Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen


« | Main | »

De Modernen (I)

Geplaatst door: emile | December 23, 2010

De modernen (I)

De klassieke muziekliefhebber, die in het begin al moeite genoeg heeft zich te oriënteren temidden van de klassieke muziek vóór 1900, moet toch welhaast in een totale staat van verwarring verkeren als hij of zij de toonkunst van de 20ste eeuw betreedt. Er zijn in die voorgaande eeuwen nog nooit zoveel stromingen en substromingen geweest als in die bewuste eeuw.
Volgens een aantal scherpe denkers wijst dit eerder op muzikale armoede dan op rijkdom. Het blijkt namelijk dat de componisten uit dit tijdsvak, de traditie en de tonale verworvenheden van de Romantiek eerder als last dan als zegen hebben ervaren. Vandaar dat sommige moderne kunstenaars zich van radicale stijlmiddelen hebben bediend om maar vooral niet tot slechts een navolger te worden betiteld.
De meest radicale toonzetter uit deze tijd is ongetwijfeld Arnold Schönberg. Ofschoon hij met zijn atonale systeem en definitieve breuk met het verleden ontegenzeggelijk tot de grootste vernieuwers gerekend moet worden, ervaar ik deze kunst persoonlijk eerder als notenschikking dan muziek. De zgn. 2de Weense School (Schönberg, Berg en Webern) en haar navolgers zullen hier dan ook niet behandeld worden.

Over welke tijdsperiode hebben we het in dit artikel? We beginnen met de generatie kunstenaars die grofweg geboren zijn in de periode 1875 -1905 en in hun taal aanknopen bij het verleden, maar toch buitengewoon vernieuwend zijn gebleken.

Bela Bartok (1881 -1945)

Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta

Dit is een van die zeldzame werken die zowel de ziel als het intellect streelt en van de hoogste innerlijke beschaving getuigt. Voor deze schepping – die in 1936 ontstond – heeft Bartok voor elk der vier delen, een andere instrumentale combinatie gebruikt, een andere vorm gekozen en andere klankbeelden gebruikt zodat het werk een buitengewone rijkdom van aspecten vertoont.
Los van de twee aparte strijkersgroepen die zijn voorgeschreven, dient – volgens de meester – ook de harp en het klavier tot de snarengroep verstaan te worden. Deze hoogst uitzonderlijke en vooral eigenzinnige orkestbezetting vereist een speciale opstelling op het podium, die ook door Bartok in de partituur nauwkeurig is aangegeven.
Het eerste stuk is een fuga, maar anders dan bij Bach. Een volgens Bartok’s eigen principes. Opvallend is dat de climax wordt bereikt niet alleen doordat het orkest luider speelt, maar ook door de innerlijke constructie.
Het tweede deel blijft verbazen, vooral als na een minuut of 4 de strijkers met het klavier een zeer merkwaardige atmosfeer neerzetten, verstrekt door de xylofoon en trom.
In het derde deel is het dit keer de betovering die de luisteraar eenvoudigweg niet kan ontgaan. Let vooral op de speciale glijd effecten van de pauken, zowel opgaand als neergaand in dialoog met de xylofoon.
De finale, die net zoals de vorige stukken uit meerdere secties bestaat, opent uitbundig en levendig en komt in de voorlaatste sectie op een wonderbaarlijke manier terug op het fuga thema van het eerste deel.

Wat mij betreft zijn er drie meer dan uitstekende uitvoeringen op vinyl verkrijgbaar: Marriner op Argo, Reiner op RCA en Haitink op Philips. Marriner is veruit het makkelijkst te scoren én voor weinig geld. Haitink is al wat moeilijker, maar zeker niet onmogelijk en Reiner is ook verschenen op een 180 gram audiofiele heruitgave die werkelijk schitterend klinkt, maar ik vind hier de midprice cd een uitstekend alternatief. Bovendien wordt dit werk op cd gekoppeld met het Concert voor Orkest.
Bij Marinner is de (logische) koppeling met het “Divertimento voor strijkers”. Typisch voor Argo is de ruimtelijke warme strijkersklank en het realistische slagwerk; vooral de xylofoon helemaal aan het einde van het derde deel is LETTERLIJK tastbaar.
Van de oorspronkelijke uitgave (Argo ZRG657) is een uitstekende en betaalbare Nederlandse heruitgave gemaakt (Argo 6557 556), die ietsje scherper klinkt maar zeker niet onprettig.
Dan de uitvoering van Haitink. Prachtige akoestiek! In het eerste deel, zijn er melodielijnen te horen die weer onhoorbaar zijn bij andere dirigenten. Bij het slaan op de snaren in het laatste deel, is waar te nemen hoe natuurlijk de oude Philips opnames toen waren en ook hier heeft Haitink weer een bijzondere puls te pakken die hem tot zo’n groot dirigent maakt. De oorspronkelijke uitgave wordt gekoppeld met de Harry Janos Suite van Kodaly, later is deze gekoppeld met het 2de pianoconcert van Bartok, hetgeen ik logischer vind. Ook is er een uitgave verschenen in de spotgoedkope serie “Muziek onder Woorden”. Daar is een behoorlijk verschil in klanksignatuur vast te stellen. Deze klinkt wat donkerder, maar wel erg mooi.

Tot slot Reiner, die Bartok zelf gekend heeft, met het CSO op RCA. Over deze uitvoering is al veel gezegd en geschreven. Wat ik er nog aan toe wil voegen is dat het tweede deel bij Reiner een mate van vinnigheid of zelfs agressiviteit heeft die ik bij nogal wat uitvoeringen mis. Yehudi Menuhin zei: “Bartok had een intens gevoelsleven. Een vuurvreter. En hij had het constant onder controle”.
Samenvattend: begin met Marriner, ga daarna op zoek naar Haitink en koop Reiner op (SA)CD. Als zeer goede alternatieven wil ik hier ook nog de beide von Karajan uitvoeringen (DGG en EMI) noemen.

Concert voor Orkest

Zover ik weet is dit het eerste concertante werk voor een orkest en bovendien is het 5-delig, net als zijn 4de en 5de strijkkwartet. Dit briljant geschreven stuk, heeft zich altijd in veel belangstelling weten te verheugen. Dit komt wellicht door het humoristische vierde deel, het Intermezzo Interrotto. Het ligt dan ook voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn en ook zeer goede. Solti(Decca), Dorati (Mercury en Philips) en Reiner (RCA) voeren de lijst aan. Solti met het LSO (SXL 6212) heeft uiteindelijk mijn voorkeur, maar hij heeft het later met het CSO (SXDL 7536) nog eens overgedaan en die is ook erg goed. Je ziet hem regelmatig aangeboden voor weinig geld.
Reiner is net als het vorige werk ook op een audiofiele heruitgave verschenen. Zie hierboven.
Dorati met het LSO Fontana (Grandioso 894 020 ZKY) is oorspronkelijk op Mercury verschenen maar veel opnames zijn op Philips en Fontana heruitgegeven. Dit is zo’n voorbeeld. Mooie opname: helder, diep, hoog, breed enz. Alles schittert. Ook Dorati heeft het een tweede keer opgenomen en wel met het CGO op Philips (411 132-1), die met een Edison is bekroond.

Pianoconcerten No. 1 en 2.

In het eerste concert, valt het middendeel op doordat het slagwerk een voorname rol inneemt en de piano als slagwerkinstrument wordt gebruikt. Het melodische materiaal gaat terug op de Arabische volksmuziek. Verder valt op dat dit concerto buitengewoon grondig bewerkt is, waarin thema’s voortdurend van gedaante verwisselen.
Dan het tweede concert uit 1931. Het was een poging een ‘meer toegankelijk’ concert te schrijven vergeleken met het vorige. In het oog springend is dat in het eerste deel, de strijkers zwijgen. Van alle uitvoeringen die ik intussen gehoord heb, is de uitvoering door Abbado met Pollini (DG 2530 901) met afstand de beste. Zij zijn een waar koningskoppel en bovendien is deze plaat gemakkelijk te krijgen voor weinig geld. Regelmatig zie je hem in een antiquariaat en anders heeft eBay het wel. Kovacevich en Davis op Philips zijn een goede tweede keus, ondanks dat de opnames een correcte klankbalans ontberen.

Vioolconcert no. 2

Een waarlijk schitterend vioolconcert met een overvloed aan melodische invallen. Met dit werk voltooid in 1938, slaat Bartok weer een andere weg in. Het vitale en krachtige eerste deel, dat contrasteert met het dromerige middendeel, knoopt qua vorm duidelijk aan bij de Romantiek met een virtuoze cadens die haar weerga niet kent. Hieruit zou blijken hoe goed de meester op de hoogste was met het karakter en de mogelijkheden van de viool. In het laatste deel keren elementen van het eerste deel in gewijzigde vorm terug.
Solti met Chung op Decca (SXL 6802) is relatief gemakkelijk te krijgen en een prima uitvoering. Szyring met Haitink op Philips is nog natuurlijker, maar wel lastiger te krijgen.

Igor Stravinsky (1882 – 1971)

Le Sacre du Printemps

Is er een werk te noemen dat historisch gezien zo belangrijk is? De première was in 1913 onder Pierre Monteux en het mag als algemeen bekend worden verondersteld, dat het een muzikale aardbeving veroorzaakte. Dit ballet verklankt een tafereel in het voorchristelijke Rusland waar uiteindelijk een door de oudsten uitgekozen maagd zich dood danst. C. Höweler schrijft dat dit barbaarse werk “zich niet bekommert om de verheerlijking van de lente door de tederheid van bloesems, maar op gaat in wild stortende stromen en lawines, in de kiemkracht, die rotsen laat splijten door zaad”. Hoe waar is dit! Het gaat hier inderdaad niet om schoonheid, maar om een artistiek verantwoorde weergave van lelijkheid*; het huiveringwekkende, het sublieme in de natuur volgens Schopenhauer.

Ofschoon sommige auteurs dit werk nog steeds betitelen als een laatste uitloper der Romantiek, maakt het nog steeds een hyper moderne indruk. Dit werk, dat grotendeels steunt op de ritmiek, is blijkbaar voor veel orkesten nog steeds een uitdaging. Vooral het slot, waarin het metrum constant verandert.

Binnen wat er relatief eenvoudig te krijgen is, zijn er drie uitvoeringen interessant: Davis met het CGO op Philips (9500 323), Bernstein met de Israel Philharmonic Orchestra op DG (2532 075) en Boulez met Cleveland op CBS (S 72607). De laatste is qua klank verreweg de minste. De opname mist kleur en fundament, maar het is een zeer goede uitvoering. Boulez trekt de luisteraar direct het werk binnen. Heel spannend gedaan. Bernstein drukt zijn stempel maar doet dat hier geloofwaardig én met goede smaak. Er zijn erg veel orkestdetails te horen. Davis, moet even “op stoom” komen, maar is daarna niet te houden. Uiteindelijk mijn favoriet.

Symphony in three movements

Door velen de zogenaamde “neosacre” genoemd, omdat dit werk is ontstaan in Stravinsky’s neoclassicistische periode en bij vlagen in ritmisch en harmonisch opzicht aan zijn Le Sacre doet denken.
Los van de uitvoering door de meester zelf, is Charles Dutoit met de Suisse Romande op Decca onverslaanbaar. Alles klopt op deze uitvoering. De plaat wordt regelmatig op het net aangeboden. Colin Davis met de Bayerische Rundfunk op Philips mag er ook wezen.

Symphony of Psalms

Het hoogtepunt in Stravinsky’s neoclassicistische periode en van een indringende schoonheid. Geïnspireerd op Psalm 38, 39 en 150. Opvallend is hier het gekozen instrumentarium: geen violen en altviolen, geen klarinetten, maar wel twee piano’s, een uitgebreide koper- en houtsectie en uiteraard het vierdelige koor dat de Psalm teksten in het Latijn zingt. Is het een terugkeer naar de God van het oude testament of integendeel naar de engel des lichts?
Het meest voor de hand liggende is uiteraard de uitvoering door de meester zelf op CBS, die de ene keer met de Symfonie in C, de andere keer met de Symfonie in drie delen gekoppeld wordt. Bernstein heeft het ook opgenomen voor hetzelfde label. Voor deze uitvoering zult u naar E-Bay moeten.
Deze maand heb ik me bewust beperkt tot de twee belangrijkste toonzetters uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Volgende maand zal ik meer componisten uit deze tijd bespreken alsook enkele minder bekende werken.

*Noot: We moeten […] onderscheid maken tussen manifestaties van het lelijke an sich (uitwerpselen, een lijk in ontbinding een mens vol walgelijke zweren), het formeel lelijke, oftewel de wanverhouding tussen de delen van een geheel en de artistieke weergaven van beide. Umberto Eco, De geschiedenis van de lelijkheid.

Categorie: Muziekgeschiedenis, Vinyl | Reageer »

Reacties

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.