Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

ROUSSEL Complete Symphonies Marek Janowski

Monday, March 25th, 2013

ROUSSEL
Complete Symphonies
Orchestre Philiharmonique de Radio France Marek Janowski
Newton Classics 8802173 DDD 57’26/60’39

Uitvoering/opname ***/***

Newton Classics is een jong Nederlands label dat in 2009 werd opgericht en oudere opnames uit de kluizen van de grote labels opnieuw uitbrengt. Velen zullen deze heruitgave van Roussels integrale symfonieën onder Marek Janowski dan ook verwelkomen. Ik ook, in die zin, dat ik vind dat Roussel nog steeds te weinig aandacht krijgt. Deze vaak over het hoofd geziene toondichter uit Tourcoing, heeft buitengewoon boeiende muziek geschreven. Zijn symfonieën dragen een uitgesproken aards karakter. Ruwe, bijna onbehouwen kracht in tegenstelling tot de verfijning, het visionaire en fantastische van Ravel en Debussy. Over Roussels tweede symfonie zei dirigent Christoph Eschenbach: “One of the greatest musical discoveries I’ve made in years.” Dat gevoel had ik ook als luisteraar toen ik dit schitterende werk ruim 25 jaar geleden voor het eerst hoorde. Toch heeft deze dubbel cd niet mijn voorkeur. Ik mis de vloeiendheid en vanzelfsprekendheid die Dutoit op Erato/Warner er in legt. Janowski doet wel mooie dingen in de langzame delen, maar in het openingsdeel van de derde mis ik de kracht en robuustheid die ik gewend ben. Dat heeft ook te maken met de ietwat basschuwe klankbalans. Verder is de opname ook wat overbelicht in het midden hoog. Als set beoordeeld is Dutoit dus de betere keuze.

Emile Stoffels
Luister 688

De Laatromantiek (I)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (I)

Marcel Proust heeft het in zijn In de schaduw van de bloeiende meisjes over een niet-bestaande schilder Elstir. Deze schildert, zoals we de dingen op het eerste gezicht zien. Het is dat ene vluchtige moment waarop ons intellect nog niet begonnen is ons uit te leggen wat die dingen eigenlijk zijn. Ook is de indruk die deze dingen op ons maken, nog niet vervangen door dat wat we erover weten. Elstir, brengt de dingen terug tot louter impressies.*
Het waren de Franse componisten die omstreeks 1900 weer de middeleeuwse toonreeksen gebruikten in hun werk. Toen Ma Mère l’Oye van Ravel ten gehore werd gebracht had men het idee dat deze klanken ontegenzeggelijk nieuw waren, maar tegelijkertijd had het iets antieks. De invloed die deze stroming op de ontwikkelingen hierna zou hebben, is nauwelijks te overschatten.

Claude Achille Debussy (1862 – 1918)

Ik geloof dat we de historie geen geweld aandoen, als we stellen dat deze kunstenaar de grootste en belangrijkste van deze stroming is. Hij is degene geweest die voor de Franse muziek nieuwe wegen heeft gebaand, die het waagde volkomen nieuwe paden in te slaan en toch de aansluiting met de oude Franse meesters wist te bewaren. Debussy heeft vele uitdrukkingsmogelijkheden uit andere streken voor zijn werk gebruikt, maar hij is zozeer Fransman gebleven dat men hem de eretitel ‘Claude de France’ al tijdens zijn leven schonk. Beginnend vanuit de romantiek heeft hij zich met zijn La Mer, Prélude à l’après-midi d’un faune, Images pour Orchestre om slechts enkele werken te noemen, onsterfelijk gemaakt.
La Mer. Dit drieluik van de zee is absoluut een meesterwerk dat, zelfs bij herhaald luisteren, nooit teleurstelt. Volgens velen het hoogtepunt van Debussy’s orkestwerken. Het ligt voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn. Giulini op EMI is een klassieker, maar is moeilijk te krijgen. Von Karajan (DG 138 923) uit 1965, is een plaat die men vaak tegenkomt voor kringloopprijzen en is een referentie uitvoering volgens velen. De klankverschillen tussen het eerste (blauwe tulpjes) en tweede label zijn marginaal, maar wel duidelijk hoorbaar. Ook is er een heruitgave in de Galerie serie verschenen (DG 2543 058).
Zijn latere opname uit 1986 (DG 413 589-1) is zeker niet beter, ofschoon het een gezocht plaatje op e-Bay is. De koppeling is nagenoeg dezelfde: ook met de Daphnis et Chloé suite en de schitterende Prélude à l’après-midi d’un faune. Het werk waarvan Ravel zei dat, toen hij het voor het eerst hoorde, hij muziek pas goed begreep. Een andere bron vertelt dat de tranen over zijn wangen rolde van ontroering. Ofschoon er veel mooie uitvoeringen van zijn en von Karajans uitvoering volkomen bevredigend is, luister ik meestal naar Charles Munchs uitvoering op RCA die de dromerigheid van dit werk meer benadrukt.

Zijn Trois Nocturnes voor orkest door Abbado en het BSO (DG 2530 038), zijn onderling verschillend van orkestratie. Het dromerige doch geconcentreerde Nuages is voor beperkt orkest, zonder trompetten of trombones. Fêtes is voor groot orkest, terwijl Sirènes in zijn orkestratie geen trombones heeft, maar wel een instrumentaal behandeld vrouwenkoor. Het is wellicht als Debussy’s meest impressionistische werk op te vatten, daar hijzelf verklaarde: “De titel ‘Nocturnes’ moet hier in een meer algemene en hoofdzakelijk decoratieve zin opgevat worden”. Het gaat hier dus om de indrukken (impressies). Op kant twee staat de versie met koor van de balletsuite Daphnis et Chloé van Ravel en die is prachtig.

Maurice Ravel (1875 – 1937)

Deze half baskische kunstenaar wordt veelal in een ademtocht genoemd met Debussy. Men zou kunnen opmerken, dat Ravel qua geboortejaar niet zou misstaan in het artikel van vorige maand. Hij bevindt zich dan ook meer aan het einde van de romantiek, dan de 12 jaar oudere Debussy. Echter, zijn streven naar uiterste helderheid en logica houdt hem binnen de perken van een, weliswaar met grote vrijheid behandelde, tonaliteit. Het is toch net even anders als zijn jongere landgenoot Honegger bijvoorbeeld, met wie hij overigens wel in zijn latere leven het teruggrijpen op de 18de eeuw deelt.
Door zijn Spaans-Baskische moeder draagt hij de Iberische cultuur in zich, wat zijn belangstelling voor Spaanse onderwerpen en taferelen verklaart.
Zijn Rhapsodie espagnole voor orkest uit 1907/8 is een schitterend voorbeeld hiervan. Het is een buitengewoon kleurige orkestsuite. Haitink heeft het twee keer opgenomen: in 1961 (Philips Universo 6580 055) en 1971 (Philips 9500 347). De laatste – met de mooie Henri-Edmond Cross hoes – is wat sneller en opwindender gedaan, maar de opname uit 1961 is wat natuurlijker, ofschoon het bij de latere opname niet aan natuurlijkheid ontbreekt. Luister maar eens naar het tweede (Malagueña) en het vierde deel (Feria) dat de herinneringen aan een volksfeest oproept. Dit is een van de beste Philips opnames die ik ken. De kalk komt van de muren…

La Valse het choreografische gedicht voor orkest uit 1919-1920. Dit werk is tijdloos. Howeler beschrijfthet als volgt: deze muziek welde uit het gebied van het onderbewuste, van de droom. Van de beangstigende droom, de obsessie. Zoals de mens de dagelijkse gebeurtenissen, de ‘dagresten’, in zijn slaap verwerkt tot symbolen, om in die schijnbaar onsamenhangende droomtaal zijn diepste zielenleven te verdichten, zo is door Ravel de wals, het oude danstype, tot een ‘dagrest’ geworden die aan een angstig visioen tot stramien dient. […]. De componist is hierdoor het grensgebied van kunst en pathologie genaderd […]. Wellicht een leuk walsje voor Andre Rieu en zijn ensemble een keertje, in plaats van een walsje van Johan Strauss…  Ook hier is Haitink (Philips 9500 314) aantrekkelijk en eenvoudig te vinden voor weinig geld, net als de vorige. U herkent de plaat aan de mooie Paul Cézanne cover.

Alborada del Gracioso, Menuet Antique en Une Barque sur l’Océan zijn verrukkelijke stukken van Ravel. Deze zijn verschenen in de budget serie Galleria (niet te verwarren met de Galerie serie, ook van DG!) van Deutsche Grammofoon door Ozawa (DG 415 815-1). De Galleria’s zijn heruitgaven die digitaal geremastered zijn en ik moet zeggen dat ik op een paar uitzonderingen na, niet onder indruk ben van deze serie. Ze klinken over het algemeen muffer en gecomprimeerder dan hun oorspronkelijke broeders.
Op deze plaat is het resultaat echter wisselend. Vooral Alborada del Gracioso heeft behoorlijk geprofiteerd van de oppoetsbeurt. Het hoog heeft veel meer energie dan de oorspronkelijke master, die beduidend suffer klinkt. Verder is deze plaat aantrekkelijk, omdat er nogal wat belangrijke stukken op staan. Waaronder La Valse. Alleen als u nog steeds geen genoeg kunt krijgen van de Bolero, waarmee deze stukken o.a. gekoppeld zijn, dan raad ik u aan de oorspronkelijke uitgave te bemachtigen (DG 2530 475). Met de remaster is de akoestiek bijna verdwenen en de unieke timbres van de instrumenten zijn moeilijker vast te stellen.

De beide pianoconcerten zijn zondermeer de moeite waard. Het langzame deel van het Pianoconcert in G, uit 1929–1931 is wonderschoon. De Haas/Alceo (Philips 839 755 LY) opname koppelt beide concerten en klinkt prachtig. Echter, deze uitvoering ontmoet stevige concurrentie van Argerich met Abbado (DG 139 349). Hier is de koppeling met het 3de pianoconcert van Prokofiev.

Albert Roussel (1869 – 1937)

Waar Ravel al wat bonter klinkt dan de ‘pasteltinten’ van Debussy, is Roussel al weer iets krachtiger en grover. Een componist die vaak over het hoofd wordt gezien, ofschoon we tegenwoordig niet mogen klagen over het aantal integrale opnamen van zijn symfonieën die in de loop der tijd nu zijn verschenen. Toch heb ik het sterke gevoel dat Roussel (te) weinig wordt uitgevoerd in de concertzaal.
Van Roussel zult u niet zo snel iets vinden in de kringloopbakken en antiquariaten. Op e-Bay wordt de eerste en de derde symfonie door Dutoit (Erato NUM 75 283) regelmatig aangeboden en betaalbaar, ook op het moment van schrijven. Vervelend is alleen, dat de shipping costs vanuit de US belachelijk hoog zijn.
In zijn eerste symfonie bespeurt men de impressionistische invloeden. Het zijn eigenlijk vier symfonische schetsen. Vooral het eerste deel is buitengewoon beeldend. Een klagende opening door de houtblazers over de droefgeestigheid van het winterse woud. In het laatste deel trekken de bosgeesten voorbij en met de verstilling van de natuur eindigt het werk.
De derde is zijn populairste en meest opgenomen. Het is een robuust, krachtig en enigszins joviaal werk.

Zo gemakkelijk als de 1ste en de 3de te krijgen zijn, zo extreem moeilijk zijn 2de en 4de Erato (NUM 75 284) te vinden. Ik heb er geen verklaring voor. Erg jammer, want de tweede is de zoektocht absoluut waard. Het werk is recentelijk door Eschenbach uitgevoerd en vastgelegd op Ondine.“One of the greatest musical discoveries I’ve made in years,” verklaarde de dirigent. Dat gevoel had ik ook als luisteraar toen ik dit schitterende werk ruim twintig jaar geleden voor het eerst hoorde. Toegegeven, de Erato hoezen zijn aartslelijk, maar er is nog niet een dirigent geweest die me meer heeft weten te bekoren en te overtuigen dan Dutoit. Behalve misschien de tweede onder Pierre Dervaux op EMI (2C 069-73096).

Ook Paul Dukas (1865 – 1935) gebruikt krachtige kleuren, maar streeft – net als bij Roussel – ook naar een nieuwe klassieke uitdrukking. L’apprenti sorcier (De Tovenaarsleerling) is zijn populairste werk, een symfonisch scherzo gebaseerd op Goethe’s gelijknamige ballade. Aarzel geen moment als u de uitvoering van David Zinman met het Rotterdams Filharmonisch Orkest ziet op Philips (9500 533). Het is een buitengewoon levendige en realistische opname die het schuim in de vissenkom zal veroorzaken.

Volgende maand deel 2 van de Laatromantiek. Een bewogen, veelzijdige en uiterst vruchtbare periode, die een groot aantal werken van blijvende betekenis heeft opgeleverd. Het is ook een tijd dat de componist, maatschappelijk een steeds belangrijkere rol gaat spelen. De componist is een nationaal figuur aan het worden. Norbert Loeser omschrijft het als volgt: “…nooit eerder was het […] gebeurd, […] dat een heel volk in een musicus de symbolische incarnatie van zijn eigen grootheid, van zijn beste eigenschappen en hoedanigheden zag.”

*Umberto Eco, Geschiedenis van de Schoonheid

De Modernen (II)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (II)

Duitsland is als muzikale hoofdmacht haar leidende rol kwijtgeraakt aan Frankrijk, Oost Europa en Oostenrijk. Een ontwikkeling die zich in de laatromantiek al aftekende. De meest in het oog springende toondichters uit deze tijd hebben we vorige maand al behandeld.
Deze maand ‘de anderen’ en zoals ik heb beloofd, een aantal onderbelichte componisten of werken van componisten.

Arthur Honegger (1892 – 1955)

De belangrijkste componist uit Frankrijk en noodzakelijk te vermelden als een der belangrijkste symfonici uit deze stijlperiode. Ook deze opvallende toondichter heeft een taal gevonden die vernieuwing paart aan de traditie. Honegger wil naar eigen zeggen het “oude spel op nieuwe wijze spelen”. Voor hem betekende het schrijven van symfonieën, een terugkeer naar de driedeligheid van het vroege classicisme.
Al zijn vijf symfonieën zijn aan te bevelen, waarvan de vierde – in mijn ervaring – de langste tijd nodig heeft om door te dringen. De tweede, derde en zijn Pacific 231 zijn waarschijnlijk zijn populairste werken. Twee dirigenten zijn toonaangevend: von Karajan en Dutoit. De laatste heeft alle symfonieën opgenomen en zijn werkelijk prachtig geregistreerd.

De tweede, geschreven voor strijkers en trompet die pas aan het eind een rol speelt, is ontstaan tijdens een diepe depressie door de Duitse bezetting van Frankrijk. Ofschoon dit goed te horen is, slaagt hij erin om zich helder en doorzichtig uit te drukken. Iets dat weinig componisten uit de 20ste eeuw gegeven is.
In iets mindere mate geldt die doorzichtigheid ook voor de derde uit 1945 -46. In deze symfonie wilde hij de opstand van de moderne mens symboliseren tegen de vloed van barbarisme, domheid, het lijden, mechanisatie en de bureaucratie, die ons al enige jaren bedreigt. Dat is nog steeds zo en misschien mag ik eraan toevoegen: vadsigheid, gemakzucht en het onvermogen autonoom te denken.
De tweede symfonie is bij von Karajan (DG 2530 068) met de derde gekoppeld. Deze opname heeft zo langzamerhand een cultstatus bereikt. En terecht. De opname locatie voor wat betreft de derde, is de Jezus Christus kerk in Berlijn (opgenomen 1969, pas in 1973 gereleased) en de opening is verpletterend. Bijna horror.
Bij Dutoit (Erato NUM 75117) zijn de scherpe kantjes eraf, maar dat kan gedeeltelijk verklaard worden doordat de opname mooier is en men dan vervolgens niet het gevoel heeft dat het dak eraf gaat. Ach, beide uitvoeringen zijn gemakkelijk te krijgen op het net. Waarom niet beide kopen?

Het is opvallend te constateren dat Rusland voor 1850, in de muziek nauwelijks een rol van betekenis heeft gespeeld, en een eeuw later staat zij met Stravinsky, Prokofiev en Sjostakovich in de voorste rij. Deze verrassende opkomst is te danken aan de sterke muzikale potentie van het Russische volk.

Serge Prokofiev (1891 – 1953)

Na Stravinsky een der oorspronkelijkste toondichters uit Rusland en buitengewoon kleurrijk. Järvi heeft erg veel van Prokofiev opgenomen in de jaren 80 op Chandos en ook al zijn symfonieën. Die zijn gemakkelijk op e-Bay te vinden en zijn een uitstekende keuze.
Een groter contrast tussen de eerste – in de stijl van Haydn gecomponeerd – en de tweede, is moeilijk denkbaar. Met de laatste wilde hij een werk van “ijzer en staal” schrijven en kan gezien worden als een verklanking van de Russische industrialisatie uit de jaren 20 net als De Fabriek uit de symfonische suite op 41.
De derde met thematisch materiaal uit zijn Opera de Vurige Engel, is samen met de vijfde wellicht zijn meest uitgevoerde.
De derde door Chailly (DG 410 988-1) en de vijfde door von Karajan (DG 139040) vinden we regelmatig in de kringloopbakken, maar het is zondermeer de moeite waard om ook eens op zoek te gaan naar Jansons (Chandos) en Ashkenazy (Decca).
Ofschoon de pianoconcerten onderling niet direct een ontwikkeling laten zien, zou u uzelf tekort doen deze muziek te laten liggen. Vooral het tweede en derde pianoconcert zijn de moeite waard. Van de integrale opnames duiken er twee regelmatig in het tweede hands circuit op: Ashkenazy met Previn (Decca) en Beroff met Masur (EMI). De eerste set wordt het meest gelauwerd en vooral de Nederlandse heruitgave klinkt fenomenaal. Echter, persoonlijk vind ik de EMI set qua interpretatie sterker.
Dan de Scytische suite. Prokofiev had het aangeleverd als ballet aan Serge Diaghilev, die helaas weinig interesse toonde. Hij werkte het ballet vervolgens om tot een vierdelige suite. Net als de “Le Sacre” van Stravinsky, is dit weer een werk dat onmiddellijk binnenkomt en een onuitwisbare indruk achterlaat. Abbado met het CSO (DG 2530 967) is veruit de beste uitvoering die ik ken en wordt regelmatig aangeboden voor niet al te veel geld.

Tot slot de pianosonate no. 7 door Pollini (DG 2530 225). Een briljant werk en ongelofelijk beheerst uitgevoerd. De enige kritiek die ik op de opname heb, is dat de piano wat weinig body in de lage registers heeft. Iets wat ik vaker ontwaar bij DG. Niettemin, kopen!

Shostakovich (1906 – 1975)

Hoewel ik vind dat deze componist niet altijd de doorzichtigheid van bijvoorbeeld een Arthur Honegger bereikt, maken zijn symfonieën wel een verpletterende indruk. Ik wil hier graag de 10de symfonie noemen. Er zijn twee uitvoeringen die relatief eenvoudig te krijgen zijn: beide door vonKarajan (DG 139020 en 2532 030). Von Karajan heeft altijd een speciale affiniteit gehad met deze symfonie.

De Nederlanders

Het komt uit Nederland. Oh… dan kan het niets zijn. Toch? Het is een schande dat we het nog steeds moeten doen met povere opnames van obscure labels als we de Nederlandse componisten uit deze periode willen beluisteren. Op een Donemus verzamelplaat vinden we bijvoorbeeld de derde symfonie van Henk Badings (1907 – 1987). Mono en niet om aan te horen; of dat je door een sleutelgat luistert. Onbegrijpelijk dat Nederlandse dirigenten niet een aantal symfonieën en concertante werken hebben opgenomen. Nee, wel de zoveelste Mahler of Beethoven symfonieën cyclus. Ik geloof eerlijk gezegd niet dat we daar op zitten te wachten. Nu heb ik op Radio 4 recentelijk wel vernomen, dat er wat meer belangstelling is voor Badings’ werk.
Zijn Ballade voor Fluit en Harp uit 1950 is een aantal keren opgenomen en op plaat hebben we Abbie de Quant met Edward Witsenburg op EMI (1A 037-25128) die niet meer dan een of twee euro in de kringloopwinkel zou moeten kosten. Het is een prachtig werk en over de instrumenten combinatie zei de componist: “…beide kunnen zij op dezelfde mysterieuze wijze uit de stilte tevoorschijn komen en in de stilte terugkeren”.

Die schandelijke situatie is minstens zo van toepassing op de muziek van Hendrik Andriessen (1892 – 1981), die vier symfonieën heeft gecomponeerd waarvan ik van de laatste durf te beweren dat dit meesterwerk zich kan meten met de beste symfonieën van de 20ste eeuw.
Het is een uitgebalanceerd werk waarin het hoofdthema iedere keer in gewijzigde vorm terugkeert in alle drie de delen. In het eerste deel – het Pièce de résistance – laat Andriessen ons ongekende muzikale invallen horen. Na een ernstige introductie, ontplooit het deel zich zo overtuigend dat de luisteraar zich onmogelijk aan de ijzeren greep kan ontworstelen. Ook valt direct op hoe Andriessen zijn voorliefde voor Bach combineert met de harmonische verworvenheden van César Franck en Albert Roussel en speelt met metrum en tempo. In het middendeel komen we tot rust in een schijnbare luwte met boeiende melodielijnen in de houtblazers, om ten slotte in het Allegro vivace overweldigd te worden. Het is een finale maar met een zeer sterk scherzo karakter. Dit dansante deel, heeft een kracht en levendigheid die ik echt zelden gehoord heb.
Het hoofdthema voor deze serie is weliswaar vinyl, maar soms bestaat de noodzaak af te wijken van het hoofdthema. En wel hierom. De zojuist besproken vierde symfonie is ooit op CD verschenen met het Residentie Orkest onder Ed Spanjaard op Olympia (OCD 507). Dit is een verzamel CD van Nederlandse componisten met o.a. de eerder genoemde Henk Badings en Alphons Diepenbrock (1862 – 1921). De CD is gediscontinueerd, maar wordt heel soms op e-Bay aangeboden. Twijfel dan niet!
Van Willem Pijper (1894 – 1947), die over het algemeen gezien wordt als Neerlans knapste componist uit deze periode, is meer opgenomen. Op Donemus hebben we een aantal dubbelaars met o.a. zijn drie symfonieën. Helaas vragen antiquariaten onredelijke prijzen voor platen op het Donemus label.

De Amerikanen

Degenen die nog steeds denken dat Amerikanen in het beste geval alleen maar epigonen arbeid kunnen verrichten, moeten zich maar eens in de volgende composities verdiepen. Men zal een boeiende uitdrukkingsvorm ontdekken die volslagen uniek is.

Roy Harris Symfonie No. 3, William Schuman Symfonie No. 3, NYP – L. Bernstein (DG 419 780-1)
“Laten we onszelf niets wijs maken.”, zei Roy Harris (1898 – 1979), “Mijn derde symfonie kwam op een tijd dat er behoefte aan was.” Toegegeven, het klinkt wellicht wat zelfbewust, maar Amerika was in de jaren 30 volgens Aaron Copland toe aan een ‘ernstige symfonie’.
Zodra het zangerige openingsthema van de celli inzet, gaat men voor de bijl. Het opus blijft zich schitterend door ontwikkelen tot aan een tragische climax op het einde, die voor altijd zal beklijven. Het is een eendelig werk dat uit meerdere secties bestaat en iets minder dan 20 minuten duurt. Voor het eerst uitgevoerd in Boston onder Serge Koussevitzky. Mede door hem was Amerika halverwege de 20ste eeuw, rijk aan symfonieën.
Zo ook de derde symfonie van William Schuman (1910 – 1992) die gekoppeld is met die van Roy Harris. Er zijn er die Schuman een bravoure componist vinden. Voor een aantal bladzijden klopt dat, denk ik. Aan de andere kant kunnen we dat ook van andere gevestigde componisten zeggen, maar een Amerikaan heeft nu eenmaal minder krediet. Hoe dan ook, deze symfonie bestaat uit twee delen die elk weer uit twee delen bestaan en in elkaar overlopen. Het langzame derde deel is een prachtig mijmerend stuk. Beide werken staan onder directie van Leonard Bernstein, die hier zo’n beetje op zijn best is. En dan ook nog die schitterende hoes van Thomas Hart Benton. Mooi product van DG. Is na wat speurwerk op het net te vinden en inmiddels op CD weer heruitgegeven.

We blijven nog heel even bij William Schuman omdat ik vind dat zijn vioolconcert de moeite waard is. Men zou het een tweedelige symfonie met viool kunnen noemen. En het spettert! Ik ken nauwelijks een concertant werk dat zo met de deur in huis valt. Op vinyl is er slechts één te vinden, maar dat is dan ook tevens een schot in de roos. Het is de uitvoering door Zukofsky en Michael Tilson Thomas met de Boston Symphony Orchestra uit 1971 (DG2530103). De koppeling is met een ander mooi werk: de 2de symfonie van Walter Piston (1894 – 1976). 
Een andere interessante plaat met hetzelfde ensemble en uit die tijd is Charles Ives (1874 – 1954) Three Places in New England (DG 2530 048), gekoppeld met Sun-trader van Carl Ruggles (1876 – 1971) gebaseerd op Robert Brownings gedicht Pauline. Het laatste is een dissonerend stuk van ruim 16 minuten en aan het einde bent u wel toe aan een kopje kalmerende groene thee.
Tot slot een apart geïnstrumenteerd en vooral exotisch werk: de Toccata voor Orkest “Tabuh-Tabuhan” uit 1936 van Colin McPhee (1900 – 1964). Hierin wordt een uitgebreide Balinese slagwerksectie gebruikt. Het resultaat van jarenlange research op Bali en Java. De hoekdelen vallen vooral op door het ritme en in het middendeel speelt de fluit een oorspronkelijke Balinese melodie. De opname is uit 1956 door Howard Hanson en de Eastman-Rochester Orchestra op Mercury Golden Imports (SRI 75116). Uit deze plaat blijkt duidelijk dat men toen uitstekende opnames kon maken.
Overigens niet alle Mercury Golden Imports zijn even goed. Bijvoorbeeld Respighi – Church windows/Festa di Roma (SRI 75113) zou ik lekker laten liggen.

Volgende maand beginnen we met de laatromantiek waarbij het impressionisme is inbegrepen. Een tijdsgewricht met de daarbij behorende geestelijke houding en een periode waarin componisten zich op de grens van tonaliteit bewegen.