Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

Saturday, July 7th, 2012

Het is inmiddels ruim een jaar geleden dat de recensie over de Kanzy KAAM 1000 versterker in het audioblad Hifi Video Test zou verschijnen: een waarlijk peperdure buizen versterker van Nederlandse bodem. Music Emotions had reeds in November van 2010 een artikel van deze extravagante versterker gepubliceerd. Een test die m.i. vlees nog vis was. Geen duidelijke uitspraken, laat staan harde conclusies. Uiteraard kon HiFi Video Test niet achterblijven en zou in april 2011 ook met een artikel komen. Ik had de eer deze klus op me te nemen, maar het liep allemaal ietsje anders. Neerlands oudste audioblad besloot namelijk in te grijpen, door eerst het interview – een essentieel onderdeel van het artikel – te schrappen. Dit was het slot interview dat ik met Lars en Paul Dam van Kanzy bij mij thuis had, nadat ik de test had afgerond. Uiteindelijk besloot HVT om het hele artikel maar niet te publiceren. De reden voor het schrappen van het artikel, houd ik maar voor me. Hoe dan ook: dit was voor mij dan ook het begin van het einde, voor wat betreft de samenwerking met HVT. Hier alsnog mijn recensie. Ruim een jaar te laat, maar beter laat…

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

De Kanzy KAAM 1000 heeft geen introductie meer nodig in dit land. Niemand minder dan Jan Douwe Kroeske en Leo Blokhuis hebben de machine bij Polyhymnia in oktober 2010 met verve geïntroduceerd. Aan mij de eer om nadat het stof weer wat was opgetrokken, de heavy tube amplifier aan de tand te voelen. Want een eer is het, om een pretentieuze versterker van eigen bodem in huis te hebben.

Uiteraard wilde ik eerst wat meer van het bedrijf weten en dus toog ik naar IJsselstein bij Utrecht waar het bedrijfspand staat. Bovendien had ik nogal wat brandende vragen naar aanleiding van eerdere publicaties. Het interview duurde dan ook enkele uren.

Na een korte rondleiding en kennismaking, stak commercieel directeur Lars Dam van wal om uit te leggen wat hen motiveert en welke kant ze op willen. Om te beginnen wilde de firma Kanzy een amp met een uitstraling van absolute meesterschap; een gilde waarbij de reproduceerbaarheid volstrekt is gegarandeerd. Zo was een deugdelijk ontwerp van de kast een hele zoektocht, maar bijvoorbeeld ook de kwaliteit van de schroefjes voor de montage. Kanzy verwacht van haar toeleveringsbedrijven, de hoogste kwaliteit en dat ze dat over 10 jaar ook nog kunnen. Dat in zichzelf is niet eenvoudig en vergt veel overleg, tijd en afstemmen. Continuïteit moet dus gewaarborgd zijn en dat vereist dan ook een lange termijn visie.
Lars legde uit dat de Kanzy KAAM 1000 in de markt wordt gezet voor verzamelaars aangezien er slechts een gelimiteerde oplage zal zijn. Ook mikt men op de audiofiel die de centjes er voor over heeft en de zogenaamde “Wannahaves”, die naast een Porsche en een huisje in Monaco, ook een Kanzy willen hebben. Ten slotte is Kanzy zich nu aan het richten op de Aziatische markt. Al met al was mijn eerste indruk van de mannen van Kanzy er een van enthousiasme. Mensen met een drive, een commercieel geslaagd product neer te zetten. Aangezien Kanzy nog geen enkele reputatie heeft en daarmee een achterstand op de gevestigde merken en fabrikanten, wordt dit project terecht als een ware uitdaging ervaren door de grondleggers.

Wat later schoof de technische man aan tafel: Ir. Paul Dam, de vader van… Paul heeft zich in zijn ontwerp niet laten leiden, neen zelfs niet laten inspireren door andere ontwerpers en fabrikanten. Dat verklaart sommige eigenzinnige keuzes bij deze machine. Die eigenzinnigheid geldt niet zozeer voor het gekozen schema. Ik vroeg hem bijvoorbeeld waarom er een push-pull ontwerp is gebruikt. Hij antwoordde dat push-pull intrinsiek – in tegenstelling tot single-ended – de even harmonische vervorming elimineert. Bovendien is een push-pull een veiligere keuze, met het oog op wat de consument thuis aan weergevers heeft. Ook is er gekozen voor nieuwe productiebuizen en geen NOS (new old stock). “Tegenwoordig is men in staat om een betrouwbaardere buis te fabriceren door betere technieken die ze vroeger niet hadden. De keuze voor de KT88 is een pragmatische.”, vervolgt Paul. “Het is een veel voorkomende buis die behoorlijk wat vermogen kan leveren en we hebben de eindbuis zo ingesteld, dat we slechts het meest steile gedeelte van het werkgebied van de buis gebruiken. Daarom maakt het eigenlijk niet uit welke buis gebruikt wordt. Het zijn juist die minder steile gebieden in het werkgebied van de buis, die het zogenaamde eigen karakter geven van zeg een EL34, een KT88, een EL84 enz.” Deze aanpak zou ook de neutrale weergave van de versterker ten goede komen. Uiteraard heeft deze keuze een keerzijde: een beperkter vermogen. Vandaar dat Paul heeft gekozen voor parallel push-pull. Dus, vier buizen per kanaal in plaats van twee. De Kanzy onderscheid zich ook al niet door de keuze van de stuurbuizen: ‘slechts’ de nederige ecc83. De Opel Kadet onder de dubbeltriodes. Ook dit was een praktische keuze: net als de KT88 is dit een veel voorkomende buis die daardoor de reproduceerbaarheid garandeert. Het doorselecteren van de aangeleverde dubbeltriodes was volgens Paul een hele toer die en passant ook nog even een buizentester hiervoor heeft ontwikkeld. Volgens Paul moeten er vanwege de ongelijkheid tussen de twee helften binnen de dubbeltriode, minstens 8 of zelfs 9 van de 10 ecc83’s verworpen worden om aan de hoge standaard te voldoen.
Het tot elke prijs door willen voeren van buizentechniek, is een opvatting van Paul die mij wel kan bekoren. Zo is er voor de gelijkrichting gekozen voor vier EZ81 gelijkrichtbuizen per kanaal. Dit uiteraard omdat de gehele machine volledig dubbel mono is opgebouwd. Graag had Paul Dam gekozen voor de GZ34 op die plek, maar dit is een aanzienlijk forsere buis en zou moeilijk passen in het chassis; dat al niet klein is. Aan het einde van mijn bezoek kreeg ik ook nog de binnenkant te zien van de Kanzy, wat weer de nodige vragen opriep bij me. En zo vloog de tijd om…

Uiterlijk

Na een tijdje was het dan zover. De Kanzy KAAM 1000 werd bij mij afgeleverd door Lars Dam. Direct zag ik dat er ook de nodige aandacht is besteed aan de wijze waarop de versterker vervoerd moet worden. Het is een kist van massief eikenhout en bovendien zit er een leren flap bij, die onder de versterker geschoven kan worden om het plaatsen van de machine te vergemakkelijken. Dat is met 40 kilogram schoon aan de haak, geen overbodige luxe. Ten slotte levert Kanzy een leren etui met een complete reserve buizenset met de EL34 van Electro Harmonix als eindpit. Deze zijn technisch vergelijkbaar met de KT88 en dus moeiteloos uit te wisselen.
Tja, waar moet je beginnen bij een versterker van dit kaliber? Ik weet dat er mensen zijn die hem spuuglelijk vinden, maar ook zijn er lieden die hem prachtig vinden. Dat in zichzelf is al een positieve indicatie: het ontlokken van een reactie. Dat is waar de kunstenaar – en bij uitbreiding de ontwerper – naar op zoek is. Het laatste dat men wil is, helemaal geen reactie. Persoonlijk vind ik de versterker inderdaad vrij groot, maar de verhouding klopt naar mijn gevoel aardig. Hierdoor wordt in elk geval de uitgebreide buizenbezetting (8 KT88’s en 8 ecc83’s) op het chassis, toch geen rommelig ‘glasservies’ zoals we weleens vaker zien. En dat is wat mij vaak zo stoort. Mijn demo exemplaar was overigens donkergrijs, maar ik neem aan dat de koper hier een keuze heeft.

Functionaliteit

Eenmaal op zijn plek nam ik de tijd om het beest wat van dichterbij te bekijken. Over de functionaliteit had ik nogal wat op- en aanmerkingen die ik net als mijn luister indrukken uitvoerig en eerlijk besproken heb met Lars en Paul, toen de amp weer werd opgehaald. Een beknopt verslag staat aan het einde van dit artikel.
Om te beginnen ontbreekt helaas een afstandsbediening. Dat is één ding. Wat de machine nog lastiger te bedienen maakt, is dat er gekozen is voor een mono potmeter per kanaal. En of dat al niet lastig genoeg is, er is zelfs geen schaalverdeling aangebracht. Het enige houvast in deze is dat er zich op de volumeknoppen meerdere gaatjes bevinden, waardoor men bij benadering een idee heeft. Ik moet zeggen dat me dat in het begin niet meeviel, maar alles went zullen we maar zeggen…
Iets dat mij in hoge mate bevreemde of op zijn minst opviel, was het volgende. Er is namelijk gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet. En ofschoon dit een chiquere en meer solide oplossing is dan de gangbare euro entree, wordt hiermee wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om eventjes met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. En dat vind ik zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. De meegeleverde kabel is van een gemiddelde kwaliteit, maar daar kom ik straks op terug.

Op de achterkant waar ook de lichtnetschakelaar en de UL/Triode schakelaar zit, zit een aardeschroefje voor de platenspeler. Ik had daar persoonlijk liever een draaiknopje gehad. Overigens is de MC trap afgesloten met een 47K weerstand. Dat is m.i. een schier oneindige waarde. Zaak in deze is dat de vinylliefhebber hier de juiste waarde doorgeeft aan Kanzy, opdat het element correct wordt afgesloten.
Ten slotte zijn de speaker terminals van onberispelijke kwaliteit. Op mijn model zaten ‘slechts’ Cardas aansluitingen. Omdat dit bedrijf volgens Lars niet altijd aan de specs kan voldoen die Kanzy stelt hiervoor, is men verder gegaan met WBT. Deze staan boven iedere discussie. Voor dit heeft Kanzy dus voor de hoogste kwaliteit gekozen. Dan zou men hetzelfde verwachten voor de cinch ingangen, maar vreemd genoeg heeft men hier gekozen voor eenvoudige Neutrics. Niets mis met deze ingangen. Voldoen prima, maar waarom dan hier ook niet de hoogste standaard?

De ingewanden

Iets dergelijk had ik ook met sommige toegepaste componenten in het binnenste van de versterker. Voor de weerstanden heeft men kosten noch moeite gespaard. En met goede reden! Ook ik heb ervaren dat weerstanden – soms afhankelijk van de plek – een gigantische invloed op de klank hebben. Kanzy heeft de weerstanden speciaal bij een bedrijf laten ontwikkelen dat ook aan de luchtvaart en de medische industrie levert. Als Kanzy een order plaatst, dan begint daar pas de productie. We kunnen ons voorstellen dat dat een dure aangelegenheid is. Deze moeite had ik dan ook verwacht op andere kritische plekken zoals de koppelcondensators (die Paul gebruikt ipv. van interstage trafo’s). Echter daar heeft men voor relatief eenvoudige Auricaps gekozen. En ook hier geldt weer: niets mis met Auricaps, maar de verhouding met de speciaal op bestelling ontwikkelde weerstanden is m.i. een beetje zoek. Op zijn minst mogen we op deze kritische plaatsen de top exemplaren van topmerken verwachten. Iets dat men verwacht in een buizen versterker van 60K. Overigens, voor de ontkoppeling van de kathodes is wel voor bi-polaire Mundorf elco’s gekozen. Men zou daar evenwel zelfs kunnen gaan voor (olie in papier) condensatoren ipv. elco’s. Echter, omdat Paul Dam daar de min of meer extreme waarde van 470 uF gebruikt, zouden de genoemde condensatoren te groot worden om te plaatsen. Overigens is alles hard-wired en heeft men consequent gebruik gemaakt van zilverdraad en zilversoldeer. Voor de uitgangstrafo’s heeft men gekozen voor de ringkern types van Ir. Menno van der Veen. Ofschoon er voor- en tegenstanders van ringkern trafo’s zijn, zijn deze types met veel succes toegepast in veel goede versterkers met een uitstekende reputatie.

Welke cd als eerste te draaien?

Na een uur opwarmen achtte ik de tijd rijp om een geluidsimpressie te krijgen; indachtig dat een buizenmachine nog een hele tijd te gaan heeft voordat hij zijn top bereikt. De algemene indruk was er een van aangenaamheid en de nodige rust. Bovendien was er een behoorlijke stage. Murcofs Martes was wat minder elastisch en ritmisch dan me lief was. Bovendien kwam het op mij over met een meer getemperde snelheid en openheid. Ook de vijf stukken voor orkest van Schoenberg, klonk minder spits en tastbaar, maar dat zou zich ongetwijfeld in de komende uren wel oplossen. En anders de komende dagen wel. Peter Gabriel had wel voldoende punch, maar dat lag in de lijn der verwachting. Ik weet uit ervaring wat een KT88 in UL schakeling kan brengen in dat opzicht. Een dergelijke substantie in het laag had ik bijvoorbeeld ook al bij de Cayin gehoord, alleen net niet met die articulatie en autoriteit. Toch had ik een meer gebeitelde bas verwacht.

De Hoofdronde

De volgende dagen was het tijd voor de luistersessies waaruit we graag definitieve conclusies willen trekken. Ook heb ik gemeend in dit geval een nog bredere selectie afspeel materiaal te gebruiken dan ik doorgaans al doe. Dit, omdat ik inmiddels wel weet dat ook vaste referentie opnames tot een vorm van bedrijfsblindheid kunnen leiden. Bovendien komt het soms voor, dat zelfs referentie opnames uiteindelijk door de mand kunnen vallen en daarmee het gehele luisterkader op losse schroeven zet. Waakzaamheid is hierin dan ook een voorwaarde. Een recensent mag in deze nooit op zijn lauweren rusten!

Wat mij enigszins bevreemde was dat ik het meeste in UL schakeling afluisterde. Dat is raar want ik had bij alle versterkers die deze schakel optie hadden, tot nu toe precies het omgekeerde. In triode werd het laag iets weker en bovendien werd de algemene klanksignatuur minder spannend. Wel werd overgeproduceerd materiaal aangenamer en minder vermoeiend. Feit blijft dat er in UL, meer ‘snap’ was. Meer levendigheid dus, ten koste van een ietwat ingesnoerd stereobeeld en separatie.
Random Acts of Happiness van Bruford had wel een opvallende autoriteit, maar ik miste toch teveel inner detail en alles in het midden-hoog gebied leek aan het oor ontrokken door een soort nevel. Dat bleek ook het geval bij Miles Davis’ Decoy en Sacred Love van Sting. In z’n algemeenheid klonk het mij allemaal te bruin en besloot daarop de meegeleverde voedingskabel uit te wisselen voor mijn NordOst Valhalla. Daarvoor moest wel ‘even’ de bajonet aansluiting omgewisseld worden. Het bleek een buitengewoon nuttige exercitie. De Kanzy werd weer ingeschakeld en alles was bij toverslag anders. Ten eerste: de ‘nevel’ was goeddeels opgelost en er was ineens de nodige inner detail. Snelheid en openheid was nu overduidelijk meer aanwezig. Bovendien was er meer hoogte in het stereobeeld gekomen. Overigens was het totale stereobeeld in z’n algemeenheid een behoorlijke slag uitgebreid. Evenzo leken de zaken langer uit te klinken en ritmisch leek er veel gewonnen, ten koste van een prettige bulk volume in het midden-laag. Maar er was nu wel meer voelbaar sublaag. Kort gezegd, de gehele klanksignatuur van de versterker was totaal veranderd. Het leek of dat de Kanzy on steroïds was, die voor de nodige gespierdheid zorgde. Opvallend was dat mijn voorkeur voor de UL stand was omgebogen naar triode schakeling. Toch had ik nog steeds mijn bedenkingen over het beperkt doorlopende hoog en was het midden en midden-hoog naar mijn smaak nog steeds iets te bruin. Maar deze actie liet wel zien hoe belangrijk een goede voedingskabel is.

De grootste kritiek evenwel bleef dat ik nog steeds niet het idee had, volledig in de muziek gezogen te worden. Iets dat ik bijvoorbeeld wel bij de Kronzilla had en in iets mindere mate bij de Melody AN211. Schumans vioolconcert klonk niet spannend genoeg en ook vond ik het kleurenpalet relatief te beperkt. Nog steeds was er het gevoel dat het geen versterker is die de mond vanaf de eerste minuut snoert en iedere poging tot discussie ontmoedigt. Iets dat zich eigenlijk al moet manifesteren bij de eerste luisterindruk. Wellicht was mijn verwachtingspatroon te hoog…?

Uiteraard heb ik in dit geval een paar mensen uitgenodigd om hun mening te horen zonder ze te souffleren, maar ook zij kwamen onafhankelijk van elkaar tot een vergelijkbare conclusie. De rode draad was ook hier: relatief te weinig spannend en betrokkenheid. De laatste dag heb ik ook nog de reserve buizenset beluisterd met de EL34, maar al vrij snel werd duidelijk dat de beste resultaten met de KT88’s te halen zijn. De EL34 set klonk veel te bruin en te sompig. Dat kan ook liggen aan het merk. Ik weet dat meerderen deze ervaring hebben met Electro Harmonix.

Eindconclusie

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat de Kanzy mij totaal niet heeft weten te overtuigen. Te weinig had ik tijdens het doorluisteren het idee, dat ik naar een bijzondere versterker aan het luisteren was. Noch had ik het gevoel dat deze amp vanaf het begin af aan geen enkele ruimte zou laten voor discussie. Ook niet de dagen erna en dat was wel wat ik verwacht had, gezien het prijskaartje. Waar de Kanzy m.i. wel bijzonder in was, was de mate van autoriteit en rust waarmee alles werd neergezet. Dit is denkelijk het resultaat van de compromisloos opgebouwde voeding.
Ik bleef dan ook met het gevoel zitten dat we hier met een versterker te maken hebben met een zeer grote potentie, maar klankmatig nog lang niet is uitontwikkeld. De vraag was dan ook: heeft men tijdens de ontwikkeling wel een luister panel ingeroepen, die de nodige sturing kon geven hierin? En zo ja, hoe is dit panel gebruikt? Waarom bijvoorbeeld wel peperdure weerstanden met spectaculaire specificaties, maar niet de koppelcondensatoren? Overigens, de specs zijn één ding, maar wat doen ze klankmatig? Zijn ze vergeleken met andere op audio gebied gerenommeerde weerstanden zoals Takman, Audio Note tantaal enz? Redenen genoeg om deze zaken terug te koppelen naar de mannen van Kanzy. Deze vragen en bevindingen zouden dan ook het eindgesprek dicteren.

Terugkoppeling

Hier volgt een samenvatting van het gesprek dat ik had met Lars en Paul Dam toen ze de Kanzy weer kwamen ophalen. Uiteraard heb ik het koren van het kaf gescheiden.

ES: Is dit model het prototype? LD: neen, dit is het demomodel. ES: ik vraag dat, omdat mij een aantal dingen opvielen. Er zijn relatief goedkope cinch aansluitingen ten opzichte van dure speaker terminals gebruikt. LD: Dat klopt. Ofschoon de Neutrics prima zijn, kan ik me voorstellen dat de toplijn van WBT meer passend is. Wij staan daar wel voor open om daar naar te kijken. ES: ik vroeg het ook ivm. de afwezigheid van de afstandsbediening en schaalverdeling rond de volume regeling. PD: vanuit puristisch oogpunt hebben we niet gekozen voor een afstandsbediening, omdat er dan gebruik gemaakt moet worden van een motortje. Dat zorgt weer voor storingen en dat willen we niet. ES: gemak en purisme hoeven elkaar tegenwoordig niet noodzakelijkerwijs uit te sluiten. Toch? LD: een andere overweging was dat we de gebruiker graag betrokken willen houden bij de muziek. Bovendien als ik zie wat voor een ritueel sommige vinylliefhebbers moeten doorlopen voordat ze eens kunnen luisteren, dan moet dit geen probleem zijn. ES: dat klopt, maar door dit is men nog meer tijd kwijt. Bovendien vinden veel mensen het fijn of zelfs belangrijk, om tijdens een muziekstuk vanwege de dynamische verschillen het volume aan te passen. Overigens maakt de keuze voor twee mono potmeters, de zaak nog lastiger af te stemmen. LD: Dat begrijp ik, maar er zit altijd wel een links rechts verschil in zelfs de beste stereopotmeters. En dan heb je toch weer een balansknop nodig om het verschil recht te trekken. Maar als de koper liever een balansknop heeft met een stereo potmeter, dan kan dat. ES: dat is goed om te weten.
ES: dan iets anders. Waarom hebben jullie gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet? PD: dit is de beste manier. De euro entree is eigenlijk gemaakt voor het strijkijzer en biedt een inferieur contactoppervlak. ES: nooit geweten van het strijkijzer, maar hiermee wordt wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. Dat vind ik eerlijk gezegd zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. LD: wij willen hierin ook een bepaalde eigenzinnigheid betrachten. ES: alles goed en wel, maar de kwaliteit van de meegeleverde voedingskabel is vrij gemiddeld. Ik ben zo vrij geweest om mijn NordOst Valhalla kabel aan de bajonetaansluiting te laten zetten en was blij dat ik die vrijheid had genomen. Het plaatste de versterker in een aantal facetten klankmatig op een ander plan. LD: wij zijn geen kabelfabrikant en voelen ons niet verantwoordelijk voor de audiofiele kwaliteit van de kabel. Anders gezegd: het moet technisch volstaan en meer niet. Dat wil niet zeggen dat we blind willen zijn voor ontwikkelingen op dat gebied. Wij zijn inmiddels ook wel bezig om daar eens naar te kijken. Wellicht dat we de markt wat in beweging kunnen brengen zodat fabrikanten van hoge kwaliteitskabels zich gaan richten op bajonetaansluitingen. ES: ben benieuwd. Misschien een samenwerkingsverband met NordOst? PD: Je gebruikt op die plek weliswaar een mooie voedingskabel, maar ik zag in jouw luisterruimte geen scheidingstrafo voor het lichtnet. Dan moet je dat eigenlijk ook doen. En geloof jij nu echt dat dat stukje kabel invloed heeft op de weergave? Dat is technisch onmogelijk. Is het niet meer een stukje emotie? ES: noem het hoe je wilt, maar kennelijk heeft het invloed op de klank en niet zo weinig ook en ik sta daar bepaald niet alleen in. Ik snap ook wel dat een techneut zaken wil kunnen meten, maar wellicht dat we in de toekomst wel hiertoe in staat zijn. Voor wat betreft de scheidingstrafo: ik geloof niet dat de meeste audiofielen en recensenten een scheidingstrafo hebben. En die zullen die verschillen in kabels toch ook opmerken. Dat neemt niet weg dat het een goed idee is om over een scheidingstrafo na te denken. Alles in dienst voor de verbetering, zou ik zeggen…
ES: Ik moet zeggen dat de Kanzy me ook klankmatig niet meeviel. Wellicht dat mijn verwachtingspatroon te hoog was, maar ik kreeg geen blosjes op mijn wangen. En in de loop van de dagen bekroop mij het gevoel dat ik met een versterker te maken had die in potentie uitstekend is, maar klankmatig nog niet geheel is uitontwikkeld. Ik zeg dat, met het oog op de enigszins onbalans in kosten en moeite tussen bijvoorbeeld de koppel condensatoren en weerstanden. En zelfs weerstanden met verpletterende specificaties, zijn nog geen garantie voor voortreffelijke klankeigenschappen. LD: Het is uiteraard de mening van een recensent, waar ik moeite mee heb is de suggestie dat de KAAM 1000 nog niet is uitontwikkeld. We hebben een behoorlijke tijd gestoken in het doorluisteren van de gebruikte componenten. We hebben daar en aantal serieuze luisteraars voor gebruikt en moesten uiteindelijk een keuze maken. Uiteindelijk zijn het de Auricaps geworden. Ik weet dat het altijd weer beter kan, maar wij staan volstrekt achter de keuze die we hebben gemaakt. PD: Het kan zeker beter. Ik weet dat Menno van der Veen een condensator aan het ontwikkelen is die volstrekt compromisloos is. Ik heb hier veel vertrouwen in en wordt wellicht in de Kanzy toegepast. ES: interessante ontwikkeling. Het is mijn ervaring dat de klanksignatuur enorm beïnvloed wordt op deze plek.
ES: Ik weet ook dat Menno van der Veen silverwired uitgangstrafo’s heeft. Heb je daar over nagedacht? PD: Uiteraard! Maar uit ervaring weet ik dat silverwired UGT’s de neiging hebben om scherp te klinken, maar ik heb ze niet geprobeerd. ES: niets op tegen om dat alsnog te doen. Toch? En wellicht ook UGT’s van andere fabrikanten proberen?

Emile Stoffels

De wederopstanding van vinyl – een met gewicht

Thursday, May 26th, 2011

De wederopstanding van vinyl – een met gewicht

Ofschoon langspeelplaten nooit echt helemaal weg zijn geweest, mag er tot op zekere hoogte toch wel gesproken worden van een comeback. De echte fijnproevers hebben er overigens nooit afscheid van genomen en met goede reden, want de plaat beschikt toch over een aantal charmes. Collega Ad Bijleveld wekte met de Clearaudio draaitafel in het vorige nummer onze eetlust al op, voor de platenspeler. De wereld der vinyl houdt evenwel niet op bij Clearaudio. Ook liefhebbers met een kleiner budget of die niet een dergelijke diepte investering willen doen, kunnen veel plezier beleven aan een platenspeler. Maar vooral het verzamelen van en luisteren naar vinyl is een belevenis.

Toen Robert Schumann eenmaal mijn jonge leven was binnengedrongen, stond de naald van de radio vastgespijkerd op Hilversum 4. Zo nu en dan kochten mijn ouders een plaat en ondanks dat dat meestal de ‘schlagers’ onder de klassieke muziek waren, ervoer ik dat toch als een bijzondere gebeurtenis. De emotionele binding met het zwarte goud werd onomkeerbaar en ik denk nog vaak terug aan de opwinding die ik voelde wanneer ik een LP thuis uit de hoes haalde en op het draaiplateau legde.

Ritus

Wat maakt vinyl voor velen nu zo aantrekkelijk? De mens is afhankelijk van het ritueel en zo dorst de vinyl addict naar het moment dat de naald de groef raakt. Het is een aardig schouwspel wanneer de naald de groeven aftast en we verbaasd staan hoe de muziek met liefde en kunde in het vinyl is gesneden. Het vervaardigen van een plaat heeft dan ook iets weg van een oude gilde.

Voordat de naald het plaatoppervlak correct aftast en de platenspeler de ware kwaliteiten van vinyl ontbloot, zal men de nodige tijd moeten investeren in de afregeling: waterpas, juiste toerental, fouthoek van het element, armhoogte, etc. Met de laatste parameter kan zelfs tot op zekere hoogte ook nog de klank getuned worden. Zodra deze vaardigheden beheerst worden, kan men ook eens gaan denken aan een upgrade van het element. Ook dit kan een buitengewoon boeiend avontuur zijn, aangezien er fikse stappen in aftastprestaties gemaakt kunnen worden. Zelfs op een punt, dat we versteld staan over wat er nog aan micro informatie in die groef zat.

Evenzo zal men de verworven zwarte schijf moeten onderhouden, ja zelfs liefkozen om het stof en krasvrij te houden. Dit noodzakelijke doch vermakelijke onderhoud, vormt een amusante interactie tussen ons en het medium. Ook op lange termijn.

Warm bad

De algemene klank van de plaat is iedere keer opnieuw een warm bad, vergeleken met de CD. Bij de laatste gaat veelal het middengebied toch ‘op de oren staan’, waardoor er relatief sneller luistermoeheid optreedt. Met name de strijkers vormen dikwijls een goede lakmoesproef. Te vaak horen we in dat geval bij de CD iets synthetisch in de hogere frequenties, ondanks dat meettechnisch de CD superieur zou moeten klinken. Het vinyl behoudt dan een soort van luchtigheid en glans, die wij kennelijk als behaaglijk ervaren. Ook in de lagere frequenties is de plaat veelal wat volumineuzer (niet noodzakelijkerwijs beter) waardoor er een volslanke klankbalans ontstaat die veel luisteraars als ‘warm’ ervaren.

The real thing

Daarbij kan men naar een LP ook als totaalproduct kijken. Het CD boekje volstaat qua informatie, maar met een prachtige platen hoes hebben we echt iets in handen. Zelfs al zou de muziek en/of de uitvoering niet naar de zin zijn, dan nog zwicht men gemakkelijk voor de vaak prachtige voorstelling op de hoes. Neem bijvoorbeeld die van Schoenbergs viool- en pianoconcert onder Kubelik, of het mooie ontwerp van Thomas Hart Benton voor de symfonie van Roy Harris. En laten we eerlijk zijn: of dat Martha Argerich nu op een klein CD hoesje staat of levensgroot op de voorkant van een LP, maakt toch wel iets uit…
Ook veel jonge consumenten onderkennen inmiddels deze kwaliteiten en zien de grammofoonplaat dan ook als een waar collectors’ item.
Tenslotte is er nog een groep verzamelaars die alle antiquariaten en beursen afloopt, op zoek naar de heilige eerste persing. Deze bijna agressieve verzamelwoede bespeurde ik eens lijfelijk in een Nijmeegs antiquariaat, waar een Aziatische man met het schuim op de mond letterlijk alles stond in te laden waar maar ‘Decca’ op stond. Klaarblijkelijk vindt men het platenlabel belangrijker dan den kunst zelve. Heruitgaven – hoe goed ook – worden door deze ‘first pressing fundamentalists’ uiteraard als inferieur gezien.

Oude wijn in nieuwe zakken

Sinds geruime tijd brengt Speakers Corner – onder licentie van de oorspronkelijke maatschappijen – door hen zelf geselecteerde titels opnieuw uit op het zwarte goud. Ook Clearaudio doet dat al enige jaren. Er is inmiddels een aardige catalogus ontstaan met diverse items van Deutsche Grammophon, Decca en Philips etc. heruitgegeven op 180 gram kwaliteitsvinyl en ik kan me met de beste wil van de wereld niet voorstellen dat er bij die producten net zo veel kwaliteitstrooiing is, als bij de oorspronkelijke productie persingen en heruitgaven uit het verleden. Gezien de kwaliteitsuitstraling, de oplage en de afwerking kunnen we daar m.i. gerust over zijn. Ofschoon men altijd van mening kan verschillen over de uitvoeringen bij dergelijke heruitgaven, zijn er niettemin onder deze audiofiele reissues ware parels te vinden.

Omdat Speakers Corner toegang heeft tot de archieven van veel labels, probeert het altijd de originele mastertapes op te sporen. Als die niet te vinden zijn, gebruikt men bij hoge uitzondering een eerste generatie kopie om de master te snijden. De claim is dat er louter analoge masters worden gebruikt en dat hun cutting engineers enkel de analoge Neumann snijdapparatuur gebruiken. De masters worden overigens op locatie gesneden door oude rotten in hun vak, zoals Tony Hawkins van Decca die nu voor Speakers Corner werkt en vaak nog betrokken is geweest bij het snijden van de eerste master van de oorspronkelijke uitgave.

Het is uiteindelijk de bedoeling met deze heruitgaven zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke intenties te komen van de musici en technici, hoewel die bedoelingen in hun tijd niet mogelijk waren door de technische beperkingen.

Hoezo 180 gram?

Waarmee zou volgens eigen zeggen een Speakers Corner LP zich onderscheiden? Uit ervaring weet ik wat de voordelen zijn van een kwaliteitsuitgave op 180 gram, over een gewone plaat. Ik heb behoorlijk wat van deze types in mijn bezit en ik kan naar alle eer en geweten zeggen dat de hier beneden opgesomde kenmerken in z’n algemeenheid inderdaad kloppen.

Een greep…

De catalogus ontstaat uit suggesties van klanten, dealers, de pers en de internationale distributeurs. Nadat er toestemming is verleend door de betreffende artiest(en), verschijnt de heruitgave. Laten we eens kijken naar enkele voorbeelden uit die catalogus van Clearaudio en Speakers Corner.

Prokofiev – Pianoconcert nr. 3 Argerich/Abbado op DG. Prokofievs pianoconcerten laten onderling relatief weinig ontwikkeling en groei horen. Toch hebben ze zeer terecht altijd repertoire gehouden, waarvan de derde het meest gespeeld en opgenomen wordt. Van de cycli is Beroff met Masur op EMI weliswaar mijn favoriet, maar van de losse opnames is deze uitvoering een must have. Vooral door de interessante koppeling met Ravels concert.

Schubert – Symfonieën 3 & 8 Kleiber op DG. Hij heeft weinig opgenomenmaar dat zijn dan ook allemaal opmerkelijke uitvoeringen geworden. Zo ook deze ‘Unvollendete’. Iedere keer treft ons de gelaagdheid in zijn interpretaties. Akkoord, er zijn veel opnames, maar die door Kleiber is te bijzonder om te laten lopen.

Brahms – Pianoconcert nr. 1 LondonCurzon/Szellop Decca. Van dit magistrale concert, dat oorspronkelijk als symfonie was bedoeld, zijn veeluitstekende opnames, maar het koppel Curzon – Szell blijft speciaal. Net als de opname, die buitengewoon transparant klinkt.

Dvorak – Symfonie nr. 7 Giulini op EMI. Deze plaat klonk op de oorspronkelijke uitgave al opvallend goed en zal dus nog beter klinken op de 180 gram uitvoering. Uiteraard is de uitvoering doorslaggevend. De inmiddels overleden Giulini heeft ook hier weer die natuurlijke puls met veel oog voor detail, zonder de grote lijn uit het oog te verliezen. Niet te versmaden deze mooie symfonie onder de baton van de meester uit Italië.

Dit is slechts een hele kleine greep uit de mooie catalogus, die iedere keer wat groter wordt. Speakers Corner moedigt op de website haar klanten aan, suggesties te doen voor nieuw te releasen heruitgaven. Of aan al onze wensen wordt voldaan is natuurlijk afwachten, maar als we dat nu met z’n allen doen, zal dat ongetwijfeld helpen. Ik heb al wel een aardig lijstje klaarliggen om in te leveren. U ook?

Emile Stoffels
Luister 675

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

Tuesday, February 8th, 2011

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

“Iemand moest Jozef K. verraden hebben, want ondanks dat hij de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen, werd hij op een ochtend gearresteerd door de verbruikspolitie”.

Tja, wie zal het zeggen: wellicht komt er ooit nog een tijd waarin er geen plaats meer zal zijn, voor apparatuur met een buitensporig hoog verbruik. We kennen allemaal de discussies over duurzame energie en het uitbannen van apparatuur, dat bepaald niet groen is. Laten we dus in de tussentijd – zolang het nog kan – dan maar genieten van buizenversterkers, totdat op een dag ook bij ons een opsporingsambtenaar op de deur klopt…

Dat er mooie dingen uit de voormalig Boheemse stad Praag komen, is bekend en niet in de laatste plaats door het Boheemse kristal. Het is over de gehele wereld befaamd. De omgeving van bijvoorbeeld Karlovy Vary, leent zich uitstekend voor het onttrekken van grondstoffen voor het vervaardigen van kristal en glas. Er is in de omringende bossen voldoende hout en geschikt zand te vinden. De kwalificatie “kristal” wordt gegeven aan glas met een hoog loodgehalte. Hierdoor krijgt het glas het vermogen te schitteren als diamant. Het echtpaar Kron uit Praag houdt zich echter met een andere toepassing van glas bezig en wel met het vervaardigen van buizen en buizenversterkers.

Oude wijn in nieuwe zakken…

Het begon allemaal in 1992 met de verbetering van bestaande triodes en het ontwikkelen van eigen power triodes. Het succes dat nu geboekt is, is dan ook het resultaat van het onderzoek en vergelijk dat ze gedaan hebben tussen de handgemaakte KR buizen en de massaproducties, gemaakt op de apparatuur uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Kron onderwerpt ook het glas voor de buis, aan een strenge selectie. Het glasblazen, de glaskolven van de buis en de bedrading ervan, wordt in eigen hand gehouden. Hierdoor is de kwaliteit zo hoog van deze handgemaakte producten, dat het inmiddels heeft geresulteerd in een leidende positie op het gebied van eindbuizen. Enkele typen zijn de 842, de KR 300B en de T1610; ’s werelds grootste en krachtigste triodebuis. De buis die gebruikt wordt in de SDi35.

Inmiddels is Riccardo niet meer onder ons, maar zijn vrouw Eunice heeft de zaken succesvol voortgezet. Op dit moment zitten er 15 verschillende versterkers in het programma waaronder twee solid-state typen. De afgelopen jaren heeft KR een aantal opvallende prijzen in de wacht gesleept zoals Best Amplifier Of The Year, Best Tube Amplifier, Best Amp Of The Year en een 6Moons.com Blue Moon Award.

Het wilde beest

Het was een warme dag in het najaar toen de Kronzilla bij mij werd afgeleverd in een houten kist. God zij dank was Cor Dekker van Musical Reality bereid om het 50 kilo wegende monster mee naar boven te slepen. Dat ‘beest’ dankt zijn naam overigens ook voor een belangrijk deel aan een andere bruut. De eerste Kronzilla kreeg in 1999 het predikaat “Amplifier of the Century” in de USA en dat was ten tijde van de film Godzilla. Amerikanen geven graag bijnaampjes en zo kreeg de versterker de naam: Kronzilla. Uiteraard vernoemd naar de ontwerper Riccardo Kron.

Bij het uitpakken geloofde ik mijn ogen niet. De Kronzilla gebruikt een waarlijk  beestachtige eindpit. Het is de T1610, die eigenlijk een dubbele 805 in één glaskolf (2 X 805 = 1610) is. Ik heb me laten informeren dat KR een speciale pomp heeft moeten ontwikkelen om deze gigantische glaskolf vacuüm te trekken. Het lijkt me dan ook een echte bezienswaardigheid, dit productieproces eens zelf te bekijken. Ook de buispennen zijn bestiaal groot: vingerlang en dik. De fysieke vergelijking van de EL84 met de 211 was al hilarisch; met de T1610 is het ronduit belachelijk.

Techniek

Wat m.b.t. het verbruik geldt voor de door mij geteste Melody AN 211 (verschijnt in een toekomstig nummer), geldt voor de Kronzilla vanzelfsprekend nog meer. De gebruikte T1610 buis steekt werkelijk apollinisch af tegen de 211 buis. En dat is toch geen kleine jongen. De opgegeven spanning op de anode van de 1610 is maximaal 650 volt en dat levert dan 50 watt in klasse A op bij de SX versie. Bij de SDi 35 staat er klaarblijkelijk minder spanning op de anode en dienovereenkomstig levert hij 35 watt.

Uiteraard zit de Kronzilla in een andere prijscategorie dan de Melody AN 211. Toch kan ik het niet laten de twee in een aantal aspecten met elkaar te vergelijken. De SDi 35 is een zogenaamd hybride ontwerp: in plaats van stuurbuizen, worden er FETs gebruikt. Dat is voor de verstokte buizenaanbidder als vloeken in de kerk, maar het valt toch niet ontkenen dat een aantal ontwerpers succesvol gebruik maakt van deze methode. Ook ervaren veel audio liefhebbers FETs in combinatie met buizen, als een zeer gelukkig huwelijk. In het geval van de Kronzilla heb ik begrepen dat men wel met een buizen stuurtrap heeft geëxperimenteerd, maar uiteindelijk gaf de combinatie met de FET toch een beter resultaat.

Luisteren

Wat mij bij de eerste tonen direct trof, was het schijnbaar oneindig ver doorlopend hoog. Iets wat nog wel eens een punt van kritiek is bij veel buizenversterkers. Cymbals lieten meer metaal horen dan ik gewend was met mijn eigen EL84 SE versterker, zonder ook maar een zweempje van korreligheid of vervorming. Bij het Wynton Marsalis Quartet had de eerste klap van de snaredrum een ongekende snelheid, die zelfs voor wat schrik effect zorgde. En dan het verbazingwekkend gemak van de reproductie. Het viel op dat bij hoog afspeel volume, Dianne Reeves met groot gemak luider kon zingen zonder dicht te lopen. De Kronzilla was dus heel gemakkelijk in staat om veel dynamische verschillen weer te geven. Iets wat ik tot op zekere hoogte ook bij de Pass Labs INT-30A hoorde. De Melody is daar weer minder toe in staat. Mijn eigen El84 single ended versterker kwam daar al helemaal niet bij aan te pas, maar dat heeft ook veel met hetvermogen en vooral de slew rate te maken. Ook in het laag kwam de Kronzilla griezelig dichtbij de ModWright KWA100. Zelfs in dat identificerende aspect waarin de ModWright zich zo onderscheidde bij mij: die opvallende gelaagdheid in de basweergave. Uiteindelijk blijft de Amerikaan hierin toch de baas, maar het zegt wel iets over waarin een single ended toch toe in staat kan zijn. Echter, twee zaken moeten we niet vergeten: de Kronzilla is ruim drie keer de prijs van de Melody AN211 en ook zal het makkelijke karakter van mijn speakers een rol van betekenis spelen. Bij complexe en lastige luidsprekersystemen zal de Kronzilla het moeilijker krijgen, ofschoon ik geloof dat hij ook een luidspreker zal aansturen die een relatief zware wissel op een versterker trekt.

Een aantal MFSL platen hebben een overvloedig laag, soms op het overdreven af. Het is algemeen bekend dat sommige artiesten absoluut niet gecharmeerd waren van bepaalde MFSL remasters, omdat er excessief veel bas was bijgesneden. Zo is er bij de Mobile remaster van Powerful People van Gino Vannelli, behoorlijk wat bas vergeleken met de gewone productie master (die overigens uitstekend klinkt). Normaal geeft dat met mijn EL84 versterker een probleempje, MAAR… niet met de Kronzilla. Bij ‘Lady’ en ‘Felicia’ was er absoluut geen sprake van onaangenaam bonkend laag. Integendeel: de bas was volumineus doch schoon, snel en geprofileerd. Bovendien ontwaarde ik verscheidende laagjes in de basregisters. Ook de Sonata Da Chiesa van Andriessen, was nagenoeg vrijer van kleuring dan ik de laatste tijd gewend was.

Dan de sterkste merites van de buis: vloeiendheid, openheid, vanzelfsprekendheid, het gevoel te hebben: “dat alles klopt”. Dat kwam bij het beest uit Praag allemaal bij elkaar. Peter Gabriel had een stroperigheid die de Kronzilla deelde met de Melody AN211, met dat verschil dat de eerste nog meer inner detail liet horen. Ook had ik het idee dat de uithoeken van het stereobeeld werden verkend. Bij de Manfred Symfonie, had het orgel aan het einde duidelijk een eigen plek en toch was het mooi geïntegreerd in het orkest. Ook had het slagwerk, hoogte in het stereobeeld. De strijkersecties waren allemaal apart aan te wijzen en de houtblazers werden heuse personages. De vijf stukken voor orkest opus 16 van Arnold Schoenberg, klonken pregnant en de instrumenten waren door de hoge mate van tastbaarheid, met een verbazingwekkend gemak te volgen tot ver in het grote geluidsbeeld. Inner detail was hier wederom overvloedig aanwezig. Ja, ronduit sensationeel was te horen hoe de Kronzilla alles losweekte. Ook de zaken die niet direct iets te maken hebben met muziek: speeksel, geschuifel, gekreun, gestommel en niet te vergeten het applaus op live registraties, dat doorgaans een goede lakmoesproef vormt.

Conclusie

13.000 euro is op z’n zachtst gezegd een aanzienlijk bedrag, maar de nagenoeg compromisloze performance van deze Tsjech is opvallend te noemen. Handgemaakte producten kosten nu eenmaal meer. Het beest uit Praag is tot nu toe de best klinkende single-ended buizenversterker, die ik ooit bij mij thuis gehoord heb. Uiteraard is de Kronzilla niet drie keer beter dan bijvoorbeeld de Melody AN 211, maar hij gaat wel een stap verder in het losweken van detail, stereo beeld en loopt verder door in de frequentie uitersten. Ook is het schijnbaar onbeperkt kleuren palet een van de kwalificaties van de Kronzilla.

Het is dat we de gloeidraden (helaas) nagenoeg niet kunnen zien branden, anders zouden we nog gaan denken dat het een echt levend wezen is…

Emile Stoffels

Gebruikte CDs:

Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;
Scratch my Back – Peter Gabriel;
Random Acts of Happiness – Bill Bruford;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;
PRIÈRE: 
Andriessen, Franck, Saint-Saëns, Klop/Toon Hagen;
Tsjaikovsky/Manfred Symfonie – Chailly/Decca;
Powerful People/Gino Vannelli – MFSL;