Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Muziekgeschiedenis

« Vorige berichten

A portrait of Hans Kox

Wednesday, January 28th, 2015

kox-front2KOX
A portrait of Hans Kox
Die Todesfrau 
- Lalage’s Monologues 
- Gedächtnislieder
ATTACCA ATT 2014137 DDD: CD 67.55 DVD 40.00

Uitvoering **** | Opname ****

Dit portret van Hans Kox bestaat uit een CD en DVD. Op de CD staan drie werken: de dramatische legende Die Todesfrau voor drie solostemmen kamerkoor, fluit en cello; de Lalage’s Monologues voor sopraan viool en piano en de Gedächtenislieder naar gedichten van Paul Celan voor kamerorkest, sopraan en basklarinet. De DVD speelt zich af tijdens de repetitie van Kox’ 5de symfonie. Zijn componeren begint bij de Duitse inval in Nederland 1940. Ofschoon Kox zich aanvankelijk aansloot bij de notenkrakers, trok hij zich daar later weer uit terug. Ook bleef zijn muziek geworteld in de Europese traditie, waardoor zijn kunst werd afgedaan als niet vernieuwend en zelfs gedateerd. Kon ook niet anders in het Nederland van de jaren 60 en het modernisme. In de documentaire maakt hij kalm en zonder een spoortje bitterheid duidelijk, dat hij niets heeft met de seriële muziek. De methode van componeren die volgens Kox geen echte diepte bereikt. Hoewel hij zichzelf een cultuur pessimist noemt, gelooft hij toch dat de huidige generatie jong volwassenen de muziek die sterk wortelt in de Romantiek, weer zal herontdekken en waarderen. Kox’ muziek is indringend en verdient meer aandacht. Hopelijk zal er meer muziek van hem beschikbaar komen. In de tussentijd mogen we blij zijn met deze uitgave.

Emile Stoffels
Luister Magazine 701

Paganini en het artiestendom

Thursday, August 2nd, 2012

“Daar viert de bleke man met de donkere wilde haartooi, dit wandelende skelet met zijn viool, deze duivelsviolist nog steeds demonische triomfen; vrouwen – bij voorkeur jonge mooie adellijke vrouwen – aan de lopende band verleidend en door zijn spel in extase brengend.” Norbert Loeser

“Is het wel verantwoord”, vroeg Loeser zich af “om, de dag waarop Niccolo Paganini werd geboren, te herdenken? Leven hij en zijn werk nog buiten de film en de operette?” Het antwoord daarop is volmondig en zonder ook maar een spoortje van twijfel: JA! Paganini handhaaft zich taai in de muziekgeschiedenis. Was hij de eerste echte artiest en de stichter van het artiestendom? Werd hier de artiestenpose geïntroduceerd met het daarbij behorend uiterlijke vertoon? De over expressie, de maniertjes, de glamour?

De omgekeerde wereld

Als wij op weg zijn en een aanplakbiljet zien dat een concert aankondigt, dan ontgaat ons de naam van de uitvoerende musicus zeker niet. De naam van de componist is evenwel een stuk moeilijker te lezen. Een omgekeerde wereld: de uitvoerende is belangrijker geworden dan de componist. Het kunstwerk en de schepper daarvan, staan in dienst van de uitvoerende. En wat de zaak er bepaald niet gemakkelijker op maakt, is dat we maar al te vaak de termen artiest/musicus enerzijds en componist anderzijds door elkaar gebruiken. Veelal is dat ook geen probleem: Paganini was immers beide, maar dat geldt niet voor iedereen…

De toondichter en zijn tiran

De basis voor deze ontwikkeling werd al vroeg in de Romantiek gelegd. De tijd was aangebroken dat de componist hoofdzakelijk voor de burger schreef. De bourgeoisie met zijn ambities om de aristocratie naar de kroon te steken. De burger die overal in het openbare leven de leiding heeft genomen en tevens verlangt dat er met zijn smaak, behoeften en verlangens rekening wordt gehouden. Onverschillig over welke werken en onderwerpen het gaat: de burger dient het middelpunt van iedere artistieke inspanning te zijn. Hierdoor wordt hij tevens de kleingeestige onderdrukker van de kunstenaar. Tegelijkertijd werd de componist voor de uitvoering van zijn werk, steeds afhankelijker van de welwillendheid van dirigenten, solisten, ensembles etc. Kortom het concertwezen, dat op zijn beurt evenzo rekening moest houden met de smaak van het publiek: de ontwikkeling van het ijzeren repertoire. Nog steeds was er wel een mate van harmonie tussen kunstenaar en publiek; pas later zou er een koude oorlog ontstaan.

De duivelskunstenaar

De belangrijkste figuur op instrumentaal gebied voor Italië in deze periode (1800- 1850) is ontegenzeggelijk Niccolo Paganini. Ook op hem was de oudtestamentische spreuk van toepassing die stelt dat een meester in welk beroep of discipline dan ook, voor koningen zal worden geleid. Van 1805 tot 1813 was hij muziekdirecteur in dienst van Napoleons zuster Elisa Baciocchi, de prinses van Lucca. Deze stad werd in 1805 geannexeerd door Frankrijk en Paganini werd hofviolist. In 1807 werd Baciocchi Groothertogin van Toscane en zodoende verhuisde zij en haar hof naar Florence. Paganini hoorde bij deze entourage, maar tegen het einde van 1809 verliet hij Baciocchi om zijn freelance carrière weer op te pakken.

Ofschoon zijn 24 Caprices voor viool solo waardevolle en bij momenten geniale muziek bevat, zien we hem eigenlijk meer als de onsterfelijke virtuoos, dan als componist. De bewondering van de Schumann’s, Chopin en Liszt bewijzen dat ook hij een groot kunstenaar was, hoewel ook de grote geesten uit het verleden zich soms lelijk kunnen vergissen. Afgezien van Liszt heeft geen virtuoos ooit zo sterk tot de verbeelding van toehoorders gesproken, als Niccolo Paganini. Pas nadat de genoemde meesters hem live gezien hadden op het podium, stippelden zij hun solocarrière uit. Wisten zij welke richting ze op moesten. In Paganini’s werk komen voor het eerst de specifiek muzikale waarden en de elementen van pure virtuositeit bij elkaar.

Echter, hij blijft vooral een verschijning van symbolische betekenis. Zijn wonderlijke uiterlijk en verbluffende techniek, als ook het effectbejag bij zijn optreden schiepen tal van mythen, onder andere dat hij een verbond met de duivel had. Hij was zo’n magiër met zijn viool dat hij – overal waar hij kwam – sensatie teweegbracht. Het effect werd nog eens versterkt door zijn lange, smalle, spookachtige gestalte, zijn wassen gezicht en lange zwarte haar. Hij speelde vrijwel uitsluitend eigen werk, speciaal geschreven om zijn verbluffende viooltechniek te etaleren.

Glamour

Paganini luidde hiermee het tijdperk van het artiestendom in. De ster die alle PR en reclame middelen gebruikt, ter wille van de roem, het succes en de mammon. Dat, wat wij tegenwoordig zo wijdverbreid binnen de popmuziek zien. Maar ook binnen de klassieke muziek, zien wij deze ontwikkeling. De verheerlijking van de uitvoerende musicus in de media en ook in het cd boekje dat we wellicht op dit moment in onze hand houden, neemt inmiddels misselijkmakende vormen aan. De uitvoerende heeft al lang niet meer het voorkomen van een nederige dienaar in dienst van de kunst. Deze glamour wereld wordt evenwel mede in stand gehouden door het publiek, die de artiest min of meer heeft gemaakt en voedt…

Emile Stoffels
Luister 683

De Romantiek IV – Frankrijk

Thursday, December 30th, 2010

De Romantiek IV

Frankrijk

Met het Congres van Wenen in 1815 hoopte men rust en stabiliteit in Europa te brengen. Als we echter de historische kaarten van Europa bekijken vanaf dat moment, dan is daar bitter weinig van terecht gekomen. Bonaparte was weliswaar verslagen en Frankrijk tot zijn ‘natuurlijke grenzen’ teruggebracht, maar de nationalistische gevoelens die door de Franse Revolutie waren aangewakkerd – ook bij andere naties – hadden nu genoeg kritische massa. Het nationalisme werd de nieuwe niet te stuiten religie en zou ook een grote voedingsbodem blijken te zijn voor de toonkunst.

Frankrijk ging op dat gebied zelfs een grote rol van betekenis spelen naast Duitsland en is met Hector Berlioz (1803 – 1869) een van de grootste en invloedrijkste toonzetters van de Romantiek. Deze is, als muzikale stamvader met zijn ‘traité de l’instrumentation’ als orkestrale bijbel, maatgevend voor velen geweest.
Met zijn Symfonie Fantastique – slechts 3 jaar na Beethoven’s dood (!) – geeft hij de klassieke symfonie een programmawerking en kunnen we dit gedurfde werk gerust de sjabloon noemen voor de moderne programma symfonie voor veel componisten. Het is een 5-delig werk – wat al opvallend is in zichzelf – dat sterk als autobiografisch gezien kan worden en bij uitbreiding tot een zelfportret van de Romanticus van die tijd. Het programma beschrijft verschillende situaties in het leven waarin de kunstenaar, verzeild kan raken. Berlioz had recentelijk kennis gemaakt met de werken van Shakespeare en de symfonieën van Beethoven. De directe aanleiding echter was een uitvoering in 1827 van Hamlet van degenoemde dramaturg, met ene Herriett Smithson in de rol van Ophelia. Zij blonk bepaald uit en haar verschijning, moet als een bom zijn ingeslagen. De vrouw zou een dwanggedachte voor hem worden en na twee jaar zou hij zijn gevoelens vastleggen in de Symfonie Fantastique om zichzelf te bevrijden van deze obsessie. Een wederkerend muzikaal motief vertegenwoordigt deze Idée Fixe. Er is hier geen plaats alle delen uitvoerig te beschrijven, maar de Mars naar het schavot (het vierde deel) is wellicht het meest typerend. Dit stuk is zo evocatief dat, zelfs als we de titel niet zouden weten, we wel horen dat het hier gaat om een terechtstelling of iets dat daar op lijkt. Het vijfde deel – De Heksen Sabbat – is zeer zeker voor die tijd angstaanjagend geweest.
Uit bronnen blijkt dat Berlioz, nadat hij de eerste drie delen had gecomponeerd, hoorde dat Herriett geen hoofdrollen meer speelde maar louter figureerde. Dit was een bittere teleurstelling voor hem en de gedachte is dat de twee laatste delen in het teken staan van wraak. Wraak voor de obsessie die zijn leven zo had beheerst.
De Fantastique is altijd sterk vertegenwoordigd geweest in de catalogi en er zijn veel goede uitvoeringen. De nummer één is toch wel die met Davis en het Concertgebouworkest op Philips (6500 774). Hij heeft dit werk drie keer vastgelegd: met het LSO, het CGO en de Weners. De laatste is echter alleen op CD beschikbaar. De CGO opname uit 1974 onderscheidt zich door een hoge mate van natuurlijkheid. Ook de hoes is prachtig met The Devil’s Incantation door de Goya (1746 – 1828).
Een andere goede vinden we op Decca door Haitink (SXL 6938) uit de nadagen van het analoge tijdperk. Helaas een aartslelijke hoes, maar ook een spectaculair natuurlijke opname. Mogelijk Decca’s beste opname uit de herfst van het analoge tijdperk.
Andere uitstekende alternatieven zijn die door Abbado (DG 410 895-1) en von Karajan (DG 2530 597) prachtige DG hoezen weer overigens.
Uiteraard moeten we het grootse Requiem nog noemen, het Te Deum, zijn Lelio dat een vervolg is op de Fantastique zijn Harold en Italie en de liederencyclus La Nuit D’ete. Het integrale Berlioz programma is uitgekomen op Philips onder Colin Davis en kan rustig als de ruggengraat genoemd worden.

Er is meerdere malen op gewezen dat de symfonie als vorm zijn heerschappij voor een groot deel aan het symfonische gedicht heeft afgestaan. Dit geldt ook voor de sonate die zijn gezag heeft afgegeven aan kleinere op de literatuur geïnspireerde vormen zoals het impromptu, prelude, nocturne, ballade enz. Door de belangstelling van de componist voor nationalistische thema’s verschijnen er ook typische dansvormen zoals de polonaise en de mazurka.

Dit brengt ons direct bij Frederic Chopin (1810 – 1849), die ondanks de zojuist genoemde vormen een van de minst literair ingestelde componisten van de Romantiek blijkt te zijn. Zijn subjectieve kunst dringt diep door in de nachtelijke aspecten van het menselijke leven en vooronderstelt geen literaire inhoud, maar is wel in hoge mate visionair, angstig, doch kernachtig en gecondenseerd. Ofschoon in Polen geboren, rekenen we deze componist tot de Franse Romantiek. Niet alleen omdat zijn vader Frans was, maar zijn kunst is onmiskenbaar Frans.
Belangrijkste interpreten zijn wel Arrau (Philips), Rubinstein (RCA) en Ashkenazy (DECCA). De laatste twee domineren zo’n  beetje de catalogus, maar Barenboim, Polini, Pires en Argerich (allen op DG) hebben hun sporen in deze muziek ook verdiend.
Zijn ballades dragen een nachtelijke lading. Ze bouwen voort op de gezongen ballades van Schubert, maar krijgen bij hem een totaal nieuwe vorm en inhoud.
Uit zijn Etudes opus 10 is het derde stuk natuurlijk overbekend. Dit is weer zo’n moment dat aangrijpt, zeg maar, op het middenrif. De Etudes hadden een technische uitdaging als uitgangspunt, maar de originaliteit van deze werken maakte de aanleiding tot bijzaak. Laten we volstaan te zeggen dat het gehele piano oeuvre van Chopin uniek en richtinggevend is geweest voor de muziekgeschiedenis.

Een andere opmerkelijke ontwikkeling tijdens de Romantiek in Frankrijk speelt zich af in de orgelkunst. De orgels in deze tijd onderscheiden zich door een grotere soepelheid in de toonvorming en een grotere verscheidenheid van de registers. En voornamelijk in Frankrijk zijn de orgels door het romantische orkest beïnvloed. De registers zijn naar de gevoelige aard van de strijkers, fluiten, hobo’s enz geïntoneerd, zonder dat de Franse orgelbouwmeesters de kernmerken van het klassieke tijdperk hadden opgeofferd.

Charles Camille Saint-Saëns (1835 – 1921) die ons – ondanks zijn charme – niet zo heel erg veel heeft te vertellen, is vooral beroemd om zijn orgelsymfonie. Hoewel het wemelt van goede uitvoeringen, is de interpretatie van Barenboim (DG 2530 619) wel zeer de moeite waard. Het valt namelijk niet mee voor een mastering engineer een dergelijk werk voor groot orkest uitgebreid mét orgel goed te snijden, maar hier heeft DG het toch aardig gedaan. We hebben deze opname diverse keren, hoog genoteerd op audiofiele lijsten gezien.

Ofschoon hij niet in deze stijlperiode thuishoort, noem ik in dit verband toch nog het orgelconcert uit 1938 van Francis Poulenc (1899 – 1963) die ons inhoudelijk meer te bieden heeft en dieper peilt. Een orgelthriller met aan het slot een schitterend eerbetoon aan Bach. Marie Claire Alain met Martinon (dus niet met Conlon!) op Erato (STU 70637) is een must. Weliswaar niet op vinyl, maar toch vermeldenswaard is de Symphonie Concertante van Joseph Jongen (1873 – 1953) onder de Waart op Telarc.

Echter, het is César Francks (1822 – 1890) orgelmuziek die ons hoofd naar boven richt, zoekend naar de religieuze ervaring. Denkelijk na Bach de belangrijkste orgelcomponist. Het religieuze en meditatieve karakter dat zijn muziek draagt, deelt hij met Bruckner, maar is meer hymnisch. Zijn Six Pièce d’Orgue zijn van een onmetelijke schoonheid, maar dat geldt eigenlijk voor al zijn orgelwerken. Albert de Klerk op CBS (S77332) of David Sanger (Bis) ziet men regelmatig tweede hands. Francks Prelude, Koraal & Fuga – stevig bekritiseerd door Saint Saëns – behoort tot de beste stukken uit de pianoliteratuur. Devoyon op Erato (NUM 75098) koppelt dit beeldige werk met de Prelude, Aria en Finale die bijna van hetzelfde hoge niveau is. De twee werken zouden leiden tot de drie prachtige grote Koralen voor orgel. Het lijkt erop dat Franck van 1884 tot 1887 naar een nieuwe klavierstijl zocht. Dit vond zijn hoogtepunt in een uniek zangerig pianoconcert, de Variations Symphoniques die een waardige voortzetting is van de pianoconcerten van Beethoven.

Deze maand sluiten we de Romantiek af. De volgende keren zullen we de grote Klassieken bespreken: Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert. Representanten van een tijdperk die men terecht als een van de hoogtepunten kan zien van de West-Europese beschaving.

De Romantiek III

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek III

Met deze maand sluiten we de laatste grote Duitse componisten uit de Romantiek af. We bespraken al eerder dat men in deze generatie kunstenaars, een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende inwerking uitoefenen op de toonkunst. Maar ook de industrialisering en daarmee ook het ontstaan van het socialisme, begint het psychische klimaat van de kunstenaar te bepalen.

Het fenomeen Richard Wagner (1813 – 1883) en diens invloed is al in vorige artikelen besproken. Zijn belang en inwerking op de muziek van de 19de eeuw is nauwelijks te overschatten en hij is lang gezien als degene die aan de wieg stond van de moderne muziek. Aangezien zijn grootste en voornaamste bijdrage aan de opera is en deze artikelen als belangrijkste speerpunt de symfonie hebben, valt Wagner eigenlijk buiten het bestek van deze serie. Dat geldt ook voor Verdi (1813 – 1901) die zijn grote tegenspeler in Italië was. Het geldt uiteraard voor alle componisten die voornamelijk opera’s hebben geschreven. Berlioz komt later wel aan de beurt op basis van zijn Symfonie Fantastique. Maar laat duidelijk zijn dat Wagner een van de grootste hemellichamen in ons stelsel is.
Voor Wagner’s opera’s adviseer ik om (eerst) de ouvertures te beluisteren. In de 19de eeuw legde men een duidelijk thematisch verband tussen de ouverture en de belangrijkste episoden van de opera. Deze kunnen dus als een soort synopsis dienen en worden regelmatig 2de hands aangeboden evenals de dwarsdoorsneden en hoogtepunten. Solti op Decca, Böhm en von Karajan op DG zijn de grote namen in deze.

Ook Franz Liszt (1811 -1886) geboren in Hongarije maar de grootste muzikale wereldburger van deze eeuw, mag uiteraard niet ontbreken. Al was het alleen om het feit dat hij de schepper van het symfonische gedicht is en zodoende in meer vrijheid voor de componist voorzag. Velen hebben zich hiervan bediend: Strauss, Smetana, Dvorak, Saint-Saens en zelfs Debussy’s La Mer is ondenkbaar zonder Liszts ontdekkingen.
Tijdens zijn verblijf in Parijs heeft hij zich ingeleefd in de Franse cultuur en zich onder andere op dichter Victor Hugo geïnspireerd. Vandaar ook de Franse titels zoals zijn Les Preludes die het meest populair gebleven is van zijn symfonische gedichten. In Weimar kwam hij weer in contact met de Duitse cultuur waaruit de Faust Symfonie uit 1854 ontstond. Uitstekende keus hier is Bernstein op DG (2707 100) met de BSO. Maar ook Italië was een vaderland voor hem en inspireerde hem tot de Dante Symfonie.
Van zijn klavierwerken staat de sonate in b centraal. De pianoconcerten door Arrau (solist) en Davis (Philips 412 926-1) worden vaak aangeboden en klinken overrompelend. Samen met Wagner is hij de hoofdrolspeler van de Norddeutsche Schule.

Aanknopend bij de klassieken met een heldere, klare bijna ijle klank is Felix Mendelssohn Bartholdy (1809 – 1847). Een vroegrijpe geest die op 17 jarige leeftijd al de sprookjesachtige ouverture Midzomernachtsdroom (Szell op Philips Sequenza 6527 056!) componeerde. Mendelssohn – Joods van geboorte maar gedoopt in de Gereformeerde kerk – was het die Bachs Mattheus Passie weer op de kaart zette en alleen daarom al een standbeeld verdient. Nietzsche zei: “Felix Mendelssohn’s muziek is de muziek van de goede smaak, voor al het goede dat reeds geweest is: zij wijst steeds achter zich”. Vergeleken met Schumann – zij waren goede vrienden – is Mendelssohns muziek helderder en sprankelender.  Ook even edel, maar minder diep. Over Schumanns kunst ligt een soort van patina.
De slanke lenige pianoconcerten zijn een mooi voorbeeld hiervan. CBS heeft beide pianoconcerten gekoppeld met Perahia (solist) en Marriner (CDS 76576). De hoes is aartslelijk, maar de uitvoering en klank zijn buitengewoon. Mendelssohn is echter het meest beroemd om het prachtige vioolconcert uit 1845 waar ontelbare uitvoeringen van zijn. Hoog aangeschreven staat nog altijd die door Mutter (solist) en von Karajan (DG 2532 016).
Het beeldige octet door I Musici (Philips Sequenza 6527 076) zie je regelmatig in het 2de hands circuit. Schitterende opname met twee van zijn twaalf jeugd symfonieën voor strijkers. In deze vroege composities zitten verrassende momenten van zeldzame schoonheid die naar Bach wijzen. Ook zijn strijkkwartetten opus 12 en 13 zijn niet te versmaden. Het LaSalle Kwartet (DG 2530 053) geeft vurige vertolkingen van deze stukken.

Zijn derde symfonie heeft als bijnaam de Schotse en valt op door de donker en herfstig gekleurde harmonieën. De uitvoering door Peter Maag op de budget serie Ace of Diamonds van Decca (SDD 145) is zondermeer de zoektocht waard. Zeldzaam mooie opname en Maag doet alles goed. De koppeling is met de prachtige Ouverture de Hebriden, dat een soort concentraat is van de Schotse. Een werk van een verbluffende oorspronkelijkheid en het sublieme in de natuur blootlegt. Het is het pendant van de Manfred Ouverture van Schumann. Voor de Schotse zijn er prima alternatieven: Haitink met het LPO (Philips 9500 535) en Dohnányi op Decca met het VPO, maar voor de Hebriden Ouverture wordt dat een stuk lastiger.
Hoe anders is zijn vierde met als bijnaam de Italiaanse. Volslagen andere wereld dan de vorige symfonie. De opening kennen we allemaal. Het zijn van die “Oh ja…” melodieën die blijkbaar diep in onze west Europese vezels zitten.
Voor wat betreft de koppeling met zijn andere symfonieën zijn Abbado (Decca en DG), Leppard (Erato STU 71064) en Maazel (DG 138 684) aan te bevelen. De laatst genoemden koppelen de vierde en de Reformation (de vijfde). De bekende 3de en 4de symfonie worden meestal gekoppeld, maar lang niet altijd. Als ik een top 3 zou moeten maken van meest voorkomende platen in het tweede hands circuit, dan staat de volgende plaat daar zeker in: de uitvoering van de ‘Italiaanse’ door Sinopoli (DG 410 862-1) gekoppeld met de Unvollendete van Schubert. Wat een fantastische uitvoering, opname en cover!
Overigens het ‘probleem’ Schubert – een van de grootste geesten van de Europese toonkunst – zullen we binnen de stijlperiode behandelen voorafgaand aan de Romantiek.

We zagen ook weer in deze periode dat er in Duitsland verschillende generaties tegelijkertijd actief zijn. Enerzijds kunstenaars die door hun hoge leeftijd toch nog steeds een aanzienlijke invloed hebben op de laatromantiek en in de tweede helft van de 19de eeuw tot volle wasdom komen. Anderzijds een generatie die nog wortelt in de periode voorafgaand aan de Romantiek: het Classicisme. En er is een middengroep die zich ontplooide tijdens de eerste helft van de 19de eeuw. In Frankrijk en Italië – de andere twee dominante naties – was dat niet anders. Volgende maand komen de grote Franse Romantische componisten aan bod: Berlioz, Franck en Chopin. De Franse romantici die zich later zouden verzetten tegen de Duitse invloed.

De Romantiek II

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek II

Het woord Romantiek is ons in de mond bestorven; het is onmogelijk zelfs bij benadering alles op te noemen wat heden als romantisch wordt gekwalificeerd; Shakespeare of Chopin evengoed als een zesde-rangs film of een van de duizend-en-een romannetjes, die al voor het ter perse gaan verouderd zijn. (Norbert Loeser).

Het mag duidelijk zijn dat de term Romantiek meestal verkeerd wordt gebruikt en begrepen, waardoor de juiste betekenis verloren dreigt te gaan van dit cultuurhistorische verschijnsel, waarvan de wortels al liggen in de 18de eeuw bij de poëzie, literatuur en filosofie. Het fenomeen Romantiek is veel complexer dan de meeste mensen vermoeden en heeft vooral een duistere nachtelijke kant zoals duidelijk blijkt uit de persoonlijke omstandigheden van diverse kunstenaars. De grootheidswaanzin van Wagner, de krankzinnigheid van Schumann, het fantastische van Berlioz, enz.

De grote tegenspeler van Wagner in Duitsland en generatiegenoot van Bruckner was Johannes Brahms (1833 – 1897). Uiteraard had ook hij te maken met de veranderde geestelijke houding in Europa die de componist min of meer dwong om van het traditionele vormschema af te wijken. Zelf behoorde Brahms bij een beweging in de Romantiek die tegen de stroom van de Wagneriaanse school inging en de 18de eeuwse traditie fel verdedigde. Hij trachtte de klassieke stijl te verbinden met de romantische ideeën. Een meester van de intimiteit en de kleine vormen zoals ballade, rapsodie en het lied. Ook wel eens de geniaalste knutselaar genoemd, omdat hij de “grote overgeleverde vorm met louter kleinere eenheden vult”. Dit bracht de grote denker Nietzsche ertoe Brahms’ stijl de “Melancholie des Unvermögens” te noemen.

Puur vormtechnisch gezien, ligt zijn grootste bijdrage in de kamermuziek. Echter, zijn symfonieën zijn toch indrukwekkend. In tegenstelling tot Wagner en Berlioz die het orkest behoorlijk hadden uitgebreid, gebruikt Brahms voor zijn symfonieën niet meer instrumenten dan Beethoven voor zijn negende.
Zijn eerste symfonie wordt wel eens Beethovens 10de genoemd en zou bij serieuze klassieke muziek liefhebbers niet mogen ontbreken. De overeenkomsten met Beethoven zijn duidelijk: de heroïsche strijd en overwinning, dit alles echter op zijn eigen lyrische manier. Het intro grijpt direct aan; het is een weemoedige klacht. Het tweede deel hoort bij Brahms’ mooiste stukken voor orkest, met een prachtige melodie in de hobo. In de finale klinkt wederom Beethoven door: verbroedering.

Er zijn in de loop der tijd heel veel goede uitvoeringen vastgelegd door de grote labels en ze hebben allemaal zo hun charmes. Solti en Chailly op Decca; Jochum, Klemperer en Boult op EMI; Böhm (2 keer), Giulini, Abbado en von Karajan (3 keer) op DG. Er is echter één uitvoering waar ik iedere keer weer op terugval. En dat is die door Haitink (Philips 416 661-1) met het Concertgebouw Orkest in topvorm. Vermeldenswaard is dat de heruitgave – die vreemd genoeg moeilijk te vinden is – een fractie transparanter klinkt dan de oorspronkelijke uitgave. Ofschoon Haitink dan net niet dat weemoedige, klagende, pathetische benadrukt zoals Giulini en von Karajan dat doen, verrast Haitink mij keer op keer door de elastische aanpak. Ritmisch klopt het altijd bij deze man. En een heerlijke opname ook.

Dan de vierde symfonie. De trant van dit mooie werk is wel eens gekarakteriseerd als een herfststemming. Het meeslepende openingsthema spreekt direct aan. De climax op het einde van deel 1 is ingetogen maar gloedvol en waardig. Voor de uitvoering valt hetzelfde te zeggen als voor de eerste symfonie. Opvallend is de opname door Kleiber (DG 2532 003) die een zeer gelaagde uitvoering geeft.

Brahms heeft enorm geworsteld met de symfonie als vorm. Het eerste pianoconcert op. 15 was aanvankelijk als symfonie bedoeld. Men noemt het wel eens symfonie met obligaat klavier. De opening is huiveringwekkend voor romantische begrippen. Het tweede deel hoort bij Brahms’ meest aangrijpende stukken, terwijl het derde deel weer opvalt in edelheid. Ook hier zijn weer heel veel goede uitvoeringen van. Twee uitvoeringen duiken vaak op in het 2de hands circuit: Curzon met Szell (SXL 6023) en Haitink met Ashkenazy (SXDL 7552) beide op Decca en ook nog op de goedkope serie ‘de klassieken’ te vinden.

Bij het schrijven van het Vioolconcert sprak Brahms vaak met violist Joachim over de technische eisen. De laatste introduceerde het werk in verschillende steden. Toch werd het werk over het algemeen een “Konzert gegen die Violine” genoemd. We zijn nu zo’n 130 jaar verder en het heeft terecht repertoire gehouden. Krebbers met Haitink op Philips (6599 435) is er een waar je bijna mee doodgegooid wordt en voor kringloopprijzen, maar wat een geweldige uitvoering! Weer dezelfde lof als voor de symfonieën. Ik zou op vinyl niet verder zoeken. Overigens klinkt de CD erg goed en zit ook in de budget lijn van Philips.

Degene die de grootste en ingrijpendste invloed op Brahms heeft gehad is Robert Schumann (1810 -1856). Wellicht mogen we hem het archetype romanticus noemen. Een romantische dromer, literair begaafd en politiek geëngageerd. Typisch voor deze tijdsperiode: de kunstenaar die zich breed oriënteerde. Een tragisch verhaal van een genie die de dood op relatief jonge leeftijd zou vinden door krankzinnigheid en uitputting. Dit is een van die nachtelijke kanten van de romantiek.
De Manfred ouverture gebaseerd op het dramatische gedicht van Lord Byron is waarschijnlijk zijn mooiste orkestwerk. Schumann zei er zelf het volgende over: “Nog nooit heb ik mij met zoveel liefde en met zoveelconcentratie van al mijn krachten aan een compositie gegeven als aan de Manfred”. Literair begaafd als hij zelf ook was, zal hij zich direct aangetrokken hebben gevoeld tot dit gedicht waarin “de demonische held van Byron, een wonderlijk mengsel is van de bespiegelende Faust en de misdadige door wroeging gekwelde Macbeth”, zoals verwoord door Höweller. In deze ouverture horen we inderdaad de verscheurdheid, het bitterzoete en de fatale schoonheid van de Romantiek. Ik persoonlijk denk dat er geen werk in de romantiek te vinden is, die deze nachtelijke aspecten zo voor het voetlicht brengt. Maar ook de nobele fluitmelodie aan het einde laat me iedere keer weer sterven. Er zijn twee uitvoeringen die de zoektocht waard zijn. Barenboim en Giulini beiden op DG. Bij de laatste is goed te horen dat het werk met een opmaat begint. Door kenners een witte raaf onder de orkestwerken genoemd.

Net als Barenboim (DG 2530 940) koppelt Giulini (DG 2532 040) deze ouverture aan de derde symfonie (Reinißche). Een mooiere koppeling kun je je niet voorstellen. Maar er zijn meerdere uitstekende uitvoeringen van deze symfonie. Bijvoorbeeld die door Kubelik ook op DG (138908).  Bernstein (DG 415 358-1) geeft ook op zijn manier weer een bevlogen uitvoering met op kant 2 het pianoconcert op. 54 dat tot de mooiste pianoconcerten hoort. De godin Argerich (DG 415 721-1) met Rostropovich als dirigent, laat weer zien dat dit repertoire voor haar geschreven lijkt te zijn.
In dezelfde Barenboim DG cyclus is de tweede symfonie ook erg mooi (2530 939) en gekoppeld met het weinig uitgevoerde en vastgelegde Concertstuk voor vier hoorns. Een andere interessante optie m.b.t. de tweede is die van Bernstein (DG 419 190-1). Nu is de koppeling met het schitterende Celloconcert, met Maisky als solist. In het werk ontmoet de laatste wel veel concurrentie in de oude rot Rostropovich. De heruitgave in de Klassieken serie (DG 7399 070), klinkt hoorbaar beter dan de oorspronkelijke.
Toch is Schumann vooral ook een kamercomponist geweest. Het Pianokwintet op. 44 is een van de hoogtepunten. Een mooie uitvoering geeft het Alban Berg Kwartet met Entremont op piano op EMI (27 0447-1) een opvallend mooie live opname, met als koppeling het dissonanten kwartet van Mozart. Een ander over het hoofd gezien werkje van Schumann, maar met een ongehoorde schoonheid zijn de drie Romanzen voor hobo en piano op. 94. De enige vertolking die ik op vinyl ken is die door Hansjörg Schellenberger (hobo) en Rolf Koenen (piano) op DG in de Debut serie (2555 013).

De volgende keer zullen we de generatiegenoten van Robert Schumann bespreken. Een generatie die in de kunstenaar een universele verschijning zag. Een tijdsperiode waarin wijsbegeerte, literatuur en poëzie een toenemende invloed uitoefenen op de toonkunst.

De Romantiek I – Anton Bruckner

Wednesday, December 29th, 2010

De Romantiek I

Anton Bruckner (1824 – 1896)

Sommige muziek is zo verheven, schoon en edel, dat het bespreken ervan al een ontheiliging bewerkt. Iedere omschrijving gedoemd is te mislukken. Iedere verhandeling, onbevredigend blijkt. Dat geldt zeker voor de muziek van Anton Bruckner. Dit artikel is volledig aan hem gewijd, omdat hij een totaal eigen plaats inneemt in de 19de eeuwse muziek en zich volledig aan de periferie van de romantiek – en alles wat daarmee verband houdt -, bevond. De volledige concentratie op de symfonie als vorm en kunstwerk kon hij alleen volhouden, door zich vrijwel altijd afzijdig te houden van de literaire en filosofische stromingen, maar ook van zijn collega’s uit de beeldende kunst. Een andere reden is de vaste overtuiging dat in Bruckners kunst het fenomeen symfonie, de absolute bekroning vindt. Daarmee is overigens allerminst gezegd dat een Beethoven, Schubert of Mozart symfonie minder gaaf en bevredigend is.

Ontstaansgeschiedenis van de symfonie

Het blijkt dat Haydn ten onrechte de geestelijke vader genoemd wordt van de symfonie. Uit publicaties blijkt dat hij de verworvenheden van diverse voorgangers ‘slechts’ heeft toegepast. Diverse componisten uit verschillende plaatsen zijn verantwoordelijk voor de geboorte van het vormschema symfonie. Mannheim heeft naam met Johann Stamitz (1717 – 1757), maar evenzeer de noord Duitse school met CPE. Bach (1714 – 1788) en broer Wilhelm Friedemann (1710 – 1784), de Weense school met George Matthias Monn (1717 – 1750) en de Italiaanse school met Giovanni Battista Sammartini (1701 – 1775).

De verworvenheden van deze grote pioniers zijn uiteindelijk met succes door Haydn en Mozart toegepast, gecultiveerd en verder bewerkt. Via harmonische uitbreidingen door Beethoven en Berlioz, zou de lijn der ontwikkeling verder gaan om in Bruckner de meester te vinden die de symfonie een ingrijpende gedaantewisseling zou laten ondergaan, zonder de essentie aan te tasten. Hij is er in geslaagd de symfonie als vorm in overeenstemming te brengen met de veranderde geestelijke positie in de Romantiek. Een voorbeeld is de toevoeging van een derde thema of themagroep. Pas na hem zou de symfonie een langzame dood sterven.

De Symfonieën van Bruckner

De grote fout die men wel maakt is dat men de Bruckner symfonieën vergelijkt met die van de grote klassieke meesters voor hem; zoals Beethoven. Alleen al vanuit psychologisch standpunt is de kunst van deze grootse romanticus anders dan de klassieke reus Beethoven, die het mensenleed en de broederliefde bezingt. Ook is Bruckner niet de held van zijn eigen symfonieën, zoals we dat van Beethoven veronderstellen. Zijn muziek is – zij het op geheel eigen wijze – even objectief en boven persoonlijk als die van Bach.
Ook de zelfbewustheid waarmee een Wagner of Beethoven en zijn eigen tijdgenoten componeerde, is hem vreemd en ik ben geneigd te denken dat hij zich niet of nauwelijks bewust was hoe belangrijk zijn bijdrage aan de symfonische kunst wel was. Terwijl een Berlioz of Beethoven, dat wel degelijk wisten. De mooiste typering over de persoon Bruckner is wellicht die door van Hengel in diens Bruckner biografie: half imperator, half heilige. Het is overigens altijd interessant hoe de groten der aarde over elkaar praten. Johannes Brahms moet eens tegen Bruckner gezegd hebben: “ik begrijp helemaal niets van uw muziek”, waarop Bruckner repliceerde: “dat is toevallig, laat ik nu precies hetzelfde hebben”.

Er zijn er geweest die Bruckner als een Wagner epigoon hebben betiteld. Het is waar dat Bruckner Wagner aanbad en in hem een harmonische bevrijder zag. Een aantal verworvenheden van Wagner heeft Bruckner ook wel gebruikt. Maar meer ook niet en dan nog geheel op zijn eigen wijze. Alleen al het feit dat Bruckner zich niets aantrok van zijn held Wagner, om gewoon symfonieën te blijven schrijven zegt genoeg (zie vorig artikel). De opmerking door sommigen in het verleden dat Bruckner’s muziek slechts symfonische uitingen van Wagners’ opera’s zijn, is volslagen belachelijk.

Vergelijking met een Beethoven symfonie bijvoorbeeld, leert dat Bruckner het orkest significant heeft uitgebreid: een derde trompet, een bastuba, een grotere houtsectie, een harp (in de achtste) en uiteraard de zgn. Wagner tuba’s in de laatste drie symfonieën, waardoor de orkestklank aanzienlijk donkerder wordt gekleurd. Deze uitbreiding in het koper en hout, heeft natuurlijk consequenties voor de orkestklankbalans. Omdat de strijkers tegenover een massaler blazercomplex staan dan in de klassieke symfonie, moet hun aantal ook uitgebreid worden.

Zelden hebben we in de symfonische literatuur gezien dat de tweede violen en alten uit hun ondergeschikte plaats in het orkest worden gehaald en een eigen rol krijgen; en veelal zelfs een leidende functie.
Een ander opvallend en buitengewoon interessant aspect is dat de tweede violen rechts (voor de concertbezoeker) opgesteld dienen te worden, wat consequenties voor de totaalklank heeft. Omdat nu bij deze opstelling de F-gaten op het bovenblad der tweede violen meer naar achteren stralen, krijgen ze zodoende een meer omfloerste, vage mystieke klank dan de eerste violen. De laatste keer dat ik Martin Sieghart zag met het Gelders orkest in de Vereeniging in Nijmegen, had hij de tweede violen ook op rechts geplaatst en de bassen links achterin. Ik weet niet of hij dat allang doet, maar het klonk inderdaad anders dan anders.

Er zijn plekken in Bruckners muziek aan te wijzen waarin een celli thema wordt ondersteund door de tweede violen, waardoor het haast lijkt of een melodie zich met zijn eigen schaduw laat horen. Deze geheimzinnige klank is niet toevallig maar typerend voor de levensvisie van deze meester, die het eeuwige natuurmysterie verklankt, maar ook het mysterie tussen schepper en schepsel.
Ook bij het koper zien we een totaal andere behandeling dan voorheen. Niet alleen is er meer zelfstandigheid voor deze groep, maar dikwijls een ook leidende positie. Dat Bruckner het koper apart noteerde, zegt genoeg.
Eenmaal de speurtocht in zijn kunst begonnen, stuiten we op onbeschrijfelijke muzikale invallen, stemmenweefsels, klankcombinaties en vlechtwerk van melodieën waardoor wij vaak in verwarring zijn of het nu een melodie of een begeleiding betreft. Zijn muziek is nooit teveel en nooit te weinig. Luister hoe zijn muziek voortdurend spant en ontspant. Kortom: het mechanisme waarvoor de Europeaan zo gevoelig is.

Hij heeft – zijn studie symfonie in F meegerekend – 11 symfonieën, diverse koorwerken, een Te Deum en een prachtig strijkkwintet geschreven. Daar komt nog bij dat hij de meeste symfonieën op latere leeftijd nog grondig heeft herzien. Ook hierin is Bruckner uniek. En met herzien, bedoelen we niet hier en daar even wat bijschaven of polijsten. Integendeel, dit zijn ingrijpende en dus tijdrovende herzieningen geweest. Als er ergens iets verandert, dan moet dat ook op andere plekken gebeuren ter wille van de balans in de structuur. De achtste is hier wellicht het meest in het oog springende voorbeeld van. Wat een verschil met de tweede en meest uitgevoerde versie! Zo beschouwd, heeft hij het aantal symfonieën bijna verdubbeld. Uiteindelijk is hij daardoor tijd tekort gekomen om zijn geweldige 9de symfonie, af te maken.

De cycli

Er zijn in de loop der tijd veel cycli op plaat uitgebracht met beroemde dirigenten, waaronder de Brucknerianen, Haitink, Jochum, von Karajan en Walter. De complete set door von Karajan uit de jaren 70 kan men als de absolute ruggengraat beschouwen. Uit deze cyclus blijkt von Karajans meesterlijke inzicht in de structuur van de Bruckner symfonie. Vooral de derde klinkt meesterlijk, maar ook de achtste en negende zijn bij hem in goede handen. Prettig is dat deze uitvoeringen gemakkelijk in het tweede hands circuit te krijgen zijn, behalve dan de opnames uit het digitale tijdperk. Die zijn wat lastiger. Overigens wordt slechts zelden de complete set aangeboden op e-Bay. Vreemd is wel dat von Karajan nooit de nulde heeft opgenomen.
De Philips set door Haitink uit de jaren 60 en 70 is een interessante. Hoewel qua tempi hier en daar aan de snelle kant, geeft de jonge Haitink wel de wetenschappelijk verantwoorde versies van de tweede en derde, maar in het slot van het eerste deel van de negende is hij wat eigenzinnig met de paukenslagfiguur. Dat doet hij ook in zijn opname uit het begin jaren 80 en is daardoor dan wel weer consequent.
De DG set door Jochum is enigszins teleurstellend, maar zijn EMI cyclus is nuttig als aanvulling. Die worden soms als losse uitgaven her en der aangeboden en klinken bijzonder goed.

Dan de set door Inbal op Teldec Telefunken, die van alle symfonieën de oorspronkelijke versies geeft en daarom buitengewoon interessant is. Onbegrijpelijk dat de grote Bruckner interpreten nooit de eerste versie van de achtste hebben opgenomen. Voor deze versie is men op de plaat dus aangewezen op Inbal met de Frankfurters.

De losse uitgaven

Welke set men ook kiest het is altijd zinvol, dirigenten te beluisteren die slechts enkele symfonieën van Bruckner hebben opgenomen. Onder de losse uitvoeringen, vinden we voor de achtste een uitmuntende Giulini met de Weners op DG, die in veel opzichten mijn voorkeur heeft. Ook zijn negende uit hetzelfde huis is fantastisch. Het lijkt wanneer Giulini een Bruckner symfonie dirigeert, alles op natuurlijke wijze ademt. Helaas is de 9e alleen op CD beschikbaar, maar vinyl liefhebbers kunnen gerust hun toevlucht nemen tot de EMI uitgave met de Chicago Symfonie Orchestra uit eind jaren 70.
Von Karajan heeft de negende al een keer eerder opgenomen voor DG halverwege de jaren 60, die door veel liefhebbers wordt geprezen. Persoonlijk vind ik het een grote teleurstelling: veel te snel gekozen tempi. Ook de achtste die hij eind jaren 50 voor EMI heeft opgenomen, vind ik geen onverdeeld succes.
De Negende door Dohnanyi op Decca dient vermeden te worden, maar de zesde door Solti uit hetzelfde huis is een welkome aanvulling. Ook die met Klemperer op EMI heeft veel lauweren geoogst en kan als de norm worden beschouwd. De uitvoeringen van Gunther Wand met de Kölners worden regelmatig op e-Bay aangeboden en zijn ook zeer de moeite waard.

Volgende maand zullen we Bruckners tijdgenoot Brahms en de generatie daarvoor met Schumann – die Brahms heeft beïnvloed –  en Mendelssohn bespreken. Een behoudende stroming die het waardevolle erfgoed van de traditie bewaakte en kampte met de 19de eeuwse problemen van vorm en inhoud.

De Laatromantiek (III)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (III)

In Duitsland domineert in deze periode nog altijd Richard Wagner (1813 – 1883) die het zogenaamde ‘gesamtkunstwerk’ propageert en in zijn theoretische geschriften onder andere verkondigde dat de rol van de symfonische muziek was uitgespeeld. Er zijn dan ook relatief weinig symfonieën geschreven door Duits sprekende componisten van de generatie 1860-1875. Men koos Liszt en zijn ‘symfonische dichtungen’ als voorbeeld, daarmee aangevend dat de symfonische muziek afhankelijk was geworden van het woord. Onder Wagner’s invloed verschuift het zwaartepunt der compositie naar de vocale muziek: lied of opera.

Een componist die met een verbazingwekkend gemak en behendigheid zich aanpast aan deze uitdagingen is Richard Strauss (1864 – 1949). In Duitsland is hij lange tijd als de grootste componist van de twintigste eeuw gelauwerd. Natuurlijk ook doordat hij op relatief hoge leeftijd actief is geweest tot diep in die eeuw. Toch is deze toondichter eerder een voltooier en samenvatter van het verleden, dan een pionier zoals Debussy. Deze zocht wel degelijk naar bevrijding van de muziek door de literatuur en het Wagneriaanse pathos.
“When ich wollte, kan ich ein Bierglass, tönend mahlen“, moet hij eens gesnoefd hebben. Eerlijk is eerlijk: er zijn weinig componisten die dit kunnen. Dit is zeker het geval met de “Alpen Symfonie”, dat overigens geen symfonie is, maar een symfonisch gedicht. Hier zijn twee uitvoering toonaangevend: Haitink op Philips (416 156-1) en von Karajan op DG (2532 015). Haitink met het CGO klinkt opvallend natuurlijk, maar voor de climaxen in dit werk mag von Karajan niet absoluut ontbreken. Luister bijvoorbeeld naar de overweldigende ‘Storm’ en de ’Zonsondergang’ die van een verblindende schoonheid is.

Belangrijkste symfonische gedichten van de hand van Strauss zijn Don Juan (1888), Tod und Verklärhrung (1889), Till Eulenspiegel (1895), het overbekende Also Sprach Zarathustra (1896), Don Quixote (1897), Ein Heldenleben (1898), Sinfonia Domestica (1903) en de zojuist besproken Alpen Symfonie (1915).
We kunnen rustig stellen dat er drie grote interpreten zijn die de moeite van het zoeken waard zijn: von Karajan, Haitink en Reiner. Van de laatste is een prachtige 200 gram heruitgave van Also Sprach Zarathustra verschenen op Classical Records (ALSC 1806Q).
Zijn “Metamorphosen” voor strijkorkest uit 1945 bezit een gloed die hij niet eerder bereikt had tot dan toe. Het is een waardig afscheid van het Romantische tijdperk; een laatste samenvatting door een kunstenaar die zichzelf als de laatste nazaat van Beethoven zag. Het werk besluit dan ook met een citaat uit de treurmars van de Eroica symfonie. Het werk heeft even in een kwaad daglicht gestaan, omdat men dacht dat het een klacht was over de ondergang van Hitler en zijn Derde Rijk. Deze aantijging is uiteraard achterhaald. Het klinkt saai, maar ook hier is von Karajan weer de standaard. De maestro nam het twee keer op, voor DG: in 1971 en ’83 (2530 066 en 2532 074)
Dan een van zijn beste en schoonste werken: “Die Vier Letzte Lieder” op teksten van Hesse en Eichendorff. Wat mij betreft het hoogtepunt van het orkestrale lied. Ook voor dit werk heeft von Karajan twee opnames gemaakt voor DG met Gundula Janowitz en Anna Tomowa-Sintow (2530 368; 419 188-1) en ik moet bekennen dat het moeilijk kiezen is. Vreemd genoeg zie je deze uitvoeringen niet zo heel erg vaak. Er zal dus op e-Bay gezocht moeten worden voor snel resultaat. Wel komt men in kringloopwinkels regelmatig de uitvoering met Norman en Masur tegen op Philips (6514 322). Deze is op nogal wat aspecten erg goed, maar persoonlijk vind ik de tempi net iets te traag. Er zijn uiteraard veel goede uitvoeringen van dit opus, maar de klassieke uitvoering van deze zwanenzang is en blijft natuurlijk die met Schwarzkopf en Szell op EMI, waarvan men regelmatig heruitgaven tegenkomt.

Bij Max Reger (1873 – 1916) kan men goed zien hoe de componist worstelt met het feit dat het woord belangrijker wordt dan de muziek.
Zijn kolossale “Symphonischer Prolog zur einer Tragödie” was oorspronkelijk bedoeld als eerste deel van een symfonie en duurt al ruim een half uur. En dan te weten, dat er nog 39 pagina’s werden geschrapt. Een symfonie is er gezien het muzikale klimaat van die tijd dus niet meer van gekomen: de symfonie als vorm, werd in Duitsland minder populair.
Het begint onheilspellend. Een aankondiging van het algemeen menselijk drama van noodlot, strijd, ondergang en heilsverschiet, zoals Höweler het noemt. Het stuk komt daarna langzamerhand in beweging. Uiterst zachte passages met liefelijke melodieën in het hout, worden abrupt onderbroken door plotselinge versnellingen met extatische climaxen. Dit alles mond uit in een aangrijpende koraalmelodie die helemaal opengaat en straalt en in schittering blijft toenemen. We zijn dan halverwege, om weer opnieuw de worsteling van het menselijke drama en lijden te ondergaan met aan het einde nog een keer die hemelse koraal in ietwat gewijzigde vorm. Hoe kan iemand toch zoiets moois bedenken? Het doet denken aan een gedachte van Henriette Roland Holst (1869 – 1952) uit haar gedicht “Sombre gedachten schiep een sombre tijd”:

Maar onderwijl werd in beneden-lagen
ver van ’t mistroostig ras dat heerschte op aard,
met smart ontvangen, en in pijn gebaard
de nieuwe kracht, die ons omhoog zal dragen.”

Er zijn helaas niet veel uitvoeringen te krijgen van dit gecompliceerde opus. Hoe komt het toch dat de grote dirigenten dit werk laten liggen? Ik ken maar een uitvoering op vinyl en dat is op het label Schwann Musica Mundi (VMS 1605) onder Gerd Albrecht met het Radio-Symphonie-Orchester Berlin. Vervelend is dat hij bijna niet wordt aangeboden: lastige muziek en een label met een niet al te grote oplage. Maar geen nood, voor degenen die dit werk willen leren kennen, het is ook te downloaden bij www.eclassical.com voor USD 0,99 en wordt aangeleverd op een 320kbps MPEG-1, layer 3 bestand. De uitvoering is door Leif Segerstam met Norrkoping Symphony Orchestra. Een zeer goede uitvoering en het klinkt indrukwekkend. Uiteraard is het ook te koop op CD (Bis), maar niet voor USD 0,99….
“Vier tondichtungen nach Arnold Böcklin” is een vierdelige orkestsuite geïnspireerd op schilderijen van Böcklin (1827 – 1901). Het eerste deel Der Geigende Eremit is van een onmetelijke schoonheid. Het is of men na vele jaren, weer herenigd wordt met een bekend landschap. Alsof men heilige grond betreedt. Ook hier is het aantal uitvoeringen op vinyl weer dun bezaaid, maar Järvi met het CGO (Chandos ABRD 1426) ziet men regelmatig op het net gekoppeld met de Hiller variaties. Dit is overigens een van de weinige keren dat het CGO te beluisteren is op een ander label.
Qua orkestwerken dienen nog genoemd te worden: Eine Balletsuite op. 130; Eine Romantische suite op. 125; Konzert im alten Stil op. 123; de Serenade in G groot op. 95; Variationen und Fuge über ein Thema von Mozart op. 132 en Variationen über ein lustiges Thema von Joh. Adam Hiller op. 100.
Reger, heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten: concertante werken, prachtige kamermuziek en orgelwerken. Zijn orgel oeuvre komt men op vinyl regelmatig goedkoop her en der tegen en ze kunnen de vergelijking met andere orgelcomponisten, bijvoorbeeld César Frank, gemakkelijk doorstaan. Ofschoon ik niet al zijn orgelwerken ken, aarzel ik niet die aan te bevelen.

Zelfs bij Gustav Mahler (1860 – 1911) die tegen de stroom in toch nog symfonieën blijft schrijven en daarin ook zondermeer te prijzen is, ziet men dat hij het vocale aspect soms toch nog een belangrijke of zelfs dominante positie verleent. Zie symfonieën 2, 3, 4 en 8. Zijn orkestrale liederen echter, nemen in zijn oeuvre een bijzondere plaats in. En persoonlijk denk ik, dat daar precies Mahler’s belangrijkste bijdrage ligt.
Het maandblad “Klassieke Zaken” schrijft in het juni nummer over Mahler: “Het Koninklijk Concertgebouworkest nam onlangs een spraakmakende beslissing: in het nieuwe seizoen 2008-9 staat er geen Mahler op het programma. Een Mahlerloos jaar dus voor het orkest dat geldt als de belichaming van de Nederlandse Mahlertraditie. Is zo’n time out erg of juist niet? De menigen daarover zijn verdeeld, liggen ergens tussen het ‘verontrustend’ van Kaspar Jansen in NRC Handelsblad en een droge, constatering in.”
‘Verontrustend’ nog wel. Waarschijnlijk hoor ik bij de mensen aan de andere kant van het spectrum, die zouden opmerken dat het eens tijd werd. De eerlijkheid gebiedt toch te zeggen dat Mahler buiten proportioneel wordt uitgevoerd; op het stomvervelende af zelfs.
Afgezien van vlagen van aangrijpende schoonheid, komt zijn muziek – althans in de symfonieën – op mij veelal, sentimenteel, gezocht en soms ronduit aanstellerig over. Het mist de edelheid en vanzelfsprekendheid die andere grote componisten kenmerkt. Niettemin wordt deze componist van formaat door een aantal beschouwd als een van de grootste symfonici na Beethoven en geniet een ongekende populariteit. Niet in de laatste plaats vermoed ik, doordat Mahler een geliefd marketingobject geworden is. Mahlerbrilletjes, Mahlerhorloges, Mahlerstropdasjes en zelfs Mahlerwijn hadden we een aantal jaartjes geleden.
Ook het aantal Mahler symfonieëncycli begint zo langzamerhand een ware plaag te worden. Bernstein, de grote Mahler advocaat, stuitte in het verleden op veel weerstand; uitgerekend bij de Weners zelf. Scheissmusik noemden ze het. Bernstein noemde Mahler zelfs een groot profeet. Hoe au serieus we dit moeten nemen valt te raden. Hij nam de symfonieëncyclus wel twee keer op: voor CBS met de New Yorkers en het LSO en voor DG met het CGO, weer de New Yorkers en de Weners. Deze laatste cyclus is mateloos populair op e-Bay.
De cyclus op DG door Kubelik wordt wel hier en daar in antiquariaten en kringlopen aangeboden en is een verfrissing te noemen. Zijn opnames worden soms een beetje onderuit geschreven, maar de veelal (te) ingetogen interpretaties van hem – bijvoorbeeld het Pianoconcert van Robert Schumann – pakt hier uitstekend uit. Wat me bij deze uitvoeringen opviel was de onbevangenheid. Geen aanstellerij, geen effectbejag die je bij Bernstein veelal aantreft, ofschoon ik denk dat Lenny het wel integer bedoelde.
Ook de uitvoeringen door Haitink die als een groot Mahler interpreet bekend staat, zijn nog goed verkrijgbaar in de kringloopbakken. Vooral de eerste en vierde van zijn tweede cyclus. Ook die van “Das Lied der Erde”. De uitvoering van dit mooie lied door Jochum op DG, zou je alleen al voor de hoes kopen.
De uitvoeringen door von Karajan vond ik erg tegenvallen, behalve de zesde die in de Peguin Guide de hemel wordt in geprezen. Terecht.
De cyclus met Abbado op DG is behoorlijk consistent wat ik zo hoor van Mahler liefhebbers. Abbado is en blijft een edele dirigent. De tweede symfonie heeft echter last van behoorlijke dynamische verschillen wat niet altijd handig is.
De cycli door Solti op Decca kenmerkt zich door een spectaculaire klank.

Als laatste noemen we Hugo Wolf (1860 – 1903). Deze trouwe vriend van Anton Bruckner en veel te weinig gehoord, is vooral bekend om zijn liederen. En met goede reden. Het is de laatste grote meester van het Duitse lied met pianobegeleiding. Uiteraard door de gekozen vorm ziet men bij hem de sterke verbondenheid met het gedicht. Zijn “Spanisches en Italienisches Liederbuch” zijn weergaloos. Probeer Fischer-Dieskau (Bariton), Schwarzkopf (Sopraan) en Moore (piano) voor de Spaanse liederen op DG te krijgen (DG 413 226-1). Voor de Italiaanse liederen (DG 2705 018) wederom Diskau, Seefried en Werba/Demus (piano). Ofschoon Wolfs grootste bijdrage de liederen zijn, is ook zijn Italienische Serenade een kostelijk stuk kamermuziek. Veel mooie Decca opnames zijn ooit op de goedkopere serie “Ace of Diamonds” verschenen. Het Küchl kwartet geeft een bevlogen uitvoering van deze prachtige serenade (Decca SDD 543).

We hebben in de laatste 3 afleveringen componisten besproken die men laatromantisch noemt. Het blijft altijd een hachelijke onderneming grenzen en lijnen te trekken. Waarom noemen we Bartok nu modern en Reger laatromantisch? De indeling door Norbert Loeser acht ik een bruikbare: “Wij trekken de scheidslijn tussen het verleden en de ‘moderne’ muziek daar, waar de componist niet alleen theoretisch maar ook praktisch in zijn creatief werk vrijwillig of gedwongen experimentator wordt. Waar hij voor het eerst voelt dat hij in een artistieke dwangpositie verkeert, waaruit een vlucht nauwelijks meer mogelijk is.” Het is het opzettelijk zoeken naar het ongehoorde, ja, zelfs het absurde. Het nieuwe willen tot elke prijs.
Volgende keer beginnen we met de Romantiek. We zullen grote namen tegenkomen: Schumann, Mendelssohn, Brahms, Chopin, Berlioz en Bruckner. Een stijlperiode die niets maar dan ook niets heeft te maken met wat mensen zoal verstaan onder Romantiek of romantisch.

De Laatromantiek (II)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (II)

“A human life, I think, should be well rooted in some area of native land where it may get the love of tender kinship from the earth, for the labors men go forth to, for the sounds and accents that haunt it, for whatever will give that early home a familiar unmistakable difference amidst the future widening of knowledge.” George Eliot

Eerder werd al opgemerkt, dat de componist maatschappelijk een steeds belangrijkere rol is gaan spelen in de samenleving. Een opvallend kenmerk van de laatromantiek is dan ook, een grote bloei van op nationale factoren geïnspireerde muziek.
In het Rusland van einde 19de eeuw kan men twee richtingen onderscheiden: toondichters zoals Moussorgsky (1839 – 1881) die als voedingsbodem vrijwel uitsluitend de nationale folklore gebruiken en een stroming die zich voornamelijk oriënteert op west Europa met Frankrijk als voornaamste richtpunt. Hector Berlioz is als muzikale stamvader hierin voor beide stromingen met zijn traité de l’instrumentation, erg belangrijk geweest. Dit was de orkestrale bijbel waarin de Russische componisten de kunst van het instrumenteren bestudeerden.

De belangrijkste Rus van deze laatste richting is ontegenzeggelijk Pyotr Ilyich Tchaikovsky (1840 – 1893). In zijn streven naar een Oost-West synthese grijpt hij naast onderwerpen uit de Russische geschiedenis – zoals Ouverture 1812 – duidelijk naar onderwerpen uit de westerse geschiedenis: Dante’s Francesca da Rimini of Shakspeare’s Hamlet en Romeo en Juliette. Hij heeft als veelschrijver bijna voor elke vorm wel iets gecomponeerd, maar heeft ook werken van ongelijk gehalte nagelaten. Toch hebben zijn beste werken veelal een aangrijpendheid, die men hoogst zelden hoort. Ook hier zijn de symfonieën representatief, ofschoon hij ook prachtige kamermuziek heeft gemaakt.
Von Karajan heeft de laatste drie symfonieën maar liefst 4 keer opgenomen in het stereo tijdperk als ik goed tel: een keer op EMI en drie keer op DG. Van deze, zijn de uitvoeringen op DG van halverwege de jaren 70 de meest interessante. Het eerste deel van de zesde bijvoorbeeld is veel spannender gedaan dan die uit de jaren 60. Voor velen zijn de digitale uitvoeringen uit de jaren 80 met de Weners een teleurstelling; iets dat ik zeker niet deel. Als u een complete en vooral consistente cyclus zoekt, dan is Jansons op Chandos een zeer interessante keuze en de opnames zijn eerste klas.
Over de vierde symfonie schreef Tchaikovsky in een brief: “De inleiding is tevens de kern van de gehele symfonie, zij bevat de hoofdgedachte. Deze stelt het noodlot voor, de fatale macht die de drang naar het geluk steeds weer verhindert zijn doel te bereiken, die er jaloers voor zorgt, dat welbehagen en rust niet de overhand hebben … een macht die als het zwaard van Damokles voortdurend boven ons hoofd zweeft en onophoudelijk de ziel vergiftigt. …Er blijft daarom niets anders over, zich aan haar te onderwerpen en moedeloos te klagen…Is het niet beter, zich van de werkelijkheid af te wenden en zich aan dromen over te geven?

Ook dit is een aspect der Romantiek dat zich al manifesteert in de muziek van Robert Schumann: de vlucht, de droom, de roes. Dit zijn de duistere kanten van de Romantiek. De kunst gaat langzamerhand de rol van religie overnemen, de kunstenaar die van de priester.
Het is vooral von Karajan (DG 2530 883) die in dit werk het noodlot benadrukt en laat vanaf het begin zien hoe hij boven de partituur staat. Ik ben geneigd te zeggen dat dit een van de beste uitvoeringen van von Karajan op DG is. Zowel von Karajan als Jansons (Chandos ABRD 1124) laat zien dat het van groot belang is, dergelijke werken strak uit te voeren.
Tussen de vierde en de vijfde symfonie is er nog een ander zeer aangrijpend werk geschreven. De Manfred symfonie gebaseerd op Byron. Vreemd genoeg heeft von Karajan deze nog nooit de opgenomen. Voor deze prachtige symfonie, die ik persoonlijk na de zesde de interessantste vind, zijn drie andere dirigenten op vinyl te krijgen: Chailly op Decca (421 441-1), Jansons op Chandos (ABRD 1245) en Muti op EMI (ASD 4169). De laatste twee zijn relatief eenvoudig te vinden en zijn erg goed. Echter Chailly klinkt spectaculair, maar is weer niet zo eenvoudig te krijgen.
Dan de zesde door broer Modest, ‘Pathetique’ gedoopt. De meester zei zelf over deze sluitsteen van zijn oeuvre dat hij dit beschouwde als het beste en oprechtste van zijn werken.
Het eerste deel, begint donker en droevig voornamelijk door de kreunende fagot. Weldra ontstaat een mooi lyrisch schemerig thema dat zacht eindigt in de klarinet. Abrupt wordt dit beëindigd met een klap die het noodlot inluidt en zich gaandeweg hemelbestormend ontwikkelt. Ten slotte mond dit alles uit in een aangrijpende scène die niet in woorden is te vangen. Voor dit sleutelmoment is er slechts één dirigent die dit mijns inziens op de juiste manier doet: Mariss Jansons (Chandos ABRD 1158). Von Karajan (DG 2530 774) fietst hier op alle vier de opnames die ik ken, (veel) te snel overheen. Dat is overigens de enige kritiek die ik op von Karajan heb. Haitink is hier naar mijn smaak iets te nuchter, Bernstein te eigenzinnig en Giulini te langzaam. Ik heb veel opnames gehoord, maar tot nu toe vind ik Jansons het meest overtuigend. Althans, hier.
Na een charmante wals gevolgd door een feestelijk allegro, komt ten slotte de finale. Dat is – tegen de traditie in – het langzame deel: Adagio lamentoso; Andante. Een volslagen afwijkende indeling van de symfonie. Anton Bruckner wisselde de volgorde van de middendelen in zijn Achtste al, maar het adagio als finale is opvallend. Gustaf Mahler zou dat bij zijn negende, ook doen. Tchaikovsky noemde dit deel een requiem. Het eindigt met een berustend Amen. Wat een manier om afscheid te nemen door een gekweld mens die kampte met zijn homoseksualiteit. Enfin, luistert uzelf.
Voor wat betreft de DG Galleria remasters van de opnames door von Karajan, zijn vaak wat gesluierd van klank, dus probeer de oorspronkelijke uitgaven te krijgen die hoorbaar frisser (uit)klinken. De hoezen van de Galleria’s zijn echter mooier.
Tot slot nog aandacht voor het symfonische gedicht Francesca da Rimini gebaseerd op Dante uit 1876. Al bij de opening huivert de luisteraar voor wat er gaat komen. Echter, wanneer de alles vernietigende storm opsteekt in de onderwereld – waartoe de twee overspelige geliefden zijn veroordeeld – voor eeuwig van elkaar scheidt, gaan de haren werkelijk overeind staan. Er is een mooie uitvoering op vinyl te krijgen door Stokowski met het LSO op Philips (heruitgave 416 860-1). Niet laten liggen.

Dit is overigens weer een ander aspect van de laatromantiek. De symfonie als vorm is inmiddels in onbruik aan het raken ten gunste van het “symfonische gedicht”. Dit gaf de componist meer vrijheid van de knellende vorm van de symfonie. In dit verband noem ik nog twee Russische toondichters die wat lastig zijn in te delen omdat ze van een latere generatie zijn, maar wel uitgesproken laatromantisch zijn blijven schrijven.

Het is opvallend dat tegenwoordig voor Alexander Scriabin (1872 – 1915) meer aandacht is vanwege de belangstelling voor mystieke en oosterse religies, het occulte en het fantastische. Zijn “Le Poeme de l’ecstase”, waarin de roes en de vreugde van het scheppen wordt verheerlijkt, is belangrijk te vermelden. Dit symfonische gedicht, waar de erotiek werkelijk vanaf druipt, boeit vanaf het eerste moment. Abbado met het BSO (DG 2530 137) wordt op e-Bay regelmatig aangeboden en is naar mijn mening opwindender dan Maazel op Decca.

Ofschoon ik er nog steeds niet van overtuigd ben dat Rachmaninov (1873 – 1943) tot de allergrootsten behoort, wil ik toch zijn Dodeneiland noemen. Dit hoogst evocatieve werk is geïnspireerd op het gelijknamige schilderij van Arnold Böcklin (1827 – 1901). Het doek wordt nog steeds beschouwd als een icoon en het begin van het zogenaamde fantastische element in de schilderkunst.
Op plaat is er eigenlijk maar een aan te raden: Ashkenazy met het CGO (Decca 410 124-1) een geweldige opname en zeer vleiend voor het concertgebouworkest. Prachtige hoes ook!

Naast de Russische nationale school, handhaaft zich ook de Tsjechische muziek der 19de eeuw. Belangrijk zijn Bedrich Smetana (1824 – 1884) en vooral Antonín Dvořák (1841 – 1904). Deze meester der idylle oriënteert zich in de symfonie voornamelijk op Johannes Brahms. Van hem worden veelal de laatste drie symfonieën opgenomen. Toch zijn de eerste 6 ook de moeite waard en uiteraard zijn symfonische gedichten en concertante werken. De uitvoeringen door Colin Davis met het CGO zijn een lust voor het oor en gemakkelijk te krijgen. Overigens zijn alle opnames met Davis op Philips met het CGO de moeite waard, zover ik weet. Of het nu Haydn, Berlioz of Stravinsky is, keer op keer valt die romige Philips klank op. Van de negende zijn ontelbare opnames gemaakt, maar het lijkt iedere keer een herontdekking met Davis.

Ook Finland heeft met Jean Sibelius (1865 – 1957) een nationaal figuur die het Finse lot als een moderne atlas op zijn schouders draagt. Het symfonische gedicht Finlandia gaat over de Russische overheersing van Finland. Sibelius heeft 7 symfonieën nagelaten. Ook hier is von Karajan op DG weer een uitstekende keuze naast alweer Colin Davis op Philips.

Volgende maand deel 3 van de laatromantiek met o.a. de Duitse meesters uit deze bewogen periode. Er is uiteraard verschil tussen de generatie van omstreeks 1840 die haar werkzaamheden afsluit en de generatie die zich volledig ontplooit in dit tijdsgewricht. Dus tussen Smetana, Dvorak Tchaikovsky etc. aan de ene – en Debussy, Ravel, Mahler en Reger aan de andere kant. Ook al gehoorzamen generatiegenoten vaak aan één en dezelfde impuls, afhankelijk van het land van herkomst of individuele geaardheid vallen er dus belangrijke verschillen te constateren.

De Laatromantiek (I)

Wednesday, December 29th, 2010

De Laatromantiek (I)

Marcel Proust heeft het in zijn In de schaduw van de bloeiende meisjes over een niet-bestaande schilder Elstir. Deze schildert, zoals we de dingen op het eerste gezicht zien. Het is dat ene vluchtige moment waarop ons intellect nog niet begonnen is ons uit te leggen wat die dingen eigenlijk zijn. Ook is de indruk die deze dingen op ons maken, nog niet vervangen door dat wat we erover weten. Elstir, brengt de dingen terug tot louter impressies.*
Het waren de Franse componisten die omstreeks 1900 weer de middeleeuwse toonreeksen gebruikten in hun werk. Toen Ma Mère l’Oye van Ravel ten gehore werd gebracht had men het idee dat deze klanken ontegenzeggelijk nieuw waren, maar tegelijkertijd had het iets antieks. De invloed die deze stroming op de ontwikkelingen hierna zou hebben, is nauwelijks te overschatten.

Claude Achille Debussy (1862 – 1918)

Ik geloof dat we de historie geen geweld aandoen, als we stellen dat deze kunstenaar de grootste en belangrijkste van deze stroming is. Hij is degene geweest die voor de Franse muziek nieuwe wegen heeft gebaand, die het waagde volkomen nieuwe paden in te slaan en toch de aansluiting met de oude Franse meesters wist te bewaren. Debussy heeft vele uitdrukkingsmogelijkheden uit andere streken voor zijn werk gebruikt, maar hij is zozeer Fransman gebleven dat men hem de eretitel ‘Claude de France’ al tijdens zijn leven schonk. Beginnend vanuit de romantiek heeft hij zich met zijn La Mer, Prélude à l’après-midi d’un faune, Images pour Orchestre om slechts enkele werken te noemen, onsterfelijk gemaakt.
La Mer. Dit drieluik van de zee is absoluut een meesterwerk dat, zelfs bij herhaald luisteren, nooit teleurstelt. Volgens velen het hoogtepunt van Debussy’s orkestwerken. Het ligt voor de hand dat er veel uitvoeringen van zijn. Giulini op EMI is een klassieker, maar is moeilijk te krijgen. Von Karajan (DG 138 923) uit 1965, is een plaat die men vaak tegenkomt voor kringloopprijzen en is een referentie uitvoering volgens velen. De klankverschillen tussen het eerste (blauwe tulpjes) en tweede label zijn marginaal, maar wel duidelijk hoorbaar. Ook is er een heruitgave in de Galerie serie verschenen (DG 2543 058).
Zijn latere opname uit 1986 (DG 413 589-1) is zeker niet beter, ofschoon het een gezocht plaatje op e-Bay is. De koppeling is nagenoeg dezelfde: ook met de Daphnis et Chloé suite en de schitterende Prélude à l’après-midi d’un faune. Het werk waarvan Ravel zei dat, toen hij het voor het eerst hoorde, hij muziek pas goed begreep. Een andere bron vertelt dat de tranen over zijn wangen rolde van ontroering. Ofschoon er veel mooie uitvoeringen van zijn en von Karajans uitvoering volkomen bevredigend is, luister ik meestal naar Charles Munchs uitvoering op RCA die de dromerigheid van dit werk meer benadrukt.

Zijn Trois Nocturnes voor orkest door Abbado en het BSO (DG 2530 038), zijn onderling verschillend van orkestratie. Het dromerige doch geconcentreerde Nuages is voor beperkt orkest, zonder trompetten of trombones. Fêtes is voor groot orkest, terwijl Sirènes in zijn orkestratie geen trombones heeft, maar wel een instrumentaal behandeld vrouwenkoor. Het is wellicht als Debussy’s meest impressionistische werk op te vatten, daar hijzelf verklaarde: “De titel ‘Nocturnes’ moet hier in een meer algemene en hoofdzakelijk decoratieve zin opgevat worden”. Het gaat hier dus om de indrukken (impressies). Op kant twee staat de versie met koor van de balletsuite Daphnis et Chloé van Ravel en die is prachtig.

Maurice Ravel (1875 – 1937)

Deze half baskische kunstenaar wordt veelal in een ademtocht genoemd met Debussy. Men zou kunnen opmerken, dat Ravel qua geboortejaar niet zou misstaan in het artikel van vorige maand. Hij bevindt zich dan ook meer aan het einde van de romantiek, dan de 12 jaar oudere Debussy. Echter, zijn streven naar uiterste helderheid en logica houdt hem binnen de perken van een, weliswaar met grote vrijheid behandelde, tonaliteit. Het is toch net even anders als zijn jongere landgenoot Honegger bijvoorbeeld, met wie hij overigens wel in zijn latere leven het teruggrijpen op de 18de eeuw deelt.
Door zijn Spaans-Baskische moeder draagt hij de Iberische cultuur in zich, wat zijn belangstelling voor Spaanse onderwerpen en taferelen verklaart.
Zijn Rhapsodie espagnole voor orkest uit 1907/8 is een schitterend voorbeeld hiervan. Het is een buitengewoon kleurige orkestsuite. Haitink heeft het twee keer opgenomen: in 1961 (Philips Universo 6580 055) en 1971 (Philips 9500 347). De laatste – met de mooie Henri-Edmond Cross hoes – is wat sneller en opwindender gedaan, maar de opname uit 1961 is wat natuurlijker, ofschoon het bij de latere opname niet aan natuurlijkheid ontbreekt. Luister maar eens naar het tweede (Malagueña) en het vierde deel (Feria) dat de herinneringen aan een volksfeest oproept. Dit is een van de beste Philips opnames die ik ken. De kalk komt van de muren…

La Valse het choreografische gedicht voor orkest uit 1919-1920. Dit werk is tijdloos. Howeler beschrijfthet als volgt: deze muziek welde uit het gebied van het onderbewuste, van de droom. Van de beangstigende droom, de obsessie. Zoals de mens de dagelijkse gebeurtenissen, de ‘dagresten’, in zijn slaap verwerkt tot symbolen, om in die schijnbaar onsamenhangende droomtaal zijn diepste zielenleven te verdichten, zo is door Ravel de wals, het oude danstype, tot een ‘dagrest’ geworden die aan een angstig visioen tot stramien dient. […]. De componist is hierdoor het grensgebied van kunst en pathologie genaderd […]. Wellicht een leuk walsje voor Andre Rieu en zijn ensemble een keertje, in plaats van een walsje van Johan Strauss…  Ook hier is Haitink (Philips 9500 314) aantrekkelijk en eenvoudig te vinden voor weinig geld, net als de vorige. U herkent de plaat aan de mooie Paul Cézanne cover.

Alborada del Gracioso, Menuet Antique en Une Barque sur l’Océan zijn verrukkelijke stukken van Ravel. Deze zijn verschenen in de budget serie Galleria (niet te verwarren met de Galerie serie, ook van DG!) van Deutsche Grammofoon door Ozawa (DG 415 815-1). De Galleria’s zijn heruitgaven die digitaal geremastered zijn en ik moet zeggen dat ik op een paar uitzonderingen na, niet onder indruk ben van deze serie. Ze klinken over het algemeen muffer en gecomprimeerder dan hun oorspronkelijke broeders.
Op deze plaat is het resultaat echter wisselend. Vooral Alborada del Gracioso heeft behoorlijk geprofiteerd van de oppoetsbeurt. Het hoog heeft veel meer energie dan de oorspronkelijke master, die beduidend suffer klinkt. Verder is deze plaat aantrekkelijk, omdat er nogal wat belangrijke stukken op staan. Waaronder La Valse. Alleen als u nog steeds geen genoeg kunt krijgen van de Bolero, waarmee deze stukken o.a. gekoppeld zijn, dan raad ik u aan de oorspronkelijke uitgave te bemachtigen (DG 2530 475). Met de remaster is de akoestiek bijna verdwenen en de unieke timbres van de instrumenten zijn moeilijker vast te stellen.

De beide pianoconcerten zijn zondermeer de moeite waard. Het langzame deel van het Pianoconcert in G, uit 1929–1931 is wonderschoon. De Haas/Alceo (Philips 839 755 LY) opname koppelt beide concerten en klinkt prachtig. Echter, deze uitvoering ontmoet stevige concurrentie van Argerich met Abbado (DG 139 349). Hier is de koppeling met het 3de pianoconcert van Prokofiev.

Albert Roussel (1869 – 1937)

Waar Ravel al wat bonter klinkt dan de ‘pasteltinten’ van Debussy, is Roussel al weer iets krachtiger en grover. Een componist die vaak over het hoofd wordt gezien, ofschoon we tegenwoordig niet mogen klagen over het aantal integrale opnamen van zijn symfonieën die in de loop der tijd nu zijn verschenen. Toch heb ik het sterke gevoel dat Roussel (te) weinig wordt uitgevoerd in de concertzaal.
Van Roussel zult u niet zo snel iets vinden in de kringloopbakken en antiquariaten. Op e-Bay wordt de eerste en de derde symfonie door Dutoit (Erato NUM 75 283) regelmatig aangeboden en betaalbaar, ook op het moment van schrijven. Vervelend is alleen, dat de shipping costs vanuit de US belachelijk hoog zijn.
In zijn eerste symfonie bespeurt men de impressionistische invloeden. Het zijn eigenlijk vier symfonische schetsen. Vooral het eerste deel is buitengewoon beeldend. Een klagende opening door de houtblazers over de droefgeestigheid van het winterse woud. In het laatste deel trekken de bosgeesten voorbij en met de verstilling van de natuur eindigt het werk.
De derde is zijn populairste en meest opgenomen. Het is een robuust, krachtig en enigszins joviaal werk.

Zo gemakkelijk als de 1ste en de 3de te krijgen zijn, zo extreem moeilijk zijn 2de en 4de Erato (NUM 75 284) te vinden. Ik heb er geen verklaring voor. Erg jammer, want de tweede is de zoektocht absoluut waard. Het werk is recentelijk door Eschenbach uitgevoerd en vastgelegd op Ondine.“One of the greatest musical discoveries I’ve made in years,” verklaarde de dirigent. Dat gevoel had ik ook als luisteraar toen ik dit schitterende werk ruim twintig jaar geleden voor het eerst hoorde. Toegegeven, de Erato hoezen zijn aartslelijk, maar er is nog niet een dirigent geweest die me meer heeft weten te bekoren en te overtuigen dan Dutoit. Behalve misschien de tweede onder Pierre Dervaux op EMI (2C 069-73096).

Ook Paul Dukas (1865 – 1935) gebruikt krachtige kleuren, maar streeft – net als bij Roussel – ook naar een nieuwe klassieke uitdrukking. L’apprenti sorcier (De Tovenaarsleerling) is zijn populairste werk, een symfonisch scherzo gebaseerd op Goethe’s gelijknamige ballade. Aarzel geen moment als u de uitvoering van David Zinman met het Rotterdams Filharmonisch Orkest ziet op Philips (9500 533). Het is een buitengewoon levendige en realistische opname die het schuim in de vissenkom zal veroorzaken.

Volgende maand deel 2 van de Laatromantiek. Een bewogen, veelzijdige en uiterst vruchtbare periode, die een groot aantal werken van blijvende betekenis heeft opgeleverd. Het is ook een tijd dat de componist, maatschappelijk een steeds belangrijkere rol gaat spelen. De componist is een nationaal figuur aan het worden. Norbert Loeser omschrijft het als volgt: “…nooit eerder was het […] gebeurd, […] dat een heel volk in een musicus de symbolische incarnatie van zijn eigen grootheid, van zijn beste eigenschappen en hoedanigheden zag.”

*Umberto Eco, Geschiedenis van de Schoonheid

De Modernen (II)

Thursday, December 23rd, 2010

De modernen (II)

Duitsland is als muzikale hoofdmacht haar leidende rol kwijtgeraakt aan Frankrijk, Oost Europa en Oostenrijk. Een ontwikkeling die zich in de laatromantiek al aftekende. De meest in het oog springende toondichters uit deze tijd hebben we vorige maand al behandeld.
Deze maand ‘de anderen’ en zoals ik heb beloofd, een aantal onderbelichte componisten of werken van componisten.

Arthur Honegger (1892 – 1955)

De belangrijkste componist uit Frankrijk en noodzakelijk te vermelden als een der belangrijkste symfonici uit deze stijlperiode. Ook deze opvallende toondichter heeft een taal gevonden die vernieuwing paart aan de traditie. Honegger wil naar eigen zeggen het “oude spel op nieuwe wijze spelen”. Voor hem betekende het schrijven van symfonieën, een terugkeer naar de driedeligheid van het vroege classicisme.
Al zijn vijf symfonieën zijn aan te bevelen, waarvan de vierde – in mijn ervaring – de langste tijd nodig heeft om door te dringen. De tweede, derde en zijn Pacific 231 zijn waarschijnlijk zijn populairste werken. Twee dirigenten zijn toonaangevend: von Karajan en Dutoit. De laatste heeft alle symfonieën opgenomen en zijn werkelijk prachtig geregistreerd.

De tweede, geschreven voor strijkers en trompet die pas aan het eind een rol speelt, is ontstaan tijdens een diepe depressie door de Duitse bezetting van Frankrijk. Ofschoon dit goed te horen is, slaagt hij erin om zich helder en doorzichtig uit te drukken. Iets dat weinig componisten uit de 20ste eeuw gegeven is.
In iets mindere mate geldt die doorzichtigheid ook voor de derde uit 1945 -46. In deze symfonie wilde hij de opstand van de moderne mens symboliseren tegen de vloed van barbarisme, domheid, het lijden, mechanisatie en de bureaucratie, die ons al enige jaren bedreigt. Dat is nog steeds zo en misschien mag ik eraan toevoegen: vadsigheid, gemakzucht en het onvermogen autonoom te denken.
De tweede symfonie is bij von Karajan (DG 2530 068) met de derde gekoppeld. Deze opname heeft zo langzamerhand een cultstatus bereikt. En terecht. De opname locatie voor wat betreft de derde, is de Jezus Christus kerk in Berlijn (opgenomen 1969, pas in 1973 gereleased) en de opening is verpletterend. Bijna horror.
Bij Dutoit (Erato NUM 75117) zijn de scherpe kantjes eraf, maar dat kan gedeeltelijk verklaard worden doordat de opname mooier is en men dan vervolgens niet het gevoel heeft dat het dak eraf gaat. Ach, beide uitvoeringen zijn gemakkelijk te krijgen op het net. Waarom niet beide kopen?

Het is opvallend te constateren dat Rusland voor 1850, in de muziek nauwelijks een rol van betekenis heeft gespeeld, en een eeuw later staat zij met Stravinsky, Prokofiev en Sjostakovich in de voorste rij. Deze verrassende opkomst is te danken aan de sterke muzikale potentie van het Russische volk.

Serge Prokofiev (1891 – 1953)

Na Stravinsky een der oorspronkelijkste toondichters uit Rusland en buitengewoon kleurrijk. Järvi heeft erg veel van Prokofiev opgenomen in de jaren 80 op Chandos en ook al zijn symfonieën. Die zijn gemakkelijk op e-Bay te vinden en zijn een uitstekende keuze.
Een groter contrast tussen de eerste – in de stijl van Haydn gecomponeerd – en de tweede, is moeilijk denkbaar. Met de laatste wilde hij een werk van “ijzer en staal” schrijven en kan gezien worden als een verklanking van de Russische industrialisatie uit de jaren 20 net als De Fabriek uit de symfonische suite op 41.
De derde met thematisch materiaal uit zijn Opera de Vurige Engel, is samen met de vijfde wellicht zijn meest uitgevoerde.
De derde door Chailly (DG 410 988-1) en de vijfde door von Karajan (DG 139040) vinden we regelmatig in de kringloopbakken, maar het is zondermeer de moeite waard om ook eens op zoek te gaan naar Jansons (Chandos) en Ashkenazy (Decca).
Ofschoon de pianoconcerten onderling niet direct een ontwikkeling laten zien, zou u uzelf tekort doen deze muziek te laten liggen. Vooral het tweede en derde pianoconcert zijn de moeite waard. Van de integrale opnames duiken er twee regelmatig in het tweede hands circuit op: Ashkenazy met Previn (Decca) en Beroff met Masur (EMI). De eerste set wordt het meest gelauwerd en vooral de Nederlandse heruitgave klinkt fenomenaal. Echter, persoonlijk vind ik de EMI set qua interpretatie sterker.
Dan de Scytische suite. Prokofiev had het aangeleverd als ballet aan Serge Diaghilev, die helaas weinig interesse toonde. Hij werkte het ballet vervolgens om tot een vierdelige suite. Net als de “Le Sacre” van Stravinsky, is dit weer een werk dat onmiddellijk binnenkomt en een onuitwisbare indruk achterlaat. Abbado met het CSO (DG 2530 967) is veruit de beste uitvoering die ik ken en wordt regelmatig aangeboden voor niet al te veel geld.

Tot slot de pianosonate no. 7 door Pollini (DG 2530 225). Een briljant werk en ongelofelijk beheerst uitgevoerd. De enige kritiek die ik op de opname heb, is dat de piano wat weinig body in de lage registers heeft. Iets wat ik vaker ontwaar bij DG. Niettemin, kopen!

Shostakovich (1906 – 1975)

Hoewel ik vind dat deze componist niet altijd de doorzichtigheid van bijvoorbeeld een Arthur Honegger bereikt, maken zijn symfonieën wel een verpletterende indruk. Ik wil hier graag de 10de symfonie noemen. Er zijn twee uitvoeringen die relatief eenvoudig te krijgen zijn: beide door vonKarajan (DG 139020 en 2532 030). Von Karajan heeft altijd een speciale affiniteit gehad met deze symfonie.

De Nederlanders

Het komt uit Nederland. Oh… dan kan het niets zijn. Toch? Het is een schande dat we het nog steeds moeten doen met povere opnames van obscure labels als we de Nederlandse componisten uit deze periode willen beluisteren. Op een Donemus verzamelplaat vinden we bijvoorbeeld de derde symfonie van Henk Badings (1907 – 1987). Mono en niet om aan te horen; of dat je door een sleutelgat luistert. Onbegrijpelijk dat Nederlandse dirigenten niet een aantal symfonieën en concertante werken hebben opgenomen. Nee, wel de zoveelste Mahler of Beethoven symfonieën cyclus. Ik geloof eerlijk gezegd niet dat we daar op zitten te wachten. Nu heb ik op Radio 4 recentelijk wel vernomen, dat er wat meer belangstelling is voor Badings’ werk.
Zijn Ballade voor Fluit en Harp uit 1950 is een aantal keren opgenomen en op plaat hebben we Abbie de Quant met Edward Witsenburg op EMI (1A 037-25128) die niet meer dan een of twee euro in de kringloopwinkel zou moeten kosten. Het is een prachtig werk en over de instrumenten combinatie zei de componist: “…beide kunnen zij op dezelfde mysterieuze wijze uit de stilte tevoorschijn komen en in de stilte terugkeren”.

Die schandelijke situatie is minstens zo van toepassing op de muziek van Hendrik Andriessen (1892 – 1981), die vier symfonieën heeft gecomponeerd waarvan ik van de laatste durf te beweren dat dit meesterwerk zich kan meten met de beste symfonieën van de 20ste eeuw.
Het is een uitgebalanceerd werk waarin het hoofdthema iedere keer in gewijzigde vorm terugkeert in alle drie de delen. In het eerste deel – het Pièce de résistance – laat Andriessen ons ongekende muzikale invallen horen. Na een ernstige introductie, ontplooit het deel zich zo overtuigend dat de luisteraar zich onmogelijk aan de ijzeren greep kan ontworstelen. Ook valt direct op hoe Andriessen zijn voorliefde voor Bach combineert met de harmonische verworvenheden van César Franck en Albert Roussel en speelt met metrum en tempo. In het middendeel komen we tot rust in een schijnbare luwte met boeiende melodielijnen in de houtblazers, om ten slotte in het Allegro vivace overweldigd te worden. Het is een finale maar met een zeer sterk scherzo karakter. Dit dansante deel, heeft een kracht en levendigheid die ik echt zelden gehoord heb.
Het hoofdthema voor deze serie is weliswaar vinyl, maar soms bestaat de noodzaak af te wijken van het hoofdthema. En wel hierom. De zojuist besproken vierde symfonie is ooit op CD verschenen met het Residentie Orkest onder Ed Spanjaard op Olympia (OCD 507). Dit is een verzamel CD van Nederlandse componisten met o.a. de eerder genoemde Henk Badings en Alphons Diepenbrock (1862 – 1921). De CD is gediscontinueerd, maar wordt heel soms op e-Bay aangeboden. Twijfel dan niet!
Van Willem Pijper (1894 – 1947), die over het algemeen gezien wordt als Neerlans knapste componist uit deze periode, is meer opgenomen. Op Donemus hebben we een aantal dubbelaars met o.a. zijn drie symfonieën. Helaas vragen antiquariaten onredelijke prijzen voor platen op het Donemus label.

De Amerikanen

Degenen die nog steeds denken dat Amerikanen in het beste geval alleen maar epigonen arbeid kunnen verrichten, moeten zich maar eens in de volgende composities verdiepen. Men zal een boeiende uitdrukkingsvorm ontdekken die volslagen uniek is.

Roy Harris Symfonie No. 3, William Schuman Symfonie No. 3, NYP – L. Bernstein (DG 419 780-1)
“Laten we onszelf niets wijs maken.”, zei Roy Harris (1898 – 1979), “Mijn derde symfonie kwam op een tijd dat er behoefte aan was.” Toegegeven, het klinkt wellicht wat zelfbewust, maar Amerika was in de jaren 30 volgens Aaron Copland toe aan een ‘ernstige symfonie’.
Zodra het zangerige openingsthema van de celli inzet, gaat men voor de bijl. Het opus blijft zich schitterend door ontwikkelen tot aan een tragische climax op het einde, die voor altijd zal beklijven. Het is een eendelig werk dat uit meerdere secties bestaat en iets minder dan 20 minuten duurt. Voor het eerst uitgevoerd in Boston onder Serge Koussevitzky. Mede door hem was Amerika halverwege de 20ste eeuw, rijk aan symfonieën.
Zo ook de derde symfonie van William Schuman (1910 – 1992) die gekoppeld is met die van Roy Harris. Er zijn er die Schuman een bravoure componist vinden. Voor een aantal bladzijden klopt dat, denk ik. Aan de andere kant kunnen we dat ook van andere gevestigde componisten zeggen, maar een Amerikaan heeft nu eenmaal minder krediet. Hoe dan ook, deze symfonie bestaat uit twee delen die elk weer uit twee delen bestaan en in elkaar overlopen. Het langzame derde deel is een prachtig mijmerend stuk. Beide werken staan onder directie van Leonard Bernstein, die hier zo’n beetje op zijn best is. En dan ook nog die schitterende hoes van Thomas Hart Benton. Mooi product van DG. Is na wat speurwerk op het net te vinden en inmiddels op CD weer heruitgegeven.

We blijven nog heel even bij William Schuman omdat ik vind dat zijn vioolconcert de moeite waard is. Men zou het een tweedelige symfonie met viool kunnen noemen. En het spettert! Ik ken nauwelijks een concertant werk dat zo met de deur in huis valt. Op vinyl is er slechts één te vinden, maar dat is dan ook tevens een schot in de roos. Het is de uitvoering door Zukofsky en Michael Tilson Thomas met de Boston Symphony Orchestra uit 1971 (DG2530103). De koppeling is met een ander mooi werk: de 2de symfonie van Walter Piston (1894 – 1976). 
Een andere interessante plaat met hetzelfde ensemble en uit die tijd is Charles Ives (1874 – 1954) Three Places in New England (DG 2530 048), gekoppeld met Sun-trader van Carl Ruggles (1876 – 1971) gebaseerd op Robert Brownings gedicht Pauline. Het laatste is een dissonerend stuk van ruim 16 minuten en aan het einde bent u wel toe aan een kopje kalmerende groene thee.
Tot slot een apart geïnstrumenteerd en vooral exotisch werk: de Toccata voor Orkest “Tabuh-Tabuhan” uit 1936 van Colin McPhee (1900 – 1964). Hierin wordt een uitgebreide Balinese slagwerksectie gebruikt. Het resultaat van jarenlange research op Bali en Java. De hoekdelen vallen vooral op door het ritme en in het middendeel speelt de fluit een oorspronkelijke Balinese melodie. De opname is uit 1956 door Howard Hanson en de Eastman-Rochester Orchestra op Mercury Golden Imports (SRI 75116). Uit deze plaat blijkt duidelijk dat men toen uitstekende opnames kon maken.
Overigens niet alle Mercury Golden Imports zijn even goed. Bijvoorbeeld Respighi – Church windows/Festa di Roma (SRI 75113) zou ik lekker laten liggen.

Volgende maand beginnen we met de laatromantiek waarbij het impressionisme is inbegrepen. Een tijdsgewricht met de daarbij behorende geestelijke houding en een periode waarin componisten zich op de grens van tonaliteit bewegen.

« Previous Entries