Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen


« | Main | »

De Laatromantiek (II)

Geplaatst door: emile | December 29, 2010

De Laatromantiek (II)

“A human life, I think, should be well rooted in some area of native land where it may get the love of tender kinship from the earth, for the labors men go forth to, for the sounds and accents that haunt it, for whatever will give that early home a familiar unmistakable difference amidst the future widening of knowledge.” George Eliot

Eerder werd al opgemerkt, dat de componist maatschappelijk een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in de samenleving. Een opvallend kenmerk van de laatromantiek is dan ook, een grote bloei van op nationale factoren geïnspireerde muziek.
In het Rusland van einde 19de eeuw kan men twee richtingen onderscheiden: toondichters zoals Moussorgsky (1839 – 1881) die als voedingsbodem vrijwel uitsluitend de nationale folklore gebruiken en een stroming die zich voornamelijk oriënteert op west Europa met Frankrijk als voornaamste richtpunt. Hector Berlioz is als muzikale stamvader hierin voor beide stromingen met zijn traité de l’instrumentation, erg belangrijk geweest. Dit was de orkestrale bijbel waarin de Russische componisten de kunst van het instrumenteren bestudeerden.

De belangrijkste Rus van deze laatste richting is ontegenzeggelijk Pyotr Ilyich Tchaikovsky (1840 – 1893). In zijn streven naar een Oost-West synthese grijpt hij naast onderwerpen uit de Russische geschiedenis – zoals Ouverture 1812 – duidelijk naar onderwerpen uit de westerse geschiedenis: Dante’s Francesca da Rimini of Shakspeare’s Hamlet en Romeo en Juliette. Hij heeft als veelschrijver bijna voor elke vorm wel iets gecomponeerd, maar heeft ook werken van ongelijk gehalte nagelaten. Toch hebben zijn beste werken veelal een aangrijpendheid, die men hoogst zelden hoort. Ook hier zijn de symfonieën representatief, ofschoon hij ook prachtige kamermuziek heeft gemaakt.
Von Karajan heeft de laatste drie symfonieën maar liefst 4 keer opgenomen in het stereo tijdperk als ik goed tel: een keer op EMI en drie keer op DG. Van deze, zijn de uitvoeringen op DG van halverwege de jaren 70 de meest interessante. Het eerste deel van de zesde bijvoorbeeld is veel spannender gedaan dan die uit de jaren 60. Voor velen zijn de digitale uitvoeringen uit de jaren 80 met de Weners een teleurstelling; iets dat ik zeker niet deel. Als u een complete en vooral consistente cyclus zoekt, dan is Jansons op Chandos een zeer interessante keuze en de opnames zijn eerste klas.
Over de vierde symfonie schreef Tchaikovsky in een brief: “De inleiding is tevens de kern van de gehele symfonie, zij bevat de hoofdgedachte. Deze stelt het noodlot voor, de fatale macht die de drang naar het geluk steeds weer verhindert zijn doel te bereiken, die er jaloers voor zorgt, dat welbehagen en rust niet de overhand hebben … een macht die als het zwaard van Damokles voortdurend boven ons hoofd zweeft en onophoudelijk de ziel vergiftigt. …Er blijft daarom niets anders over, zich aan haar te onderwerpen en moedeloos te klagen…Is het niet beter, zich van de werkelijkheid af te wenden en zich aan dromen over te geven?

Ook dit is een aspect der Romantiek dat zich al manifesteert in de muziek van Robert Schumann: de vlucht, de droom, de roes. Dit zijn de duistere kanten van de Romantiek. De kunst gaat langzamerhand de rol van religie overnemen, de kunstenaar die van de priester.
Het is vooral von Karajan (DG 2530 883) die in dit werk het noodlot benadrukt en laat vanaf het begin zien hoe hij boven de partituur staat. Ik ben geneigd te zeggen dat dit een van de beste uitvoeringen van von Karajan op DG is. Zowel von Karajan als Jansons (Chandos ABRD 1124) laat zien dat het van groot belang is, dergelijke werken strak uit te voeren.
Tussen de vierde en de vijfde symfonie is er nog een ander zeer aangrijpend werk geschreven. De Manfred symfonie gebaseerd op Byron. Vreemd genoeg heeft von Karajan deze nog nooit de opgenomen. Voor deze prachtige symfonie, die ik persoonlijk na de zesde de interessantste vind, zijn drie andere dirigenten op vinyl te krijgen: Chailly op Decca (421 441-1), Jansons op Chandos (ABRD 1245) en Muti op EMI (ASD 4169). De laatste twee zijn relatief eenvoudig te vinden en zijn erg goed. Echter Chailly klinkt spectaculair, maar is weer niet zo eenvoudig te krijgen.
Dan de zesde door broer Modest, ‘Pathetique’ gedoopt. De meester zei zelf over deze sluitsteen van zijn oeuvre dat hij dit beschouwde als het beste en oprechtste van zijn werken.
Het eerste deel, begint donker en droevig voornamelijk door de kreunende fagot. Weldra ontstaat een mooi lyrisch schemerig thema dat zacht eindigt in de klarinet. Abrupt wordt dit beëindigd met een klap die het noodlot inluidt en zich gaandeweg hemelbestormend ontwikkelt. Ten slotte mond dit alles uit in een aangrijpende scène die niet in woorden is te vangen. Voor dit sleutelmoment is er slechts één dirigent die dit mijns inziens op de juiste manier doet: Mariss Jansons (Chandos ABRD 1158). Von Karajan (DG 2530 774) fietst hier op alle vier de opnames die ik ken, (veel) te snel overheen. Dat is overigens de enige kritiek die ik op von Karajan heb. Haitink is hier naar mijn smaak iets te nuchter, Bernstein te eigenzinnig en Giulini te langzaam. Ik heb veel opnames gehoord, maar tot nu toe vind ik Jansons het meest overtuigend. Althans, hier.
Na een charmante wals gevolgd door een feestelijk allegro, komt ten slotte de finale. Dat is – tegen de traditie in – het langzame deel: Adagio lamentoso; Andante. Een volslagen afwijkende indeling van de symfonie. Anton Bruckner wisselde de volgorde van de middendelen in zijn Achtste al, maar het adagio als finale is opvallend. Gustaf Mahler zou dat bij zijn negende, ook doen. Tchaikovsky noemde dit deel een requiem. Het eindigt met een berustend Amen. Wat een manier om afscheid te nemen door een gekweld mens die kampte met zijn homoseksualiteit. Enfin, luistert uzelf.
Voor wat betreft de DG Galleria remasters van de opnames door von Karajan, zijn vaak wat gesluierd van klank, dus probeer de oorspronkelijke uitgaven te krijgen die hoorbaar frisser (uit)klinken. De hoezen van de Galleria’s zijn echter mooier.
Tot slot nog aandacht voor het symfonische gedicht Francesca da Rimini gebaseerd op Dante uit 1876. Al bij de opening huivert de luisteraar voor wat er gaat komen. Echter, wanneer de alles vernietigende storm opsteekt in de onderwereld – waartoe de twee overspelige geliefden zijn veroordeeld – voor eeuwig van elkaar scheidt, gaan de haren werkelijk overeind staan. Er is een mooie uitvoering op vinyl te krijgen door Stokowski met het LSO op Philips (heruitgave 416 860-1). Niet laten liggen.

Dit is overigens weer een ander aspect van de laatromantiek. De symfonie als vorm is inmiddels in onbruik aan het raken ten gunste van het “symfonische gedicht”. Dit gaf de componist meer vrijheid van de knellende vorm van de symfonie. In dit verband noem ik nog twee Russische toondichters die wat lastig zijn in te delen omdat ze van een latere generatie zijn, maar wel uitgesproken laatromantisch zijn blijven schrijven.

Het is opvallend dat tegenwoordig voor Alexander Scriabin (1872 – 1915) meer aandacht is vanwege de belangstelling voor mystieke en oosterse religies, het occulte en het fantastische. Zijn “Le Poeme de l’ecstase”, waarin de roes en de vreugde van het scheppen wordt verheerlijkt, is belangrijk te vermelden. Dit symfonische gedicht, waar de erotiek werkelijk vanaf druipt, boeit vanaf het eerste moment. Abbado met het BSO (DG 2530 137) wordt op e-Bay regelmatig aangeboden en is naar mijn mening opwindender dan Maazel op Decca.

Ofschoon ik er nog steeds niet van overtuigd ben dat Rachmaninov (1873 – 1943) tot de allergrootsten behoort, wil ik toch zijn Dodeneiland noemen. Dit hoogst evocatieve werk is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Arnold Böcklin (1827 – 1901). Het doek wordt nog steeds beschouwd als een icoon en het begin van het zogenaamde fantastische element in de schilderkunst.
Op plaat is er eigenlijk maar een aan te raden: Ashkenazy met het CGO (Decca 410 124-1) een geweldige opname en zeer vleiend voor het concertgebouworkest. Prachtige hoes ook!

Naast de Russische nationale school, handhaaft zich ook de Tsjechische muziek der 19de eeuw. Belangrijk zijn Bedrich Smetana (1824 – 1884) en vooral Antonín Dvořák (1841 – 1904). Deze meester der idylle oriënteert zich in de symfonie voornamelijk op Johannes Brahms. Van hem worden veelal de laatste drie symfonieën opgenomen. Toch zijn de eerste 6 ook de moeite waard en uiteraard zijn symfonische gedichten en concertante werken. De uitvoeringen door Colin Davis met het CGO zijn een lust voor het oor en gemakkelijk te krijgen. Overigens zijn alle opnames met Davis op Philips met het CGO de moeite waard, zover ik weet. Of het nu Haydn, Berlioz of Stravinsky is, keer op keer valt die romige Philips klank op. Van de negende zijn ontelbare opnames gemaakt, maar het lijkt iedere keer een herontdekking met Davis.

Ook Finland heeft met Jean Sibelius (1865 – 1957) een nationaal figuur die het Finse lot als een moderne atlas op zijn schouders draagt. Het symfonische gedicht Finlandia gaat over de Russische overheersing van Finland. Sibelius heeft 7 symfonieën nagelaten. Ook hier is von Karajan op DG weer een uitstekende keuze naast alweer Colin Davis op Philips.

Volgende maand deel 3 van de laatromantiek met o.a. de Duitse meesters uit deze bewogen periode. Er is uiteraard verschil tussen de generatie van omstreeks 1840 die haar werkzaamheden afsluit en de generatie die zich volledig ontplooit in dit tijdsgewricht. Dus tussen Smetana, Dvorak Tchaikovsky etc. aan de ene – en Debussy, Ravel, Mahler en Reger aan de andere kant. Ook al gehoorzamen generatiegenoten vaak aan één en dezelfde impuls, afhankelijk van het land van herkomst of individuele geaardheid vallen er dus belangrijke verschillen te constateren.

Categorie: Muziekgeschiedenis, Vinyl | Reageer »

Reacties

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.