi.

Tot slot Reiner, die Bartok zelf gekend heeft, met het CSO op RCA. Over deze uitvoering is al veel gezegd en geschreven. Wat ik er nog aan toe wil voegen is dat het tweede deel bij Reiner een mate van vinnigheid of zelfs agressiviteit heeft die ik bij nogal wat uitvoeringen mis. Yehudi Menuhin zei: “Bartok had een intens gevoelsleven. Een vuurvreter. En hij had het constant onder controle”.
Samenvattend: begin met Marriner, ga daarna op zoek naar Haitink en koop Reiner op (SA)CD. Als zeer goede alternatieven wil ik hier ook nog de beide von Karajan uitvoeringen (DGG en EMI) noemen.

Concert voor Orkest

Zover ik weet is dit het eerste concertante werk voor een orkest en bovendien is het 5-delig, net als zijn 4de en 5de strijkkwartet. Dit briljant geschreven stuk, heeft zich altijd in veel belangstelling weten te verheugen. Dit komt wellicht door het humoristische vierde deel, het Intermezzo Interrotto. Het ligt dan ook voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn en ook zeer goede. Solti(Decca), Dorati (Mercury en Philips) en Reiner (RCA) voeren de lijst aan. Solti met het LSO (SXL 6212) heeft uiteindelijk mijn voorkeur, maar hij heeft het later met het CSO (SXDL 7536) nog eens overgedaan en die is ook erg goed. Je ziet hem regelmatig aangeboden voor weinig geld.
Reiner is net als het vorige werk ook op een audiofiele heruitgave verschenen. Zie hierboven.
Dorati met het LSO Fontana (Grandioso 894 020 ZKY) is oorspronkelijk op Mercury verschenen maar veel opnames zijn op Philips en Fontana heruitgegeven. Dit is zo’n voorbeeld. Mooie opname: helder, diep, hoog, breed enz. Alles schittert. Ook Dorati heeft het een tweede keer opgenomen en wel met het CGO op Philips (411 132-1), die met een Edison is bekroond.

Pianoconcerten No. 1 en 2.

In het eerste concert, valt het middendeel op doordat het slagwerk een voorname rol inneemt en de piano als slagwerkinstrument wordt gebruikt. Het melodische materiaal gaat terug op de Arabische volksmuziek. Verder valt op dat dit concerto buitengewoon grondig bewerkt is, waarin thema’s voortdurend van gedaante verwisselen.
Dan het tweede concert uit 1931. Het was een poging een ‘meer toegankelijk’ concert te schrijven vergeleken met het vorige. In het oog springend is dat in het eerste deel, de strijkers zwijgen. Van alle uitvoeringen die ik intussen gehoord heb, is de uitvoering door Abbado met Pollini (DG 2530 901) met afstand de beste. Zij zijn een waar koningskoppel en bovendien is deze plaat gemakkelijk te krijgen voor weinig geld. Regelmatig zie je hem in een antiquariaat en anders heeft eBay het wel. Kovacevich en Davis op Philips zijn een goede tweede keus, ondanks dat de opnames een correcte klankbalans ontberen.

Vioolconcert no. 2

Een waarlijk schitterend vioolconcert met een overvloed aan melodische invallen. Met dit werk voltooid in 1938, slaat Bartok weer een andere weg in. Het vitale en krachtige eerste deel, dat contrasteert met het dromerige middendeel, knoopt qua vorm duidelijk aan bij de Romantiek met een virtuoze cadens die haar weerga niet kent. Hieruit zou blijken hoe goed de meester op de hoogste was met het karakter en de mogelijkheden van de viool. In het laatste deel keren elementen van het eerste deel in gewijzigde vorm terug.
Solti met Chung op Decca (SXL 6802) is relatief gemakkelijk te krijgen en een prima uitvoering. Szyring met Haitink op Philips is nog natuurlijker, maar wel lastiger te krijgen.

Igor Stravinsky (1882 – 1971)

Le Sacre du Printemps

Is er een werk te noemen dat historisch gezien zo belangrijk is? De première was in 1913 onder Pierre Monteux en het mag als algemeen bekend worden verondersteld, dat het een muzikale aardbeving veroorzaakte. Dit ballet verklankt een tafereel in het voorchristelijke Rusland waar uiteindelijk een door de oudsten uitgekozen maagd zich dood danst. C. Höweler schrijft dat dit barbaarse werk “zich niet bekommert om de verheerlijking van de lente door de tederheid van bloesems, maar op gaat in wild stortende stromen en lawines, in de kiemkracht, die rotsen laat splijten door zaad”. Hoe waar is dit! Het gaat hier inderdaad niet om schoonheid, maar om een artistiek verantwoorde weergave van lelijkheid*; het huiveringwekkende, het sublieme in de natuur volgens Schopenhauer.

Ofschoon sommige auteurs dit werk nog steeds betitelen als een laatste uitloper der Romantiek, maakt het nog steeds een hyper moderne indruk. Dit werk, dat grotendeels steunt op de ritmiek, is blijkbaar voor veel orkesten nog steeds een uitdaging. Vooral het slot, waarin het metrum constant verandert.

Binnen wat er relatief eenvoudig te krijgen is, zijn er drie uitvoeringen interessant: Davis met het CGO op Philips (9500 323), Bernstein met de Israel Philharmonic Orchestra op DG (2532 075) en Boulez met Cleveland op CBS (S 72607). De laatste is qua klank verreweg de minste. De opname mist kleur en fundament, maar het is een zeer goede uitvoering. Boulez trekt de luisteraar direct het werk binnen. Heel spannend gedaan. Bernstein drukt zijn stempel maar doet dat hier geloofwaardig én met goede smaak. Er zijn erg veel orkestdetails te horen. Davis, moet even “op stoom” komen, maar is daarna niet te houden. Uiteindelijk mijn favoriet.

Symphony in three movements

Door velen de zogenaamde “neosacre” genoemd, omdat dit werk is ontstaan in Stravinsky’s neoclassicistische periode en bij vlagen in ritmisch en harmonisch opzicht aan zijn Le Sacre doet denken.
Los van de uitvoering door de meester zelf, is Charles Dutoit met de Suisse Romande op Decca onverslaanbaar. Alles klopt op deze uitvoering. De plaat wordt regelmatig op het net aangeboden. Colin Davis met de Bayerische Rundfunk op Philips mag er ook wezen.

Symphony of Psalms

Het hoogtepunt in Stravinsky’s neoclassicistische periode en van een indringende schoonheid. Geïnspireerd op Psalm 38, 39 en 150. Opvallend is hier het gekozen instrumentarium: geen violen en altviolen, geen klarinetten, maar wel twee piano’s, een uitgebreide koper- en houtsectie en uiteraard het vierdelige koor dat de Psalm teksten in het Latijn zingt. Is het een terugkeer naar de God van het oude testament of integendeel naar de engel des lichts?
Het meest voor de hand liggende is uiteraard de uitvoering door de meester zelf op CBS, die de ene keer met de Symfonie in C, de andere keer met de Symfonie in drie delen gekoppeld wordt. Bernstein heeft het ook opgenomen voor hetzelfde label. Voor deze uitvoering zult u naar E-Bay moeten.
Deze maand heb ik me bewust beperkt tot de twee belangrijkste toonzetters uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Volgende maand zal ik meer componisten uit deze tijd bespreken alsook enkele minder bekende werken.

*Noot: We moeten […] onderscheid maken tussen manifestaties van het lelijke an sich (uitwerpselen, een lijk in ontbinding een mens vol walgelijke zweren), het formeel lelijke, oftewel de wanverhouding tussen de delen van een geheel en de artistieke weergaven van beide. Umberto Eco, De geschiedenis van de lelijkheid.