Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

CHOPIN Piano Concertos Nos. 1 & 2 – De May

Monday, November 21st, 2016

chopinCHOPIN
Piano Concertos Nos. 1 & 2
Stéphane De May, Piano
Slovak Sinfonietta, Jean-Bernard Pommier
Pavane Records ADW 7571 DDD 74’01

Waardering: 7

Als directeur van het Koninklijk Conservatorium van Luik, doceert Stéphane De May piano aan het Conservatorium van Rotterdam en op het HEMU van Sion in Zwitserland. Na zijn geprezen opname van de complete Nocturnes van Chopin en zijn ontmoeting met pianist-dirigent Jean-Bernard Pommier, kwam deze opname van de twee Chopin concerten tot stand. Over de grote romantische concerten is wellicht genoeg gezegd en geschreven. Vooral de hier opgenomen Chopin concerten mogen toch als het ijzeren repertoire gelden. En uiteraard is er veel concurrentie, maar dat toont maar eens hoe geliefd deze concerten nog steeds wel zijn. We denken aan Argerich, Zimerman, Rubinstein en ga zo maar door. Toch is De Mays spel boeiend en met groots gebaar, hoewel hij pleit voor een getrouwe benadering. Ook de mate van agogiek bevalt mij uitermate en doet me soms denken aan die van Argerich. Kort en goed: wie een hagelnieuwe opname van beide Chopin concerten zoekt, is goed af met deze Pavane CD. De opname is weliswaar niet spectaculair, maar de solist is – zij het soms wat diffuus – mooi ingebed in het ensemble dat uitermate alert reageert op Pommier. De klankbalans is bovendien prettig.

Emile Stoffels
Luster Magazine

SOUNDS OF WAR – POULENC • JANÁČEK • PROKOFIEV

Tuesday, April 26th, 2016

Poulenc Prkfv Janacek WARSOUNDS OF WAR
POULENC • JANÁČEK • PROKOFIEV
Maria Milstein • Hanna Shybayeva
Cobra Records COBRA 0045 DDD 67’19

Uitvoering ***** | Opname ****

Het hier geboden programma heet Sounds of War. Hoewel Prokofievs eerste vioolsonate denkelijk de meeste zeggingskracht heeft, ben ik vooral ook blij met de niet zo vaak opgenomen vioolsonate van Poulenc. Hij had al twee sonates vernietigd, voordat hij deze in 1943 voltooide en opdroeg aan de dichter Federico Garcia Lorca (1899-1936). Deze werd slachtoffer in de Spaanse burgeroorlog. Het middendeel bevat een citaat van Lorca: “de gitaar laat de droom wenen”. En de pizzicato effecten in dit deel, verwijzen daar ook duidelijk naar. Dan Prokofievs eerste vioolsonate Op. 80. Over de noodzakelijkheid van dit stuk kunnen we kort zijn: het is een van de beste kamerstukken uit de 20ste eeuw. Milstein zet al direct in het eerste deel grootse accenten, op een manier dat mij zeer bevalt. Ze bereikt hiermee het hoogst bereikbare dramatische effect. Milstein en Shybayeva ontmoeten voor Janáčeks vioolsonate, wel pittige concurrentie in Kremer en Argerich op DG. Maar voor Prokofievs sonate, zijn ze in een aantal aspecten te prefereren. Een prachtig programma, dat niet mag ontbreken. De opname is ook uitstekend, waarbij de goede balans tussen viool en piano positief opvalt. En niet vaak hebben de lage registers van de piano, zo’n autoriteit als hier.

Emile Stoffels
Luister Magazine

BARTOK – LIGETI

Thursday, September 18th, 2014

BARTOK LIGETI
Complete Music for Two Pianos
Matteo Fossi Marco Gaggini
Brilliant Classics 94737 DDD 63’02 / 53’22

Uitvoering *** | Opname **

Dit is zonder enige twijfel een interessant programma. De 7 stukken uit Mikrokosmos die uiteindelijk werden gepubliceerd in 1947, zijn een boeiende keuze doordat Bartok ze tot echte concert stukken heeft omgewerkt. Het geheel is tot een expressieve suite gesmeed. Ook de suite Op. 4b en de omgeschreven Wonderbaarlijke Mandarijn staan geprogrammeerd. De Mandarijn is hier de versie uitgegeven door Peter Bartok, maar met de oorspronkelijke finale uit 1925. Het duo Fossi en Gaggini voelen elkaar goed aan en spelen zeker als een eenheid. Doodzonde dat de Sonate voor twee piano’s en slagwerk niet geheel uit de verf komt. Dit gecultiveerde oergeweld heeft meer ruigheid nodig. Ik had niet die verwondering en urgentie die ik bij beide opnames (Philips en DG) met Argerich had, om maar niet te spreken van de Hungaroton live opname met Kocsis uit 1981. Fascinerend zijn ook de drie stukken van Ligeti, die een logische aanvulling vormen op dit programma. De opname is helaas weinig bevredigend en bovendien is er een vreemde galm, die afleidt van de muziek. Brilliant kan beter, maar daar staat wel tegenover dat de prijs zeer concurrerend is. Samenvattend: afgezien van de Sonate, is deze cd wel enigermate zinvol.

Emile Stoffels
Luister Magazine 700

BEETHOVEN – Violin Sonatas

Friday, June 14th, 2013

BEETHOVEN
Violin Sonatas
Leonidas Kavakos, Enrico Pace
Decca 3 CD 478 3523 DDD 80:12/78:20/77:39

Uitvoering/opname ***/****

Op de laatste na, schreef Beethoven alle vioolsonates binnen 6 jaar: van 1798 tot 1803. Van zijn gehele kamermuziek, zijn alleen de vijf strijkertrio’s, korter op elkaar gecomponeerd. In dat opzicht vertonen deze sonates niet die ontwikkeling zoals de strijkkwartetten, die over een veel langere periode zijn geschreven. Niettemin, is dit grootse muziek. We denken dan als eerste aan de “Kreutzersonate” op. 47, die in omvang en spanning alle vorige sonates overtreft en waarin Beethoven een stap verder zet richting zijn nieuwe weg. De eerste belangrijke opnamen van deze werken als cyclus, verschenen reeds in de jaren vijftig en zestig met Schneiderhan/Kempff en Grumiaux/Haskil. In 1975 verscheen de gouden standaard door Perlman/Ashkenazy, gevolgd door een uitermate bevlogen cyclus van Kremer/Argerich. Leonidas Kavakos is inmiddels een bekend gezicht. Hij maakte zijn KCO-debuut al in 2002. Het grote talent van de Griek kwam al tot uiting in zijn tienerjaren, met het winnen van het Sibelius en Paganini Concours. Sindsdien werkt hij met belangrijke dirigenten als Boulez, Chailly, Gergiev en Mehta en leidt in het Megaron van Athene zijn eigen kamermuziekfestival. Dit is Kavakos’ premiere voor Decca. Ik vond deze interpretaties zeker niet slecht, maar wel wat gewoontjes. De opname is fraai in balans.

Emile Stoffels
Luister Magazine nr 689

PROKOFIEV SCHÖNBERG SCHUBERT

Wednesday, May 15th, 2013

PROKOFIEV SCHÖNBERG SCHUBERT
Boris Brovtsyn, Itamar Golan, Janine Jansen
London Philharmonic Orchestra, Vladimir Jurowski

Decca 2 CD 00289 4806687 DDD 80:12/78:20

Uitvoering/opname ****/****

Decca komt hier met een boeiend programma over twee cd’s, waarvan een geheel is gewijd aan Sergei Prokofiev. Op de andere cd vinden we Schuberts strijkkwintet in C, D.956 en Schonbergs Verklärte Nacht in de oorspronkelijke sextet uitvoering. Om te beginnen Prokofievs vioolconcert nr. 2. De opening is werkelijk adembenemend. Janssen trekt ons vanaf de eerste noot in de muziek. Ik heb dat zelden zo gehoord, in de opnames die ik ken. Diezelfde spanning horen we ook in de dubbel sonate. Dan de eerste vioolsonate Op. 80. Over de noodzakelijkheid van dit stuk kunnen we kort zijn: het is een van de beste kamerstukken uit de 20ste eeuw. Hier hoor ik helaas niet die doorleving, bezonkenheid en spanning, die ik ervaar bij Mintz/Bronfman of Kremer/Argerich; beide op DG. En als het hoogtepunt aanbreekt in het vierde deel, wanneer er teruggegrepen wordt op het pizzicato thema van het eerste deel, gaat het mij te snel en heeft het voor mijn gevoel te weinig drama. Ook ben ik hier niet zo te spreken over de balans tussen de twee instrumenten. De piano is mijns inziens (veel) te luid. Niettemin valt er in z’n geheel veel te genieten op deze dubbel cd en de opname is voortreffelijk.

Emile Stoffels
Luister 689

SCHUMANN – Piano Concerto

Sunday, November 18th, 2012

SCHUMANN
Piano Concerto Introduction and Allegro Appassionato Introduction and Concert-Allegro
Deutsches Symphonie-Orchester Berlin Hannu Lintu Angela Hewitt
Hyperion CDA 67885 DDD 62:02

Uitvoering/opname *****/*****

Het schijnt dat Hewitt al een tijdje naarstig op zoek was naar de Finse dirigent Hannu Lintu om dit grootse romantische concert op te nemen, maar door de volle agenda’s, kwam het er maar niet van. Eindelijk is het gelukt en het resultaat mag er dan ook wezen. Het plan om een concert te schrijven, stam nog uit de tijd dat Schumann zelf een virtuozen carrière nastreefde en het leefde in zijn verlovingstijd opnieuw op. Opvallend is dan ook dat hij aan Clara schreef: “Ik kan geen concert voor virtuozen schrijven, ik moet iets anders bedenken.” Wat direct bij Hewitt opvalt is het gemak en de rust waarmee ze Schumann’s concert speelt. Dat kan alleen als iemand volledig boven de materie staat. De opening is in tegenstelling tot Argerich, die ik buitengewoon hoog heb zitten, bijna teer en lieflijk. De Finale is, ferm dansant en elastisch. We zouden het bijna vergeten, maar ook de andere twee stukken: de Introductie en Allegro appasionata, Op. 92 uit 1849 en de Introductie en Concert-Allegro Op. 134 uit 1853, zijn juwelen die niet vergeten mogen worden ofschoon ze in de schaduw staan van het concert. Vooral hier horen we bij momenten die nachtelijke kanten en de fatale schoonheid der romantiek. Ook hier overvalt Schumann ons weer bij momenten met een harmonisch diepte component dat ons bijna verwond. De kunst die sterft in schoonheid, zoals in de Manfred. Blijkbaar doorvoelt Hewitt dit en plaatst zich mijns inziens hiermee naast de opname van Argerich, op eenzame hoogte. Het begint afgezaagd te worden maar deze Hyperion opname is wederom een maat in zichzelf. Echt slechte opnames worden er tegenwoordig zelden meer gemaakt, maar dit is demonstratiekwaliteit. Dit is een cd die we allemaal in de verzameling willen hebben. Het prachtige hoesje “Vrouw bij zonsondergang” van Caspar David Friedrich maakt dit product helemaal af.

Emile Stoffels
Luister 685

De wederopstanding van vinyl – een met gewicht

Thursday, May 26th, 2011

De wederopstanding van vinyl – een met gewicht

Ofschoon langspeelplaten nooit echt helemaal weg zijn geweest, mag er tot op zekere hoogte toch wel gesproken worden van een comeback. De echte fijnproevers hebben er overigens nooit afscheid van genomen en met goede reden, want de plaat beschikt toch over een aantal charmes. Collega Ad Bijleveld wekte met de Clearaudio draaitafel in het vorige nummer onze eetlust al op, voor de platenspeler. De wereld der vinyl houdt evenwel niet op bij Clearaudio. Ook liefhebbers met een kleiner budget of die niet een dergelijke diepte investering willen doen, kunnen veel plezier beleven aan een platenspeler. Maar vooral het verzamelen van en luisteren naar vinyl is een belevenis.

Toen Robert Schumann eenmaal mijn jonge leven was binnengedrongen, stond de naald van de radio vastgespijkerd op Hilversum 4. Zo nu en dan kochten mijn ouders een plaat en ondanks dat dat meestal de ‘schlagers’ onder de klassieke muziek waren, ervoer ik dat toch als een bijzondere gebeurtenis. De emotionele binding met het zwarte goud werd onomkeerbaar en ik denk nog vaak terug aan de opwinding die ik voelde wanneer ik een LP thuis uit de hoes haalde en op het draaiplateau legde.

Ritus

Wat maakt vinyl voor velen nu zo aantrekkelijk? De mens is afhankelijk van het ritueel en zo dorst de vinyl addict naar het moment dat de naald de groef raakt. Het is een aardig schouwspel wanneer de naald de groeven aftast en we verbaasd staan hoe de muziek met liefde en kunde in het vinyl is gesneden. Het vervaardigen van een plaat heeft dan ook iets weg van een oude gilde.

Voordat de naald het plaatoppervlak correct aftast en de platenspeler de ware kwaliteiten van vinyl ontbloot, zal men de nodige tijd moeten investeren in de afregeling: waterpas, juiste toerental, fouthoek van het element, armhoogte, etc. Met de laatste parameter kan zelfs tot op zekere hoogte ook nog de klank getuned worden. Zodra deze vaardigheden beheerst worden, kan men ook eens gaan denken aan een upgrade van het element. Ook dit kan een buitengewoon boeiend avontuur zijn, aangezien er fikse stappen in aftastprestaties gemaakt kunnen worden. Zelfs op een punt, dat we versteld staan over wat er nog aan micro informatie in die groef zat.

Evenzo zal men de verworven zwarte schijf moeten onderhouden, ja zelfs liefkozen om het stof en krasvrij te houden. Dit noodzakelijke doch vermakelijke onderhoud, vormt een amusante interactie tussen ons en het medium. Ook op lange termijn.

Warm bad

De algemene klank van de plaat is iedere keer opnieuw een warm bad, vergeleken met de CD. Bij de laatste gaat veelal het middengebied toch ‘op de oren staan’, waardoor er relatief sneller luistermoeheid optreedt. Met name de strijkers vormen dikwijls een goede lakmoesproef. Te vaak horen we in dat geval bij de CD iets synthetisch in de hogere frequenties, ondanks dat meettechnisch de CD superieur zou moeten klinken. Het vinyl behoudt dan een soort van luchtigheid en glans, die wij kennelijk als behaaglijk ervaren. Ook in de lagere frequenties is de plaat veelal wat volumineuzer (niet noodzakelijkerwijs beter) waardoor er een volslanke klankbalans ontstaat die veel luisteraars als ‘warm’ ervaren.

The real thing

Daarbij kan men naar een LP ook als totaalproduct kijken. Het CD boekje volstaat qua informatie, maar met een prachtige platen hoes hebben we echt iets in handen. Zelfs al zou de muziek en/of de uitvoering niet naar de zin zijn, dan nog zwicht men gemakkelijk voor de vaak prachtige voorstelling op de hoes. Neem bijvoorbeeld die van Schoenbergs viool- en pianoconcert onder Kubelik, of het mooie ontwerp van Thomas Hart Benton voor de symfonie van Roy Harris. En laten we eerlijk zijn: of dat Martha Argerich nu op een klein CD hoesje staat of levensgroot op de voorkant van een LP, maakt toch wel iets uit…
Ook veel jonge consumenten onderkennen inmiddels deze kwaliteiten en zien de grammofoonplaat dan ook als een waar collectors’ item.
Tenslotte is er nog een groep verzamelaars die alle antiquariaten en beursen afloopt, op zoek naar de heilige eerste persing. Deze bijna agressieve verzamelwoede bespeurde ik eens lijfelijk in een Nijmeegs antiquariaat, waar een Aziatische man met het schuim op de mond letterlijk alles stond in te laden waar maar ‘Decca’ op stond. Klaarblijkelijk vindt men het platenlabel belangrijker dan den kunst zelve. Heruitgaven – hoe goed ook – worden door deze ‘first pressing fundamentalists’ uiteraard als inferieur gezien.

Oude wijn in nieuwe zakken

Sinds geruime tijd brengt Speakers Corner – onder licentie van de oorspronkelijke maatschappijen – door hen zelf geselecteerde titels opnieuw uit op het zwarte goud. Ook Clearaudio doet dat al enige jaren. Er is inmiddels een aardige catalogus ontstaan met diverse items van Deutsche Grammophon, Decca en Philips etc. heruitgegeven op 180 gram kwaliteitsvinyl en ik kan me met de beste wil van de wereld niet voorstellen dat er bij die producten net zo veel kwaliteitstrooiing is, als bij de oorspronkelijke productie persingen en heruitgaven uit het verleden. Gezien de kwaliteitsuitstraling, de oplage en de afwerking kunnen we daar m.i. gerust over zijn. Ofschoon men altijd van mening kan verschillen over de uitvoeringen bij dergelijke heruitgaven, zijn er niettemin onder deze audiofiele reissues ware parels te vinden.

Omdat Speakers Corner toegang heeft tot de archieven van veel labels, probeert het altijd de originele mastertapes op te sporen. Als die niet te vinden zijn, gebruikt men bij hoge uitzondering een eerste generatie kopie om de master te snijden. De claim is dat er louter analoge masters worden gebruikt en dat hun cutting engineers enkel de analoge Neumann snijdapparatuur gebruiken. De masters worden overigens op locatie gesneden door oude rotten in hun vak, zoals Tony Hawkins van Decca die nu voor Speakers Corner werkt en vaak nog betrokken is geweest bij het snijden van de eerste master van de oorspronkelijke uitgave.

Het is uiteindelijk de bedoeling met deze heruitgaven zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke intenties te komen van de musici en technici, hoewel die bedoelingen in hun tijd niet mogelijk waren door de technische beperkingen.

Hoezo 180 gram?

Waarmee zou volgens eigen zeggen een Speakers Corner LP zich onderscheiden? Uit ervaring weet ik wat de voordelen zijn van een kwaliteitsuitgave op 180 gram, over een gewone plaat. Ik heb behoorlijk wat van deze types in mijn bezit en ik kan naar alle eer en geweten zeggen dat de hier beneden opgesomde kenmerken in z’n algemeenheid inderdaad kloppen.

Een greep…

De catalogus ontstaat uit suggesties van klanten, dealers, de pers en de internationale distributeurs. Nadat er toestemming is verleend door de betreffende artiest(en), verschijnt de heruitgave. Laten we eens kijken naar enkele voorbeelden uit die catalogus van Clearaudio en Speakers Corner.

Prokofiev – Pianoconcert nr. 3 Argerich/Abbado op DG. Prokofievs pianoconcerten laten onderling relatief weinig ontwikkeling en groei horen. Toch hebben ze zeer terecht altijd repertoire gehouden, waarvan de derde het meest gespeeld en opgenomen wordt. Van de cycli is Beroff met Masur op EMI weliswaar mijn favoriet, maar van de losse opnames is deze uitvoering een must have. Vooral door de interessante koppeling met Ravels concert.

Schubert – Symfonieën 3 & 8 Kleiber op DG. Hij heeft weinig opgenomenmaar dat zijn dan ook allemaal opmerkelijke uitvoeringen geworden. Zo ook deze ‘Unvollendete’. Iedere keer treft ons de gelaagdheid in zijn interpretaties. Akkoord, er zijn veel opnames, maar die door Kleiber is te bijzonder om te laten lopen.

Brahms – Pianoconcert nr. 1 LondonCurzon/Szellop Decca. Van dit magistrale concert, dat oorspronkelijk als symfonie was bedoeld, zijn veeluitstekende opnames, maar het koppel Curzon – Szell blijft speciaal. Net als de opname, die buitengewoon transparant klinkt.

Dvorak – Symfonie nr. 7 Giulini op EMI. Deze plaat klonk op de oorspronkelijke uitgave al opvallend goed en zal dus nog beter klinken op de 180 gram uitvoering. Uiteraard is de uitvoering doorslaggevend. De inmiddels overleden Giulini heeft ook hier weer die natuurlijke puls met veel oog voor detail, zonder de grote lijn uit het oog te verliezen. Niet te versmaden deze mooie symfonie onder de baton van de meester uit Italië.

Dit is slechts een hele kleine greep uit de mooie catalogus, die iedere keer wat groter wordt. Speakers Corner moedigt op de website haar klanten aan, suggesties te doen voor nieuw te releasen heruitgaven. Of aan al onze wensen wordt voldaan is natuurlijk afwachten, maar als we dat nu met z’n allen doen, zal dat ongetwijfeld helpen. Ik heb al wel een aardig lijstje klaarliggen om in te leveren. U ook?

Emile Stoffels
Luister 675

De Romantiek IV – Frankrijk

Thursday, December 30th, 2010

De Romantiek IV

Frankrijk

Met het Congres van Wenen in 1815 hoopte men rust en stabiliteit in Europa te brengen. Als we echter de historische kaarten van Europa bekijken vanaf dat moment, dan is daar bitter weinig van terecht gekomen. Bonaparte was weliswaar verslagen en Frankrijk tot zijn ‘natuurlijke grenzen’ teruggebracht, maar de nationalistische gevoelens die door de Franse Revolutie waren aangewakkerd – ook bij andere naties – hadden nu genoeg kritische massa. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst.

Frankrijk ging op dat gebied zelfs een grote rol van betekenis spelen naast Duitsland en is met Hector Berlioz (1803 – 1869) een van de grootste en invloedrijkste toonzetters van de Romantiek. Deze is, als muzikale stamvader met zijn ‘traité de l’instrumentation’ als orkestrale bijbel, maatgevend voor velen geweest.
Met zijn Symfonie Fantastique – slechts 3 jaar na Beethoven’s dood (!) – geeft hij de klassieke symfonie een programmawerking en kunnen we dit gedurfde werk gerust de sjabloon noemen voor de moderne programma symfonie voor veel componisten. Het is een 5-delig werk – wat al opvallend is in zichzelf – dat sterk als autobiografisch gezien kan worden en bij uitbreiding tot een zelfportret van de Romanticus van die tijd. Het programma beschrijft verschillende situaties in het leven waarin de kunstenaar, verzeild kan raken. Berlioz had recentelijk kennis gemaakt met de werken van Shakespeare en de symfonieën van Beethoven. De directe aanleiding echter was een uitvoering in 1827 van Hamlet van degenoemde dramaturg, met ene Herriett Smithson in de rol van Ophelia. Zij blonk bepaald uit en haar verschijning, moet als een bom zijn ingeslagen. De vrouw zou een dwanggedachte voor hem worden en na twee jaar zou hij zijn gevoelens vastleggen in de Symfonie Fantastique om zichzelf te bevrijden van deze obsessie. Een wederkerend muzikaal motief vertegenwoordigt deze Idée Fixe. Er is hier geen plaats alle delen uitvoerig te beschrijven, maar de Mars naar het schavot (het vierde deel) is wellicht het meest typerend. Dit stuk is zo evocatief dat, zelfs als we de titel niet zouden weten, we wel horen dat het hier gaat om een terechtstelling of iets dat daar op lijkt. Het vijfde deel – De Heksen Sabbat – is zeer zeker voor die tijd angstaanjagend geweest.
Uit bronnen blijkt dat Berlioz, nadat hij de eerste drie delen had gecomponeerd, hoorde dat Herriett geen hoofdrollen meer speelde maar louter figureerde. Dit was een bittere teleurstelling voor hem en de gedachte is dat de twee laatste delen in het teken staan van wraak. Wraak voor de obsessie die zijn leven zo had beheerst.
De Fantastique is altijd sterk vertegenwoordigd geweest in de catalogi en er zijn veel goede uitvoeringen. De nummer één is toch wel die met Davis en het Concertgebouworkest op Philips (6500 774). Hij heeft dit werk drie keer vastgelegd: met het LSO, het CGO en de Weners. De laatste is echter alleen op CD beschikbaar. De CGO opname uit 1974 onderscheidt zich door een hoge mate van natuurlijkheid. Ook de hoes is prachtig met The Devil’s Incantation door de Goya (1746 – 1828).
Een andere goede vinden we op Decca door Haitink (SXL 6938) uit de nadagen van het analoge tijdperk. Helaas een aartslelijke hoes, maar ook een spectaculair natuurlijke opname. Mogelijk Decca’s beste opname uit de herfst van het analoge tijdperk.
Andere uitstekende alternatieven zijn die door Abbado (DG 410 895-1) en von Karajan (DG 2530 597) prachtige DG hoezen weer overigens.
Uiteraard moeten we het grootse Requiem nog noemen, het Te Deum, zijn Lelio dat een vervolg is op de Fantastique zijn Harold en Italie en de liederencyclus La Nuit D’ete. Het integrale Berlioz programma is uitgekomen op Philips onder Colin Davis en kan rustig als de ruggengraat genoemd worden.

Er is meerdere malen op gewezen dat de symfonie als vorm zijn heerschappij voor een groot deel aan het symfonische gedicht heeft afgestaan. Dit geldt ook voor de sonate die zijn gezag heeft afgegeven aan kleinere op de literatuur geïnspireerde vormen zoals het impromptu, prelude, nocturne, ballade enz. Door de belangstelling van de componist voor nationalistische thema’s verschijnen er ook typische dansvormen zoals de polonaise en de mazurka.

Dit brengt ons direct bij Frederic Chopin (1810 – 1849), die ondanks de zojuist genoemde vormen een van de minst literair ingestelde componisten van de Romantiek blijkt te zijn. Zijn subjectieve kunst dringt diep door in de nachtelijke aspecten van het menselijke leven en vooronderstelt geen literaire inhoud, maar is wel in hoge mate visionair, angstig, doch kernachtig en gecondenseerd. Ofschoon in Polen geboren, rekenen we deze componist tot de Franse Romantiek. Niet alleen omdat zijn vader Frans was, maar zijn kunst is onmiskenbaar Frans.
Belangrijkste interpreten zijn wel Arrau (Philips), Rubinstein (RCA) en Ashkenazy (DECCA). De laatste twee domineren zo’n  beetje de catalogus, maar Barenboim, Polini, Pires en Argerich (allen op DG) hebben hun sporen in deze muziek ook verdiend.
Zijn ballades dragen een nachtelijke lading. Ze bouwen voort op de gezongen ballades van Schubert, maar krijgen bij hem een totaal nieuwe vorm en inhoud.
Uit zijn Etudes opus 10 is het derde stuk natuurlijk overbekend. Dit is weer zo’n moment dat aangrijpt, zeg maar, op het middenrif. De Etudes hadden een technische uitdaging als uitgangspunt, maar de originaliteit van deze werken maakte de aanleiding tot bijzaak. Laten we volstaan te zeggen dat het gehele piano oeuvre van Chopin uniek en richtinggevend is geweest voor de muziekgeschiedenis.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling tijdens de Romantiek in Frankrijk speelt zich af in de orgelkunst. De orgels in deze tijd onderscheiden zich door een grotere soepelheid in de toonvorming en een grotere verscheidenheid van de registers. En voornamelijk in Frankrijk zijn de orgels door het romantische orkest beïnvloed. De registers zijn naar de gevoelige aard van de strijkers, fluiten, hobo’s enz geïntoneerd, zonder dat de Franse orgelbouwmeesters de kernmerken van het klassieke tijdperk hadden opgeofferd.

Charles Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) die ons – ondanks zijn charme – niet zo heel erg veel heeft te vertellen, is vooral beroemd om zijn orgelsymfonie. Hoewel het wemelt van goede uitvoeringen, is de interpretatie van Barenboim (DG 2530 619) wel zeer de moeite waard. Het valt namelijk niet mee voor een mastering engineer een dergelijk werk voor groot orkest uitgebreid mét orgel goed te snijden, maar hier heeft DG het toch aardig gedaan. We hebben deze opname diverse keren, hoog genoteerd op audiofiele lijsten gezien.

Ofschoon hij niet in deze stijlperiode thuishoort, noem ik in dit verband toch nog het orgelconcert uit 1938 van Francis Poulenc (1899 – 1963) die ons inhoudelijk meer te bieden heeft en dieper peilt. Een orgelthriller met aan het slot een schitterend eerbetoon aan Bach. Marie Claire Alain met Martinon (dus niet met Conlon!) op Erato (STU 70637) is een must. Weliswaar niet op vinyl, maar toch vermeldenswaard is de Symphonie Concertante van Joseph Jongen (1873 – 1953) onder de Waart op Telarc.

Echter, het is César Francks (1822 – 1890) orgelmuziek die ons hoofd naar boven richt, zoekend naar de religieuze ervaring. Denkelijk na Bach de belangrijkste orgelcomponist. Het religieuze en meditatieve karakter dat zijn muziek draagt, deelt hij met Bruckner, maar is meer hymnisch. Zijn Six Pièce d’Orgue zijn van een onmetelijke schoonheid, maar dat geldt eigenlijk voor al zijn orgelwerken. Albert de Klerk op CBS (S77332) of David Sanger (Bis) ziet men regelmatig tweede hands. Francks Prelude, Koraal & Fuga – stevig bekritiseerd door Saint Saëns – behoort tot de beste stukken uit de pianoliteratuur. Devoyon op Erato (NUM 75098) koppelt dit beeldige werk met de Prelude, Aria en Finale die bijna van hetzelfde hoge niveau is. De twee werken zouden leiden tot de drie prachtige grote Koralen voor orgel. Het lijkt erop dat Franck van 1884 tot 1887 naar een nieuwe klavierstijl zocht. Dit vond zijn hoogtepunt in een uniek zangerig pianoconcert, de Variations Symphoniques die een waardige voortzetting is van de pianoconcerten van Beethoven.

Deze maand sluiten we de Romantiek af. De volgende keren zullen we de grote Klassieken bespreken: Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. Representanten van een tijdperk die men terecht als een van de hoogtepunten kan zien van de West-Europese beschaving.

De Romantiek II

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek II

Het woord Romantiek is ons in de mond bestorven; het is onmogelijk zelfs bij benadering alles op te noemen wat heden als romantisch wordt gekwalificeerd; Shakespeare of Chopin evengoed als een zesde-rangs film of een van de duizend-en-een romannetjes, die al voor het ter perse gaan verouderd zijn. (Norbert Loeser).

Het mag duidelijk zijn dat de term Romantiek meestal verkeerd wordt gebruikt en begrepen, waardoor de juiste betekenis verloren dreigt te gaan van dit cultuurhistorische verschijnsel, waarvan de wortels al liggen in de 18de eeuw bij de poëzie, literatuur en filosofie. Het fenomeen Romantiek is veel complexer dan de meeste mensen vermoeden en heeft vooral een duistere nachtelijke kant zoals duidelijk blijkt uit de persoonlijke omstandigheden van diverse kunstenaars. De grootheidswaanzin van Wagner, de krankzinnigheid van Schumann, het fantastische van Berlioz, enz.

De grote tegenspeler van Wagner in Duitsland en generatiegenoot van Bruckner was Johannes Brahms (1833 – 1897). Uiteraard had ook hij te maken met de veranderde geestelijke houding in Europa die de componist min of meer dwong om van het traditionele vormschema af te wijken. Zelf behoorde Brahms bij een beweging in de Romantiek die tegen de stroom van de Wagneriaanse school inging en de 18de eeuwse traditie fel verdedigde. Hij trachtte de klassieke stijl te verbinden met de romantische ideeën. Een meester van de intimiteit en de kleine vormen zoals ballade, rapsodie en het lied. Ook wel eens de geniaalste knutselaar genoemd, omdat hij de “grote overgeleverde vorm met louter kleinere eenheden vult”. Dit bracht de grote denker Nietzsche ertoe Brahms’ stijl de “Melancholie des Unvermögens” te noemen.

Puur vormtechnisch gezien, ligt zijn grootste bijdrage in de kamermuziek. Echter, zijn symfonieën zijn toch indrukwekkend. In tegenstelling tot Wagner en Berlioz die het orkest behoorlijk hadden uitgebreid, gebruikt Brahms voor zijn symfonieën niet meer instrumenten dan Beethoven voor zijn negende.
Zijn eerste symfonie wordt wel eens Beethovens 10de genoemd en zou bij serieuze klassieke muziek liefhebbers niet mogen ontbreken. De overeenkomsten met Beethoven zijn duidelijk: de heroïsche strijd en overwinning, dit alles echter op zijn eigen lyrische manier. Het intro grijpt direct aan; het is een weemoedige klacht. Het tweede deel hoort bij Brahms’ mooiste stukken voor orkest, met een prachtige melodie in de hobo. In de finale klinkt wederom Beethoven door: verbroedering.

Er zijn in de loop der tijd heel veel goede uitvoeringen vastgelegd door de grote labels en ze hebben allemaal zo hun charmes. Solti en Chailly op Decca; Jochum, Klemperer en Boult op EMI; Böhm (2 keer), Giulini, Abbado en von Karajan (3 keer) op DG. Er is echter één uitvoering waar ik iedere keer weer op terugval. En dat is die door Haitink (Philips 416 661-1) met het Concertgebouw Orkest in topvorm. Vermeldenswaard is dat de heruitgave – die vreemd genoeg moeilijk te vinden is – een fractie transparanter klinkt dan de oorspronkelijke uitgave. Ofschoon Haitink dan net niet dat weemoedige, klagende, pathetische benadrukt zoals Giulini en von Karajan dat doen, verrast Haitink mij keer op keer door de elastische aanpak. Ritmisch klopt het altijd bij deze man. En een heerlijke opname ook.

Dan de vierde symfonie. De trant van dit mooie werk is wel eens gekarakteriseerd als een herfststemming. Het meeslepende openingsthema spreekt direct aan. De climax op het einde van deel 1 is ingetogen maar gloedvol en waardig. Voor de uitvoering valt hetzelfde te zeggen als voor de eerste symfonie. Opvallend is de opname door Kleiber (DG 2532 003) die een zeer gelaagde uitvoering geeft.

Brahms heeft enorm geworsteld met de symfonie als vorm. Het eerste pianoconcert op. 15 was aanvankelijk als symfonie bedoeld. Men noemt het wel eens symfonie met obligaat klavier. De opening is huiveringwekkend voor romantische begrippen. Het tweede deel hoort bij Brahms’ meest aangrijpende stukken, terwijl het derde deel weer opvalt in edelheid. Ook hier zijn weer heel veel goede uitvoeringen van. Twee uitvoeringen duiken vaak op in het 2de hands circuit: Curzon met Szell (SXL 6023) en Haitink met Ashkenazy (SXDL 7552) beide op Decca en ook nog op de goedkope serie ‘de klassieken’ te vinden.

Bij het schrijven van het Vioolconcert sprak Brahms vaak met violist Joachim over de technische eisen. De laatste introduceerde het werk in verschillende steden. Toch werd het werk over het algemeen een “Konzert gegen die Violine” genoemd. We zijn nu zo’n 130 jaar verder en het heeft terecht repertoire gehouden. Krebbers met Haitink op Philips (6599 435) is er een waar je bijna mee doodgegooid wordt en voor kringloopprijzen, maar wat een geweldige uitvoering! Weer dezelfde lof als voor de symfonieën. Ik zou op vinyl niet verder zoeken. Overigens klinkt de CD erg goed en zit ook in de budget lijn van Philips.

Degene die de grootste en ingrijpendste invloed op Brahms heeft gehad is Robert Schumann (1810 -1856). Wellicht mogen we hem het archetype romanticus noemen. Een romantische dromer, literair begaafd en politiek geëngageerd. Typisch voor deze tijdsperiode: de kunstenaar die zich breed oriënteerde. Een tragisch verhaal van een genie die de dood op relatief jonge leeftijd zou vinden door krankzinnigheid en uitputting. Dit is een van die nachtelijke kanten van de romantiek.
De Manfred ouverture gebaseerd op het dramatische gedicht van Lord Byron is waarschijnlijk zijn mooiste orkestwerk. Schumann zei er zelf het volgende over: “Nog nooit heb ik mij met zoveel liefde en met zoveel concentratie van al mijn krachten aan een compositie gegeven als aan de Manfred”. Literair begaafd als hij zelf ook was, zal hij zich direct aangetrokken hebben gevoeld tot dit gedicht waarin “de demonische held van Byron, een wonderlijk mengsel is van de bespiegelende Faust en de misdadige door wroeging gekwelde Macbeth”, zoals verwoord door Höweller. In deze ouverture horen we inderdaad de verscheurdheid, het bitterzoete en de fatale schoonheid van de Romantiek. Ik persoonlijk denk dat er geen werk in de romantiek te vinden is, die deze nachtelijke aspecten zo voor het voetlicht brengt. Maar ook de nobele fluitmelodie aan het einde laat me iedere keer weer sterven. Er zijn twee uitvoeringen die de zoektocht waard zijn. Barenboim en Giulini beiden op DG. Bij de laatste is goed te horen dat het werk met een opmaat begint. Door kenners een witte raaf onder de orkestwerken genoemd.

Net als Barenboim (DG 2530 940) koppelt Giulini (DG 2532 040) deze ouverture aan de derde symfonie (Reinißche). Een mooiere koppeling kun je je niet voorstellen. Maar er zijn meerdere uitstekende uitvoeringen van deze symfonie. Bijvoorbeeld die door Kubelik ook op DG (138908).  Bernstein (DG 415 358-1) geeft ook op zijn manier weer een bevlogen uitvoering met op kant 2 het pianoconcert op. 54 dat tot de mooiste pianoconcerten hoort. De godin Argerich (DG 415 721-1) met Rostropovich als dirigent, laat weer zien dat dit repertoire voor haar geschreven lijkt te zijn.
In dezelfde Barenboim DG cyclus is de tweede symfonie ook erg mooi (2530 939) en gekoppeld met het weinig uitgevoerde en vastgelegde Concertstuk voor vier hoorns. Een andere interessante optie m.b.t. de tweede is die van Bernstein (DG 419 190-1). Nu is de koppeling met het schitterende Celloconcert, met Maisky als solist. In het werk ontmoet de laatste wel veel concurrentie in de oude rot Rostropovich. De heruitgave in de Klassieken serie (DG 7399 070), klinkt hoorbaar beter dan de oorspronkelijke.
Toch is Schumann vooral ook een kamercomponist geweest. Het Pianokwintet op. 44 is een van de hoogtepunten. Een mooie uitvoering geeft het Alban Berg Kwartet met Entremont op piano op EMI (27 0447-1) een opvallend mooie live opname, met als koppeling het dissonanten kwartet van Mozart. Een ander over het hoofd gezien werkje van Schumann, maar met een ongehoorde schoonheid zijn de drie Romanzen voor hobo en piano op. 94. De enige vertolking die ik op vinyl ken is die door Hansjörg Schellenberger (hobo) en Rolf Koenen (piano) op DG in de Debut serie (2555 013).

De volgende keer zullen we de generatiegenoten van Robert Schumann bespreken. Een generatie die in de kunstenaar een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende invloed uitoefenen op de toonkunst.

De Laatromantiek (I)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (I)

Marcel Proust heeft het in zijn In de schaduw van de bloeiende meisjes over een niet-bestaande schilder Elstir. Deze schildert, zoals we de dingen op het eerste gezicht zien. Het is dat ene vluchtige moment waarop ons intellect nog niet begonnen is ons uit te leggen wat die dingen eigenlijk zijn. Ook is de indruk die deze dingen op ons maken, nog niet vervangen door dat wat we erover weten. Elstir, brengt de dingen terug tot louter impressies.*
Het waren de Franse componisten die omstreeks 1900 weer de middeleeuwse toonreeksen gebruikten in hun werk. Toen Ma Mère l’Oye van Ravel ten gehore werd gebracht had men het idee dat deze klanken ontegenzeggelijk nieuw waren, maar tegelijkertijd had het iets antieks. De invloed die deze stroming op de ontwikkelingen hierna zou hebben, is nauwelijks te overschatten.

Claude Achille Debussy (1862 – 1918)

Ik geloof dat we de historie geen geweld aandoen, als we stellen dat deze kunstenaar de grootste en belangrijkste van deze stroming is. Hij is degene geweest die voor de Franse muziek nieuwe wegen heeft gebaand, die het waagde volkomen nieuwe paden in te slaan en toch de aansluiting met de oude Franse meesters wist te bewaren. Debussy heeft vele uitdrukkingsmogelijkheden uit andere streken voor zijn werk gebruikt, maar hij is zozeer Fransman gebleven dat men hem de eretitel ‘Claude de France’ al tijdens zijn leven schonk. Beginnend vanuit de romantiek heeft hij zich met zijn La Mer, Prélude à l’après-midi d’un faune, Images pour Orchestre om slechts enkele werken te noemen, onsterfelijk gemaakt.
La Mer. Dit drieluik van de zee is absoluut een meesterwerk dat, zelfs bij herhaald luisteren, nooit teleurstelt. Volgens velen het hoogtepunt van Debussy’s orkestwerken. Het ligt voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn. Giulini op EMI is een klassieker, maar is moeilijk te krijgen. Von Karajan (DG 138 923) uit 1965, is een plaat die men vaak tegenkomt voor kringloopprijzen en is een referentie uitvoering volgens velen. De klankverschillen tussen het eerste (blauwe tulpjes) en tweede label zijn marginaal, maar wel duidelijk hoorbaar. Ook is er een heruitgave in de Galerie serie verschenen (DG 2543 058).
Zijn latere opname uit 1986 (DG 413 589-1) is zeker niet beter, ofschoon het een gezocht plaatje op e-Bay is. De koppeling is nagenoeg dezelfde: ook met de Daphnis et Chloé suite en de schitterende Prélude à l’après-midi d’un faune. Het werk waarvan Ravel zei dat, toen hij het voor het eerst hoorde, hij muziek pas goed begreep. Een andere bron vertelt dat de tranen over zijn wangen rolde van ontroering. Ofschoon er veel mooie uitvoeringen van zijn en von Karajans uitvoering volkomen bevredigend is, luister ik meestal naar Charles Munchs uitvoering op RCA die de dromerigheid van dit werk meer benadrukt.

Zijn Trois Nocturnes voor orkest door Abbado en het BSO (DG 2530 038), zijn onderling verschillend van orkestratie. Het dromerige doch geconcentreerde Nuages is voor beperkt orkest, zonder trompetten of trombones. Fêtes is voor groot orkest, terwijl Sirènes in zijn orkestratie geen trombones heeft, maar wel een instrumentaal behandeld vrouwenkoor. Het is wellicht als Debussy’s meest impressionistische werk op te vatten, daar hijzelf verklaarde: “De titel ‘Nocturnes’ moet hier in een meer algemene en hoofdzakelijk decoratieve zin opgevat worden”. Het gaat hier dus om de indrukken (impressies). Op kant twee staat de versie met koor van de balletsuite Daphnis et Chloé van Ravel en die is prachtig.

Maurice Ravel (1875 – 1937)

Deze half baskische kunstenaar wordt veelal in een ademtocht genoemd met Debussy. Men zou kunnen opmerken, dat Ravel qua geboortejaar niet zou misstaan in het artikel van vorige maand. Hij bevindt zich dan ook meer aan het einde van de romantiek, dan de 12 jaar oudere Debussy. Echter, zijn streven naar uiterste helderheid en logica houdt hem binnen de perken van een, weliswaar met grote vrijheid behandelde, tonaliteit. Het is toch net even anders als zijn jongere landgenoot Honegger bijvoorbeeld, met wie hij overigens wel in zijn latere leven het teruggrijpen op de 18de eeuw deelt.
Door zijn Spaans-Baskische moeder draagt hij de Iberische cultuur in zich, wat zijn belangstelling voor Spaanse onderwerpen en taferelen verklaart.
Zijn Rhapsodie espagnole voor orkest uit 1907/8 is een schitterend voorbeeld hiervan. Het is een buitengewoon kleurige orkestsuite. Haitink heeft het twee keer opgenomen: in 1961 (Philips Universo 6580 055) en 1971 (Philips 9500 347). De laatste – met de mooie Henri-Edmond Cross hoes – is wat sneller en opwindender gedaan, maar de opname uit 1961 is wat natuurlijker, ofschoon het bij de latere opname niet aan natuurlijkheid ontbreekt. Luister maar eens naar het tweede (Malagueña) en het vierde deel (Feria) dat de herinneringen aan een volksfeest oproept. Dit is een van de beste Philips opnames die ik ken. De kalk komt van de muren…

La Valse het choreografische gedicht voor orkest uit 1919-1920. Dit werk is tijdloos. Howeler beschrijfthet als volgt: deze muziek welde uit het gebied van het onderbewuste, van de droom. Van de beangstigende droom, de obsessie. Zoals de mens de dagelijkse gebeurtenissen, de ‘dagresten’, in zijn slaap verwerkt tot symbolen, om in die schijnbaar onsamenhangende droomtaal zijn diepste zielenleven te verdichten, zo is door Ravel de wals, het oude danstype, tot een ‘dagrest’ geworden die aan een angstig visioen tot stramien dient. […]. De componist is hierdoor het grensgebied van kunst en pathologie genaderd […]. Wellicht een leuk walsje voor Andre Rieu en zijn ensemble een keertje, in plaats van een walsje van Johan Strauss…  Ook hier is Haitink (Philips 9500 314) aantrekkelijk en eenvoudig te vinden voor weinig geld, net als de vorige. U herkent de plaat aan de mooie Paul Cézanne cover.

Alborada del Gracioso, Menuet Antique en Une Barque sur l’Océan zijn verrukkelijke stukken van Ravel. Deze zijn verschenen in de budget serie Galleria (niet te verwarren met de Galerie serie, ook van DG!) van Deutsche Grammofoon door Ozawa (DG 415 815-1). De Galleria’s zijn heruitgaven die digitaal geremastered zijn en ik moet zeggen dat ik op een paar uitzonderingen na, niet onder indruk ben van deze serie. Ze klinken over het algemeen muffer en gecomprimeerder dan hun oorspronkelijke broeders.
Op deze plaat is het resultaat echter wisselend. Vooral Alborada del Gracioso heeft behoorlijk geprofiteerd van de oppoetsbeurt. Het hoog heeft veel meer energie dan de oorspronkelijke master, die beduidend suffer klinkt. Verder is deze plaat aantrekkelijk, omdat er nogal wat belangrijke stukken op staan. Waaronder La Valse. Alleen als u nog steeds geen genoeg kunt krijgen van de Bolero, waarmee deze stukken o.a. gekoppeld zijn, dan raad ik u aan de oorspronkelijke uitgave te bemachtigen (DG 2530 475). Met de remaster is de akoestiek bijna verdwenen en de unieke timbres van de instrumenten zijn moeilijker vast te stellen.

De beide pianoconcerten zijn zondermeer de moeite waard. Het langzame deel van het Pianoconcert in G, uit 1929–1931 is wonderschoon. De Haas/Alceo (Philips 839 755 LY) opname koppelt beide concerten en klinkt prachtig. Echter, deze uitvoering ontmoet stevige concurrentie van Argerich met Abbado (DG 139 349). Hier is de koppeling met het 3de pianoconcert van Prokofiev.

Albert Roussel (1869 – 1937)

Waar Ravel al wat bonter klinkt dan de ‘pasteltinten’ van Debussy, is Roussel al weer iets krachtiger en grover. Een componist die vaak over het hoofd wordt gezien, ofschoon we tegenwoordig niet mogen klagen over het aantal integrale opnamen van zijn symfonieën die in de loop der tijd nu zijn verschenen. Toch heb ik het sterke gevoel dat Roussel (te) weinig wordt uitgevoerd in de concertzaal.
Van Roussel zult u niet zo snel iets vinden in de kringloopbakken en antiquariaten. Op e-Bay wordt de eerste en de derde symfonie door Dutoit (Erato NUM 75 283) regelmatig aangeboden en betaalbaar, ook op het moment van schrijven. Vervelend is alleen, dat de shipping costs vanuit de US belachelijk hoog zijn.
In zijn eerste symfonie bespeurt men de impressionistische invloeden. Het zijn eigenlijk vier symfonische schetsen. Vooral het eerste deel is buitengewoon beeldend. Een klagende opening door de houtblazers over de droefgeestigheid van het winterse woud. In het laatste deel trekken de bosgeesten voorbij en met de verstilling van de natuur eindigt het werk.
De derde is zijn populairste en meest opgenomen. Het is een robuust, krachtig en enigszins joviaal werk.

Zo gemakkelijk als de 1ste en de 3de te krijgen zijn, zo extreem moeilijk zijn 2de en 4de Erato (NUM 75 284) te vinden. Ik heb er geen verklaring voor. Erg jammer, want de tweede is de zoektocht absoluut waard. Het werk is recentelijk door Eschenbach uitgevoerd en vastgelegd op Ondine.“One of the greatest musical discoveries I’ve made in years,” verklaarde de dirigent. Dat gevoel had ik ook als luisteraar toen ik dit schitterende werk ruim twintig jaar geleden voor het eerst hoorde. Toegegeven, de Erato hoezen zijn aartslelijk, maar er is nog niet een dirigent geweest die me meer heeft weten te bekoren en te overtuigen dan Dutoit. Behalve misschien de tweede onder Pierre Dervaux op EMI (2C 069-73096).

Ook Paul Dukas (1865 – 1935) gebruikt krachtige kleuren, maar streeft – net als bij Roussel – ook naar een nieuwe klassieke uitdrukking. L’apprenti sorcier (De Tovenaarsleerling) is zijn populairste werk, een symfonisch scherzo gebaseerd op Goethe’s gelijknamige ballade. Aarzel geen moment als u de uitvoering van David Zinman met het Rotterdams Filharmonisch Orkest ziet op Philips (9500 533). Het is een buitengewoon levendige en realistische opname die het schuim in de vissenkom zal veroorzaken.

Volgende maand deel 2 van de Laatromantiek. Een bewogen, veelzijdige en uiterst vruchtbare periode, die een groot aantal werken van blijvende betekenis heeft opgeleverd. Het is ook een tijd dat de componist, maatschappelijk een steeds belangrijkere rol gaat spelen. De componist is een nationaal figuur aan het worden. Norbert Loeser omschrijft het als volgt: “…nooit eerder was het […] gebeurd, […] dat een heel volk in een musicus de symbolische incarnatie van zijn eigen grootheid, van zijn beste eigenschappen en hoedanigheden zag.”

*Umberto Eco, Geschiedenis van de Schoonheid