Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Boekbesprekingen

Meer berichten »

Clara Schumann – De pijn van het gemis

Friday, January 31st, 2014

Clara Schumann – De pijn van het gemis

Kees van der Vloed
Uitgeverij Aspekt
ISBN 9789461531773

Nog niet lang geleden hadden we al een lijvig driedelig werk over Clara Schumann en Johannes Brahms. Onlangs verscheen er wederom een biografie over Clara Schumann, door Kees van der Vloed.

Op 13 september 1819 werd Clara Wieck in Leipzig geboren. Ze is volgens haar vader voorbestemd om de grootste pianiste van geheel Duitsland te worden. Vader Wieck had als succesvol zakenman en inmiddels bekend muziekpedagoog, zijn eigen leermethodes ontwikkeld. Bovendien had hij Beethoven in Wenen zien spelen, en dus moest het ook op die manier. Op negenjarige leeftijd speelt de kleine Clara al de sterren van de hemel en begint ook zelf met componeren.

Jeugd

Clara’s jeugd is niet gemakkelijk: ze groeit op in een ruzie-gezin en ontvangt weinig liefde. Haar moeder Marianne verliet Friedrich Wieck al vroeg en met vaders tweede vrouw, leeft zij op gespannen voet. De Spartaanse en bovendien liefdeloze opvoeding valt Robert Schumann – die inmiddels inwoont bij de Wiecks – zozeer op, dat hij zich afvraagt of hij wel onder mensen woont.
Toch zou Clara Wieck zich inderdaad tot een van de grootste piano virtuozen van de negentiende eeuw ontwikkelen. Vooral door haar tomeloze ijver, zette zij de muziek van haar man Robert en ook die van Johannes Brahms op de kaart. Maar alles heeft z’n prijs: als echtgenoot en moeder ging het aanzienlijk stroever. Ze zou vier van haar acht kinderen overleven.

Moeder

Zo kon Clara het lijden van haar geesteszieke zoon Ludwig niet verdragen en liet hem in de steek. De jongen zou eenzaam in een kliniek sterven. Is dat karakter zwakte of een tekort aan geestelijke weerbaarheid door de dramatische gebeurtenis van haar man? Het boek opent dan ook passend met een proloog over Schumanns zelfmoordpoging op Rozenmontag 1854. Schokkend is evenzo te lezen dat Clara het te druk had met een tour, waardoor ze niet op de begrafenis van haar dochter Julie kon komen. Dat is voor ons in deze tijd niet voor te stellen. Ze hield al vanaf haar jeugd van het artiestenbestaan en is verslaafd aan het applaus. Hebben wij hier dan toch te maken met een junkie? Neemt onze bewondering toe voor haar begaafdheid, maar knappen we af op haar menselijkheid?
Clara Schumanns-Wiecks leven is uitstekend gedocumenteerd doordat bijna al haar dagboeken en brieven bewaard zijn gebleven. Kees van der Vloed heeft hier echt een mooi concentraat van gemaakt. Hulde!

Emile Stoffels

Bart Stouten – Kersen eten om middernacht

Thursday, December 26th, 2013

Geluidsoverlast is wellicht de meest onderschatte vorm van milieuverontreiniging. Dichter, schrijver en radio-programmamaker Bart Stouten, lijkt dit goed te beseffen. In zijn nieuwste boek, “Kersen eten om middernacht”, laat hij zien dat stilte ons zo veel te bieden heeft.

De titel komt van een voor Stouten belangrijke spirituele ervaring in een Japanse Zentempel. Daar ervaart hij de liefde voor de poëzie. De taal wordt bij die gelegenheid door een Zenmonnik, als nieuw instrument aangereikt. Een nieuwe kans om dichter bij de ongehoorde muziek van het leven te komen.

Wanneer door een noodlottig verkeersongeval zijn beide ouders en tweelingzusje omkomen, ontdekt Stouten, in een Duits ziekenhuis, de helende kracht van Prousts “A la recherche du temps perdu”. Geestelijk voeding op het juiste moment. Het werk zal van invloed blijven op zijn verdere ontwikkeling en vormt min of meer ook de rode draad in dit essay, want de les is: verander het lijden in kunst.

Stouten is een kenner van klassieke muziek en zijn commentaren daarover troffen mij het meest. Als Bartok liefhebber kon ik al lezend alleen maar hevig jaknikken bij wat Stouten schreef over het pianostuk “In de open lucht” en het middendeel van het tweede pianoconcert. Ik moest bij het lezen over deze verstilde stukken direct ook denken aan Henriette Roland Holst die zei dat “de zachte krachten uiteindelijk zullen overwinnen.” Grappig was ook de vergelijking tussen De Beatles (lees McCartney) en Franz Schubert. Bijvoorbeeld de overeenkomst tussen Gretchen am Spinnrade en Eleanor Rigby: “gevangen in dezelfde donkere sfeer, achternagezeten door een beklemmende, melodie die misschien de vergelijkbare uitdrukking is van onvervuld liefdesverlangen, hopeloosheid en onontkoombare eenzaamheid.”

Stoutens stijl is soms over weelderig, maar nooit drammerig. “Kersen eten om middernacht” is een aanrader die ons aanmoedigt de “stilte te herontdekken als ons geboorterecht” en muziek een belangrijke rol in ons leven te laten spelen. Immers, “muziek reikt van nature naar alle onbenut gebleven mogelijkheden en is in staat het masker van ons zelfbeeld te verwijderen.”

Tot slot heeft Bart Stouten nog een praktische tip voor ons. Als wij iemand ontmoeten die niet geïnteresseerd is in klassieke muziek, laat hem of haar dan het concert voor twee piano’s van Francis Poulenc horen. Volgens Stouten – hij noemt Poulenc een hooligan van de klassieke muziek – blaast dit stuk de hardnekkigste vooroordelen op. Een goede raad die ik in de nabije toekomst maar eens ga opvolgen…

De Bezige Bij Antwerpen
ISBN 9-789085-425045
Aantal pagina’s 299

Emile Stoffels
Luister Magazine 694

Ferdinand Dejean: de Hollandsche Indiaan ontsluierd

Sunday, December 15th, 2013

Wie tegenwoordig de naam ‘Ferdinand Dejean’ intikt op Google, krijgt bijna zevenduizend hits. Het is dan ook aan historicus en pianist Frank Lequin te danken dat deze mysterieuze figuur – die door Mozart de Hollandsche Indiaan werd genoemd – uit de vergetelheid is ontrukt.

Lequin, tevens schrijver van boeken over VOC-er Isaac Titsingh, deed al zo’n twintig jaar onderzoek met de bedoeling ooit een biografie over het leven van Dejean uit te brengen. De andere auteur – Prof. dr. Bleker – heeft een passie voor muziek, verdiept zich evenzo in de geschiedenis van de V.O.C. en organiseerde ook tentoonstellingen over de geschiedenis van de verloskunde en gynaecologie. Dat verklaart dat beiden onlangs het boek ‘Ferdinand Dejean (1731-1797) chirurgijn, wereldburger en opdrachtgever van Mozart’ uitbrachten.

In de archieven

Vanaf 2003 doken beide onderzoekers in binnen- en buitenlandse archieven en bibliotheken om bronnenmateriaal van divers karakter te achterhalen om zo Ferdinand Dejean een gezicht te geven.
Via een deskundige konden tientallen achttiende-eeuwse Duitse handschriften worden overgebracht naar leesbaar Duits, waardoor een schat aan informatie over Dejean vrijkwam. Dit gaf vooral inzicht over Dejeans familie en zijn omgeving.

Selfmade

Dejean is een selfmade man uit de bloeitijd van de verlichting, die carrière maakte als stadschirurgijn in Batavia. Hij maakt zijn studie geneeskunde in Leiden af, wordt gekozen tot lid van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen en wint de tweede prijs van de Keizerlijke Academie voor Wetenschappen in Sint Petersburg. Hij behoort dan ook tot de subtop die de toenmalige stand van wetenschap en cultuur kent, beoefent en kritisch bevraagt. Zijn brede interesse blijkt ook wel uit de zendingen van naturalia vanuit Batavia naar zijn vriend Schlosser in Amsterdam. Een goede pen had hij ook al: zijn beschrijvingen van de problemen en gevaren van de grote vaart, zijn helder en meeslepend.

Amateur fluitist

Maar Dejean had meer kleuren op zijn palet. Als amateur fluitist bestelt hij bij Mozart, voor 200 gulden fluitmuziek. Markant is dat hij slechts 96 gulden betaalt, omdat hij niet helemaal tevreden is. Mozart schreef later aan zijn vader over een man, die hem opdracht gaf tot het schrijven van een paar fluitwerken en typeerde hem als ‘rijke Hollander’, een liefhebber van alle wetenschappen, ‘den indianischen holländer, doch ein rarer Mann.

De samenwerking tussen Lequin en Bleker heeft geleid tot een uiterst interessant wetenschappelijk boek, dat de naam Ferdinand Dejean in ere herstelt. Maar, volgens de auteurs is een biografie over een figuur uit het verleden nooit helemaal af…

Emile Stoffels

‘Ferdinand Dejean (1731-1797) VOC-chirurgijn, wereldburger en opdrachtgever van Mozart.’
304 pagina’s.
ISBN 978-90-78381-64-8

De Andriessens – Een kleurrijke familie van muzikanten en kunstenaars

Friday, September 13th, 2013

Bij een eerste kennismaking met de muziek van een willekeurige componist, heeft men uiteraard nog geen idee of de toondichter wel uit een muzikaal geslacht stamt of hoeveel leden van die familie begiftigd zijn met bijzondere talenten. Bij de Andriessens lijkt het echter normaal te zijn.

Er zijn vier bekende Andriessens: de componisten Hendrik, Jurriaan en Louis en de beeldhouwer Mari. Verspreid over verschillende generaties komen in de familie componisten, musici, beeldend kunstenaars en schrijvers voor. Hoe is zo iets moois toch mogelijk? Om die vraag te beantwoorden probeert Anges van der Horst in deze niet eerder gemaakte biografie een totaalbeeld te geven van de gehele familie, waarbij ze componist Hendrik Andriessen als uitgangspunt neemt.

Krantenman

Hendrik hield ook van schrijven en de opvatting thuis was dan ook, dat hij dan maar ‘krantenman’ zou worden. Zo werd hij in 1909 een verslaggever van de Nieuwe Haarlemsche Courant, die vanwege de smerige drukinkt ook wel “het stinkertje” wordt genoemd. Dat gaat een aantal jaren heel behoorlijk, tot hij op een avond telexdienst heeft en het bericht binnenratelt dat een schip op de Noordelijke Atlantische Oceaan op een ijsberg is gevaren. Het lijkt hem het vermelden niet waard: hij heeft belangrijker zaken aan zijn hoofd. Nu het zo lekker rustig is, kan hij flink doorschrijven aan zijn eerste koorcompositie. Het ligt dan ook voor de hand dat zijn journalistenloopbaan samen met de Titanic ten ondergaat, aangezien de Krant op 16 april 1912 niet met vette koppen over de ramp opent.

Herenstraat

In 1934 strijkt Hendrik met zijn gezin neer in de Herenstraat in Utrecht, waar hij onder andere zijn prachtige Kuhnauvariaties zou schrijven. Die straat zou een begrip en pleisterplaats worden voor musici en andere kunstenaars. In dezelfde straat woonde ook componist Wouter Paap, wat zorgde voor het ontstaan van de vele familiegrappen: ‘Wouter Paap, niet eens de beste componist van de Herenstraat.’ En zo wemelt het van de grappige anekdotes.

Het verhaal van de familie wordt verteld aan de hand van belangrijke gebeurtenissen in het leven van de verschillende Andriessens. Het boek beslaat ongeveer driekwart eeuw (1934 – 2012). Ook Jurriaan, Louis en de beeldhouwer Mari komen uitvoerig aan bod. Doordat de gebeurtenissen zoveel mogelijk tegen hun maatschappelijke achtergrond zijn geplaatst, biedt het ook een tijdsbeeld van die periode. Het boek is geïllustreerd met verschillende, niet eerder gepubliceerde foto’s uit het familiearchief. Ik heb genoten van deze geestig geschreven biografie, door Agnes van der Horst.

Emile Stoffels
Luister Magazine

ISBN 978 90 8803 0208
Uitgeverij: Lias

Alphons Diepenbrock – componist van het vocale

Sunday, March 17th, 2013

Amsterdam University Press
Leo Samama
ISBN 978 90 8964 428 2

Alphons Diepenbrock – componist van het vocale

“Niemand is profeet in eigen land”. Die uitspraak kunnen we met enige aanpassing zeker van toepassing brengen op de Nederlandse, laat-romantische en moderne componist.

Ook Neerlands muzikale patriarch Alphons Diepenbrock, wiens 150ste geboortedag wij op 22 september vorig jaar vierden, klaagde al over de miskenning in dit land. Toch was hij tussen 1900 en 1920 zonder enige twijfel de bekendste en meest gevierde componist van Nederland. Niet in de laatste plaats doordat Willem Mengelberg zijn werk regelmatig uitvoerde.

De Tachtigers

Alphons Diepenbrock is belangrijk omdat hij een van de eerste belangrijke componisten is geweest, binnen een beweging die een grote rol heeft gespeeld in de Nederlandse cultuur: de Tachtigers. In deze groep zaten o.a. schrijvers als Willem Cloos en bouwmeesters als Pierre Cuypers, die zijn oom was. Een beweging die aan de wieg stond van de opkomst van de Katholieke Nederlandse cultuur, aan het einde van de negentiende eeuw. Ook was hij goed bevriend met Gustav Mahler.

Wagner

Hij heeft de muziek van Palestrina, De Lassus en Sweelinck samengesmolten met Wagner, wiens muziek toen mateloos populair was. “Wagner die ons gehoor heeft vervormd en onze gehoorsensibiliteit heeft verscherpt. Wij zijn opgegroeid tussen zijn klanken.” Diepenbrock is daardoor belangrijk geweest voor zijn leerlingen en zodoende loopt de as der ontwikkeling vooral over de eerder genoemde Hendrik Andriessen.

Orkestliederen

Diepenbrock was classicus van huis uit, maar toch lag zijn hart al vroeg bij de muziek. Als componist heeft hij zich vrijwel uitsluitend met vocale muziek beziggehouden en schreef vele liederen, met piano en met orkest. Met zijn orkestliederen – een genre dat in die tijd vrijwel onbekend was – was hij Mahler eigenlijk een stap voor.

Tijdsgeest

Waar ik ook van opkeek waren zijn standpunten die veelvuldig de inhoud van zijn brieven domineerden. Een daarvan was zijn koudwatervrees voor de in de negentiende eeuw maatschappelijk sterk opkomende joodse bevolking en vragen we ons af hoe dat aan de orde kwam, in zijn ontmoetingen met Gustav Mahler. Dit boek gaat zeker ook over de algemene tijdsgeest van toen en is in die zin dan ook groter dan Alphons Diepenbrock.

De componist en musicoloog Leo Samama schreef deze fraai uitgegeven monografie in opdracht van het Alphons Diepenbrock Fonds. Het boek is ingebonden, voorzien van harde kaft en zeer mooi afgewerkt. Ook zijn er mooie oude foto’s te bewonderen. Een absolute must voor degenen die meer willen weten over de Nederlandse muzikale ontwikkeling rondom de vorige eeuwwisseling.

Emile Stoffels

Anton Bruckner – Leven en Werken

Friday, January 11th, 2013

Anton Bruckner 1824-1896 – Leven en Werken
Cornelis van Zwol
Uitgeverij Thoth, 782 blz., gebonden + cd
ISBN: 978 90 6868 590 9

Als we iemand willen aanwijzen die een volslagen eigen plaats inneemt binnen de Romantiek, dan is het wel de grootmeester der symfonie Anton Bruckner. Deze reus ging helemaal zijn eigen weg en verrichtte zijn titanische arbeid buiten de literaire en filosofische stromingen van zijn tijd om. Bij het zien van zijn portretten en het lezen van de biografieën die in de loop der tijd over hem zijn verschenen, is het met de beste wil van de wereld niet voor te stellen dat deze enigszins naïeve mens van het platte land, de schepper is van de kolossale symfonieën die wij nu kennen. Dit zal wel voor altijd een mysterie blijven en wordt ook niet ontsluierd in de nieuwe lijvige biografie van Cornelus van Zwol.

Bruckner apologeet

Als door een lichtflits van de Heer die Saulus tot Paulus maakte, zo trof Bruckners zevende onder van Beinum ergens in december 1953 onze Cornelis. Het was vervolgens mentor en vriend Edward Reeser die hem in zijn onderzoeksdrift zou stimuleren en van van Zwol een ware Bruckner apologeet zou maken. Deze prachtig gebonden Bruckner biografie, is het resultaat van decennialang onderzoek in het Anton Bruckner-Institut in Linz en contacten met het nageslacht van de componist. Van Zwol leverde – toen hij nog voor het muziektijdschrift Luister schreef – een serie artikelen aan, genaamd “Op reis door ‘t land van Bruckner”. Hij werd daarbij bijgestaan en gestimuleerd door de toenmalige hoofdredacteur Cor Molenbeek. Onderdelen van die artikelen zijn dan ook voor de biografie gebruikt en behoorlijk aangevuld. De auteur droeg de biografie op aan het Koninklijk Concertgebouworkest en werd na afloop van een uitvoering van Bruckners Vijfde symfonie onder Haitink, aan de eredirigent van het KCO aangeboden.

Hanslick

De prettig leesbare biografie leidt ons door de kritieken en recensies van toen. Vooral die van de beruchte Eduard Hanslick en zijn medestanders, zijn een lust om te lezen. Deze bittere tegenstander van Bruckner – Hanslick is dat overigens niet van het begin af aan geweest – heeft uiteindelijk geen gelijk gekregen, maar wat een geweldige pen had die man! Een waarlijk geducht wapen. Merkwaardig overigens is dat van Zwol het in zijn voorwoord heeft over de ‘moderne Hanslicken’ uit zijn tijd, toen hij nog voor het tijdschrift Luister schreef. Kennelijk waren er zelfs toen recensenten die Bruckner niet begrepen of niet wilden begrijpen. Ook in Bruckners tijd waren er voor- en tegenstanders, met de leus: wie niet voor ons is, is tegen ons (Iets dergelijks zien we wel vaker: of men was aanhanger van de Beatles of van de Rolling Stones). Waar ik persoonlijk van opkeek was dat Johan Strauss weg was van Bruckners muziek. In een telegram naar aanleiding van een uitvoering van de zevende schreef de koning der wals: “Bin ganz erschüttert – es war einer der grössten Eindrücke meines Lebens.”

Aparte kop

Ook Bruckners verschijning vormde kennelijk gespreksstof. Kunsthistoricus Konrad Fiedler schreef daar toen al iets over: “…een zeer ongelofelijke verschijning met een aparte kop, half nijlpaard, half galeislaaf…Hij weet niets van God en de wereld, is een kind en daarbij toch schrander en hartstochtelijk, zeer merkwaardig.” Evenzo vinden we een boeiende appendix over Bruckners persoonlijkheid waarin wordt afgerekend met hardnekkige clichés. Anderzijds worden bepaalde gemeenplaatsen bevestigd.

Noeste arbeid

De biografie is ook prima als naslagwerk te gebruiken. Analyses van Bruckners werk zal men tevergeefs zoeken, maar de lezer komt indirect toch heel veel te weten over des meesters composities. Het wemelt van recensies van het eerste uur, over de ontvangst van Bruckners muziek. Vooral het onbegrip voor zijn harmonieën, zijn manier van moduleren en unieke symfonische stijl. Ook vinden we de beknopte ontstaansgeschiedenis en de problematiek van de versies, met inbegrip van de recentste ontdekkingen. Bruckner heeft namelijk de meeste symfonieën op latere leeftijd nog grondig herzien. Ook hierin is hij uniek. En met herzien, bedoelen we niet hier en daar even wat bijschaven of polijsten. Neen, dit zijn ingrijpende en dus tijdrovende herzieningen geweest. Als er ergens iets wordt veranderd, dan moest dat ook op andere plekken gebeuren ter wille van de balans in de structuur. Zo beschouwd, heeft hij het aantal symfonieën bijna verdubbeld. Uiteindelijk is hij daardoor tijd tekort gekomen om zijn 9de symfonie af te maken, hoewel we nu inmiddels weten dat de finale bijna af was.

De ‘Gotische’

Wat als hij eerder vrijstelling van zijn lesverplichtingen en andere beslommeringen had kunnen krijgen om te componeren? Dan zou het wellicht zelfs nog tot een tiende symfonie zijn gekomen. Van Zwol wijst ons namelijk ook nog op een in 1892 verschenen notitie uit de Leipziger Neue Musikzeitung, waarin staat te lezen: “Onze Anton Bruckner, de oude symfonicus, loopt met het plan rond aan zijn Negende nog een Tiende symfonie toe te voegen en wel de ‘Gotische’.”

Dit standaard werk is een must, niet alleen voor Bruckneraanbidders, maar ook voor mensen die nog niet zijn toegekomen aan de indrukwekkende klankwereld van de Oostenrijkse toondichter. Cornelis van Zwol heeft een mooie balans gevonden tussen naslagwerk en biografie en toont andermaal zijn liefde en toewijding voor de kunst van Anton Bruckner. De bijgevoegde cd met een opname die niet in de handel verkrijgbaar is, is een leuke bonus. Het is de wereldpremière van de oerversie uit 1874 van de Vierde symfonie door de Münchner Philharmoniker onder leiding van Kurt Wöss.
Rest mij slechts mijn waardering en bewondering uit te spreken voor deze niet te versmaden biografie.

Emile Stoffels
Luister

Clara Schumann & Johannes Brahms

Thursday, March 22nd, 2012

Biografie van een muzikale vriendschap in brieven en noten Deel 1: 1853 – 1866 ISBN 978-94-6176-013-5

Wat maakt en vormt ons stervelingen? Zijn het niet de mensen die we ontmoeten op beslissende momenten in ons leven, alsmede de geestelijke houding en omstandigheden van die tijd? Waar wordt onze geest mee gevoed? Voor Johannes Brahms waren dat in zijn jeugd de werken van de grote Duitse Romantische schrijvers: Novalis, E.T.A. Hoffmann en Jean Paul. Later was daar de kennismaking via Joseph Joachim met het echtpaar Robert en Clara Schumann. Deze twee zouden in Brahms’ kunst, direct de natuur mystieke wereld van de grote Duitse schrijvers horen. Later roemde Robert Schumann in zijn gezaghebbende “Neue Zeitschrift für Musik”, de muzikale kwaliteiten van Brahms. Als kind van zijn tijd had ook Johannes te maken met de veranderde geestelijke houding in Europa, die de componist min of meer dwong om van het traditionele vormschema af te wijken. Zelf behoorde hij bij een beweging in de Romantiek die tegen de stroom van de Wagneriaanse school inging en de 18de eeuwse traditie fel verdedigde. Hij trachtte de klassieke stijl te verbinden met de romantische ideeën. Een meester is hij van de intimiteit en de kleine vormen zoals ballade, rapsodie en het lied. Het lied bleef het centrale punt binnen zijn oeuvre; de zingbare melodie: het ging hem erom de algemene stemming van het gedicht in een geordende muzikale structuur te vangen.

Ook werd hij wel eens de geniaalste knutselaar genoemd, omdat hij de “grote overgeleverde vorm met louter kleinere eenheden vult”. Dit bracht de grote denker Nietzsche ertoe, Brahms’ stijl de “Melancholie des Unvermögens” te noemen. Puur vormtechnisch gezien, ligt zijn grootste bijdrage dan ook in de kamermuziek.

Door de kennismaking met de Schumanns in 1853 mag dat jaar voor Johannes Brahms – en bij uitbreiding de twee decennia na 1850 – als zeer belangrijk worden bestempeld. Het is een tijd waarin de Duitse bourgeoisie zich meer en meer bezighoudt met het zakenleven en de opkomende industrie. Evenzo streeft zij culturele ambities na; daarmee haar eigen helden vererend.

Voor Clara Schumann was haar dominante vader en het huis aan de Grimmaische Strasse te Leipzig, ontegenzeggelijk van doorslaggevend belang. Het werd een ontmoetingsplaats voor muziekuitgevers, componisten en musici. Ze zou tijdens haar reizen als concertpianiste belangrijke toondichters uit haar tijd ontmoeten, Pagannini, Chopin, Berlioz en uiteraard degene die uiteindelijk haar man zou worden: Robert Schumann.

De auteur van Velzen, verdiepte zich in de briefwisseling van Clara en Johannes en ontdekte dat er slechts een klein deel in het Nederlands vertaald was. Hoewel Brahms een aantal brieven van Clara in de Rijn gooide en zij op haar buurt een deel van zijn brieven verbrandde, zijn er gelukkig toch veel brieven bewaard gebleven. Wat mij zo trof was de onderlinge afspraak, in 1866 om de brieven uit te wisselen. Aan elkaar terug te geven dus. De lezer van nu, zal overigens bij de brieven veelal een mate van dweperigheid voelen, maar zo was het blijkbaar toen.

Ook pleegt deze studie af te rekenen met de hardnekkige mythe dat Johannes en Clara een romantische verhouding hadden, nadat Robert Schumann in een kliniek in Endenich werd opgenomen en vervolgens was overleden. Door de ziekte van Robert raakte Brahms nauw betrokken bij de familie en dat bleef zo tot de dood van Robert Schumann in 1856. Hij is aanvankelijk weliswaar verliefd op Clara en er wordt in de omgeving wel over gemompeld, maar wanneer zij weduwe wordt neemt Brahms toch meer afstand. Hij verkiest zijn werk boven de liefde en zijn houding ten opzichte van Clara wordt minder onderdanig: hij durft haar zelfs te bekritiseren. Echter, als in 1865 zijn geliefde moeder overlijdt, deelt hij zijn diepste emoties eigenlijk alleen met Clara. Medeleven van anderen lijkt hij niet te kunnen aanvaarden. Clara, schreef in haar dagboek over Brahms als “door God gezonden”. Ze zou een grote inspiratie zijn voor Johannes, die nog slechts een klein duwtje in de rug nodig had om tot grote wasdom te komen.

Het boek is overzichtelijk van opbouw, ondanks dat er overvloedig gebruik gemaakt is van voetnoten. Het begint met twee korte biografieën van zowel Brahms als Clara, gevolgd door een aardig overzicht van de krachtsverhoudingen en stromingen in de Romantiek. Dirigent Philippe Herreweghe die het voorwoord schrijft en Brahms een ‘traditionele progressieveling’ noemt, verwijst interessant genoeg naar een brief van 15 april 1861. Daar schrijft Brahms hoe hij denkt over metronoomaanduidingen. Ten slotte eindigt dit eerste deel met de periode rondom de voltooiing van zijn “Deutsches Requiem”.

Ja, we mogen inderdaad blij zijn met deze onderneming, omdat ook deze brieven in ruimere zin een boeiend inkijkje geven in het leven van toen. Deel twee en drie zijn inmiddels ook uit. Een mooie aanleiding om alle cadeau en VVV bonnen in te wisselen…

Emile Stoffels
Luister 681

De Sirenen zwegen – Psychoanalyse, mythe en kunst

Friday, October 14th, 2011

De Sirenen zwegen – Psychoanalyse, mythe en kunst
Verschenen, 2 april 2011
Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam
Essay (paperback) 84 pp.
Reeks: Oratio

ISBN: 9789491110016

‘Het is niet het letterlijke verleden dat ons beheerst, het zijn de beelden van het verleden. Zonder een algemeen of individueel historisch besef gaat de betekenis van die beelden verloren. De reden waarom wij ons aan het verleden hechten en de herinnering willen behouden is dat de geschiedenis sporen van het paradijs lijkt te dragen.’ Met deze gedachte – waarvan de eerste zin is ontleend aan George Steiners In Bluebeards Castle – opent Etty Mulder haar essay. Het deed mij direct denken aan Gunther Wands uitspraak over het laatste deel van Bruckners ‘onvoltooide’ negende symfonie. Ook hij heeft het daar over zoiets als ‘een schreeuw naar het verloren paradijs’. Op het eerste gezicht heeft deze zin misschien niet eens zoveel impact, maar hoe langer we erover nadenken des te meer gewicht deze uitspraak krijgt. Het zette voor mij in elk geval de toon voor deze essay. Iedere keer kwam deze gedachte in sterkere mate terug.

Wat voor de lezer van Luister wellicht vooral interessant is, is de belichting van het belang van Stravinsky’s Sacre en Schönbergs Mozes en Aaron in de moderne kunst. Twee kolossale composities uit de twintigste eeuw. Boeiend is speciaal de paragraaf over Schönberg die met zijn twaalftoonstechniek teruggaat naar de wetgeving voor het Joodse volk; meer preciezer: het verbod op het maken van beelden. Deze nieuwe wet is een ‘muzikaal beeldverbod’, doordat gebroken wordt met de tonale harmonie en de dominant-tonica spanning. Het wegvallen van vaste akkoordverbindingen heeft als consequentie dat wij geen (fantasie)beelden meer kunnen vormen of herkennen, waar ook in de compositie.

In de coda legt Mulder uit dat het woord cultuur in de loop der tijd, zijn waarde heeft verloren. Men zal dus ‘om de betekenis van non-verbale kunstzinnige bestanddelen van het historische en van het geheugen te hervinden, de oude luister van de lege term cultuur in herinnering moeten roepen’. Mulders essay wil ‘het voorbije articuleren in de zin van het grandioze’. Het is dus aan de kunstwerken om ons historische besef weer tot leven te brengen.

Etty Mulder is musicologe en cultuurhistorica en schrijft over interdisciplinaire en kunsttheoretische onderwerpen met de nadruk op filosofische en psychoanalytische benaderingen van kunst.

Het is zeker niet de makkelijkste kost en de essay had wellicht nog iets toegankelijker geschreven kunnen worden, maar laat dat geen belemmering vormen voor liefhebbers die de diepte in willen om schatten naar boven te halen.

Emile Stoffels
Luister 677

Onder stroom – Geschiedenis van de elektronische muziek in Nederland

Wednesday, August 17th, 2011

“Is het een wonder, dat in onze eeuw van ruimtevaart de menselijke geest zich opmaakt om ook de onbekende muzikale ruimte te gaan verkennen?” Dat vroeg Henk Badings zich af in 1957. Deze vaderlandse componist heeft de eer de eerste echte elektronische toondichter te zijn. Het denken over de mogelijkheden van elektronische muziek heeft onbegrensde vergezichten geopend. Niet ‘the sky is the limit’, het heelal moet veroverd worden. Tegelijkertijd realiseerde Badings dat er nog veel werk te doen was: “We zijn er nog ver van af om bewust en met praktische middelen die onbekende ruimte te benutten, maar het begin is er.”

De definitie van elektronische muziek – zoals deze term pas na de tweede wereldoorlog ingang vindt – isniet eensluidend. Jacqueline Oskamp gaat dan ook uit van ‘de muziek bestaande uit klanken die zijn opgewekt of bewerkt met elektronische apparaten, hetzij analoog of digitaal.’ En, wordt de elektronica nu als verlengstuk van het gewone instrument gebruikt of vormen beide een symbiose? Of is er juist sprake van een contrast of van een extra muzikale laag?

Aan de hand van 6 kleurrijke portretten van Nederlandse componisten, geeft Oskamp op volstrekt logische manier een goed overzicht van de ontwikkeling binnen de elektronische muziek in Nederland na de tweede wereldoorlog. Ieder portret geeft op zijn beurt, een deelaspect binnen de elektronische stroming weer. De geportretteerden zijn: Ton Bruynèl, Jan Boerman, Dick Raaijmakers, Michel Weisvizs, Edwin van der Heide en Anne La Berge.

Tegenover de elektronische hoofdsteden Parijs en Keulen – waar Pierre Boulez respectievelijk Karl Heinz Stockhausen de scepter zwaaien – is het in Nederland een ‘rommeltje’ dat voor veel diversiteit zorgt. Of is het louter anarchie? De eerste privé studio in Nederland is nota bene de onbewoonbaar verklaarde woning van Ton Bruynèl in de Schalkwijstraat te Utrecht.

Deze klankonderzoekende Bruynèl die een trompet elektronisch laat tokkelen en een viool blazend laat horen, zoekt als een pionier naar klankfamilies die goed samengaan met akoestische instrumenten. Maar ook ziet hij het lege podium als het probleem van de elektronische muziek: “dan zit je toch twee uur lang naar je schoenveters te staren.”

Het aan Michel Weisvizs opgedragen boek kwam tot stand door de bestudering van de archieven van het CEM en Steim. Het grootste gedeelte van de informatie kwam echter uit de gesprekken met componisten, musici en technici. Het gaat niet over dorre techniek, maar het zit daarentegen boordevol kostelijke anekdotes van onder andere de eerdergenoemde Ton Bruynèl. Dit boek gaat over kleurrijke pioniers met een waslijn in hun studio, waar ze reepjes tape in de juiste volgorde hingen…

ISBN 978 90 263 23249
Uitgever: AMBO

Emile Stoffels
Luister 676

Next Entries »