Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Versterkers

Meer berichten »

Kronzilla SDi 35

Monday, January 10th, 2011

Deze week rond ik mijn artikel af van de Kronzilla Sdi 35. De geïntegreerde versterker met de beestachtige T1610 buis. De machine dankt zijn naam ook voor een belangrijk deel aan een beest. De eerste Kronzilla kreeg in 1999 het predikaat “Amplifier of the Century” in de USA. Dat was ten tijde van de film Godzilla. Amerikanen geven graag bijnaampjes en zo kreeg de versterker de naam Kronzilla, uiteraard vernoemd naar de ontwerper Riccarde Kron. Een tweede Praagse Lente wellicht. Ook deze recensie zal in het komende HiFi Video Test nummer komen.

Yarland P100 hoofdtelefoonversterker

Tuesday, December 28th, 2010

Yarland P100 hoofdtelefoonversterker

Ik ben bepaald geen hoofdtelefoon luisteraar. Hoe kwam ik er dan bij deze test aan te vragen bij de hoofdredacteur? Het kwam – denk ik – door het feit dat het een versterker is met een buizen bezetting die ik goed ken. Bovendien heb ik iets met houten frontjes en Yarland heeft dat goed gedaan door hun relatief goedkope producten, chique eruit te laten zien.

Ik heb inmiddels nogal wat EL84 versterkertjes gehoord, maar ben nog nooit teleurgesteld in deze buis. Oké, de ene was wat opvallender dan de andere, maar wat al deze versterkers kenmerkte, was de typische EL84 kwaliteit: een aanstekelijke, frisse, open klank in het midden-hoog die direct aanspreekt en ook aan blijft spreken. Een groot voordeel van de EL84 is, in tegenstelling tot veruit de meeste direct verhitte triodes, dat hij gemakkelijk is aan te sturen. Beide kanalen kunnen – in het geval van single ended configuratie – door slechts één dubbeltriode met gemak worden aangestuurd. Een simpele schakeling dus met een minimum aan onderdelen en versterkingstrappen. En dat is te horen.

Er wordt altijd een beetje denigrerend over deze buis gedaan, omdat het een indirect verhitte buis is en geen direct verhitte triode. Wat veel mensen blijkbaar ontgaat, is dat de El84 in de jaren 50 door Philips als een echte audiobuis ontworpen is. Toch lees ik op forums steeds vaker dat hobbyisten en ontwerpers deze buis wel bejubelen.

De EL84 – de Amerikaanse equivalent is de 6BQ5 – wordt wel eens “the baby with the bite’ of ‘een wolf in schaapsklederen’ genoemd. Dat komt door het pittige karakter en het relatief kleine formaat. Hij is vingerdik en 68 mm hoog. Een kleine glaskolf dus, waardoor hij ook behoorlijk heet wordt. Koeling kan nog wel eens een aandachtspunt zijn. Oppassen geblazen dus met kleine kinderen. Een kort moment van onvoorzichtigheid, levert de geur van gebraden vlees op. Bij de Yarland zit alles netjes onder het deksel.

Gezien het relatief lage vermogen dat de fabrikant opgeeft, dacht ik aanvankelijk dat de El84’s in triode zijn geschakeld*. De binnenkant van de versterker leert echter dat er ‘gewoon’ penthode schakeling is toegepast en het lage vermogen te verklaren is door de opvallend lage instelling van de eindbuizen. Ik mat 75 volt op de anode en een paar volts meer op het schermrooster. Dat is wel erg laag.
Verder worden de eindbuizen aangestuurd door twee dubbel triodes, de 6N3. Van deze wordt echter maar één helft gebruikt. Dit is een stuurbuis die door Yarland veel wordt toegepast.

De Klank

Zoals gezegd luisterde ik niet veel via een hoofdtelefoon en heb daar dan ook nooit echt in geïnvesteerd. Ik heb een Philips HP820 die rond de 40 Euro kostte als ik het me goed herinner. Niets bijzonders dus. Echter, nadat ik de versterker een halfuur had opgewarmd ging er toch een soort van microkosmos voor me open. Veel detail, maar nooit vermoeiend. Het midden is – zoals ik al verwachtte – het sterkste punt: rijk, vloeibaar, en open. Maar ook het hoog loopt behoorlijk ver door en klinkt zoet, doch energiek. De opening van track 4 op Product van Brand X, had de juiste hoeveelheid informatie, zonder opdringerig te worden. Bij het tweede deel van Bartok’s ‘Muziek…’, waren de verschillende instrumentengroepen met groot gemak van elkaar te onderscheiden. Gekraak van de vloer, geschuifel met de stoelen, geritsel van het papier. Het was er allemaal! Ook viel weer op dat de strijkers correct klinken, wat een belangrijk criterium is. Iets dat niet alle versterkers gegeven is. King Crimson had de juiste volumineusheid in het lage midden en laag, zonder echt heel diep te gaan. Modderig werd het overigens nergens. Luid draaien zorgde echter voor enige vervorming, maar dat was dan ook een geluidsniveau die we elkaar bepaald niet willen adviseren. Stolen Car van Sting klonk realistisch, los, en precies.

En dan te weten dat er nog aardig wat te verbeteren valt. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan om de fabrieksbuizen te vervangen door zogenaamde new old stock exemplaren. Dat is een kwestie van het deksel eraf halen en de buizen omprikken. Een exercitie van niets, zou ik zeggen. Probeer eens een paartje Philips – al dan niet miniwatts – te scoren op Marktplaats en de 6N3’s te vervangen door de General Electric 5670. Uiteraard zijn er ook goede nieuwe producties, zoals JJ. Ofschoon velen behoorlijk overtuigd zijn van de Electro Harmonix EL84’s, ben ik iets terughoudender. Van een paartje dat ik ooit had, was een exemplaar defect. Deze trok teveel stroom en zou uiteindelijk mijn uitgangstrafo vernield hebben. Ik heb het gelukkig op tijd ontdekt. Vandaar het trauma.
Dan waren er behoorlijke verschillen tussen de 32 en 300 ohm aansluiting. De laatste was stiller met een iets uitgebreider kleurenpallet, maar minder aansprekend op het gebied van dynamische contrasten. Ik vooronderstel in deze, dat het muziekgenre leidend zal zijn voor de luisteraar.
De plug weer terug in de hoofdtelefooningang van de Harman/Kardon versterker, was een koude douche. Na eenmaal een Rochefort 10 of een Westvleteren ervaren te hebben, kun je absoluut niet meer terug naar een Bavaria pilsje.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn. Deze hoofdtelefoon versterker klinkt te goed voor het geld en is dus een buitenkansje voor mensen die regelmatig met een koptelefoon luisteren. In z’n algemeenheid loont het zondermeer de moeite om een dedicated hoofdtelefoonversterker aan te schaffen. Dat geld voor veel zaken natuurlijk. De Yarland P100 klinkt oneindig veel beter dan het chipje dat in menig versterker zit voor de hoofdtelefoonversterking. Ik kan me voorstellen dat het helemaal een klankfeest wordt met een dikke Sennheisser of welk prachtig ander merk ook.

Wat ik Yarland nog als feedback wil geven, is dat ze wellicht eens kunnen overwegen om deze versterker zo te maken dat hij tevens als geïntegreerde versterker dienst kan doen. Er zal dan een extra aftakking op de secundaire kant van de uitgangstrafo’s moeten komen voor de huiskamerluidsprekers (4 of 8 ohm) met speakeruitgangen en een tweede ingang voor een extra bron met een keuzeschakelaar. En – dat zou erg mooi zijn – een schakelaar om tussen triode en penthode instelling te kunnen schakelen. Luidsprekers ten noorden van 92dB rendement, zijn dan voor een dergelijke versterker uiteraard een eis.

EMile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Brand-X – Product;
Brand-X – Masques;
Sting – Sacred Love;
Bartok – Muziek voor Strijkers, Slagwerk en Celesta/Fritz Reiner;
King Crimson – The Power to Believe

Sonic T-amp tweede generatie

Tuesday, December 28th, 2010

Sonic T-amp tweede generatie

Het was maart 2005 dat mijn oog viel op een recensie van de Sonic T-Amp op Internet door TNT audio1. De eerste vraag die opkwam was natuurlijk: ‘zo’n goedkoop ding kan toch niet goed klinken?’. Verder googlen op dit onderwerp leerde uiteraard dat er al meer mensen waren die zich dat hadden afgevraagd, waaronder de auteur van het genoemde TNT artikel. Toch werden ze overtuigd en zijn er sinds 2005 heel wat hobby projecten ontstaan om het dingetje nog beter te laten klinken.

Mijn nieuwsgierigheid was geprikkeld en dacht: ‘ach, voor dat geld? Waarom niet?’ Het zag er allemaal behoorlijk goedkoop uit. De verpakking als het versterkertje zelf. Maar goed, het is dan ook ontworpen als een portable voor op het strand. Vandaar de mogelijkheid voor acht batterijen van 1,5 volt. In de tussentijd had ik me goed ingelezen via de forums en bij de plaatselijke elektronica boer alvast een adapter voor 12 volt@1,5 A gekocht, want dat zat er bij de eerste generatie nog niet bij. Bij de tweede generatie zit er wel een schakelende voeding bij en aan de zijkant een hoofdtelefoon aansluiting.

De manier van versterken gebeurt door klasse-D techniek en is gebaseerd op de Tripath chip TA2024, die ook in een aantal Sharp televisies te vinden is, maar ook TEAC past deze chip toe. Tripath heeft meerdere chips, maar het blijkt dat de TA2024 en TA2020 wel opvallend goed klinken. Deze chip levert in de praktijk 6 watt bij 8 ohm. Vergeet de claim van 15 watt bij 4 ohm, want dat is bij 10% vervorming.

Klank

Om een eerste indruk van een product te krijgen draai ik veelal Toto IV special edition. Ik weet dan vrij snel wat voor een vlees ik in de kuip heb. Ik was toen letterlijk geschokt door wat ik hoorde. Het was snel, dynamisch, veel zwart en een ongelofelijk groot stereobeeld zoals op track 9, Miles Davis – Aura te horen was. Bovendien was de tonale balans ook correct. Ik kon het niet geloven en het moest toen zelfs nog inspelen. Na een tijdje heb ik de input caps en de voeding verbeterd, de potmeter vervangen en het geheel in een stevig aluminium kastje laten zetten. Hierdoor had ik tevens het probleem van de slechte speakeruitgangen en de ingang opgelost. Ook had ik inmiddels een 12 volt accu aangeschaft, wat voor nog meer ‘zwart’ en rust zorgde. Ik wist niet wat ik hoorde na deze modificaties. Het enige waar mijn buizenversterker toen op won was de vloeiendheid in het midden en een wat schoner hoog, waardoor het allemaal wat minder vermoeiend klonk. Echter op het gebied van breedte, diepte, hoogte en zwartheid in het stereobeeld was de T-amp ongehoord in de letterlijke zin. Pas toen ik mijn single-ended EL84 versterker triode had geschakeld, werden deze verschillen nagenoeg geneutraliseerd, waardoor de laatste uiteindelijk toch de voorkeur heeft. De zwarte achtergrond in het stereobeeld, is en blijft een kwaliteit van de T-amp. Overbodig te zeggen dat ik dan ook zeer benieuwd was naar de tweede generatie T-amp. De importeur vertelde dat er t.o.v. de vorige generatie betere input caps zitten.

Ook bij deze tweede generatie is het niet slim om conclusies te trekken na een half uurtje spelen. Het midden hoog klinkt dan behoorlijk steriel en droog en het laag te weinig volumineus en los. De ervaringen suggereren minstens 100 uur inspeeltijd. Verschil tussen mijn gemodificeerde T-amp en de tweede generatie, was wel aanwezig, maar niet dramatisch. Mijn eigen T-amp liep iets verder door in zowel het hoog als het laag en liet wat beter en langer de klanken uitsterven. Ook tonaal was de 2de generatie aan de warme kant en was de achtergrond iets minder zwart. Maar nog altijd geweldig. Het verschil tussen de eerste generatie en de modificaties die later waren gedaan, was iets groter kan ik me herinneren.

De tweede generatie ziet er wat anders uit. Minpunt blijven de goedkope speakeraansluitingen en de mini jack ingang. Ofschoon ik al een aantal jaren het geloof in een (actieve) voorversterker kwijt ben, is dat bij deze wel wenselijk: het laag wordt sneller en gearticuleerder ten koste van een beetje detail en doorzichtigheid. Bovendien wordt het hoog hierdoor minder droog en vermoeiend, omdat de T-amp daar toch een licht voorkeurtje heeft.

Conclusie

Tja, wat moet ik zeggen? Voor 79 euro een dergelijk versterkertje. Need I say more? Gewoon proberen! Ook hier geldt dat de T-amp pas straalt als de luidsprekers een rendement hebben vanaf 90dB. De les die we nog steeds moeten leren, is dat een goede audio set absoluut niet duur hoeft te zijn. Voor degenen die gruwen van klasse-D versterking: geeft het ampje een kans.

EMile Stoffels

1 Http://www.tnt-audio.com/ampli/t-amp_e.html

Cayin VP-100-i

Thursday, December 16th, 2010

Cayin VP-100-i

Ons leven wordt veelal bemoeilijkt, door de keuzes die we kunnen maken. Ook binnen een luxe onderwerp als audio. Wat zullen we kiezen? Multichannel of ‘gewoon’ stereo? Gescheiden of geïntegreerde versterking? Buizen of torren (transistors)? Push-pull of single ended? Hoog rendement luidsprekers met laagvermogens versterkers of andersom? Nieuw of tweede hands? Of wellicht zelf (laten) bouwen?

Buizen zijn tegenwoordig HOT. Ofschoon een buizenversterker relatief eenvoudig zeer goed kan klinken, dienen we ons te realiseren dat er ook slechte buizenversterkers zijn. Een buizenconcept op zichzelf, is niet zaligmakend. Ook zouden we er goed aan doen, de jongste ontwikkelingen te volgen op het gebied van klasse D versterking, veelal gebaseerd op de inmiddels beroemde Tripath chips. Hierover meer in een later artikel wellicht. Hoe dan ook, het is voor velen duidelijk dat een buis bepaalde kwaliteiten heeft die een transistor eenvoudigweg niet heeft.

De hier geteste buizenversterker en CD speler zijn producten van Cayin. Dit bedrijf is gevestigd in de buurt van Hong Kong en heeft al meer dan 10 jaar een goede reputatie in onder andere Amerika, Engeland, Duitsland en Frankrijk.

Mijn eerste visuele kennismaking met Cayin was de HA-1A koptelefoonversterker met het mooie patrijspoortje, van waarachter de buizen ons verleidelijk aankijken. Ik weet nog dat ik samen met een collega likkebaardend naar de foto’s op het Internet keek. De hier geteste VP-100-i is een totaal ander verhaal.

De apparaten kwamen bij mij via de distributeur Hay End Audio te Venlo en hij vertelde dat de apparatuur was ingespeeld. Dat is een absolute voorwaarde: denk eens aan al dat ‘ijzer’ dat moet inspelen en niet te vergeten de weerstanden en condensatoren. Dat duurt even.

Hij had de apparatuur laten bezorgen door een in audio gespecialiseerd logistiek bedrijf. De chauffeur had ze met een steekkarretje in de gang gezet. Toen ik de enorme doos wilde optillen, begreep ik direct waarom: nadat ik het op mijn luisterkamer had staan op zolder, moest ik direct een banaan eten. Tip: haal beneden éérst de apparatuur uit de doos, om de manoeuvreerruimte te vergroten want een dergelijke versterker naar boven slepen is een martelgang op zich.

De versterker ziet er imposant, degelijk en gelikt uit. Het is een geïntegreerde versterker met naar keuze triode (2 x 24 watt) of UL* (2 x 50 watt) bedrijf. Tot 2 x 15 watt werkt hij in klasse A. Het verschil met mijn eigen versterker is opvallend. Niet alleen qua afmeting en vermogen, maar vooral qua type buizenbezetting. Waar de Cayin vier KT 88 eindbuizen heeft (twee per kanaal in push-pull configuratie), aangestuurd door vijf dubbeltriodes, heeft mijn eigen versterker slechts twee EL84 eindbuizen (een per kanaal in Single Ended configuratie), aangestuurd door slechts één dubbeltriode.

De eindbuis – de KT88 – is een van de vele indirect verhitte buizen en staat erom bekend dat hij in UL bedrijf erg goed kan presteren. Wat mij al geruime tijd opvalt, is dat versterkers met KT 88 eindbuizen structureel duurder zijn dan hun broeders met EL34 eindbuizen. Terwijl de EL34 zondermeer vergelijkbaar is met de KT 88. Niettemin, de kwaliteit is ook in zeer hoge mate afhankelijk van hoe de buizen staan ingesteld, de kwaliteit van de uitgang trafo’s en de voeding. Een tijd geleden ben ik – na intensief experimenteren – erachter gekomen dat op kritische plekken, de kwaliteit van de weerstanden een enorme invloed op het geluid heeft. Dit is vooral zo bij de anode en kathode kant van de stuurbuis.

Nieuw t.o.v. de voorganger – de Ti88 – is de extra spanningsstabiliserende 6SN7 buis voor de voeding van de voorversterkertrappen.

Buizen gelijkrichting wordt tegenwoordig helaas nog zelden toegepast. Jammer, ofschoon ik de fabrikant wel begrijp. Solid-state gelijkrichting kost minder ruimte, is goedkoper, ontwikkelt nauwelijks warmte en is groener bovendien. En de nieuwste generatie silicon carbide solid-state gelijkrichters klinkt fenomenaal.

Luisteren

Laat ik beginnen te zeggen dat de Cayin me bepaald niet teleurstelde. Voor mij is klankbalans het hoogste goed. Dat wil niet zeggen dat een versterker geen voorkeurtjes mag hebben, maar de balans in zijn geheel moet ongeveer kloppen. Na een uurtje opwarmen bleek de VP-100-i daarover te beschikken. Althans, in triode bedrijf. Bij overschakelen naar UL, ontwaarde ik enige overbelichting in het middenhoog. Dat werd vooral duidelijk bij de toch enigszins uitgesproken opname So van Peter Gabriel. Iets dat ik me nog herinner van de Prima Luna Prologue II (ook met KT 88 in push-pull configuratie), die dat nog extremer had. Doch, bij oudere opnames en daarmee bedoel ik de eerste generatie Cd’s en vroege remasters, pakte dat veelal goed uit.

Wat ook vrijwel direct opviel was de slagkracht. Bij de opening van Alan Parsons’ Piramid werd duidelijk hoe krachtig. De eerste klap, na het vier noten motiefje van Voyager, had een snelheid en precisie die ik niet eerder heb waargenomen met mijn eigen versterkers, noch met andere versterkers die ik hier thuis heb beluisterd. Behalve dan met de Sphinx Project 14 die ik ooit heb gehad. Dit zijn dan ook wel eigenschappen waarin de KT 88 in UL excelleert.

Ook was er weinig of geen sprake van hardheid. De mondharmonica op track 1 van Spirit of Eden is hierin behoorlijk kritisch. Menig versterker valt hier door de mand, maar niet de Cayin. Toch viel een overvloedige hoeveelheid detail en informatie waar te nemen.

Dit was in overtreffende mate het geval bij de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bela Bartok. Dit is een mooie live opname waarin het gehoest en geschuifel goed te horen is. Ook de hoeveelheid ruimte suggestie is opmerkelijk en het omslaan van de bladzijden is zeer realistisch.

Een ander aspect van de Cayin is de hoeveelheid energie die overgebracht kan worden. In de genoemde sonate, komt in het begin twee keer een slag op het bekken voor. In het bijzonder de eerste slag, laat de luisteraar enkele centimeters omhoog veren. De Cayin bleek in staat deze energie over te brengen; vooral in UL bedrijf.

Los van de stereo breedte die opvalt bij het nummer Hyper-Gamma-Spaces op Piramid, ontwaarde ik ook hoogte in het stereobeeld, hoewel mijn huidige single ended versterker het nog net iets breder en hoger wegzet. Die hoogte was nog opvalleder bij Patricia Barbers Cafe Blue. De contrabas op Ode To Billy Joe is echt manhoog in de ruimte.

Over een ding kan ik heel duidelijk zijn. Bij violen prefereerde ik zonder enige twijfel de triode stand. In UL heeft de weergave wat meer ‘snap’, zoals de Amerikanen dat zeggen. Dat kan bij een aantal opnames natuurlijk te veel van het goede zijn. Overigens, wil het niet zeggen dat UL bedrijf altijd wat geprononceerder klinkt dan triode bedrijf. Ook hier ligt het aan de gebruikte buis en vooral de instelling daarvan.

Conclusie

Laten we eerlijk zijn. Het is geen goedkope versterker en al helemaal niet voor Chinese begrippen. Er zijn genoeg versterkers op deze aardkloot met een vergelijkbare buizenbezetting en vermogen voor onder de 1000 euro en ook Cayin zelf heeft goedkopere modellen. Echter, Cayin onderscheid zich duidelijk als een A-merk, door de degelijkheid en uitstraling. Ook blijkt dat de componenten zwevend zijn gemonteerd en ik kan me ook voorstellen dat Cayin behoorlijk wat ontwikkelingskosten heeft gestopt in de uitgangstrafo’s gezien de klank.

Een belangrijke vraag voor een potentiële koper zou kunnen zijn: heb ik dit vermogen werkelijk nodig? Luisteraars staan vaak versteld wat voor een orkaan van geluid een paar nederige watjes kunnen produceren. Hiervoor zijn wel hoog rendement luidsprekers voor nodig. In het algemeen kan ik me voorstellen dat speakers met een rendement van lager dan 90 dB – en dat zijn de meeste -, de kracht en souplesse van de Cayin of een vergelijkbare amp nodig hebben; mede afhankelijk ook van de grilligheid van de luidsprekers.

Ik heb het donkerbruine vermoeden dat de oude Quad electrostaten ESL 57 (de beroemde straalkacheltjes) met deze versterker, wel eens een meer dan voortreffelijke combinatie zou kunnen zijn. Het zijn weliswaar electrostaten, maar niet zo lastig als de meeste andere paneelluidsprekers.

Ook zal de Cayin goed het verschil kunnen laten horen tussen de fabrieksbuizen en NOS buizen. Dit zou een goede upgrade zijn. Te beginnen met de stuur- en inputbuizen. Later kunnen de eindbuizen wellicht aangepakt worden.

Het verschil tussen UL en triode is erg groot. Het schakelen tussen deze twee mogelijkheden gebeurt op de afstandsbediening. Ik vind dit een schitterende feature. Het stelt de luisteraar in staat de klanksignatuur van de versterker onmiddellijk en dramatisch te veranderen. Erg handig! Dit is ook op de goedkopere modellen. Het verschil tussen 4 en 8 ohm was in mijn geval niet groot. Dat zal anders zijn op lastigere luidsprekers.

CD speler

Dan de Cd speler. Die ziet er ook erg fraai en degelijk uit, net als de vesterker. In elke CD100i worden alleen streng geselecteerde condensatoren en buizen gebruikt.

Deze speler heeft naast de cinch buizenuitgang (2 maal 6922 = e88cc), symmetrische XLR uitgangen (via Burr Brown opamps). Het buizengedeelte heeft een eigen stabilisatie en is goed afgeschermd. Voor het upsamplen heeft Cayin de SRC4192-Chip gebruikt. De DA-converter is een PCM-1792-D/A-converter van Burr Brown.

Ofschoon de e88cc door veel buizen goeroes wordt verfoeid, denk ik persoonlijk dat het er maar net aan ligt waar je de buis voor gebruikt en vooral hoe de buis wordt ingesteld.

Er is keuze tussen 44 kHz upsampling en 192 kHz. Ik heb begrepen dat de tentklok modificatie alleen werkt met de 16/44kHz optie.

De klank

Ofschoon de importeur vertelde dat de speler was ingespeeld, bleek na een paar dagen de klank toch nog steeds te verbeteren. Dat is natuurlijk niet vreemd. Na enige tijd werd duidelijk dat de Cayin een enigszins afgeroomde signatuur heeft vergeleken met mijn Philips CDD 882/NOS DAC combinatie, maar wel schoon zonder ‘kruimels’ in het midden-hoog.

Het was weer een tijdje geleden, maar de verschillen tussen zogenaamde NOS (non oversampling) DACs en machines die wel gebruik maken van oversampling, waren weer overduidelijk. Ikzelf kan niet meer zonder NOS. Eenmaal gewend aan de aangename klank, de vanzelfsprekendheid en de rust van NOS op een accu voeding is er geen weg meer terug. Daar staat tegenover dat NOS machines in het uiterste hoog en laag net iets minder energie lijken over te brengen. Dat was te horen met de bekkenslag op de eerder genoemde Bartok sonate.

Die afgeroomde klank viel vooral op bij late remasters, zoals de 50th anniversary serie van Philips, maar ook op de jongste remasters van Alan Parsons en Genesis. Sommige van deze uitgaven klinken onder bepaalde omstandigheden wat scherp. Dat laat de Cayin dan ook duidelijk horen. Daarmee is absoluut niet gezegd dat de CD100i scherp of onaangenaam klinkt. Dat bleek wel weer op The Spirit Of Eden van Talk Talk.

Op Toto IV Limited Millennium Edition, die beduidend beter klinkt dan de normale uitgave, was iets duidelijker het lachje optrack 10 te lokaliseren dan bij mijn combinatie. Bij David Sylvians Colours of the Behave leek het stereobeeld net iets breder, maar mijn combinatie zette het geheel iets dieper weg. Ook de contrabas op track 7 had iets meer attaque op de Cayin. Ook is de CD100i erg precies met de afbeelding. Bij “Excuse Me” op Peter Gabriel I, viel de tuba LETTERLIJK aan te wijzen.

Verschillen tussen 16/44kHz en upsampling (24/192kHz) is niet altijd eenvoudig vast te stellen. Bij wat meer uitgesproken opnames, ontwaarde ik wat meer informatie in vooral percussie instrumenten. “Dear Mr. Man” op Musicology van Prince is zo’n opname die deze specifieke verschillen enigszins uitvergroot, maar het blijft een behoorlijke exercitie van herhaald luisteren om het te horen. Wellicht heb ik net niet de juiste cd’s geselecteerd om deze verschillen uit te vergroten.

Hoe de speler zonder de tentlabs modificatie klinkt weet ik natuurlijk niet, maar wat ik wel weet is dat de mensen van het genoemde bedrijfje, heel goed weten waar ze mee bezig zijn.

Conclusie

De CD100i is een dijk van een CD speler die de concurrentie met (veel) duurdere westerse modellen gemakkelijk aankan. Hij zal in staat zijn om met een verbazingwekkend gemak de verschillen in opnames en zelfs tussen de tracks op een CD precies weer te geven. De CD100i zal het beste schikken in een set met een wat volslanke signatuur. Net als de hierboven geteste versterker, onderscheidt de Cd speler zich ook door de uitstraling en het design dat van zeer goede smaak getuigt.

Emile Stoffels

Gebruikte Cd’s:

Musicologie – Prince
Spirit of Eden (remaster 1997) – Talk Talk
Colours of the Behave – David Sylvian
Piramid (remaster 2007) – Alan Parsons
So (remaster) – Peter Gabriel
Peter Gabriel I (remaster 2002) – Peter Gabriel
Bela Bartok Sonate voor twee piano’s en slagwerk (Philips 420 157-2)

*Noot: UL = Ultralinear. Dat wil zeggen dat de spanning voor het schermrooster via een aparte tap op de primaire kant van de uitgangstrafo komt, ipv. dat het schermrooster een eigen spanning krijgt (dus niet via de primaire kant van de uitgangstrafo). In het laatste geval zou het ‘gewoon’ penthode instelling zijn. Bij triode optie gaat men nog een stapje verder dan UL: het schermrooster wordt volledig aan de anode gelegd. De anode en het schermrooster worden een, waardoor de klank op een triode gaat lijken. Toch, klinkt een echte triode anders.

Pass Labs INT-30A

Thursday, December 16th, 2010

Pass Labs INT-30A

De CV van meneer Pass mag indrukwekkend genoemd worden. In een van de vorige nummers lazen we een interessant artikel over deze pionier van de audiowereld. Zijn ontwerpen en patenten vormen zonder enige twijfel sterke geloofsbrieven en door de samenwerking met o.a. Treshold, Adcom en Mobile Fidelity, kon deze moderne aartsvader der techniek uiteindelijk zijn eigen producten ontwikkelen. Deze keer voelen we de Pass Labs INT-30A aan de tand, een geïntrigeerde 30 watt klasse-A versterker; de kleinste en meest recente uit de Pass familie.

In 1991 kwam Nelson Pass met zijn moedermodel, de Pass Aleph 0; een single-ended transistor ontwerp in klasse-A schakeling. Hiervan zijn uiteindelijk de X modellen afgeleid. Er zijn sindsdien nogal wat modellen verschenen van Pass’ hand, maar de rode draad is toch wel het simplisme in zijn ontwerpen. Minder kan inderdaad meer zijn: hoe minder versterkingstrappen, hoe minder het signaal wordt bezoedeld. Daaruit volgt weer, dat er niet of nauwelijks gecorrigeerd moet worden met feedback en de nodige gain om de feedback weer te compenseren. Deze simplistische aanpak is uiteraard ook toegepast bij Pass’ nieuweling.

Introductie

Bij de INT-30A heeft Pass Labs de bejubelde XA30.5 eindversterker onder één dak

samengebracht met de XP10 voorversterker. Een opvallende ontwikkeling, gezien Pass’ jarenlange ‘weigering’ geïntegreerde versterkers te vervaardigen. Nu zijn er dan ineens twee geïntegreerde modellen: het testmodel en de INT-150 (geen klasse-A), die qua uiterlijk en functionaliteit identiek is aan de INT-30A. Bij de eindversterking is gebruik gemaakt van de Supersymmetric topology. Een gepatenteerde methode die werd geïntroduceerd met de X1000 uit 1998 en hier is gecombineerd met de klasse-A instelling en andere verworvenheden van de Aleph generatie. Althans, tot 30 watt. Daarna schakelt hij over op klasse AB om uiteindelijk een slordige 100 watt aan vier en 150 watt aan acht ohm te leveren. Dat maakt hem breed toepasbaar voor veel luidsprekers. Men hoeft dus niet noodzakelijkerwijs op zoek naar gevoelige speakers, ofschoon ik me dan wel kan voorstellen dat de krachtiger INT-150 iets nadrukkelijker in de keuze betrokken zou worden.

Uiterlijk

De uitstraling van deze jongste telg is sober, maar krachtig en verzorgd. Het front is van fraai bewerkt aluminium, met een horizontale uitsparing over de gehele voorzijde waar de keuzetoetsen zich bevinden: Power, Mute, en de vier Inputs. Aan de rechterkant bevindt zich de volumeregelaar, die uitermate soepel draait. Ook het blauwe display is overzichtelijk en toont ons alleen datgene wat we nodig hebben. Handig is bijvoorbeeld de mogelijkheid, gescheiden de links-rechts balans te kunnen aflezen.

De koelvinnen aan de zijkant, zijn mooi geïntegreerd opdat de behuizing niet lomp oogt. Klasse-A versterkers hebben overigens de reputatie stroomvreters en smeltovens te zijn, maar van dat laatste heb ik niets gemerkt.

Uiteraard heb ik het deksel er niet af gehaald, maar ik heb alle reden te geloven dat het van binnen tot in de puntjes is afgewerkt.

In tegenstelling tot veel huidige versterkers, is er bij de Pass geen keuze tussen 4 en 8 ohm uitgangen, maar is er wel de mogelijkheid hem symmetrisch aan te sturen. Ook zit er een pre-out aansluiting op voor degenen die in de toekomst toch nog een losse eindversterker willen aanschaffen. Verder wordt er een eenvoudige, maar robuuste en uitstekend werkende afstandsbediening bijgeleverd. Hiermee kan onder andere, de balans worden geregeld. Tot slot zit er 3 jaar garantie op deze machine.

Luisteren

Aangezien deze machine door de gekozen schakeling uiteindelijk over een overvloedig uitgangsvermogen beschikt, besloot ik de Pass Labs maar direct aan te sluiten op mijn hoog rendement systeem in mijn luisterkamer en niet eerst te toetsen aan lastigere luidsprekers. Zodoende kon de Pass makkelijk binnen zijn klasse-A kader blijven werken. Zoals al eerder gezegd, draai ik doorgaans met de EL84 eindbuis in single-ended klasse-A schakeling. We hebben het dan over een kleine 3 watt, wat zou betekenen dat de Pass geen enkel zweetdruppeltje zou plengen en de belasting van mijn luidsprekers niet eens zou opmerken.

Ondanks dat de dealer me verzekerde dat de amp volledig was ingespeeld, heb ik hem toch eerst een aantal dagen aan het net gehangen voordat ik ging luisteren. Na een week begon ik met een globale luistersessie, om een eerste impressie te krijgen. In mijn eerste aantekeningen staat: “niet slecht, maar teveel grijstinten”. Na een half uur echter begint het kleurenpalet zich geleidelijk uit te breiden, om vervolgens na een paar uur zich geheel te ontwikkelen.

De Pass openbaarde een verbazingwekkend gemak en het vermogen een groot podium neer te zetten. Bill Brufords Random Acts Of Happiness werd volslagen geloofwaardig voor het voetlicht geplaatst. De basklarinet op track 5 had een presentatie zoals ik die slechts sporadisch heb gehoord. Met veel druk in het midden-laag zonder dat het op de oren ging staan. Ook het applaus – veelal een goede graadmeter – droeg bij aan de live ervaring.

Wynton Marcalis Kwartet was een totaal andere sensatie. Ofschoon de Pass de neiging heeft enigszins terughoudend te zijn in het laag, had de contrabas genoeg punch en accuratesse. De snaredrum in het linkerkanaal was inderdaad hout op vel en klonk vitaal, zonder dat het agressief werd. Ook de stem van Dianne Reeves, die bij tijd en wijle snel in luidheid toeneemt, leek de Pass niet te deren. Moeiteloos werd de jazz diva op het podium gepresenteerd. Brand X’ Live Stock was enerverend, waarbij de basloopjes van Percy Jones buitengewoon makkelijk waren te volgen.

Zoals alle goede versterkers, onthulde ook de Pass hoogte in het stereobeeld met een lichtelijk concaaf vormend dieptebeeld. Dat was goed te horen op Berlioz’ Fantastique.

Vergeleken met de Quad II Classic Integrated – die ik eerder testte -, heeft de Pass een iets soberder kleurenpalet en lijkt een tikkeltje minder betrokken. Maar laten we wel wezen: die aanstekelijke betrokkenheid – het gevoel hebben in de muziek gezogen te worden – is in mijn ervaring iets dat slechts is weggelegd voor goede buizenversterkers en dan in het bijzonder de single-ended typen. De Pass is eerder beschouwend van aard. Het meest opvallend van de Pass was wellicht dat hij – nog duidelijker dan bij de Quad – nauwelijks voorkeur gebieden liet horen. Dat bleek ook uit de mondharmonica solo op de eerste track van Spirit of Eden. Sommigen zullen deze homogeniteit interpreteren als eentonig of saai, maar ik vind dat een kwaliteit. Men kan uren achtereen luisteren. Luistermoeheid zal de potentiële consument volstrekt niet overkomen met deze uitgewogen versterker.

Kort en goed. De Nelson Pass INT-30A is indrukwekkend: neutraal, mild en MET behoud van detail. Hij kan luid zonder ook maar ergens geprononceerd te klinken.

Conclusie

Het is alweer even geleden dat ik me bezig hield met solid-state versterkers, behalve dan met de laatste generaties klasse-D versterkers die tegenwoordig behoorlijk wat furore maken. Ten onrechte! De Pass heeft bij mij een aantal weken gestaan en bood mij weer een totaal andere kijk op muziek reproductie. Dat in zichzelf is al een belangrijke kwalificatie en daarvoor verdient de INT-30A het predicaat: authentiek. Deze jongste loot moet 6900 euro kosten en is daarmee niet de goedkoopste in zijn klasse. Echter, de koper haalt er dan ook bijzonder veel muziek mee in huis en een versterker die zich niet laat beïndrukken door inefficiënte speakers. Toen de Pass weer werd opgehaald, had ik de neiging de dealer op mijn knieën te smeken of de amp nog een paar weken bij mij zou kunnen blijven. Ik heb van mijn ouders evenwel geleerd, dat smeken meestal geen zin heeft…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Berlioz – Symfonie Fantastique Philips/Davis;
Bill Brufords – Random Acts Of Happiness;
Brand X – Live Stock;
Miles Davis In Concert – My Funny Valentine;
Talk Talk – Spirit of Eden;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;

ModWright KWA 100

Thursday, December 16th, 2010

De KWA 100 eindversterker van ModWright

Dan Wright begon in 2000 met het modificeren van bestaande apparatuur en oogstte daarmee wereldwijde bekendheid. Maar wat als het modificeren niet meer de gewenste uitdaging biedt? Logischerwijs gaat men dan zelf over tot het ontwerpen en fabriceren van een eigen product. Dhr. Wright is blijven ontwerpen en met de opening van de nieuwe fabrieksfaciliteit, kunnen we in de toekomst nog meer interessante producten verwachten. Ook condensatoren worden in eigen huis ontwikkeld.

Ik had nog nooit van het merk gehoord, wat uiteraard niet alles zegt en in het begin – ik moet nu nog steeds goed nadenken – had ik het iedere keer over ModBright, i.p.v. ModWright; vraag aub. niet waarom. Hoe dan ook, de naam is een samentrekking van modifications en Dan Wright; de oprichter van deze firma.

Aangezien luidsprekers in de loop der tijd door de materiaalkeuze van de units en de filtering steeds gecompliceerder werden en dientengevolge meer vermogen eisten van versterkers, begon het versterkers landschap er anders uit te zien. Er kwam een toenemende behoefte aan meer werkkracht. Uiteindelijk verschenen er in de jaren tachtig in de VS versterkers met veel vermogen die ook de nodige stroom konden leveren. Dit zorgde voor een toegenomen controle, die de meest grillige en exotische luidsprekers wist te temmen. Wellicht dat het befaamde Krell hier de belangrijkste exponent van was, maar uiteraard waren er meer merken.

Vermogen of muzikaliteit?

Het mag wellicht voor sommigen vreemd in de oren klinken, maar hoog vermogen versterkers beschikken doorgaans niet over de meest verfijnde klank. Dat heeft uiteraard een reden. Kort gezegd komt het erop neer dat, hoe meer vermogen er nagestreefd wordt, hoe meer componenten er nodig zijn. Des te gecompliceerder zal de schakeling worden en z’n neerslag hebben op de geluidsreproductie. Verder zal een dergelijk ontwerp ook weer eisen stellen aan de voeding en de kostprijs omhoog stuwen. Zodoende verdwijnt er veel kostbare informatie en daarmee muzikaliteit. Enkele merken evenwel slagen er in een goede balans te vinden tussen kracht en finesse. ModWright is daar een goed voorbeeld van.

Kennismaking

Voor ons staat Dan Wrights nieuwe eindversterker: de KWA 100. KWA staat voor Kimmel, Wright en Amplifier; ook verwijzend naar de gelauwerde ontwerper Allen Kimmel. Het vermogen zit enigszins in de naam besloten: 100 watt hoofdzakelijk werkend in klasse A/B, maar eigenlijk levert hij meer: 140 bij 8 en 190 bij 4 ohm. In tegenstelling tot zijn grote broer, zijn voor de KWA 100 Mosfets gebruikt, in plaats van Thermal Trak Bipolars. Wel is er de krachtige voedingstransformator van 500VA, waar de KWA 150 er twee van heeft en voor de rest ook hier hoogwaardige componenten. Op de overzichtelijke printplaat ontwaren we merken als Lundahl en Tamura trafo’s, Panasonic elco’s enz.

Over het algemeen zijn dergelijke machines zwaar en dat geldt zeker ook voor de KWA 150, maar deze Benjamin is verassend licht. De aluminium afgewerkte behuizing oogt degelijk doch elegant en is sinds kort ook in zwart leverbaar. Vermeldenswaard is dat nadat de stand-by hoofdschakelaar op de achterkant is ingeschakeld, er nog een microschakelaar op een minder voor de hand liggende plek moet worden ingeschakeld: linksvoor onder de behuizing. Dat was even zoeken in het begin… Achterop zit ook een schakelbare hoog en laag bias, net als bij de KWA 150. Bij de latere modellen, is die functie echter achterwege gelaten. Nu wordt die schakelaar gebruikt om de enigszins overdadige blauwe led verlichting, die ons via de koelspleten tegemoet komt, uit te kunnen zetten.

Er is overigens ook nog een special edition verkrijgbaar met uitgebreide voedingscapaciteit, verhoogd vermogen door extra mosfets, de in-house ontwikkelde condensators en Takman carbon weerstanden op de kritische plekken in de schakeling. Van de laatste weten we inmiddels dat ze uitermate neutraal klinken. Tot nu toe was ik zeer onder de indruk van de Audio Note Tantaal weerstanden… en dat ben ik nog steeds, maar ik heb me laten inlichten dat de Takmans absoluut niets toevoegen aan het geluid.

Luisteren

Het hoge rendement en vooral de relatief gunstige impedantie karakteristiek van mijn speakers indachtig, meende ik aanvankelijk dat een krachtige eindversterker niet echt veel aan controle en kracht zou toevoegen vergeleken met de versterkers die ik de laatste tijd thuis heb getest. Dat bleek een vergissing.

Nadat de KWA 100 al een paar weken had ingespeeld bij de distributeur, had ik de mogelijkheid deze versterker te testen. Omdat ik niet kon beschikken over mijn eigen replica Audio Note M7 voorversterker, mogelijk vanwege een aardprobleem, moest ik op zoek naar iets anders. Gelukkig stelde een vriend zijn Bryston ter beschikking.

FETs hebben veelal de neiging – net als buizen – om de frequentie uitersten ietwat warm af te ronden. Iets wat Amerikanen Roll-off noemen en wat ik ook enigszins bij de Nelson Pass hoorde. Toch manifesteerde het tintelende hoog bij de KWA 100 zich op een energieke manier. De klavecimbel op Boys For Pele van Tori Amos klonk schoon en aangenaam, doordat de boventonen uiterst correct werden gereproduceerd. Deze tinteling werd bevestigd door Bachs Chromatische Fantasie en Fuga BWV 903, waarbij – FETs eigen – nooit luistermoeheid optrad.

Opvallend genoeg leek het laag wel degelijk ver door te lopen, met een bijna bovennatuurlijke controle. Bij ‘People’ op King Crimsons Thrack sprong de gelaagdheid in de basweergave in het oog, die ik slechts bij tamelijk exotische versterkers ervaar. Zelfs in de laagste registers, was ruimte voor elasticiteit en gemak. Ook bij track 9 op Random Acts of Happiness werd de contrabas manshoog afgebeeld met een onversneden gezag.

Op track 5 van dezelfde cd had de basklarinet – net als de Nelson Pass INT-30A – de vereiste buikigheid en souplesse, maar ook de handclaps op het einde van dat nummer hadden veel snelheid en klonken verbijsterend open. De KWA 100 deed me hierin dan ook denken aan de Sphinx Project 14 die ik ooit had.

Het was echter het voor een transistor relatief sterk vloeiende middengebied dat mij zo trof en zorgde voor een waar kleurenfeest. Talk Talks Spirit of Eden klonk uiterst tastbaar en gedetailleerd met al die verschillende percussie instrumenten. Peter Gabriels bronzen stem had een intimiteit en betrokkenheid die ik alleen ken van een goed buizenontwerp. Ook violen en altviolen hadden de beoogde klanksignatuur, zoals bleek op Roy Harris’ symfonie. Het koper in het derde deel van Arthur Honeggers Di Te Re, was aanstekelijk pregnant.

Ritmisch, een groot en precies beeld – dat dieper is dan breed – zijn andere kwalificaties die we moeten noemen. In het tweede deel van de solo vioolsonate van Bela Bartok, leken de gaten in het fugathema natuurlijker dan ooit. Groots inderdaad klonk de opening van Bruckners negende door Giulini op DG, zonder dat de KWA 100 buiten adem raakte.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn, dat ik behoorlijk onder de indruk ben van deze machine. De presentatie was zeer overtuigend; een uiterst verfijnde klank, ondanks het relatief hoge vermogen. Deze muzikale versterker gaat 3795,- kosten, wat aanzienlijk goedkoper is dan de KWA 150. Belangrijker evenwel is, dat ik deze eindversterker als de referentie beschouw in dit metier. Uiteraard blijft het een kwestie van smaak en persoonlijke omstandigheden, maar ik geloof toch echt dat er in deze prijsklasse een nieuwe standaard is gezet. In de komende tijd zal ModWright ook een nieuwe voorversterker op de markt brengen, die ook in HVT aan de tand zal worden gevoeld. Overigens staat er ook een geïntrigeerde versterker in de pijplijn…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:
Boys For Pele – Tori Amos;
Clavierfantasien/Andreas Staier – Bach;
Thrack – King Crimson;
Random Acts of Happiness – Bill Bruford;
Spirit of Eden – Talk Talk;
UP – Peter Gabriel;
Symphony No. 3/Bernstein/DG – Roy Harris;
Symphonies No. 3/No. 5 “Di Tre Re”/Charles Dutoit/Erato – Arthur Honegger;
Sonata for solo violin/Annar Follesø/2L – Béla Bartók;
Symphony No. 9/ Carlo Maria Giulini/DG – Anton Bruckner

QUAD II Classic

Thursday, December 16th, 2010

QUAD II Classic Integrated

Wie kent het merkt QUAD niet? Denkelijk het meest befaamd door de ESL-57 elektrostatische luidsprekers. Mijn eerste kennismaking met het illustere Britse merk was in 1983 bij een oude vriend, die de vreemde ‘straalkacheltjes’ in de hoeken van de kamer had staan. En dan die eigenzinnig ogende versterkers… Ook de klank bevreemde mij aanvankelijk, maar dat was meer te wijten aan mijn gebrek aan ervaring en nauwelijks ontwikkelde smaak op dat moment. Naarmate de vriendschap zich ontwikkelde, zou ook de appreciatie voor QUAD toenemen.

Over de tijd genomen is het fascinerend te zien dat dit Britse merk weliswaar meegaat met modieuze opvattingen, maar zichzelf volstrekt niet verloochent. Of dat we nu kijken naar de vroege of de huidige versterkers, het grondpatroon blijft onveranderd. En dat is sterk.

De huidige QUAD familie bestaat uit de II-Classic, II-Forty, II-Eighty en nu dus de II-Classic integrated. Verder zit er nog een voorversterker in het programma en een buizen phono versterker ontworpen door Tim DeParavicini; de oprichter van de Amerikaanse firma EAR. Aangezien deze buizen goeroe zich heeft verbonden met dit legendarische bedrijf en zijn eigen ideeën heeft doorgevoerd, was te verwachten dat het ontwerp van deze jongste loot belangrijk afwijkt van zijn oudere broer de II-Classic monoblokken. Deze hebben ook de KT66 als eindpit, maar volslagen andere stuurbuizen. Evenzo veronderstel ik dat DeParavicini mee heeft gedacht met het ontwerpen van de uitgangstrafo’s, die in hoge mate klankbepalend zijn.

Het chassis van de Integrated is dieper dan het breed is en ziet er werkelijk vlekkeloos uit. De machine oogt oerdegelijk als uit één massief stuk en de gekozen kleur is traditiegetrouw niet spectaculair, maar evenwichtig en van goede smaak getuigend. Omdat buiskolven behoorlijk warm kunnen worden, zijn ze afgeschermd door zwarte roosters. De volumeregelaar voelt solide aan, maar ook de keuzeschakelaar boezemt veel vertrouwen in. Deze is een vermakelijkheid op zich en onderstreept de eigenzinnigheid en authenticiteit van QUAD. Toon- en balansregeling ontbreekt, maar dat zullen velen onder ons alleen maar als positief ervaren. Jammer is de afwezigheid van een afstandbediening bij een dergelijke versterker. Al was het alleen maar voor het volume. Tegenwoordig hoeft dat namelijk geen compromis meer te zijn voor de geluidskwaliteit. Wel is er een phono versterker met zelfs een mc trap. Ofschoon het op ‘gewone’ transistortechnologie is gebaseerd, verwacht ik dat deze sectie enigszins heeft mee geprofiteerd van DeParavicini’s know how. Hoewel vinyl sterk terugkomt, vraag ik mij toch af of QUAD een uitvoering overweegt zonder pick-up versterker, aangezien de overgrote meerderheid louter cd draait.

De buizenbezetting is als volgt: vier KT66* eindbuizen die, zoals de hele QUAD familie, in push-pull zijn geconfigureerd. Verder zijn er vier ecc83/12ax7 dubbeltriodes van Tungsol en twee 6922/ecc88 dubbeltriodes van het huis Electro Harmonics, voor de aansturing en fasedraaiing. Het laatste type wordt veelvuldig door het Amerikaanse Audio Research gebruikt. Ik kan mij overigens goed voorstellen dat er ook de nodige tijd is gestoken in het onderling matchen van de buizen. Potentiële kopers kunnen overigens overwegen de ecc83s in de toekomst uit te wisselen voor de 5751 of wellicht beter nog de 6072.

Ik heb het niet nagemeten, maar gezien het opgegeven vermogen van 25 watt per kanaal bij 8 ohm volledig in klasse A, schat ik dat de spanning op de anode rond de 350 volt zal zijn en op het schermrooster 275 volt. De stroom die door de buis loopt zal tegen de 100 mA lopen. De Intergrated heeft dus 10 watt meer dan de II-Classic monoblokken. Er is in dit geval niet gekozen voor buizen gelijkrichting zoals bij de mono’s, wat begrijpelijk is. Er zijn nu eenmaal weinig gangbare buizen die ruim 400 milliampère kunnen leveren (4 maal 100mA, plus de nodige reserve), dus dan zouden er minimaal 2 gelijkrichtbuizen nodig zijn. Op een geïntegreerd chassis is de ruimte beperkt en tegenwoordig klinkt de nieuwste generatie solid-state gelijkrichters heel netjes. Bovendien kost dit minder ruimte, is goedkoper, ontwikkelt nauwelijks warmte en is groener.

Luisteren – de voorronde

Ik wilde de QUAD eerst horen op mijn huiskamer set. Een dergelijke exoot die 5500 euro moet gaan kosten, heeft uiteraard prijstechnisch gezien niets te zoeken in een budgetsysteem. Maar er was een goede reden voor. De laatste buizenversterker die ik hoorde op dat geheel, was de Bocama Lafayette met de EL84 in push-pull configuratie. Een zeer muzikaal klinkende amp die echter buiten adem dreigt te raken als het luider moet. De Tannoy Mercury M1 luidsprekers blijken in de praktijk toch lastig aan te sturen. Mijn huidige Harman Kardon HK 680 heeft er geen enkele moeite mee, maar die klinkt dan ook iets minder spannend vergeleken met de 40 jaar oude Lafayette en laat bovendien wat meer grijstinten horen. Toch is de HK zeker geen slechte machine, omdat men bij dit ontwerp voor relatief weinig tegenkoppeling heeft gekozen. Maar mag uiteraard niet vergeleken worden met de QUAD.

De II-Classic heeft wat meer vermogen dan de Lafayette maar aanzienlijk minder dan de HK. Ik was dus benieuwd. Na slechts een half uurtje liet ik me al verleiden de eerste CD te beluisteren, omdat ik toch nieuwsgierig was naar de eerste indrukken. Het mag als bekend worden verondersteld dat de signatuur totaal verandert gedurende het opwarmen; laat staan tijdens het inspelen. Echter, bij de juiste keuze van de cd kan er – zij het met de nodige restricties – toch wel een eerste uitspraak worden gedaan. Bij Secrets of the Beehive van David Sylvian was er – zoals verwacht – significant meer finesse en contour te bespeuren. Ook schoof het stereobeeld beduidend meer naar achter dan bij de HK, die op dit punt bepaald niet beroerd scoort. Ook pianowerk leek de juiste klankbalans en gewicht te hebben. Pires was in beide handen goed te volgen en bij de Cello Sonate had het strijkinstrument de juiste snede en bolheid. Entry of the Crims en Industrie van King Crimson ging ondanks de complexiteit erg goed en het Libera Me uit Britten’s War Requiem ook al. Solisten werden goed losgeweekt van het koor en het kamerensemble was goed te lokaliseren t.o.v. van het groot orkest. Aangezien mijn Tannoys in een aantal gevallen de neiging hebben het middenlaag in mijn huiskamer ietwat aan te zetten, besloot ik de Missions 761i aan te sluiten. Deze zijn wat handelbaarder en hebben een wat hogere gevoeligheid. Nu dat probleempje grotendeels was opgelost, was het midden en hoog beter te beoordelen. Door de toegenomen presentatie van het midden, was Café Blue van Barber een feest. Mourning Grace had een snelheid en ritme die voor dit systeem ongekend was. Het nummer daarna – ‘The Thrill is gone’ – werd geloochend door de QUAD, want ‘the thrill’ bleef wel degelijk aanwezig: de stem had duidelijk meer entourage en kleur dan voorheen. Evenzo werd het orgelconcert van Poulenc overtuigend gereproduceerd, waarbij het orgel ook de juiste hoogte in het stereobeeld scheen te hebben. Het mag duidelijk zijn dat mijn huiskamer installatie een enorme lift kreeg door het Britse apparaat. De voorlopige conclusie was dan ook zeer positief.

Luisteren – de hoofdronde

Uiteindelijk werd de QUAD aangesloten op mijn hoofd systeem in mijn luisterkamer. Nu is het zo dat mijn Triangle breedband luidsprekers met hun hoge rendement en niet al te grillig impedantie gedrag, hoegenaamd niet representatief zijn voor de gemiddelde speaker. Ter illustratie: zo nu en dan schakel ik mijn single ended EL84 versterker in triode. En dan hebben we het over minder dan één watt schoon (!). Toegegeven, Ouverture 1812 van Tchaikovsky wordt een probleem, maar kamerwerk en niet al te complexe muziek gaat uitstekend. De QUAD speelde dan ook – zoals verwacht – zonder zweet met de Triangles; welk materiaal ik ook afspeelde. Het podium was zelfs iets breder dan met de Cayin Venus VP 100-i die hier ook heeft getoefd en kwam bedreigend in de buurt van mijn EL84 single ended versterker. Echter, de QUAD miste net het allerlaatste beetje slagkracht in het laag vergeleken met de Cayin. Deze is daarin dan ook de referentie voor alle push-pull buizenversterkers, die ik de afgelopen jaren thuis heb gehoord. Toch liet de contrabas op Ode to Billy Joe en Feeling of Jazz van Wynton Marsalis Quartet een overvloedige substantie horen met de daarbij gewenste controle waarbij de laatste track een aplomb liet horen die mij nog niet eerder was opgevallen. De mate waarin energie werd overgebracht was minstens zo indrukwekkend als de Cayin, zoals bleek op de Sonate voor twee piano’s en slagwerk van Bartok. Het midden had regelmatig de magie en vanzelfsprekendheid van goede single ended versterkers, getuige het stemmenmateriaal. Bij Peter Gabriel kon men veel nuances en gelaagdheid ontwaren in zijn koperen stem. Het hoge midden had niet het minste zweempje van overbelichting, zoals wel eens bij indirect verhitte buizen wordt ondervonden; in het bijzonder pethodes. Ook het hoog had een zoetheid die vergelijkbaar was met de Cayin in triode stand en was vrij van korreligheid. Dat is opvallend als we bedenken dat de KT66s ‘gewoon’ in tetrode staan geschakeld. QUAD heeft namelijk bewust niet voor ultralineair schakeling gekozen. Definitieve uitspraken kunnen we uiteraard niet doen, daar er teveel zaken zijn die de uiteindelijke klank bepalen. Nochtans geloof ik dat het gekozen circuit grotendeels verantwoordelijk is voor deze kwalificaties. Slechts de Opera Consonance Cyber-10 Signature met zijn 2A3 direct verhitte triode buizen, heerst op dit gebied. Maar deze zal door zijn beperkte vermogen met aanzienlijk minder luidsprekers te paren zijn.

In z’n algemeenheid geloof ik dat de QUAD qua klanksignatuur ergens tussen de Consonance en de Cayin inzit. Een van de rode draden was wel dat de Quad eigenlijk weinig voorkeurtjes ten toon spreidt en daardoor een buitengewoon prettige klankbalans heeft.

Conclusie

De Classic Intergrated heeft ongeveer twee weken bij mij getoefd, waardoor ik een goede indruk heb kunnen krijgen van de jongste telg uit de stal van QUAD. Ofschoon het inspeel proces nog lang niet voorbij is, laat deze exoot een uitstekende presentatie horen en zal zich nog verder ontwikkelen. Helaas kan ik dat niet meer rapporteren. Wel verwacht ik dat de II-Classic Integrated met veel luidsprekers uit de voeten kan, inclusief niet al te grote paneelluidsprekers. Deze Britse machine is een klasse apart en daarmee haalt de koper een stuk muzikale traditie en authenticiteit in huis. Dit zijn belangrijke zaken waarmee QUAD zich onderscheid binnen het steeds drukker wordende landschap en vormt een bastion tegen de invasie van Aziatische buizenversterkers.

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

*voetnoot. De KT66 is een populaire Engelse buis uit 1938 met een dissipatie van 25 Watt, die in Europese radio’s en versterkers was te vinden. Het is een zogenaamde indirect verhitte beam tetrode en een oudgediende van de firma QUAD. De letters ‘KT’ staan voor ‘Kinkless Tetrode’. De buis is een rechtstreekse nakomeling van de Amerikaanse 6L6 tetrode, die ook vaak in gitaarversterkers is te vinden.

Next Entries »