Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Versterkers

« Vorige berichten

ARTEPHONOS KT-88

Wednesday, January 29th, 2014

ARTEPHONOS KT-88

HEA uit Venlo heeft op basis van de Cayin A-88TMKII en de ontwerpprincipes van de Artephonos Ensemble, de allermooiste KT-88 gebouwd die op dit moment op de markt is. De belangrijkste kenmerken zijn:

– long tailed pair versterkertrappen, volledig symmetrisch – uitgekiende bedradingsarchitectuur – Colourless bekabeling – audiofiele condensatoren

– geen elco’s in de signaalwegen – geen printplaten – lage feedback – fixed bias voor een krachtige en ongekleurde basweergave – fasecorrectie is niet nodig door het lineaire gedrag over een groot frequentiebereik. Dit maakt een

faze-zuivere weergave mogelijk, die resulteert in een unieke impulsweergave en een realistische

ruimtelijke afbeelding – ingangskeuze via relais direct achter de cinch aansluitingen – Alps motorpotentiometer – ingebouwde verlichte biasmeter, zodat u slechts een schroevendraaier nodig heeft om de bias te

controleren en bij te stellen

De Artephonos KT-88 heeft als specificaties: – 2 x25 watt in triode modus of 2 x 45 watt in ultralineaire modus, via de metalen remote te kiezen – frequentiebereik beter dan 5 – 150.000 Hz (-1 dB) – 3 lijningangen en een HT direct ingang (de versterker functioneert dan als eindversterker) – 4 en 8 ohm speakerterminals – omschakelbaar voor EL 34 en KT 88 resp. vergelijkbare buizen – leverbaar met zilver of met zwart front – BxDxH: 420x385x195 mm – gewicht: 28 kg – prijs € 3149,-

De Harman Kardon PM 665 – Een oude jeugdliefde

Saturday, September 21st, 2013

Het zal in 1986 zijn geweest dat ik mijn Sansui AU D33 versterker verkocht en bij Mijn HiFi in Nijmegen kennismaakte met de nieuwe versterkers lijn van Harman Kardon. Deze versterkers waren toen “hot” en ik heb destijds de champagne kleurige PM 655 gekozen omdat dit model betaalbaar was voor mij (ongeveer 1100 gulden) op dat moment en veel kwaliteiten bood. Vooral de phono versterker werd toen al geroemd. Een vriend van mij had de grotere broer, de PM 665: ‘het Beest’. Deze is dubbel mono opgebouwd en kan een piekstroom leveren van 60 ampère. Dat is indrukwekkend. Maar ook de 655 kan 45 ampère ineens leveren en is in staat de meeste speakers met verbazingwekkend gemak aan te sturen.  In deze economisch moeilijke tijd zullen steeds meer mensen tweede hands apparatuur willen kopen. In dat geval zijn dergelijke versterkers een buitenkansje.

Laatst zag ik een 665 aangeboden en nog wel de champagne kleurige. Ik zag mijn kans schoon en de dag erop stond hij in mijn luisterkamer. Na een uurtje opwarmen was wel duidelijk waar deze knaap toe in staat is. Een ongelofelijke slam en kracht heeft deze PM 665. En bovendien een nog vollere bas dan de 655, die al niet mis is. Dat verschil had ik eerlijk gezegd niet verwacht. De 665 heeft dan ook een totaal andere klank signatuur dan de 655 en wordt ook behoorlijk warm. Deze amp is zo goed dat ik me oprecht afvraag wat we de afgelopen 30 jaar zijn opgeschoten. Qua kracht en drive steekt hij mijn Modwright KWA100 SE bijna naar de kroon. Akkoord de Modwright is lichtvoetiger, gedetailleerder en opener. Kortom: de betere versterker. Maar dat mag dan ook wel.  Zo nu en dan wordt deze prachtmachine aangeboden voor niet al te veel geld. Meestal is een servicebeurt wel nodig. De drukschakelaartjes zullen schoongemaakt moeten worden, de bios zal opnieuw afgeregeld moeten worden (daarom werd mijn exemplaar warm) en is het raadzaam de elko’s te vervangen na zo’n lange tijd. Maar als dat gedaan is, klinkt deze versterker als nieuw. Hij is dan ook weer (veel) meer waard. In Duitsland zit een bedrijf dat zich gespecialiseerd heeft in vintage versterkers waaronder ook Harman Kardon. De moeite waard om eens op hun site te kijken. Even Googlen op “HiFi Zeile”. Voor een exemplaar dat ‘Generalüberhold’ is, betaald men al snel tussen de 500 en 1000 euro. Een ding is duidelijk: als u er een ziet, sla uw slag.

Emile Stoffels

De Lector Audio ZAX-60 – “Natuurlijke schoonheid”

Friday, May 24th, 2013

De Lector Audio ZAX-60 – “Natuurlijke schoonheid”

Al Sinds 1982 maakt het Italiaanse Lector Audio, hoogwaardige audio producten. Ondanks dat Lector al ruim 30 jaar bestaat, hebben we niet het gevoel dat deze firma bij de gevestigde fabrikanten hoort. Het gaat hier om een kleine bedrijf waar de meeste producten zelf gemaakt worden.

Kennismaking

Veel opzien baarde Lector al met hun cd speler – de CDP-7T – die vele harten veroverde en beloond werd met een “Golden Ear”. Deze keer staat hun geïntegreerde vesterker op de testbank: de ZAX-60. Een betaalbare machine die gemakkelijk 60 watt levert. De kast is prachtig afgewerkt; het deksel en de knoppen zijn sober maar smaakvol. Als luidspreker uitgangen, zijn WBT’s gebruikt voor een solide contact.

Luisteren

Importeur Audioarte verzekerde me dat mijn testmodel, al volledig was ingespeeld. Overigens, er schijnen nog steeds mensen te zijn, die denken dat het inspelen van apparatuur onzin is. Dit proces wordt door velen dan ook enorm onderschat. Hoe dan ook: het luisteren kon beginnen…
Het tintelende hoog en hoge midden, manifesteerde zich bij de Lector op een energieke manier. Cymbals maar ook applaus, klonk schoon en aangenaam. Deze tinteling werd bevestigd ook op andere opnames, waarbij nooit luistermoeheid optrad. Percussie had snelheid en klonk open. De Lector deed me hierin dan ook denken aan de ModWright combinatie die ik heb.
Het midden gebied was evenzo een feest: stemmen hadden een intimiteit en betrokkenheid, die ik in deze prijsklasse niet eerder gehoord heb. En ofschoon de Italiaan hier qua openheid wat terug leek te nemen tov het midden hoog, presenteerde het op vloeiende wijze. Ook violen en altviolen hadden de beoogde klanksignatuur, zoals bleek. Koperwerk was aanstekelijk pregnant. Haarfijn werd alles losgeweekt.
Het laag leek behoorlijk ver door te lopen, met een uitstekende controle. Bij ‘Le sacre du printemps’, sprong de gelaagde basweergave in het oog. Zelfs in de laagste registers, was nog ruimte voor elasticiteit en gemak.

Resumé

Persoonlijk heb ik ZAX-60 leren kennen als een versterker dat de luisteraar, volledig in de muziek zuigt. Opvallend was de aandacht voor de natuurlijke timbres van instrumenten, in plaats van teveel het accent te leggen op detail en openheid. De klanksignatuur kan dan ook omschreven worden als een roodbruine weergave, met een schoon en verdoorlopend hoog. Voortdurend had ik het idee, dat alles in de geluidspresentatie klopte en dat kan niet van alle versterkers gezegd worden. Ook niet van duurdere machines. De potentiële koper zal binnen deze prijsklasse, de Lector dan ook bovenaan de shortlist moeten plaatsen.

Emile Stoffels
Luister Magazine

Gebruikte CD’s:

STRAVINSKY Rite of Spring – Channel Classics;
FRANÇAIX Chamber Music – MDG;
SCHUMANN Piano Concerto – Hyperion;
BRUCKNER Symphony no. 8 – Challenge Classics

Gebruikte apparatuur:

ModWright SLW 9.0 SE Signature voorversterker;
ModWight KWA 100 SE eindversterker;
Marantz 7001 SACD speler;
Siltech Interlinks en luidsprekerkabels;
NordOst voedingskabels

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

Saturday, July 7th, 2012

Het is inmiddels ruim een jaar geleden dat de recensie over de Kanzy KAAM 1000 versterker in het audioblad Hifi Video Test zou verschijnen: een waarlijk peperdure buizen versterker van Nederlandse bodem. Music Emotions had reeds in November van 2010 een artikel van deze extravagante versterker gepubliceerd. Een test die m.i. vlees nog vis was. Geen duidelijke uitspraken, laat staan harde conclusies. Uiteraard kon HiFi Video Test niet achterblijven en zou in april 2011 ook met een artikel komen. Ik had de eer deze klus op me te nemen, maar het liep allemaal ietsje anders. Neerlands oudste audioblad besloot namelijk in te grijpen, door eerst het interview – een essentieel onderdeel van het artikel – te schrappen. Dit was het slot interview dat ik met Lars en Paul Dam van Kanzy bij mij thuis had, nadat ik de test had afgerond. Uiteindelijk besloot HVT om het hele artikel maar niet te publiceren. De reden voor het schrappen van het artikel, houd ik maar voor me. Hoe dan ook: dit was voor mij dan ook het begin van het einde, voor wat betreft de samenwerking met HVT. Hier alsnog mijn recensie. Ruim een jaar te laat, maar beter laat…

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

De Kanzy KAAM 1000 heeft geen introductie meer nodig in dit land. Niemand minder dan Jan Douwe Kroeske en Leo Blokhuis hebben de machine bij Polyhymnia in oktober 2010 met verve geïntroduceerd. Aan mij de eer om nadat het stof weer wat was opgetrokken, de heavy tube amplifier aan de tand te voelen. Want een eer is het, om een pretentieuze versterker van eigen bodem in huis te hebben.

Uiteraard wilde ik eerst wat meer van het bedrijf weten en dus toog ik naar IJsselstein bij Utrecht waar het bedrijfspand staat. Bovendien had ik nogal wat brandende vragen naar aanleiding van eerdere publicaties. Het interview duurde dan ook enkele uren.

Na een korte rondleiding en kennismaking, stak commercieel directeur Lars Dam van wal om uit te leggen wat hen motiveert en welke kant ze op willen. Om te beginnen wilde de firma Kanzy een amp met een uitstraling van absolute meesterschap; een gilde waarbij de reproduceerbaarheid volstrekt is gegarandeerd. Zo was een deugdelijk ontwerp van de kast een hele zoektocht, maar bijvoorbeeld ook de kwaliteit van de schroefjes voor de montage. Kanzy verwacht van haar toeleveringsbedrijven, de hoogste kwaliteit en dat ze dat over 10 jaar ook nog kunnen. Dat in zichzelf is niet eenvoudig en vergt veel overleg, tijd en afstemmen. Continuïteit moet dus gewaarborgd zijn en dat vereist dan ook een lange termijn visie.
Lars legde uit dat de Kanzy KAAM 1000 in de markt wordt gezet voor verzamelaars aangezien er slechts een gelimiteerde oplage zal zijn. Ook mikt men op de audiofiel die de centjes er voor over heeft en de zogenaamde “Wannahaves”, die naast een Porsche en een huisje in Monaco, ook een Kanzy willen hebben. Ten slotte is Kanzy zich nu aan het richten op de Aziatische markt. Al met al was mijn eerste indruk van de mannen van Kanzy er een van enthousiasme. Mensen met een drive, een commercieel geslaagd product neer te zetten. Aangezien Kanzy nog geen enkele reputatie heeft en daarmee een achterstand op de gevestigde merken en fabrikanten, wordt dit project terecht als een ware uitdaging ervaren door de grondleggers.

Wat later schoof de technische man aan tafel: Ir. Paul Dam, de vader van… Paul heeft zich in zijn ontwerp niet laten leiden, neen zelfs niet laten inspireren door andere ontwerpers en fabrikanten. Dat verklaart sommige eigenzinnige keuzes bij deze machine. Die eigenzinnigheid geldt niet zozeer voor het gekozen schema. Ik vroeg hem bijvoorbeeld waarom er een push-pull ontwerp is gebruikt. Hij antwoordde dat push-pull intrinsiek – in tegenstelling tot single-ended – de even harmonische vervorming elimineert. Bovendien is een push-pull een veiligere keuze, met het oog op wat de consument thuis aan weergevers heeft. Ook is er gekozen voor nieuwe productiebuizen en geen NOS (new old stock). “Tegenwoordig is men in staat om een betrouwbaardere buis te fabriceren door betere technieken die ze vroeger niet hadden. De keuze voor de KT88 is een pragmatische.”, vervolgt Paul. “Het is een veel voorkomende buis die behoorlijk wat vermogen kan leveren en we hebben de eindbuis zo ingesteld, dat we slechts het meest steile gedeelte van het werkgebied van de buis gebruiken. Daarom maakt het eigenlijk niet uit welke buis gebruikt wordt. Het zijn juist die minder steile gebieden in het werkgebied van de buis, die het zogenaamde eigen karakter geven van zeg een EL34, een KT88, een EL84 enz.” Deze aanpak zou ook de neutrale weergave van de versterker ten goede komen. Uiteraard heeft deze keuze een keerzijde: een beperkter vermogen. Vandaar dat Paul heeft gekozen voor parallel push-pull. Dus, vier buizen per kanaal in plaats van twee. De Kanzy onderscheid zich ook al niet door de keuze van de stuurbuizen: ‘slechts’ de nederige ecc83. De Opel Kadet onder de dubbeltriodes. Ook dit was een praktische keuze: net als de KT88 is dit een veel voorkomende buis die daardoor de reproduceerbaarheid garandeert. Het doorselecteren van de aangeleverde dubbeltriodes was volgens Paul een hele toer die en passant ook nog even een buizentester hiervoor heeft ontwikkeld. Volgens Paul moeten er vanwege de ongelijkheid tussen de twee helften binnen de dubbeltriode, minstens 8 of zelfs 9 van de 10 ecc83’s verworpen worden om aan de hoge standaard te voldoen.
Het tot elke prijs door willen voeren van buizentechniek, is een opvatting van Paul die mij wel kan bekoren. Zo is er voor de gelijkrichting gekozen voor vier EZ81 gelijkrichtbuizen per kanaal. Dit uiteraard omdat de gehele machine volledig dubbel mono is opgebouwd. Graag had Paul Dam gekozen voor de GZ34 op die plek, maar dit is een aanzienlijk forsere buis en zou moeilijk passen in het chassis; dat al niet klein is. Aan het einde van mijn bezoek kreeg ik ook nog de binnenkant te zien van de Kanzy, wat weer de nodige vragen opriep bij me. En zo vloog de tijd om…

Uiterlijk

Na een tijdje was het dan zover. De Kanzy KAAM 1000 werd bij mij afgeleverd door Lars Dam. Direct zag ik dat er ook de nodige aandacht is besteed aan de wijze waarop de versterker vervoerd moet worden. Het is een kist van massief eikenhout en bovendien zit er een leren flap bij, die onder de versterker geschoven kan worden om het plaatsen van de machine te vergemakkelijken. Dat is met 40 kilogram schoon aan de haak, geen overbodige luxe. Ten slotte levert Kanzy een leren etui met een complete reserve buizenset met de EL34 van Electro Harmonix als eindpit. Deze zijn technisch vergelijkbaar met de KT88 en dus moeiteloos uit te wisselen.
Tja, waar moet je beginnen bij een versterker van dit kaliber? Ik weet dat er mensen zijn die hem spuuglelijk vinden, maar ook zijn er lieden die hem prachtig vinden. Dat in zichzelf is al een positieve indicatie: het ontlokken van een reactie. Dat is waar de kunstenaar – en bij uitbreiding de ontwerper – naar op zoek is. Het laatste dat men wil is, helemaal geen reactie. Persoonlijk vind ik de versterker inderdaad vrij groot, maar de verhouding klopt naar mijn gevoel aardig. Hierdoor wordt in elk geval de uitgebreide buizenbezetting (8 KT88’s en 8 ecc83’s) op het chassis, toch geen rommelig ‘glasservies’ zoals we weleens vaker zien. En dat is wat mij vaak zo stoort. Mijn demo exemplaar was overigens donkergrijs, maar ik neem aan dat de koper hier een keuze heeft.

Functionaliteit

Eenmaal op zijn plek nam ik de tijd om het beest wat van dichterbij te bekijken. Over de functionaliteit had ik nogal wat op- en aanmerkingen die ik net als mijn luister indrukken uitvoerig en eerlijk besproken heb met Lars en Paul, toen de amp weer werd opgehaald. Een beknopt verslag staat aan het einde van dit artikel.
Om te beginnen ontbreekt helaas een afstandsbediening. Dat is één ding. Wat de machine nog lastiger te bedienen maakt, is dat er gekozen is voor een mono potmeter per kanaal. En of dat al niet lastig genoeg is, er is zelfs geen schaalverdeling aangebracht. Het enige houvast in deze is dat er zich op de volumeknoppen meerdere gaatjes bevinden, waardoor men bij benadering een idee heeft. Ik moet zeggen dat me dat in het begin niet meeviel, maar alles went zullen we maar zeggen…
Iets dat mij in hoge mate bevreemde of op zijn minst opviel, was het volgende. Er is namelijk gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet. En ofschoon dit een chiquere en meer solide oplossing is dan de gangbare euro entree, wordt hiermee wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om eventjes met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. En dat vind ik zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. De meegeleverde kabel is van een gemiddelde kwaliteit, maar daar kom ik straks op terug.

Op de achterkant waar ook de lichtnetschakelaar en de UL/Triode schakelaar zit, zit een aardeschroefje voor de platenspeler. Ik had daar persoonlijk liever een draaiknopje gehad. Overigens is de MC trap afgesloten met een 47K weerstand. Dat is m.i. een schier oneindige waarde. Zaak in deze is dat de vinylliefhebber hier de juiste waarde doorgeeft aan Kanzy, opdat het element correct wordt afgesloten.
Ten slotte zijn de speaker terminals van onberispelijke kwaliteit. Op mijn model zaten ‘slechts’ Cardas aansluitingen. Omdat dit bedrijf volgens Lars niet altijd aan de specs kan voldoen die Kanzy stelt hiervoor, is men verder gegaan met WBT. Deze staan boven iedere discussie. Voor dit heeft Kanzy dus voor de hoogste kwaliteit gekozen. Dan zou men hetzelfde verwachten voor de cinch ingangen, maar vreemd genoeg heeft men hier gekozen voor eenvoudige Neutrics. Niets mis met deze ingangen. Voldoen prima, maar waarom dan hier ook niet de hoogste standaard?

De ingewanden

Iets dergelijk had ik ook met sommige toegepaste componenten in het binnenste van de versterker. Voor de weerstanden heeft men kosten noch moeite gespaard. En met goede reden! Ook ik heb ervaren dat weerstanden – soms afhankelijk van de plek – een gigantische invloed op de klank hebben. Kanzy heeft de weerstanden speciaal bij een bedrijf laten ontwikkelen dat ook aan de luchtvaart en de medische industrie levert. Als Kanzy een order plaatst, dan begint daar pas de productie. We kunnen ons voorstellen dat dat een dure aangelegenheid is. Deze moeite had ik dan ook verwacht op andere kritische plekken zoals de koppelcondensators (die Paul gebruikt ipv. van interstage trafo’s). Echter daar heeft men voor relatief eenvoudige Auricaps gekozen. En ook hier geldt weer: niets mis met Auricaps, maar de verhouding met de speciaal op bestelling ontwikkelde weerstanden is m.i. een beetje zoek. Op zijn minst mogen we op deze kritische plaatsen de top exemplaren van topmerken verwachten. Iets dat men verwacht in een buizen versterker van 60K. Overigens, voor de ontkoppeling van de kathodes is wel voor bi-polaire Mundorf elco’s gekozen. Men zou daar evenwel zelfs kunnen gaan voor (olie in papier) condensatoren ipv. elco’s. Echter, omdat Paul Dam daar de min of meer extreme waarde van 470 uF gebruikt, zouden de genoemde condensatoren te groot worden om te plaatsen. Overigens is alles hard-wired en heeft men consequent gebruik gemaakt van zilverdraad en zilversoldeer. Voor de uitgangstrafo’s heeft men gekozen voor de ringkern types van Ir. Menno van der Veen. Ofschoon er voor- en tegenstanders van ringkern trafo’s zijn, zijn deze types met veel succes toegepast in veel goede versterkers met een uitstekende reputatie.

Welke cd als eerste te draaien?

Na een uur opwarmen achtte ik de tijd rijp om een geluidsimpressie te krijgen; indachtig dat een buizenmachine nog een hele tijd te gaan heeft voordat hij zijn top bereikt. De algemene indruk was er een van aangenaamheid en de nodige rust. Bovendien was er een behoorlijke stage. Murcofs Martes was wat minder elastisch en ritmisch dan me lief was. Bovendien kwam het op mij over met een meer getemperde snelheid en openheid. Ook de vijf stukken voor orkest van Schoenberg, klonk minder spits en tastbaar, maar dat zou zich ongetwijfeld in de komende uren wel oplossen. En anders de komende dagen wel. Peter Gabriel had wel voldoende punch, maar dat lag in de lijn der verwachting. Ik weet uit ervaring wat een KT88 in UL schakeling kan brengen in dat opzicht. Een dergelijke substantie in het laag had ik bijvoorbeeld ook al bij de Cayin gehoord, alleen net niet met die articulatie en autoriteit. Toch had ik een meer gebeitelde bas verwacht.

De Hoofdronde

De volgende dagen was het tijd voor de luistersessies waaruit we graag definitieve conclusies willen trekken. Ook heb ik gemeend in dit geval een nog bredere selectie afspeel materiaal te gebruiken dan ik doorgaans al doe. Dit, omdat ik inmiddels wel weet dat ook vaste referentie opnames tot een vorm van bedrijfsblindheid kunnen leiden. Bovendien komt het soms voor, dat zelfs referentie opnames uiteindelijk door de mand kunnen vallen en daarmee het gehele luisterkader op losse schroeven zet. Waakzaamheid is hierin dan ook een voorwaarde. Een recensent mag in deze nooit op zijn lauweren rusten!

Wat mij enigszins bevreemde was dat ik het meeste in UL schakeling afluisterde. Dat is raar want ik had bij alle versterkers die deze schakel optie hadden, tot nu toe precies het omgekeerde. In triode werd het laag iets weker en bovendien werd de algemene klanksignatuur minder spannend. Wel werd overgeproduceerd materiaal aangenamer en minder vermoeiend. Feit blijft dat er in UL, meer ‘snap’ was. Meer levendigheid dus, ten koste van een ietwat ingesnoerd stereobeeld en separatie.
Random Acts of Happiness van Bruford had wel een opvallende autoriteit, maar ik miste toch teveel inner detail en alles in het midden-hoog gebied leek aan het oor ontrokken door een soort nevel. Dat bleek ook het geval bij Miles Davis’ Decoy en Sacred Love van Sting. In z’n algemeenheid klonk het mij allemaal te bruin en besloot daarop de meegeleverde voedingskabel uit te wisselen voor mijn NordOst Valhalla. Daarvoor moest wel ‘even’ de bajonet aansluiting omgewisseld worden. Het bleek een buitengewoon nuttige exercitie. De Kanzy werd weer ingeschakeld en alles was bij toverslag anders. Ten eerste: de ‘nevel’ was goeddeels opgelost en er was ineens de nodige inner detail. Snelheid en openheid was nu overduidelijk meer aanwezig. Bovendien was er meer hoogte in het stereobeeld gekomen. Overigens was het totale stereobeeld in z’n algemeenheid een behoorlijke slag uitgebreid. Evenzo leken de zaken langer uit te klinken en ritmisch leek er veel gewonnen, ten koste van een prettige bulk volume in het midden-laag. Maar er was nu wel meer voelbaar sublaag. Kort gezegd, de gehele klanksignatuur van de versterker was totaal veranderd. Het leek of dat de Kanzy on steroïds was, die voor de nodige gespierdheid zorgde. Opvallend was dat mijn voorkeur voor de UL stand was omgebogen naar triode schakeling. Toch had ik nog steeds mijn bedenkingen over het beperkt doorlopende hoog en was het midden en midden-hoog naar mijn smaak nog steeds iets te bruin. Maar deze actie liet wel zien hoe belangrijk een goede voedingskabel is.

De grootste kritiek evenwel bleef dat ik nog steeds niet het idee had, volledig in de muziek gezogen te worden. Iets dat ik bijvoorbeeld wel bij de Kronzilla had en in iets mindere mate bij de Melody AN211. Schumans vioolconcert klonk niet spannend genoeg en ook vond ik het kleurenpalet relatief te beperkt. Nog steeds was er het gevoel dat het geen versterker is die de mond vanaf de eerste minuut snoert en iedere poging tot discussie ontmoedigt. Iets dat zich eigenlijk al moet manifesteren bij de eerste luisterindruk. Wellicht was mijn verwachtingspatroon te hoog…?

Uiteraard heb ik in dit geval een paar mensen uitgenodigd om hun mening te horen zonder ze te souffleren, maar ook zij kwamen onafhankelijk van elkaar tot een vergelijkbare conclusie. De rode draad was ook hier: relatief te weinig spannend en betrokkenheid. De laatste dag heb ik ook nog de reserve buizenset beluisterd met de EL34, maar al vrij snel werd duidelijk dat de beste resultaten met de KT88’s te halen zijn. De EL34 set klonk veel te bruin en te sompig. Dat kan ook liggen aan het merk. Ik weet dat meerderen deze ervaring hebben met Electro Harmonix.

Eindconclusie

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat de Kanzy mij totaal niet heeft weten te overtuigen. Te weinig had ik tijdens het doorluisteren het idee, dat ik naar een bijzondere versterker aan het luisteren was. Noch had ik het gevoel dat deze amp vanaf het begin af aan geen enkele ruimte zou laten voor discussie. Ook niet de dagen erna en dat was wel wat ik verwacht had, gezien het prijskaartje. Waar de Kanzy m.i. wel bijzonder in was, was de mate van autoriteit en rust waarmee alles werd neergezet. Dit is denkelijk het resultaat van de compromisloos opgebouwde voeding.
Ik bleef dan ook met het gevoel zitten dat we hier met een versterker te maken hebben met een zeer grote potentie, maar klankmatig nog lang niet is uitontwikkeld. De vraag was dan ook: heeft men tijdens de ontwikkeling wel een luister panel ingeroepen, die de nodige sturing kon geven hierin? En zo ja, hoe is dit panel gebruikt? Waarom bijvoorbeeld wel peperdure weerstanden met spectaculaire specificaties, maar niet de koppelcondensatoren? Overigens, de specs zijn één ding, maar wat doen ze klankmatig? Zijn ze vergeleken met andere op audio gebied gerenommeerde weerstanden zoals Takman, Audio Note tantaal enz? Redenen genoeg om deze zaken terug te koppelen naar de mannen van Kanzy. Deze vragen en bevindingen zouden dan ook het eindgesprek dicteren.

Terugkoppeling

Hier volgt een samenvatting van het gesprek dat ik had met Lars en Paul Dam toen ze de Kanzy weer kwamen ophalen. Uiteraard heb ik het koren van het kaf gescheiden.

ES: Is dit model het prototype? LD: neen, dit is het demomodel. ES: ik vraag dat, omdat mij een aantal dingen opvielen. Er zijn relatief goedkope cinch aansluitingen ten opzichte van dure speaker terminals gebruikt. LD: Dat klopt. Ofschoon de Neutrics prima zijn, kan ik me voorstellen dat de toplijn van WBT meer passend is. Wij staan daar wel voor open om daar naar te kijken. ES: ik vroeg het ook ivm. de afwezigheid van de afstandsbediening en schaalverdeling rond de volume regeling. PD: vanuit puristisch oogpunt hebben we niet gekozen voor een afstandsbediening, omdat er dan gebruik gemaakt moet worden van een motortje. Dat zorgt weer voor storingen en dat willen we niet. ES: gemak en purisme hoeven elkaar tegenwoordig niet noodzakelijkerwijs uit te sluiten. Toch? LD: een andere overweging was dat we de gebruiker graag betrokken willen houden bij de muziek. Bovendien als ik zie wat voor een ritueel sommige vinylliefhebbers moeten doorlopen voordat ze eens kunnen luisteren, dan moet dit geen probleem zijn. ES: dat klopt, maar door dit is men nog meer tijd kwijt. Bovendien vinden veel mensen het fijn of zelfs belangrijk, om tijdens een muziekstuk vanwege de dynamische verschillen het volume aan te passen. Overigens maakt de keuze voor twee mono potmeters, de zaak nog lastiger af te stemmen. LD: Dat begrijp ik, maar er zit altijd wel een links rechts verschil in zelfs de beste stereopotmeters. En dan heb je toch weer een balansknop nodig om het verschil recht te trekken. Maar als de koper liever een balansknop heeft met een stereo potmeter, dan kan dat. ES: dat is goed om te weten.
ES: dan iets anders. Waarom hebben jullie gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet? PD: dit is de beste manier. De euro entree is eigenlijk gemaakt voor het strijkijzer en biedt een inferieur contactoppervlak. ES: nooit geweten van het strijkijzer, maar hiermee wordt wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. Dat vind ik eerlijk gezegd zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. LD: wij willen hierin ook een bepaalde eigenzinnigheid betrachten. ES: alles goed en wel, maar de kwaliteit van de meegeleverde voedingskabel is vrij gemiddeld. Ik ben zo vrij geweest om mijn NordOst Valhalla kabel aan de bajonetaansluiting te laten zetten en was blij dat ik die vrijheid had genomen. Het plaatste de versterker in een aantal facetten klankmatig op een ander plan. LD: wij zijn geen kabelfabrikant en voelen ons niet verantwoordelijk voor de audiofiele kwaliteit van de kabel. Anders gezegd: het moet technisch volstaan en meer niet. Dat wil niet zeggen dat we blind willen zijn voor ontwikkelingen op dat gebied. Wij zijn inmiddels ook wel bezig om daar eens naar te kijken. Wellicht dat we de markt wat in beweging kunnen brengen zodat fabrikanten van hoge kwaliteitskabels zich gaan richten op bajonetaansluitingen. ES: ben benieuwd. Misschien een samenwerkingsverband met NordOst? PD: Je gebruikt op die plek weliswaar een mooie voedingskabel, maar ik zag in jouw luisterruimte geen scheidingstrafo voor het lichtnet. Dan moet je dat eigenlijk ook doen. En geloof jij nu echt dat dat stukje kabel invloed heeft op de weergave? Dat is technisch onmogelijk. Is het niet meer een stukje emotie? ES: noem het hoe je wilt, maar kennelijk heeft het invloed op de klank en niet zo weinig ook en ik sta daar bepaald niet alleen in. Ik snap ook wel dat een techneut zaken wil kunnen meten, maar wellicht dat we in de toekomst wel hiertoe in staat zijn. Voor wat betreft de scheidingstrafo: ik geloof niet dat de meeste audiofielen en recensenten een scheidingstrafo hebben. En die zullen die verschillen in kabels toch ook opmerken. Dat neemt niet weg dat het een goed idee is om over een scheidingstrafo na te denken. Alles in dienst voor de verbetering, zou ik zeggen…
ES: Ik moet zeggen dat de Kanzy me ook klankmatig niet meeviel. Wellicht dat mijn verwachtingspatroon te hoog was, maar ik kreeg geen blosjes op mijn wangen. En in de loop van de dagen bekroop mij het gevoel dat ik met een versterker te maken had die in potentie uitstekend is, maar klankmatig nog niet geheel is uitontwikkeld. Ik zeg dat, met het oog op de enigszins onbalans in kosten en moeite tussen bijvoorbeeld de koppel condensatoren en weerstanden. En zelfs weerstanden met verpletterende specificaties, zijn nog geen garantie voor voortreffelijke klankeigenschappen. LD: Het is uiteraard de mening van een recensent, waar ik moeite mee heb is de suggestie dat de KAAM 1000 nog niet is uitontwikkeld. We hebben een behoorlijke tijd gestoken in het doorluisteren van de gebruikte componenten. We hebben daar en aantal serieuze luisteraars voor gebruikt en moesten uiteindelijk een keuze maken. Uiteindelijk zijn het de Auricaps geworden. Ik weet dat het altijd weer beter kan, maar wij staan volstrekt achter de keuze die we hebben gemaakt. PD: Het kan zeker beter. Ik weet dat Menno van der Veen een condensator aan het ontwikkelen is die volstrekt compromisloos is. Ik heb hier veel vertrouwen in en wordt wellicht in de Kanzy toegepast. ES: interessante ontwikkeling. Het is mijn ervaring dat de klanksignatuur enorm beïnvloed wordt op deze plek.
ES: Ik weet ook dat Menno van der Veen silverwired uitgangstrafo’s heeft. Heb je daar over nagedacht? PD: Uiteraard! Maar uit ervaring weet ik dat silverwired UGT’s de neiging hebben om scherp te klinken, maar ik heb ze niet geprobeerd. ES: niets op tegen om dat alsnog te doen. Toch? En wellicht ook UGT’s van andere fabrikanten proberen?

Emile Stoffels

Artephonos – een beauty uit het gastvrije Limburg

Sunday, December 25th, 2011

Alweer een nieuw merk buizenversterker? Er zijn er onder ons die de hoeveelheid nieuwe buizenversterkers een plaag beginnen te vinden. En met reden! Maar laten we toch vooral het koren van het kaf blijven scheiden.

Directe aanleiding voor Hay Kockelmans van Hay-End Audio voor het ontwerp van de Artephonos serie, waren de Cayin 9088D balans monoblokken. Hay zelf zei er het volgende over: “De Cayin onderscheidt zich door een gloedvol middengebied, een rijke detaillering zonder enige scherpte en zonder verlies van dynamiek en snelheid. In de lagere octaven vallen de autoriteit en zuiverheid van de weergave op. Adembenemend is daarbij de weldadige rust zodat men de zaal ‘ruikt en voelt’… de afgebeelde ruimte is groot en tegelijk is de plaatsing nauwkeurig.” Het mag duidelijk zijn dat dergelijke kwaliteiten zo hun prijs hebben. Dit vormde dan ook de uitdaging voor Hay Kockelmans: een eigen versterker ontwikkelen met een vergelijkbare weergave, maar tegen een aanmerkelijk lagere prijs. Uiteraard was ik nieuwsgierig naar dit product en maakte een afspraak de Artephonos thuis te beproeven.

Techniek

De Arthephonos heeft de meest opvallende buizenbezetting die ik tot nu toe gezien heb: drie 6H13 dubbel eindtriodes per kanaal. We hebben het dus over zes buishelften/secties per kant. De 6H13 is een triode die – afhankelijk van de instelling – max. 13 watt per anode mag dissiperen en dus kan er in push-pull configuratie, ruim 50 watt geleverd worden. De 6H13 (Russische 6AS7) is een indirect verhitte triode en dat is in zichzelf een begrijpelijke keuze, aangezien een indirect verhitte buis gemakkelijker bromvrij te krijgen is. Zeker bij een opzet met zeer lage feedback. Verder worden deze eindpitten aangestuurd door 2 keer ecc83 en 1 keer 6SN7 per kant.

Om esthetische redenen, zijn de buizen zo geplaatst dat het mooie schijnsel van de gloeidraden goed te zien is. Qua uiterlijk ken ik weinig buizen die zo fraai zijn als de 6H13C/6AS7. Een waarlijk sierlijke kolf die prachtig opgloeit.

De versterker is uitgevoerd met zogenaamde long-tailed pair versterkertrappen. Hierdoor kan de tegenkoppeling zeer laag blijven en dat is pure winst. Tevens is de signaallus extreem kort en ongevoelig voor signaal eigenschappen van de voeding. Voor de instelling van de eindtrap is een unieke schakeling ontwikkeld, die een perfecte matching van de eindbuizen borgt en tevens een gelijkstroom component door de uitgangstrafo onder alle omstandigheden uitsluit. Hier profiteert vooral de laagweergave van. Het frequentiebereik is ook zonder tegenkoppeling al uitzonderlijk hoog (lager dan 20 Hz en hoger dan 40 kHz bij vol vermogen). Dit maakt het gebruik van corrigerende kunstgrepen overbodig en ook dat is puur muzikale winst. Het maakt de versterker overigens ook geschikt voor electrostaten. De uitgangstrafo’s zijn van Ir. Menno van der Veen en daar zijn al heel wat mooie buizenversterkers mee gemaakt. Ook is er niet beknibbeld op de voeding: er zijn Nichicons elco’s gebruikt, gebypassed met Siemens MKP condensatoren. Als koppelcondensatoren is er gekozen voor Audyncaps en de weerstanden zijn hoogwaardige metaalfilm typen. Stuk voor stuk beproefde componenten dus.

Functionaliteit

Iedere versterker wordt speciaal op bestelling gemaakt, dus specifieke wensen kunnen kenbaar gemaakt worden. Ook wordt er een afstandsbediening bijgeleverd waarmee niet alleen het volume, maar ook de bron geselecteerd kan worden. Verder is er de mogelijkheid voor bi-wireing door een tweede set uitgangterminals. De Artephonos heeft geen aan/uit indicator; wel licht er een rode cq. groene LED op achter de volumeregelaar bij het veranderen van het volume via de remote; bij het inschakelen wordt het volume teruggeregeld. Mijn exemplaar was gezien de afwerking een prototype/demomodel. Zo waren bijvoorbeeld de bevestigingsschroefjes niet verzonken. De houten zijpanelen zijn leverbaar in diverse houtsoorten. Een andere aardige optie is de eigen naam of andere tekst in het front te laten graveren.

De Artephonos heeft als optie ook een buizen phonotrap voor MM/MD elementen. Helaas kon ik die niet testen, aangezien mijn Kiseki Purpleheart een MC element is.

Ten slotte heeft de Artephonos een feature die mij wel bevalt. Op de achterkant zit een schakelaartje waarmee de tegenkoppeling geregeld kan worden. Er zijn niet veel versterkers met deze mogelijkheid. Hiermee kan de klank signatuur beïnvloed worden. Uiteraard stond hij bij mij op de laagste waarde. En het liefst zou ik hem ook eens zonder tegenkoppeling willen horen. Maar dat is allemaal op maat te leveren.

Impressie

Eenmaal bij mij thuis, kon ik me niet bedwingen alvast een eerste impressie te krijgen van deze versterker. Om te beginnen: de Artephonos is muisstil. Extreem gewoon! Veel stiller dan welke buizenversterker ook, die ik thuis heb gehad.

Traditiegetrouw liet ik de versterker een dry run van een halfuur doen. Over het inspeel proces behoefde ik me in ieder geval geen zorgen te maken, verzekerde Hay Kockelmans mij. De versterker is een prototype en heeft al vele honderden uren erop zitten. Ik blijf dit nog steeds onderbelichte aspect beklemtonen. Te vaak bespeur ik bij veel liefhebbers een onderschatting van dit fenomeen. Het is van het allerhoogste belang dat apparatuur is ingespeeld. Het verschil is eenvoudigweg te groot. Dat geldt in het bijzonder voor buizenversterkers, waar relatief veel ‘ijzer’ in zit. Ik heb ervaren dat uitgangstrafo’s niet alleen een lang, maar ook een zeer grillig inspeelverloop laten horen. Ook condensatoren – vooral papier in olie types – hebben veel tijd nodig.

Schisma

Een van de eerste Cd’s die ik beluister is meestal Random Acts van Bill Bruford. Ik weet meestal dan al vrij snel ‘wat voor een vlees ik in de kuip heb’. Track 2 had aanvankelijk een kleine nadruk op de basedrum, maar dat bleek een vergissing: het was gewoon de natuurlijke resonantie die ik ervoer. Dit is een aspect waar m.i. nog steeds misverstanden over bestaan. Nogal wat Hifi liefhebbers hebben een wat overdreven kijk op hoe strak een bas moet klinken. Uiteraard moet de bas scherp gedefinieerd zijn en een duidelijk profiel hebben, maar het is me opgevallen dat strakheid veelal met dunheid wordt verward. Hierdoor ontstaat een klankbalans die artificieel aandoet en bijgevolg vermoeit. Sommigen hebben het streven naar een dergelijk klankbalans wel eens kenschetsend of zelfs spottend een hi-enderige klankbalans genoemd. Hoe dan ook: zelfs in het concertgebouw en andere gelegenheden horen we – afhankelijk van de plek waar we zitten – vaak genoeg een ‘bolling’ in het laag. Aangezien het een live gebeuren betreft, zullen we moeten erkennen dat het nu eenmaal de referentie is.

Aan de andere kant kunnen we spreken over High-end als een aparte discipline die niet primair bezig is met een realistische weergave of echtheid. Net als schrijvers en literatoren de ‘waarheid liegen’, zo is de High-end (wereld) met een eigen waarheid bezig, waarin veelal de nadruk ligt op overvloedige details, een enigszins overdreven stereobeeld, ver doorlopend hoog en zoals gezegd een relatief slank laag. Er lijkt een schisma te zijn ontstaan in de loop der tijd: enerzijds zijn er luisteraars die streven naar echtheid/live muziek (en alle onvolkomenheden die daar bijhoren) en anderzijds een groep die streeft naar die andere, enigszins gekunstelde wereld. Echter, beide werelden zijn boeiend!

Luisteren

Mijn eerste indruk was direct een schok. Ik werd overrompeld door de dynamiek bij Murcofs Martes. Zelden of nooit heb ik een dergelijke openheid gehoord bij een push-pull versterker. Het was een onvermengde openheid die ik eigenlijk alleen ken van single-ended versterkers. Daarin zat dan ook de ‘schok’. De klankbalans was een zeer sterk punt van de Artephonos, net als het kleuren palet. De andere kwaliteiten die doorgaans aan buizen worden toegeschreven, mogen als bekend worden verondersteld: een sterk vloeiend middengebied, het gemak waarmee stemmen materiaal wordt weergegeven en een haast oneindige betrokkenheid; het gevoel volledig in de muziek gezogen te worden. Dit had de Artephonos in overvloed. Ook het laag was gecontroleerd volumineus en liep zeer ver door. Verder nog zelfs dan de Cayin VP 100-i die ik een tijd geleden besprak. Op track 5 van Random Acts na de basklarinet intro, viel mij ineens extra ruimte informatie op. Ook Track 1 van Do They Hurt van Brand X had een snelheid en slagkracht die bijna fysiek aandeed. Smetana’s kwartet werd gestoken scherp afgebeeld en speciaal genoot ik van de grommende cello. Maar ook groot werk was ronduit indrukwekkend. Bruckners Symfonie klonk moeiteloos groots. De registratie klonk zeldzaam realistisch en open. Het koper smolt op de tong: pregnant en mild tegelijk. Doordat de akoestiek mooi is gevangen, kreeg de weergave een ware live sensatie. Ook had ik het idee dat de Artephonos moeiteloos en rimpelloos luid kon spelen. Iets dat met omvangrijke en complexe muziek wel belangrijk is.

Ten slotte

Ik heb genoten van de Artephonos versterker. Het is de mooiste push-pull buizenversterker die ik ooit gehoord heb en de kardinale vraag luidt dan ook: zou ik deze versterker zelf willen hebben? Het antwoord is volmondig: Ja! Tegenwoordig begint het aanbod van buizenversterkers op wildgroei te lijken, vooral die uit Azië. De Artephonos lijkt hiermee vergeleken qua klank, op een prachtig bonsai boompje. En dat voor een relatief betaalbare prijs. Dit komt vooral doordat de kast vrij sober en eenvoudig is gehouden. Bovendien wordt de bouw en verkoop door Hay Kockelmans zelf gedaan. Dit druk de kosten aanzienlijk.

Er zijn drie uitvoeringen: de zojuist besproken Artephonos Ensemble (€ 4795,-), de Artephonos Ensemble met phono ingang (€ 4995,-) en de Artephonos Energa stereo eindversterker. Dezelfde versterker als de Ensemble, maar uitgevoerd als stereo eindversterker (€ 4695,-). Binnenkort wordt de Artephonos voorversterker geïntroduceerd en later de monoblokken.

Hay Kockelmans Hay-End Audio, Venlo www.hayendaudio.nl

info@hayendaudio.nl (0031)(0)6 155 45 270

Gebruikte CD’s:
– Smetana/Sibelius String Quartets Dante Quartet Hyperion CDA67845;
– Bruckner Symphony D minor Stefan Blunier MDG LIVE 937 1673-6;
– Halffter String Quartets Leipziger Streichquartett MDG Gold MDG 307 1671-2;
– Messiaen Orchestral works Myung-Whun Chung DG 477 7944;
– Brand X – Do They Hurt?;
– Bill Bruford – Random Acts;
– Murcof – Martes;
– Talking Heads – Stop Making Sense (remaster);
– Alan Parsons – Edgar Allan Poe MFSL;

Emile Stoffels

ModWright LS100 – De voorversterker is dood, leve de voorversterker…

Wednesday, September 7th, 2011

Een tijd geleden ontdekte ik via Audioarte het Amerikaanse Modwright. Een serieus aan de weg timmerend bedrijf dat aanvankelijk alleen modificaties toepaste op bestaande apparatuur, maar inmiddels zelf een interessante versterkers lijn aan het opzetten is. Sommigen voorspellen zelfs, dat Modwright een grote concurrent wordt voor Audio Research en andere gevestigde merken. Hoe dan ook: de KWA 100 eindbak van deze Amerikaanse fabrikant, had min of meer mijn ogen opnieuw geopend voor solid-state versterkers. Voor het eerst sinds tijden was er weer eens een uiterst betaalbare mosfet versterker, die doorgaans aan een buis toegeschreven klankeigenschappen had. Meest opvallend was het voor een transistor relatief sterk vloeiende middengebied dat mij zo trof en voor een waar kleurenfeest zorgde. De SE uitvoering daarvan, deed daar nog eens een enorme schep bovenop. Hierin zaten onder andere de Takman carbonfilm weerstanden en de in-house made condensators van ModWright zelf. Die oliecaps zaten overigens ook al in de latere Signature tuberectifier uitvoering van de SWL 9.0 SE voorversterker, die ik intussen ook had gehoord en waarvoor ik als een blok was gevallen. Een hybride voorversterker met een paar 5687 dubbeltriodes, die ook door Audio Note werden gebruikt; onder andere in de M7.

Geloofscrisis

Ik was mijn geloof in het nut en de meerwaarde van voorversterkers de laatste jaren een beetje verloren. Nadat ik eens mijn overgemodificeerde Philips 960 DAC rechtreeks op mijn eindversterker had aangesloten, leek het wel of dat er een soort van sluier wegviel. Lang daarvoor had ik diverse CD spelers met volumeregeling, rechtstreeks op eindversterkers gehoord en geconstateerd dat dat niet goed werkte: ongecontroleerd en zwalkend laag, daardoor een versluierd midden en ingesnoerd hoog. Dit was echter totaal iets anders, omdat er onder andere een buffer in de genoemde DAC aanwezig was. De gehele modificatie was er dan ook op gericht om een eindversterker rechtstreeks aan te sturen. Ineens was er beduidend meer inner detail en klonken de signalen langer uit. Er was ook meer natuurlijkheid, meer vanzelfsprekendheid enz. Ik merkte goed dat hoe minder er in de signaalweg zit, hoe beter het is. Dit strook ook wel met wat veel ontwerpers zeggen: “less is more”. Bovendien werd ik in mijn bevindingen gesterkt door wat ik las op de website van Arturo Salvatore. Deze audio ‘outcast’, doet op zijn site een boekje open over wat er zo allemaal mis is in de audiowereld. Daar beschrijft hij o.a. ook de historische ontwikkeling en de rol van de voorversterker door de jaren heen. Buitengewoon interessante leesstof.

Een potentieel gevaar met dit soort ontwikkelingen is echter, dat voordat we het weten de zaken gaan verabsoluteren en denken dat het in álle gevallen en onder álle omstandigheden, altijd beter is om geen voorversterker te hebben. Die constatering is onjuist. Wat mij na een tijdje vooral toch opviel was dat ondanks de voordelen die er toch zijn, vooral op lagere volumes minder body aanwezig was. Ook miste ik een zekere drive en autoriteit. Zaken die in de loop der tijd gaan opvallen, omdat we zo onder de indruk zijn van de verworven winstpunten die hand-in-hand gaan met het by-passen van een hele (voor)versterkertrap. Het is een geleidelijk proces en daarmee misleidend. Ik wist niet wat ik hoorde toen ik langdurig doorluisterde en toch weer de verworvenheden van een uitstekende voorversterker ging herwaarderen. Voor de goede orde: tot pakweg 2006 gebruikte ik dus gewoon een voorversterker. Totdat ik door het e.e.a. op een ander spoor terecht kwam. Centraal hierin was dus het relaas van de zojuist genoemde Arturo Salvatore.

Ontstaansgeschiedenis

Terug naar de ModWright LS 100; de opvolger van de SWL 9.0. Deze is ontstaan min of meer door de wensen op de Amerikaanse forums, waar Dan Wright ook op te vinden is. Zo was er blijkbaar de behoefte aan een hoofdtelefoon aansluiting, balansregeling en bronnenselectie via de afstandsbediening. Dan Wright gebruikt voor de LS 100 dezelfde kast qua afmeting als de KWA 100 eindversterker, wat uiteraard nogal wat productievoordelen heeft. Door de ruimere kast is er ook ruimte om een phonotrap of DAC in te laten bouwen. De LS 100 is dus een slag groter dan de SWL 9.0 en voldoet wat mij betreft, ietsje minder aan de regels der gulden snede. Ook is het logo er bij de 9.0 ingegraveerd; bij de LS100 wordt het logo – net als bij de KWA 100 – vanaf de binnenkant verlicht met blauwe letverlichting. De 9.0 had vanaf 2005, het jaar waarin hij ontstond, veel stappen en ontwikkelingen doorgemaakt. In het begin werd er nog solidstate gelijkrichting gebruikt, maar in de definitieve versie werd – aanvankelijk nog in een aparte kast – buizengelijkrichting toegepast. Weer later verschenen de zelf ontwikkelde oilcaps. De smoorspoel van Electra Print zat er evenwel vanaf het eerste uur al in.

Volgens Dan Wrights eigen woorden, gaat de LS 100 verder waar de 9.0 is opgehouden en heeft hij bij de LS 100 gekozen voor de populaire 6SN7 in plaats van de 5687 buis;  Een fysiek forsere buis die ook een octal voet nodig heeft, net als de EL34 of KT88. Belangrijke reden voor deze keuze zal de verkrijgbaarheid zijn. De 6SN7 is namelijk ook als nieuwe productie te koop. Ook is de instelling van de buis vrij conservatief gehouden, in vergelijk met de 5687 in de 9.0. Dit voor een langere levensduur. Slechts één helft van deze dubbeltriode wordt gebruikt. Wanneer een buishelft aan het eind van zijn leven is gekomen, kunnen de buizen onderling gewisseld worden. Hierdoor wordt de ongebruikte helft gebruikt. Ten slotte wordt de gelijkrichting net als de SWL 9.0 met de GZ34 buis verzorgd. Interessant is om deze diodebuis uit te wisselen met de 5U4, 5V4 of 5Y3. De ervaring leert dat hiermee de klank behoorlijk beïnvloed kan worden.

Luisteren

De LS 100 onderscheidde zich – net als de SWL 9.0 – duidelijk door een buitengewoon afgewogen signatuur met een werkelijk formidabele autoriteit en slagkracht. Ook heeft het midden door de articulatie in het laag een vrijheid en ongebondenheid die we niet vaak tegenkomen. Het hoog was opvallend minder nadrukkelijk dan mijn replica Audio Note M7. Aanvankelijk dacht ik dat de AN hierin de meerdere was, maar ik leerde dat de laatste daar iets teveel nadruk had, waardoor het hoog een min of meer eigen leven leidde. Anders gezegd: het hoog stond wat los van de rest. De ModWright echter, was het toonbeeld van homogeniteit en vertoonde vrijwel geen voorkeurtjes. Ook het stereobeeld was groot met veel separatie. De weergave bleek ook spannender en ritmischer. Opmerkelijk was ook hoe de ModWright laag vermogens versterkers aanstuurde. Het leek of dat mijn EL84 Single-Ended versterker ineens meer uitgangsvermogen kreeg en luider kon spelen. Ik bespeurde meer elasticiteit vanaf het lage midden tot het laag. Zo had bijvoorbeeld Human Racing van Nik Kershaw meer kernachtigheid. Iets dat ik een beetje miste zonder de preamp.

De LS 100 heeft geruime tijd bij mij getoefd en kon zich geheel inspelen. De verschillen met de SWL 9.0SE Signature – het laatste model dus dat bij mij staat – is marginaal, maar er zijn enige accentverschillen. Uiteraard dragen ze allebei in grote lijnen Dan Wrights filosofie en horen we dat beide machines, uit dezelfde stal komen. Ik had het idee dat de LS 100 iets smoother was en daardoor wellicht net iets minder klinisch presenteerde. Ook stelde het de zaken gradueel groter voor, maar opvallend was hoe buitengewoon aangenaam alles klonk. Dat is niet vreemd: het heeft met het klankkarakter van de 6SN7 te maken, die nog meer ‘als een buis klinkt’ dan de 5687. Dat ging overigens niet ten koste van detail. Opmerkelijk vond ik dat de LS 100 toch een slagje slanker was in het lage-midden. Dit was wel een voordeel voor een aantal Duitse en bij uitbreiding Europese masters die bij tijd en wijle wat aan de vette kant kunnen klinken. Zo was de algemene klankbalans op Storm at Sunup van Gino Vannelli bij de LS 100 precies goed. Verder had ik het idee dat het stereobeeld bij de LS 100 concaaf achter de speaker wegliep, terwijl dat bij de 9.0 meer rechthoekig was. Dat bleek bij Schumans vioolconcert. Alles overziend denk ik dat de LS100 door het gradueel mildere karakter, iets vergevensgezinder is mbt beroerdere producties. Dat kan een voordeel zijn. De verschillen waren mijns inziens dan ook een kwestie van smaak en ook hier geldt dat de afstemming met de eindversterker en kabels, leidend moet zijn.

Conclusie

Ik heb de LS 100 uitvoerig A-B kunnen vergelijken met zijn voorganger op diverse eindversterkers en kan niet anders zeggen dat het een indrukwekkende voorversterker is, met nog meer functionaliteit dan de SWL 9.0. Ook is door de ontwerper slim vooruitgedacht door het gebruik van een grotere kast, met het oog op de DAC die eraan komt en de phonotrap. Het zou wel eens kunnen zijn dat ModWright inderdaad een serieuze concurrent voor gevestigde merken gaat worden. De tijd zal dat leren. Voor mij was er volstrekt geen twijfel over de kwaliteiten van deze preamp en ik meen dat de LS 100 – net als de KWA100 – een referentie in zijn prijsklasse is. Heel erg lang is mijn replica Audio Note M7 de toetssteen geweest voor mij, maar dat tijdperk is nu voorbij. De voorversterker is dood, leve de voorversterker…

Gebruikte Cd’s en Lp’s:
Nik Kershaw – Human Racing;
William Schuman – Vioolconcert/DG;
Eurythmics – Be yourself Tonight;
Tsjaikovsky – Manfred Symfonie/Decca;
Sting – Sacred Love;
King Crimson – The Power to Believe;
Bach – Clavierfantasien/DHM;
Gino Vannelli – Storm at Sunup.

Info: Prijs ModWright LS 100 silver is €3850,- Meerprijs voor Zwart €200. Importeur Audioarte
www.audioarte.nl
info@audioarte.nl

Melody AN211 Integrated tube amplifier

Thursday, May 19th, 2011

Melody AN211 – Wie het dichtst bij de buis zit…

In 1606 zette Willem Janszoon van de VOC als eerste Europeaan voet aan Australische wal. Wat hij toen niet vond, bleek later wel degelijk in overvloed aanwezig te zijn: goud, zilver en andere waardevolle grondstoffen. Deze grondstoffen vormen nu de belangrijkste reden voor de sterke groei van de Australische economie en heeft dit werelddeel de banden met China de laatste jaren behoorlijk versterkt.

Het Australische Melody Valve Hifi, dat producent is van hoogwaardige buizenversterkers, klopt al een tijdje terecht op de deur. Het bedrijf uit Melbourne heeft recentelijk een poging gedaan, vaste voet in Europa te krijgen door met Robytone als haar nieuwe exclusieve distributeur in zee te gaan. Dit werd bekrachtigd met een zesjarige distributieovereenkomst. Ondanks dat Melody top componenten gebruikt en jaren van research achter de rug heeft – het heeft een eigen research en development afdeling – weet het zijn producten toch betaalbaar te houden.

Uiterlijk

Tot nu toe was deze fabrikant uit Downunder vooral bekend door versterkers met een strak piano-zwart uiterlijk in hoogglans. Nu heeft dit merk – waarvan louter de assemblage in China geschiedt – haar nieuwe buizenversterker de AN211, een compleet nieuw gezicht gegeven.

De fraaie AN211 is breder dan hij diep is en met veel zorg afgewerkt. Zie daar het gedegen aluminium frame met de prachtige gelakte houten panelen aan de zijkant. Aan de voorkant vinden we de volume- en keuzeschakelaar, die beide uitermate degelijk aanvoelen. Op het chassis staan de twee machtige 211 eindbuizen die veel gezag inboezemen, met daar tussenin iets dat mij laat glimlachen: een voedingsbuis! En naar ik heb begrepen is deze gecombineerd met solid-state diodes. De genoemde gelijkrichtbuis is de 5AR4/GZ34 in een mooie ST uitvoering (geschouderd). Weliswaar is het ‘slechts’ nieuwe productie en dus geen ‘new old stock’, …maar toch. De input buis is een alledaagse ecc83/12AX7; laten we maar zeggen de Opel Kadet van de dubbeltriodes. Het is voor de potentiële koper erg interessant die buis een keer te vervangen door de 5751 of 6072. Of beter nog de 6829 van General Electrics of de E180cc van Mullard of Philips. Vandaar gaat het signaal naar een volgende dubbeltriode, de 4P1S7. Zo alledaags de ecc83 is, zo uitzonderlijk is deze 4P1S7 die de 211 uiteindelijk aanstuurt. Het is een buis waar weinig over te vinden is op het net en daardoor is het lastig te achterhalen waarom men voor dit  type koos.

Praktijk

De volumeregelaar gaat via een stappen potmeter die mijns inziens iets te grof is. Helaas heeft Melody niet voorzien in een afstandsbediening, maar de distributeur wist me echter te vertellen dat die wel beschikbaar komt. Wel is er keuze voor vier en acht ohms aansluiting en is er de mogelijkheid symmetrisch aan te sturen. De lichtnetschakelaar moest ik in het begin even zoeken en bevindt zich – althans voor mij – op een minder voor de handliggende plaats: rechts op het zijpaneel.

Geschiedenis

Wat mij uiteraard direct aansprak, was de gebruikte eindbuis: de GL 211. ‘Eindelijk’, dacht ik. Deze voormalige zendbuis wordt ook door Audio Note gebruikt in de wereldbefaamde Ongaku, maar ook Air Tight en Cary hebben prachtige versterkers gemaakt met deze eindbuis. Bij de laatste kon de koper kiezen tussen de 211 of 845 als eindpit. Deze wordt dan aangestuurd door een andere eindbuis, niet minder dan de 300B. Om maar even aan te geven op welk niveau de 211 buis zit…

De geschiedenis van de GL-211 buis – d.w.z. vóór de tweede wereld oorlog -, leert ons dat het oorspronkelijk een zendbuis is. Het waren toen de meest krachtige buizen en konden door de fabricage erg veel hebben. Aangezien we het hier over een direct verhitte triode hebben – wat wil zeggen dat de kathode tevens de gloeidraad is – ga ik er vanuit dat er niet of nauwelijks tegenkoppeling is toegepast.

Ik ken inmiddels veel kundige zelfbouwers van buizen apparatuur, maar de meesten durven de 211 buis niet te gebruiken vanwege de hoge spanning. We hebben het hier namelijk over – afhankelijk van de instelling – 1000 volt! Dat is niet zomaar iets. Gezien het gespecificeerde uitgangsvermogen van 16 watt in klasse-A van de AN211, zal de spanning zelfs nog wat hoger zijn. Ik vraag me weleens af hoe het zal voelen als men wordt blootgesteld aan een dergelijke spanning. De meeste buizen worden onder normale omstandigheden ingesteld op 250 tot 300 volt, soms wat meer. De 211 en zijn broertjes nemen daar dus geen genoegen mee…

Luisteren

Aangezien mijn exemplaar relatief langdurig voor shows is gebruikt, ging ik er vanuit dat het inspeelproces geen dominante rol van betekenis zou spelen. Toch zou de Melody in kleurenrijkdom toenemen tijdens zijn verblijf bij mij thuis.

Na een half uurtje opwarmen begon ik met de eerste Cd’s en eigenlijk vrijwel direct was me duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand was. Of misschien ook weer niet, want dit is nu eenmaal de sensatie van het luisteren naar een single-ended ontwerp. Het is die onversneden openheid en gemak, die ik van mijn eigen single-ended versterkers ken. Met dit verschil dat de 211, vermogen en autoriteit in spades levert. Allereerst was het wellicht de gecontroleerde roekeloosheid die mij trof van deze machine. De lage registers uit Bachs Prelude en Fuga BWV 544 rolden – weliswaar zonder de gelaagdheid van de ModWright KWA 100 – bruut, doch gearticuleerd de kamer binnen. Dat krachtige laag mis ik wel eens bij mijn eigen EL84 Single Ended versterker, maar dit is ook de aard van de 211 buis. Brittens War Requiem had de gewenste openheid: het kamerensemble was ook hier goed te lokaliseren, los van de rest van het orkest en had duidelijk een eigen plaats op het podium. Het Libera Me was schokkend reëel en mondde uiteindelijk uit in een waar Armageddon; vooral doordat het koor zo opvallend overeind bleef. Maar ook de manier waarop de AN211 intimiteit overbrengt. Bijvoorbeeld bij My Funny Valentine: Miles Davis In Concert. Reeds de opening van de eerste track met de piano, heeft een spanning die lang niet alle versterkers voor het voetlicht weten te brengen. Ook bij track 3 was de ‘uitnodiging’ van George Coleman naar het midden van het podium, buitengewoon makkelijk te volgen door de hoge doorluisterbaarheid. Zonder dogmatiek te willen nastreven, lijkt het erop of dat die betrokkenheid slechts is voorbehouden aan single-ended buizen versterkers. Het stereobeeld liep ver door tot achter de speakers. Opvallend was hierbij dat het beeld steeds breder werd, naarmate het zich naar achteren uitstrekte. Ofschoon het aan glans zeker niet ontbrak, had ik bij slagen op bekkens wel het idee dat duurdere solid state versterkers naar hun aard wat meer metaal laten horen. In Prokofievs 7de pianosonate waren de linker- en rechterhand gemakkelijk van elkaar te onderscheiden; erg belangrijk bij deze complexe muziek. Evenzo hoorde ik hier in de lagere registers meer nuance en elasticiteit dan met mijn eigen single-ended versterker. Bij ‘People’ op King Crimsons Thrack ging het helemaal los en kwam dat aspect in het laag, nog meer tot uitdrukking. Het had overvloedige drive en tegelijkertijd was het gearticuleerd. Dat gaat niet altijd samen, maar machines die dat wel kunnen zoals de Melody, klinken dan ook erg ritmisch.

Conclusie

De Melody AN211 is een droomversterker die me zelfs ‘s nachts wakker gehouden heeft, maar geen enkele keer heeft teleurgesteld. Welk materiaal ik ook aanbood: kamermuziek, groot koor of pop. Iedere keer was hij in staat een open en realistisch geluidsbeeld te reproduceren met een fabuleuze controle. De AN211 zal gezien het bescheiden vermogen evenwel het meest stralen met speakers vanaf 90 dB gevoeligheid. Een combinatie met grote paneelluidsprekers, zal dan ook minder gelukkig uitpakken. En ook bij de Melody AN211 geldt dat er moet worden geïnvesteerd in tijd en moeite mbt. luidspreker- en voedingskabels en interlinks, om tot een juiste afstemming met de rest van de installatie te komen. Inderdaad hebben we het hier over een waar topproduct uit downunder, tegen een uitermate betaalbare prijs. Uiteraard gaat het niet over een reep chocolade, maar in dit geval is €3950,- echt een koopje.

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Organ Works – J.S. Bach/Hurford – Decca;
War Requiem – Britten/Rattle – EMI;
My Funny Valentine: Miles Davis In Concert – Sony;
Pianosonate No. 7 – Prokofiev/Pollini – DG;
King Crimson – Thrack Virgin Records;
Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;

Micromega AS-400

Saturday, April 9th, 2011

Deze week heb ik de Micromega AS-400 opgehaald bij de HiFi Winkel in Beek-Ubbergen ter recensie voor HiFi Video Test. Het is een prachtig afgewerkte machine die nog een aantal dagen zal moeten inspelen, voordat ik echt een oordeel kan vormen. De eerste indruk is erg positief: een gigantische controle en snelheid met de nodige mildheid. Liefst 400 watt levert deze klasse-D versterker, die niet snel in verlegenheid gebracht zal worden door welk speakersysteem dan ook. Sinds 2005 luister ik naar dit soort versterkers en wat ieder keer opvalt, is de hoeveelheid micro-informatie en het grote stereobeeld. Verder is door de Franse fabrikant rekening gehouden met liefhebbers die helemaal into streaming zijn. Ik kan niet wachten hem aan de tand te voelen… Binnenkort zal mijn test in HVT verschijnen.

Aurexx Crystal 1 – een buizen avontuur

Monday, March 21st, 2011

Aurexx Crystal 1 – een buizen avontuur

Kunnen we ons een wereld voorstellen, zonder Marktplaats? Hoe vaak zitten we niet te gluren naar de advertenties tegen die overbekende zachtgele achtergrond? ‘Kijke kijke nie kopuh’ is wat ons Nederlanders op vakantie weleens wordt verweten. Trouwens, ikzelf doe dat ook hoor…

Hoe dan ook, er zijn zo van die koopjes die werkelijk de moeite waard zijn. Een tijdje terug bijvoorbeeld werden we overspoeld met aanbiedingen van de Aurexx Crystal 1, die voor ware spotprijzen werd aangeboden: als bouwkit of reeds afgebouwd. Het is een EL84 single-ended versterkertje met slechts één dubbeltriode voor de aansturing. Simpeler kan het gewoon niet en dat is de kracht van dit ontwerp. Strikt genomen zouden we moeten spreken van een eindversterkertje met een volumeregeling. Het moppie wordt overigens ook regelmatig tweedehands op ‘s Nederlands meest bezochte website aangeboden voor een slordige honderd euro. Het vermogen is 3 a 4 watt; voorwaarde is dus wel een luidspreker met een gevoeligheid vanaf 92 dB.

AREXX Engineering uit Zwolle die dus regelmatig die kits en afgebouwde exemplaren aanbiedt voor zachte prijzen, wist me te vertellen dat ze bij onze oosterburen als warme broodjes over de toonbank gaan.

Radio Bulletin

Het begon allemaal in 1998 met het elektronica tijdschrift RB Elektronica. RB stond toen voor Radio Bulletin. Er werd toen in dat blad een single-ended buizenversterkertje gepresenteerd, gebaseerd op de EL84. De Jama RB-010. Het kitje kostte toen in de voorinschrijving 374 gulden en het afgebouwde model, vijf  tientjes meer. In datzelfde jaar kwam RB – dat toen al bijna 70 jaar bestond – ook nog met een push-pull uitvoering. Later is de naam veranderd in Aurexx en is de productie naar Azië gegaan, naar ik heb begrepen.

‘Wolf in schaapsklederen’

Het is algemeen bekend dat de EL84 buitengewoon makkelijk is aan te sturen. Er is dus geen complexe stuurtrap nodig om de EL84 open te trekken, in tegenstelling tot veruit de meeste direct verhitte triodes. Maar zelfs ook in vergelijk met veel tetrodes en penthodes. Ik heb inmiddels nogal wat versterkertjes met deze buis gehoord, maar ben nog nooit teleurgesteld door deze eindpit. D’accord, de ene was wat opvallender dan de andere, maar wat al deze versterkers kenmerkte, was de typische EL84 kwaliteit: een aanstekelijke, frisse, open klank met de nodige verfijning die direct aanspreekt en ook aan blijft spreken. Er wordt altijd een beetje denigrerend over deze buis gedaan, omdat het slechts een indirect verhitte penthode is. Wat veel mensen blijkbaar ontgaat, is dat de El84 in de jaren 50 door Philips als een echte audiobuis ontworpen is. En dat is te horen. Toch lees ik inmiddels steeds vaker op  forums, dat veel hobbyisten en ontwerpers deze buis wel degelijk bejubelen. Peter Qvortrup de grote man van Audio Note zegt er over:
”I like the EL84, in fact I prefer it to all the more powerful pentodes/tetrodes”.

De EL84 – de Amerikaanse equivalent is de 6BQ5 – wordt wel eens ‘the baby with the bite’ of ‘een wolf in schaapsklederen’ genoemd. Dat komt door het pittige karakter en het relatief kleine formaat. Hij is vingerdik en 68 mm hoog. Een kleine glaskolf dus, waardoor hij ook behoorlijk heet wordt. Koeling kan nog wel eens een aandachtspunt zijn. Oppassen geblazen dus met kleine kinderen.

Ofschoon het dingetje uit de doos al opvallend goed klinkt, ligt de kracht van deze versterker vooral ook in de potentie. De onderdelen die erbij worden geleverd zijn van gemiddelde kwaliteit. De potmeter is tegenwoordig een Alps, niet de toplijn maar toch. De uitgangstrafo’s echter zijn verassend goed en behoorlijk fors. Echt leuk wordt het als de andere componenten op de kritische plaatsen worden vervangen. Ik kan het weten, want ik heb er veel mee geëxperimenteerd. Vooral de volgende stappen zijn de moeite waard.

Glas voor glas

Voor degenen die voorlopig niet zoveel zin hebben het chassis los te draaien, kan een buizenuitwisseling al erg leuke verbeteringen geven. Oorspronkelijk worden er EL84 Sovteks meegeleverd en een ecc83; veelal van EI. Op Amerikaanse sites wordt de TAD EL84 geroemd. Die heb ikzelf nog niet gehoord, maar die ga ik zeker een keer proberen aangezien dit nieuwe productie betreft. Met NOS (new old stock) El84’s heb ik prima resultaten behaald met de Philips Miniwatt en Tungsram. De grote klapper – in mijn beleving althans – was het uitwisselen van de ecc83. Ik heb hier van alles geprobeerd: 5751’s en 6072’s van allerlei soorten en merken, maar de eyeopener was de 6829 van General Electrics. Op een goede tweede plaats kwam de e180cc van Philips. Deze types trekken wel iets meer gloeispanning, maar dan heb je ook iets zullen we maar zeggen. Aangezien er maar eentje nodig is, lopen de kosten niet zo op. Op e-Bay worden ze regelmatig aangeboden en dan kun je zien dat enkele buizen verhoudingsgewijs goedkoper zijn dan paartjes.

De binnenkant

Gelijkrichtdiodes

Dit zijn hoorbare verbeteringen: minder structuur in het signaal dus meer schoonheid, sneller en gearticuleerder laag en verder doorlopend hoog. Probeer de ultra-fast-soft-recovery typen. Let wel op de maximaal toelaatbare spanning! Een aantal betere typen beginnen vaak met de letters BYV of BYT in het typenummer. Op een forum las ik dat de Vishay 1n5062 waanzinnig moeten klinken, maar ik heb daar geen ervaring mee. Van een aantal hobbyisten heb ik begrepen dat de silicium carbide typen van Infineon Technologies, de vergelijking met een buizengelijkrichter kunnen doorstaan. Verder raad ik aan te googelen op Eddie Vaughn. Dit is een echte goeroe met veel verstand van zaken en een indrukwekkende ervaring.

Weerstanden

Rondom de stuurbuis. Ofschoon een aantal zeer gerespecteerde goeroes het niet eens met me zullen zijn, heb ik ervaren dat deze plek na de kwaliteit van de uitgangstrafo’s, de meest kritische plek is. Zelf heb ik de beste resultaten behaald met een Riken Ohm weerstand voor de anode en een Audio Note tantaal voor de kathode. Takman weerstanden klinken het meest neutraal, maar aangezien de EL84 wel wat voluminositeit in het laag kan gebruiken, zijn de tantaal weerstanden hier wel op hun plaats.

Ook de kathodeweerstand van de eindbuizen is de moeite van het aanpakken waard. Daar zou inderdaad een robuuste weerstand gezet kunnen worden met goede klankeigenschappen, zoals de Kiwane of een dikke Audio Note Tantaal.

Ten slotte geeft een kwaliteitsverbetering van de roosterlek weerstand ook de nodige verbeteringen.

Elco’s

Dan de ontkoppel elco die over de kathodeweerstand van de eindbuis staat. Hier zitten oorspronkelijk Nichecons. Er is inmiddels wel een soort van consensus ontstaan dat op die bewuste plek, een Blackgate FK type buitengewoon mooie dingen doet. Aangezien de Black Gates tamelijk zeldzaam worden, is de Elna Cerafine of Silmic II een goed alternatief. Uiteraard net als de weerstanden wel de oorspronkelijke waardes aanhouden.

Koppel condensators

Buitengewoon heilzaam is het  de koppel condensators te vervangen. Er zijn ontzettend veel mogelijkheden, maar ik heb toen de Jensens koperfolies gebruikt. Ik kan me echter voorstellen dat een mooie Mundorfs daar ook goed werk verricht. Deze zijn heden ten dage zeer populair en daar is goede reden voor.

Tegenkoppeling

Last but not least is er mijn inziens teveel tegenkoppeling toegepast in het concept. Dit kan gemakkelijk verlaagd worden. Oorspronkelijk zit daar een 12K weerstand, maar ik heb daar toen een 25K ingezet. Dit geeft minder versmering en meer openheid. En meer gain bovendien. Het zal me overigens niet verbazen dat het ook zinnig is ook daar een kwaliteitsweerstand te plaatsen.

Helemaal leuk wordt het, indien de EL84 triode wordt geschakeld. Dat houd in dat het schermrooster met de anode wordt verbonden. De El84 in triode klinkt werkelijk schitterend, daar zijn de meesten het wel over eens. De klank lijkt dan erg veel op een echte triode, maar toch anders. Tevens valt dan de noodzakelijkheid weg van tegenkoppeling. De keerzijde is dat het vermogen met ruim 60% wordt verminderd en pas interessant wordt voor speakers vanaf 95 dB gevoeligheid. Ik heb dat lange tijd gedaan en werkt goed. Oké, de IJzergieterij van Mosolov – om maar een dwarsstraat te noemen – wordt wat lastig. Maar kamermuziek, jazz en kleine bezettingen in het algemeen, gaat prima.

Uitbesteden

Voor degenen die niet zo geweldig met de soldeerbout overweg kunnen of simpelweg niet de gelegenheid hebben te knutselen, die raad ik aan met een beetje goed netwerken in contact te komen met handige hobbyisten. Er zal wel iets betaald moeten worden, maar uit ervaring weet ik dat deze mensen het gewoon ontzettend leuk vinden in een versterker op een verantwoorde manier te graven. Die kosten zullen dus echt wel meevallen, net als de genoemde onderdelen.

Op deze manier kunnen we een relatief goedkoop versterkertje naar een ongekend niveau tillen die veel duurdere concurrenten en merken van naam, ernstig in verlegenheid brengt. Ook kan op deze manier de versterker op persoonlijke smaak worden getuned. Zolang het vermogen maar geen dominerende rol van betekenis speelt. Veel plezier met het avontuur.

Emile Stoffels

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

Tuesday, February 8th, 2011

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

“Iemand moest Jozef K. verraden hebben, want ondanks dat hij de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen, werd hij op een ochtend gearresteerd door de verbruikspolitie”.

Tja, wie zal het zeggen: wellicht komt er ooit nog een tijd waarin er geen plaats meer zal zijn, voor apparatuur met een buitensporig hoog verbruik. We kennen allemaal de discussies over duurzame energie en het uitbannen van apparatuur, dat bepaald niet groen is. Laten we dus in de tussentijd – zolang het nog kan – dan maar genieten van buizenversterkers, totdat op een dag ook bij ons een opsporingsambtenaar op de deur klopt…

Dat er mooie dingen uit de voormalig Boheemse stad Praag komen, is bekend en niet in de laatste plaats door het Boheemse kristal. Het is over de gehele wereld befaamd. De omgeving van bijvoorbeeld Karlovy Vary, leent zich uitstekend voor het onttrekken van grondstoffen voor het vervaardigen van kristal en glas. Er is in de omringende bossen voldoende hout en geschikt zand te vinden. De kwalificatie “kristal” wordt gegeven aan glas met een hoog loodgehalte. Hierdoor krijgt het glas het vermogen te schitteren als diamant. Het echtpaar Kron uit Praag houdt zich echter met een andere toepassing van glas bezig en wel met het vervaardigen van buizen en buizenversterkers.

Oude wijn in nieuwe zakken…

Het begon allemaal in 1992 met de verbetering van bestaande triodes en het ontwikkelen van eigen power triodes. Het succes dat nu geboekt is, is dan ook het resultaat van het onderzoek en vergelijk dat ze gedaan hebben tussen de handgemaakte KR buizen en de massaproducties, gemaakt op de apparatuur uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Kron onderwerpt ook het glas voor de buis, aan een strenge selectie. Het glasblazen, de glaskolven van de buis en de bedrading ervan, wordt in eigen hand gehouden. Hierdoor is de kwaliteit zo hoog van deze handgemaakte producten, dat het inmiddels heeft geresulteerd in een leidende positie op het gebied van eindbuizen. Enkele typen zijn de 842, de KR 300B en de T1610; ’s werelds grootste en krachtigste triodebuis. De buis die gebruikt wordt in de SDi35.

Inmiddels is Riccardo niet meer onder ons, maar zijn vrouw Eunice heeft de zaken succesvol voortgezet. Op dit moment zitten er 15 verschillende versterkers in het programma waaronder twee solid-state typen. De afgelopen jaren heeft KR een aantal opvallende prijzen in de wacht gesleept zoals Best Amplifier Of The Year, Best Tube Amplifier, Best Amp Of The Year en een 6Moons.com Blue Moon Award.

Het wilde beest

Het was een warme dag in het najaar toen de Kronzilla bij mij werd afgeleverd in een houten kist. God zij dank was Cor Dekker van Musical Reality bereid om het 50 kilo wegende monster mee naar boven te slepen. Dat ‘beest’ dankt zijn naam overigens ook voor een belangrijk deel aan een andere bruut. De eerste Kronzilla kreeg in 1999 het predikaat “Amplifier of the Century” in de USA en dat was ten tijde van de film Godzilla. Amerikanen geven graag bijnaampjes en zo kreeg de versterker de naam: Kronzilla. Uiteraard vernoemd naar de ontwerper Riccardo Kron.

Bij het uitpakken geloofde ik mijn ogen niet. De Kronzilla gebruikt een waarlijk  beestachtige eindpit. Het is de T1610, die eigenlijk een dubbele 805 in één glaskolf (2 X 805 = 1610) is. Ik heb me laten informeren dat KR een speciale pomp heeft moeten ontwikkelen om deze gigantische glaskolf vacuüm te trekken. Het lijkt me dan ook een echte bezienswaardigheid, dit productieproces eens zelf te bekijken. Ook de buispennen zijn bestiaal groot: vingerlang en dik. De fysieke vergelijking van de EL84 met de 211 was al hilarisch; met de T1610 is het ronduit belachelijk.

Techniek

Wat m.b.t. het verbruik geldt voor de door mij geteste Melody AN 211 (verschijnt in een toekomstig nummer), geldt voor de Kronzilla vanzelfsprekend nog meer. De gebruikte T1610 buis steekt werkelijk apollinisch af tegen de 211 buis. En dat is toch geen kleine jongen. De opgegeven spanning op de anode van de 1610 is maximaal 650 volt en dat levert dan 50 watt in klasse A op bij de SX versie. Bij de SDi 35 staat er klaarblijkelijk minder spanning op de anode en dienovereenkomstig levert hij 35 watt.

Uiteraard zit de Kronzilla in een andere prijscategorie dan de Melody AN 211. Toch kan ik het niet laten de twee in een aantal aspecten met elkaar te vergelijken. De SDi 35 is een zogenaamd hybride ontwerp: in plaats van stuurbuizen, worden er FETs gebruikt. Dat is voor de verstokte buizenaanbidder als vloeken in de kerk, maar het valt toch niet ontkenen dat een aantal ontwerpers succesvol gebruik maakt van deze methode. Ook ervaren veel audio liefhebbers FETs in combinatie met buizen, als een zeer gelukkig huwelijk. In het geval van de Kronzilla heb ik begrepen dat men wel met een buizen stuurtrap heeft geëxperimenteerd, maar uiteindelijk gaf de combinatie met de FET toch een beter resultaat.

Luisteren

Wat mij bij de eerste tonen direct trof, was het schijnbaar oneindig ver doorlopend hoog. Iets wat nog wel eens een punt van kritiek is bij veel buizenversterkers. Cymbals lieten meer metaal horen dan ik gewend was met mijn eigen EL84 SE versterker, zonder ook maar een zweempje van korreligheid of vervorming. Bij het Wynton Marsalis Quartet had de eerste klap van de snaredrum een ongekende snelheid, die zelfs voor wat schrik effect zorgde. En dan het verbazingwekkend gemak van de reproductie. Het viel op dat bij hoog afspeel volume, Dianne Reeves met groot gemak luider kon zingen zonder dicht te lopen. De Kronzilla was dus heel gemakkelijk in staat om veel dynamische verschillen weer te geven. Iets wat ik tot op zekere hoogte ook bij de Pass Labs INT-30A hoorde. De Melody is daar weer minder toe in staat. Mijn eigen El84 single ended versterker kwam daar al helemaal niet bij aan te pas, maar dat heeft ook veel met hetvermogen en vooral de slew rate te maken. Ook in het laag kwam de Kronzilla griezelig dichtbij de ModWright KWA100. Zelfs in dat identificerende aspect waarin de ModWright zich zo onderscheidde bij mij: die opvallende gelaagdheid in de basweergave. Uiteindelijk blijft de Amerikaan hierin toch de baas, maar het zegt wel iets over waarin een single ended toch toe in staat kan zijn. Echter, twee zaken moeten we niet vergeten: de Kronzilla is ruim drie keer de prijs van de Melody AN211 en ook zal het makkelijke karakter van mijn speakers een rol van betekenis spelen. Bij complexe en lastige luidsprekersystemen zal de Kronzilla het moeilijker krijgen, ofschoon ik geloof dat hij ook een luidspreker zal aansturen die een relatief zware wissel op een versterker trekt.

Een aantal MFSL platen hebben een overvloedig laag, soms op het overdreven af. Het is algemeen bekend dat sommige artiesten absoluut niet gecharmeerd waren van bepaalde MFSL remasters, omdat er excessief veel bas was bijgesneden. Zo is er bij de Mobile remaster van Powerful People van Gino Vannelli, behoorlijk wat bas vergeleken met de gewone productie master (die overigens uitstekend klinkt). Normaal geeft dat met mijn EL84 versterker een probleempje, MAAR… niet met de Kronzilla. Bij ‘Lady’ en ‘Felicia’ was er absoluut geen sprake van onaangenaam bonkend laag. Integendeel: de bas was volumineus doch schoon, snel en geprofileerd. Bovendien ontwaarde ik verscheidende laagjes in de basregisters. Ook de Sonata Da Chiesa van Andriessen, was nagenoeg vrijer van kleuring dan ik de laatste tijd gewend was.

Dan de sterkste merites van de buis: vloeiendheid, openheid, vanzelfsprekendheid, het gevoel te hebben: “dat alles klopt”. Dat kwam bij het beest uit Praag allemaal bij elkaar. Peter Gabriel had een stroperigheid die de Kronzilla deelde met de Melody AN211, met dat verschil dat de eerste nog meer inner detail liet horen. Ook had ik het idee dat de uithoeken van het stereobeeld werden verkend. Bij de Manfred Symfonie, had het orgel aan het einde duidelijk een eigen plek en toch was het mooi geïntegreerd in het orkest. Ook had het slagwerk, hoogte in het stereobeeld. De strijkersecties waren allemaal apart aan te wijzen en de houtblazers werden heuse personages. De vijf stukken voor orkest opus 16 van Arnold Schoenberg, klonken pregnant en de instrumenten waren door de hoge mate van tastbaarheid, met een verbazingwekkend gemak te volgen tot ver in het grote geluidsbeeld. Inner detail was hier wederom overvloedig aanwezig. Ja, ronduit sensationeel was te horen hoe de Kronzilla alles losweekte. Ook de zaken die niet direct iets te maken hebben met muziek: speeksel, geschuifel, gekreun, gestommel en niet te vergeten het applaus op live registraties, dat doorgaans een goede lakmoesproef vormt.

Conclusie

13.000 euro is op z’n zachtst gezegd een aanzienlijk bedrag, maar de nagenoeg compromisloze performance van deze Tsjech is opvallend te noemen. Handgemaakte producten kosten nu eenmaal meer. Het beest uit Praag is tot nu toe de best klinkende single-ended buizenversterker, die ik ooit bij mij thuis gehoord heb. Uiteraard is de Kronzilla niet drie keer beter dan bijvoorbeeld de Melody AN 211, maar hij gaat wel een stap verder in het losweken van detail, stereo beeld en loopt verder door in de frequentie uitersten. Ook is het schijnbaar onbeperkt kleuren palet een van de kwalificaties van de Kronzilla.

Het is dat we de gloeidraden (helaas) nagenoeg niet kunnen zien branden, anders zouden we nog gaan denken dat het een echt levend wezen is…

Emile Stoffels

Gebruikte CDs:

Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;
Scratch my Back – Peter Gabriel;
Random Acts of Happiness – Bill Bruford;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;
PRIÈRE: 
Andriessen, Franck, Saint-Saëns, Klop/Toon Hagen;
Tsjaikovsky/Manfred Symfonie – Chailly/Decca;
Powerful People/Gino Vannelli – MFSL;

« Previous Entries