Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

De Romantiek IV – Frankrijk

Thursday, December 30th, 2010

De Romantiek IV

Frankrijk

Met het Congres van Wenen in 1815 hoopte men rust en stabiliteit in Europa te brengen. Als we echter de historische kaarten van Europa bekijken vanaf dat moment, dan is daar bitter weinig van terecht gekomen. Bonaparte was weliswaar verslagen en Frankrijk tot zijn ‘natuurlijke grenzen’ teruggebracht, maar de nationalistische gevoelens die door de Franse Revolutie waren aangewakkerd – ook bij andere naties – hadden nu genoeg kritische massa. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst.

Frankrijk ging op dat gebied zelfs een grote rol van betekenis spelen naast Duitsland en is met Hector Berlioz (1803 – 1869) een van de grootste en invloedrijkste toonzetters van de Romantiek. Deze is, als muzikale stamvader met zijn ‘traité de l’instrumentation’ als orkestrale bijbel, maatgevend voor velen geweest.
Met zijn Symfonie Fantastique – slechts 3 jaar na Beethoven’s dood (!) – geeft hij de klassieke symfonie een programmawerking en kunnen we dit gedurfde werk gerust de sjabloon noemen voor de moderne programma symfonie voor veel componisten. Het is een 5-delig werk – wat al opvallend is in zichzelf – dat sterk als autobiografisch gezien kan worden en bij uitbreiding tot een zelfportret van de Romanticus van die tijd. Het programma beschrijft verschillende situaties in het leven waarin de kunstenaar, verzeild kan raken. Berlioz had recentelijk kennis gemaakt met de werken van Shakespeare en de symfonieën van Beethoven. De directe aanleiding echter was een uitvoering in 1827 van Hamlet van degenoemde dramaturg, met ene Herriett Smithson in de rol van Ophelia. Zij blonk bepaald uit en haar verschijning, moet als een bom zijn ingeslagen. De vrouw zou een dwanggedachte voor hem worden en na twee jaar zou hij zijn gevoelens vastleggen in de Symfonie Fantastique om zichzelf te bevrijden van deze obsessie. Een wederkerend muzikaal motief vertegenwoordigt deze Idée Fixe. Er is hier geen plaats alle delen uitvoerig te beschrijven, maar de Mars naar het schavot (het vierde deel) is wellicht het meest typerend. Dit stuk is zo evocatief dat, zelfs als we de titel niet zouden weten, we wel horen dat het hier gaat om een terechtstelling of iets dat daar op lijkt. Het vijfde deel – De Heksen Sabbat – is zeer zeker voor die tijd angstaanjagend geweest.
Uit bronnen blijkt dat Berlioz, nadat hij de eerste drie delen had gecomponeerd, hoorde dat Herriett geen hoofdrollen meer speelde maar louter figureerde. Dit was een bittere teleurstelling voor hem en de gedachte is dat de twee laatste delen in het teken staan van wraak. Wraak voor de obsessie die zijn leven zo had beheerst.
De Fantastique is altijd sterk vertegenwoordigd geweest in de catalogi en er zijn veel goede uitvoeringen. De nummer één is toch wel die met Davis en het Concertgebouworkest op Philips (6500 774). Hij heeft dit werk drie keer vastgelegd: met het LSO, het CGO en de Weners. De laatste is echter alleen op CD beschikbaar. De CGO opname uit 1974 onderscheidt zich door een hoge mate van natuurlijkheid. Ook de hoes is prachtig met The Devil’s Incantation door de Goya (1746 – 1828).
Een andere goede vinden we op Decca door Haitink (SXL 6938) uit de nadagen van het analoge tijdperk. Helaas een aartslelijke hoes, maar ook een spectaculair natuurlijke opname. Mogelijk Decca’s beste opname uit de herfst van het analoge tijdperk.
Andere uitstekende alternatieven zijn die door Abbado (DG 410 895-1) en von Karajan (DG 2530 597) prachtige DG hoezen weer overigens.
Uiteraard moeten we het grootse Requiem nog noemen, het Te Deum, zijn Lelio dat een vervolg is op de Fantastique zijn Harold en Italie en de liederencyclus La Nuit D’ete. Het integrale Berlioz programma is uitgekomen op Philips onder Colin Davis en kan rustig als de ruggengraat genoemd worden.

Er is meerdere malen op gewezen dat de symfonie als vorm zijn heerschappij voor een groot deel aan het symfonische gedicht heeft afgestaan. Dit geldt ook voor de sonate die zijn gezag heeft afgegeven aan kleinere op de literatuur geïnspireerde vormen zoals het impromptu, prelude, nocturne, ballade enz. Door de belangstelling van de componist voor nationalistische thema’s verschijnen er ook typische dansvormen zoals de polonaise en de mazurka.

Dit brengt ons direct bij Frederic Chopin (1810 – 1849), die ondanks de zojuist genoemde vormen een van de minst literair ingestelde componisten van de Romantiek blijkt te zijn. Zijn subjectieve kunst dringt diep door in de nachtelijke aspecten van het menselijke leven en vooronderstelt geen literaire inhoud, maar is wel in hoge mate visionair, angstig, doch kernachtig en gecondenseerd. Ofschoon in Polen geboren, rekenen we deze componist tot de Franse Romantiek. Niet alleen omdat zijn vader Frans was, maar zijn kunst is onmiskenbaar Frans.
Belangrijkste interpreten zijn wel Arrau (Philips), Rubinstein (RCA) en Ashkenazy (DECCA). De laatste twee domineren zo’n  beetje de catalogus, maar Barenboim, Polini, Pires en Argerich (allen op DG) hebben hun sporen in deze muziek ook verdiend.
Zijn ballades dragen een nachtelijke lading. Ze bouwen voort op de gezongen ballades van Schubert, maar krijgen bij hem een totaal nieuwe vorm en inhoud.
Uit zijn Etudes opus 10 is het derde stuk natuurlijk overbekend. Dit is weer zo’n moment dat aangrijpt, zeg maar, op het middenrif. De Etudes hadden een technische uitdaging als uitgangspunt, maar de originaliteit van deze werken maakte de aanleiding tot bijzaak. Laten we volstaan te zeggen dat het gehele piano oeuvre van Chopin uniek en richtinggevend is geweest voor de muziekgeschiedenis.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling tijdens de Romantiek in Frankrijk speelt zich af in de orgelkunst. De orgels in deze tijd onderscheiden zich door een grotere soepelheid in de toonvorming en een grotere verscheidenheid van de registers. En voornamelijk in Frankrijk zijn de orgels door het romantische orkest beïnvloed. De registers zijn naar de gevoelige aard van de strijkers, fluiten, hobo’s enz geïntoneerd, zonder dat de Franse orgelbouwmeesters de kernmerken van het klassieke tijdperk hadden opgeofferd.

Charles Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) die ons – ondanks zijn charme – niet zo heel erg veel heeft te vertellen, is vooral beroemd om zijn orgelsymfonie. Hoewel het wemelt van goede uitvoeringen, is de interpretatie van Barenboim (DG 2530 619) wel zeer de moeite waard. Het valt namelijk niet mee voor een mastering engineer een dergelijk werk voor groot orkest uitgebreid mét orgel goed te snijden, maar hier heeft DG het toch aardig gedaan. We hebben deze opname diverse keren, hoog genoteerd op audiofiele lijsten gezien.

Ofschoon hij niet in deze stijlperiode thuishoort, noem ik in dit verband toch nog het orgelconcert uit 1938 van Francis Poulenc (1899 – 1963) die ons inhoudelijk meer te bieden heeft en dieper peilt. Een orgelthriller met aan het slot een schitterend eerbetoon aan Bach. Marie Claire Alain met Martinon (dus niet met Conlon!) op Erato (STU 70637) is een must. Weliswaar niet op vinyl, maar toch vermeldenswaard is de Symphonie Concertante van Joseph Jongen (1873 – 1953) onder de Waart op Telarc.

Echter, het is César Francks (1822 – 1890) orgelmuziek die ons hoofd naar boven richt, zoekend naar de religieuze ervaring. Denkelijk na Bach de belangrijkste orgelcomponist. Het religieuze en meditatieve karakter dat zijn muziek draagt, deelt hij met Bruckner, maar is meer hymnisch. Zijn Six Pièce d’Orgue zijn van een onmetelijke schoonheid, maar dat geldt eigenlijk voor al zijn orgelwerken. Albert de Klerk op CBS (S77332) of David Sanger (Bis) ziet men regelmatig tweede hands. Francks Prelude, Koraal & Fuga – stevig bekritiseerd door Saint Saëns – behoort tot de beste stukken uit de pianoliteratuur. Devoyon op Erato (NUM 75098) koppelt dit beeldige werk met de Prelude, Aria en Finale die bijna van hetzelfde hoge niveau is. De twee werken zouden leiden tot de drie prachtige grote Koralen voor orgel. Het lijkt erop dat Franck van 1884 tot 1887 naar een nieuwe klavierstijl zocht. Dit vond zijn hoogtepunt in een uniek zangerig pianoconcert, de Variations Symphoniques die een waardige voortzetting is van de pianoconcerten van Beethoven.

Deze maand sluiten we de Romantiek af. De volgende keren zullen we de grote Klassieken bespreken: Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. Representanten van een tijdperk die men terecht als een van de hoogtepunten kan zien van de West-Europese beschaving.

De Romantiek III

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek III

Met deze maand sluiten we de laatste grote Duitse componisten uit de Romantiek af. We bespraken al eerder dat men in deze generatie kunstenaars, een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende inwerking uitoefenen op de toonkunst. Maar ook de industrialisering en daarmee ook het ontstaan van het socialisme, begint het psychische klimaat van de kunstenaar te bepalen.

Het fenomeen Richard Wagner (1813 – 1883) en diens invloed is al in vorige artikelen besproken. Zijn belang en inwerking op de muziek van de 19de eeuw is nauwelijks te overschatten en hij is lang gezien als degene die aan de wieg stond van de moderne muziek. Aangezien zijn grootste en voornaamste bijdrage aan de opera is en deze artikelen als belangrijkste speerpunt de symfonie hebben, valt Wagner eigenlijk buiten het bestek van deze serie. Dat geldt ook voor Verdi (1813 – 1901) die zijn grote tegenspeler in Italië was. Het geldt uiteraard voor alle componisten die voornamelijk opera’s hebben geschreven. Berlioz komt later wel aan de beurt op basis van zijn Symfonie Fantastique. Maar laat duidelijk zijn dat Wagner een van de grootste hemellichamen in ons stelsel is.
Voor Wagner’s opera’s adviseer ik om (eerst) de ouvertures te beluisteren. In de 19de eeuw legde men een duidelijk thematisch verband tussen de ouverture en de belangrijkste episoden van de opera. Deze kunnen dus als een soort synopsis dienen en worden regelmatig 2de hands aangeboden evenals de dwarsdoorsneden en hoogtepunten. Solti op Decca, Böhm en von Karajan op DG zijn de grote namen in deze.

Ook Franz Liszt (1811 -1886) geboren in Hongarije maar de grootste muzikale wereldburger van deze eeuw, mag uiteraard niet ontbreken. Al was het alleen om het feit dat hij de schepper van het symfonische gedicht is en zodoende in meer vrijheid voor de componist voorzag. Velen hebben zich hiervan bediend: Strauss, Smetana, Dvorak, Saint-Saens en zelfs Debussy’s La Mer is ondenkbaar zonder Liszts ontdekkingen.
Tijdens zijn verblijf in Parijs heeft hij zich ingeleefd in de Franse cultuur en zich onder andere op dichter Victor Hugo geïnspireerd. Vandaar ook de Franse titels zoals zijn Les Preludes die het meest populair gebleven is van zijn symfonische gedichten. In Weimar kwam hij weer in contact met de Duitse cultuur waaruit de Faust Symfonie uit 1854 ontstond. Uitstekende keus hier is Bernstein op DG (2707 100) met de BSO. Maar ook Italië was een vaderland voor hem en inspireerde hem tot de Dante Symfonie.
Van zijn klavierwerken staat de sonate in b centraal. De pianoconcerten door Arrau (solist) en Davis (Philips 412 926-1) worden vaak aangeboden en klinken overrompelend. Samen met Wagner is hij de hoofdrolspeler van de Norddeutsche Schule.

Aanknopend bij de klassieken met een heldere, klare bijna ijle klank is Felix Mendelssohn Bartholdy (1809 – 1847). Een vroegrijpe geest die op 17 jarige leeftijd al de sprookjesachtige ouverture Midzomernachtsdroom (Szell op Philips Sequenza 6527 056!) componeerde. Mendelssohn – Joods van geboorte maar gedoopt in de Gereformeerde kerk – was het die Bachs Mattheus Passie weer op de kaart zette en alleen daarom al een standbeeld verdient. Nietzsche zei: “Felix Mendelssohn’s muziek is de muziek van de goede smaak, voor al het goede dat reeds geweest is: zij wijst steeds achter zich”. Vergeleken met Schumann – zij waren goede vrienden – is Mendelssohns muziek helderder en sprankelender.  Ook even edel, maar minder diep. Over Schumanns kunst ligt een soort van patina.
De slanke lenige pianoconcerten zijn een mooi voorbeeld hiervan. CBS heeft beide pianoconcerten gekoppeld met Perahia (solist) en Marriner (CDS 76576). De hoes is aartslelijk, maar de uitvoering en klank zijn buitengewoon. Mendelssohn is echter het meest beroemd om het prachtige vioolconcert uit 1845 waar ontelbare uitvoeringen van zijn. Hoog aangeschreven staat nog altijd die door Mutter (solist) en von Karajan (DG 2532 016).
Het beeldige octet door I Musici (Philips Sequenza 6527 076) zie je regelmatig in het 2de hands circuit. Schitterende opname met twee van zijn twaalf jeugd symfonieën voor strijkers. In deze vroege composities zitten verrassende momenten van zeldzame schoonheid die naar Bach wijzen. Ook zijn strijkkwartetten opus 12 en 13 zijn niet te versmaden. Het LaSalle Kwartet (DG 2530 053) geeft vurige vertolkingen van deze stukken.

Zijn derde symfonie heeft als bijnaam de Schotse en valt op door de donker en herfstig gekleurde harmonieën. De uitvoering door Peter Maag op de budget serie Ace of Diamonds van Decca (SDD 145) is zondermeer de zoektocht waard. Zeldzaam mooie opname en Maag doet alles goed. De koppeling is met de prachtige Ouverture de Hebriden, dat een soort concentraat is van de Schotse. Een werk van een verbluffende oorspronkelijkheid en het sublieme in de natuur blootlegt. Het is het pendant van de Manfred Ouverture van Schumann. Voor de Schotse zijn er prima alternatieven: Haitink met het LPO (Philips 9500 535) en Dohnányi op Decca met het VPO, maar voor de Hebriden Ouverture wordt dat een stuk lastiger.
Hoe anders is zijn vierde met als bijnaam de Italiaanse. Volslagen andere wereld dan de vorige symfonie. De opening kennen we allemaal. Het zijn van die “Oh ja…” melodieën die blijkbaar diep in onze west Europese vezels zitten.
Voor wat betreft de koppeling met zijn andere symfonieën zijn Abbado (Decca en DG), Leppard (Erato STU 71064) en Maazel (DG 138 684) aan te bevelen. De laatst genoemden koppelen de vierde en de Reformation (de vijfde). De bekende 3de en 4de symfonie worden meestal gekoppeld, maar lang niet altijd. Als ik een top 3 zou moeten maken van meest voorkomende platen in het tweede hands circuit, dan staat de volgende plaat daar zeker in: de uitvoering van de ‘Italiaanse’ door Sinopoli (DG 410 862-1) gekoppeld met de Unvollendete van Schubert. Wat een fantastische uitvoering, opname en cover!
Overigens het ‘probleem’ Schubert – een van de grootste geesten van de Europese toonkunst – zullen we binnen de stijlperiode behandelen voorafgaand aan de Romantiek.

We zagen ook weer in deze periode dat er in Duitsland verschillende generaties tegelijkertijd actief zijn. Enerzijds kunstenaars die door hun hoge leeftijd toch nog steeds een aanzienlijke invloed hebben op de laatromantiek en in de tweede helft van de 19de eeuw tot volle wasdom komen. Anderzijds een generatie die nog wortelt in de periode voorafgaand aan de Romantiek: het Classicisme. En er is een middengroep die zich ontplooide tijdens de eerste helft van de 19de eeuw. In Frankrijk en Italië – de andere twee dominante naties – was dat niet anders. Volgende maand komen de grote Franse Romantische componisten aan bod: Berlioz, Franck en Chopin. De Franse romantici die zich later zouden verzetten tegen de Duitse invloed.