Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Audio apparatuur

« Vorige berichten Meer berichten »

ModWright LS100 – De voorversterker is dood, leve de voorversterker…

Wednesday, September 7th, 2011

Een tijd geleden ontdekte ik via Audioarte het Amerikaanse Modwright. Een serieus aan de weg timmerend bedrijf dat aanvankelijk alleen modificaties toepaste op bestaande apparatuur, maar inmiddels zelf een interessante versterkers lijn aan het opzetten is. Sommigen voorspellen zelfs, dat Modwright een grote concurrent wordt voor Audio Research en andere gevestigde merken. Hoe dan ook: de KWA 100 eindbak van deze Amerikaanse fabrikant, had min of meer mijn ogen opnieuw geopend voor solid-state versterkers. Voor het eerst sinds tijden was er weer eens een uiterst betaalbare mosfet versterker, die doorgaans aan een buis toegeschreven klankeigenschappen had. Meest opvallend was het voor een transistor relatief sterk vloeiende middengebied dat mij zo trof en voor een waar kleurenfeest zorgde. De SE uitvoering daarvan, deed daar nog eens een enorme schep bovenop. Hierin zaten onder andere de Takman carbonfilm weerstanden en de in-house made condensators van ModWright zelf. Die oliecaps zaten overigens ook al in de latere Signature tuberectifier uitvoering van de SWL 9.0 SE voorversterker, die ik intussen ook had gehoord en waarvoor ik als een blok was gevallen. Een hybride voorversterker met een paar 5687 dubbeltriodes, die ook door Audio Note werden gebruikt; onder andere in de M7.

Geloofscrisis

Ik was mijn geloof in het nut en de meerwaarde van voorversterkers de laatste jaren een beetje verloren. Nadat ik eens mijn overgemodificeerde Philips 960 DAC rechtreeks op mijn eindversterker had aangesloten, leek het wel of dat er een soort van sluier wegviel. Lang daarvoor had ik diverse CD spelers met volumeregeling, rechtstreeks op eindversterkers gehoord en geconstateerd dat dat niet goed werkte: ongecontroleerd en zwalkend laag, daardoor een versluierd midden en ingesnoerd hoog. Dit was echter totaal iets anders, omdat er onder andere een buffer in de genoemde DAC aanwezig was. De gehele modificatie was er dan ook op gericht om een eindversterker rechtstreeks aan te sturen. Ineens was er beduidend meer inner detail en klonken de signalen langer uit. Er was ook meer natuurlijkheid, meer vanzelfsprekendheid enz. Ik merkte goed dat hoe minder er in de signaalweg zit, hoe beter het is. Dit strook ook wel met wat veel ontwerpers zeggen: “less is more”. Bovendien werd ik in mijn bevindingen gesterkt door wat ik las op de website van Arturo Salvatore. Deze audio ‘outcast’, doet op zijn site een boekje open over wat er zo allemaal mis is in de audiowereld. Daar beschrijft hij o.a. ook de historische ontwikkeling en de rol van de voorversterker door de jaren heen. Buitengewoon interessante leesstof.

Een potentieel gevaar met dit soort ontwikkelingen is echter, dat voordat we het weten de zaken gaan verabsoluteren en denken dat het in álle gevallen en onder álle omstandigheden, altijd beter is om geen voorversterker te hebben. Die constatering is onjuist. Wat mij na een tijdje vooral toch opviel was dat ondanks de voordelen die er toch zijn, vooral op lagere volumes minder body aanwezig was. Ook miste ik een zekere drive en autoriteit. Zaken die in de loop der tijd gaan opvallen, omdat we zo onder de indruk zijn van de verworven winstpunten die hand-in-hand gaan met het by-passen van een hele (voor)versterkertrap. Het is een geleidelijk proces en daarmee misleidend. Ik wist niet wat ik hoorde toen ik langdurig doorluisterde en toch weer de verworvenheden van een uitstekende voorversterker ging herwaarderen. Voor de goede orde: tot pakweg 2006 gebruikte ik dus gewoon een voorversterker. Totdat ik door het e.e.a. op een ander spoor terecht kwam. Centraal hierin was dus het relaas van de zojuist genoemde Arturo Salvatore.

Ontstaansgeschiedenis

Terug naar de ModWright LS 100; de opvolger van de SWL 9.0. Deze is ontstaan min of meer door de wensen op de Amerikaanse forums, waar Dan Wright ook op te vinden is. Zo was er blijkbaar de behoefte aan een hoofdtelefoon aansluiting, balansregeling en bronnenselectie via de afstandsbediening. Dan Wright gebruikt voor de LS 100 dezelfde kast qua afmeting als de KWA 100 eindversterker, wat uiteraard nogal wat productievoordelen heeft. Door de ruimere kast is er ook ruimte om een phonotrap of DAC in te laten bouwen. De LS 100 is dus een slag groter dan de SWL 9.0 en voldoet wat mij betreft, ietsje minder aan de regels der gulden snede. Ook is het logo er bij de 9.0 ingegraveerd; bij de LS100 wordt het logo – net als bij de KWA 100 – vanaf de binnenkant verlicht met blauwe letverlichting. De 9.0 had vanaf 2005, het jaar waarin hij ontstond, veel stappen en ontwikkelingen doorgemaakt. In het begin werd er nog solidstate gelijkrichting gebruikt, maar in de definitieve versie werd – aanvankelijk nog in een aparte kast – buizengelijkrichting toegepast. Weer later verschenen de zelf ontwikkelde oilcaps. De smoorspoel van Electra Print zat er evenwel vanaf het eerste uur al in.

Volgens Dan Wrights eigen woorden, gaat de LS 100 verder waar de 9.0 is opgehouden en heeft hij bij de LS 100 gekozen voor de populaire 6SN7 in plaats van de 5687 buis;  Een fysiek forsere buis die ook een octal voet nodig heeft, net als de EL34 of KT88. Belangrijke reden voor deze keuze zal de verkrijgbaarheid zijn. De 6SN7 is namelijk ook als nieuwe productie te koop. Ook is de instelling van de buis vrij conservatief gehouden, in vergelijk met de 5687 in de 9.0. Dit voor een langere levensduur. Slechts één helft van deze dubbeltriode wordt gebruikt. Wanneer een buishelft aan het eind van zijn leven is gekomen, kunnen de buizen onderling gewisseld worden. Hierdoor wordt de ongebruikte helft gebruikt. Ten slotte wordt de gelijkrichting net als de SWL 9.0 met de GZ34 buis verzorgd. Interessant is om deze diodebuis uit te wisselen met de 5U4, 5V4 of 5Y3. De ervaring leert dat hiermee de klank behoorlijk beïnvloed kan worden.

Luisteren

De LS 100 onderscheidde zich – net als de SWL 9.0 – duidelijk door een buitengewoon afgewogen signatuur met een werkelijk formidabele autoriteit en slagkracht. Ook heeft het midden door de articulatie in het laag een vrijheid en ongebondenheid die we niet vaak tegenkomen. Het hoog was opvallend minder nadrukkelijk dan mijn replica Audio Note M7. Aanvankelijk dacht ik dat de AN hierin de meerdere was, maar ik leerde dat de laatste daar iets teveel nadruk had, waardoor het hoog een min of meer eigen leven leidde. Anders gezegd: het hoog stond wat los van de rest. De ModWright echter, was het toonbeeld van homogeniteit en vertoonde vrijwel geen voorkeurtjes. Ook het stereobeeld was groot met veel separatie. De weergave bleek ook spannender en ritmischer. Opmerkelijk was ook hoe de ModWright laag vermogens versterkers aanstuurde. Het leek of dat mijn EL84 Single-Ended versterker ineens meer uitgangsvermogen kreeg en luider kon spelen. Ik bespeurde meer elasticiteit vanaf het lage midden tot het laag. Zo had bijvoorbeeld Human Racing van Nik Kershaw meer kernachtigheid. Iets dat ik een beetje miste zonder de preamp.

De LS 100 heeft geruime tijd bij mij getoefd en kon zich geheel inspelen. De verschillen met de SWL 9.0SE Signature – het laatste model dus dat bij mij staat – is marginaal, maar er zijn enige accentverschillen. Uiteraard dragen ze allebei in grote lijnen Dan Wrights filosofie en horen we dat beide machines, uit dezelfde stal komen. Ik had het idee dat de LS 100 iets smoother was en daardoor wellicht net iets minder klinisch presenteerde. Ook stelde het de zaken gradueel groter voor, maar opvallend was hoe buitengewoon aangenaam alles klonk. Dat is niet vreemd: het heeft met het klankkarakter van de 6SN7 te maken, die nog meer ‘als een buis klinkt’ dan de 5687. Dat ging overigens niet ten koste van detail. Opmerkelijk vond ik dat de LS 100 toch een slagje slanker was in het lage-midden. Dit was wel een voordeel voor een aantal Duitse en bij uitbreiding Europese masters die bij tijd en wijle wat aan de vette kant kunnen klinken. Zo was de algemene klankbalans op Storm at Sunup van Gino Vannelli bij de LS 100 precies goed. Verder had ik het idee dat het stereobeeld bij de LS 100 concaaf achter de speaker wegliep, terwijl dat bij de 9.0 meer rechthoekig was. Dat bleek bij Schumans vioolconcert. Alles overziend denk ik dat de LS100 door het gradueel mildere karakter, iets vergevensgezinder is mbt beroerdere producties. Dat kan een voordeel zijn. De verschillen waren mijns inziens dan ook een kwestie van smaak en ook hier geldt dat de afstemming met de eindversterker en kabels, leidend moet zijn.

Conclusie

Ik heb de LS 100 uitvoerig A-B kunnen vergelijken met zijn voorganger op diverse eindversterkers en kan niet anders zeggen dat het een indrukwekkende voorversterker is, met nog meer functionaliteit dan de SWL 9.0. Ook is door de ontwerper slim vooruitgedacht door het gebruik van een grotere kast, met het oog op de DAC die eraan komt en de phonotrap. Het zou wel eens kunnen zijn dat ModWright inderdaad een serieuze concurrent voor gevestigde merken gaat worden. De tijd zal dat leren. Voor mij was er volstrekt geen twijfel over de kwaliteiten van deze preamp en ik meen dat de LS 100 – net als de KWA100 – een referentie in zijn prijsklasse is. Heel erg lang is mijn replica Audio Note M7 de toetssteen geweest voor mij, maar dat tijdperk is nu voorbij. De voorversterker is dood, leve de voorversterker…

Gebruikte Cd’s en Lp’s:
Nik Kershaw – Human Racing;
William Schuman – Vioolconcert/DG;
Eurythmics – Be yourself Tonight;
Tsjaikovsky – Manfred Symfonie/Decca;
Sting – Sacred Love;
King Crimson – The Power to Believe;
Bach – Clavierfantasien/DHM;
Gino Vannelli – Storm at Sunup.

Info: Prijs ModWright LS 100 silver is €3850,- Meerprijs voor Zwart €200. Importeur Audioarte
www.audioarte.nl
info@audioarte.nl

Avantgarde Uno – een State of the art weergever

Wednesday, August 3rd, 2011

‘Ik hoef het beeld alleen van het overtollig steen te bevrijden’, sprak de beeldhouwer Auguste Rodin, toen hem iets over een van zijn kunstwerken werd gevraagd. In navolging van zijn grote voorbeeld Michelangelo, wist deze erfgenaam der Barok en tegelijkertijd erflater der moderne plastiek, menselijke figuren ‘uit steen te verlossen’ op een wijze die aannemelijk maakt dat geen ander resultaat denkbaar zou zijn. Het is een soort van onvermijdelijkheid die wij ook ondervinden in de muziek van Ludwig von Beethoven.

Iets dergelijks ervoer ik ook bij het zien en horen van de Avantgarde speakers, die ik een tijd geleden voor het eerst hoorde bij Audio-Life in Buren. Ik was direct onder de indruk van de verpletterende live presentatie en probeerde me in te beelden hoe deze jongens bij mij thuis zouden klinken. Interessant in deze is dan ook de definitie dat Avantgarde Acoustic van het begrip puurheid geeft, in verband met hun producten: “Een functioneel ontwerp dat noodzakelijkerwijs ontstaat uit zijn toepassing.”

De voorhoede

Avant-garde is sedert de jaren ’20 van de vorige eeuw een gebruikte term ter aanduiding van internationaal gerichte groepen revolutionaire kunstenaars, die experimenteren met nieuwe kunstvormen en de artistieke procedés van hun voorgangers radicaal afwijzen. De term werd voor het eerst toegepast op een groep links-pacifistische kunstenaars die in 1916 bijeenkwamen in het Cabaret Voltaire te Zürich. Sindsdien wordt de term gebruikt voor een aantal groepen van vernieuwers, van voor de Tweede Wereldoorlog. De term kan eigenlijk gebruikt worden voor elke vooruitstrevende groep kunstenaars die breekt met de traditie en kan het best toegepast worden op een bepaalde levensopvatting, of meer specifiek voor een kunstenaarshouding waarin het experimenteren met nieuwe vormen centraal staat.

Precies die pioniersgeest ademt het Duitse Avantgarde Acoustic ook uit. Een bezoek aan hun website maakt dat snel duidelijk. Het bedrijf stond vorig jaar onder een nieuw motto op de High-End show in München: “Purity meets Performance”; een bedrijfsfilosofie die op bewonderingwaardige wijze in alle speakersystemen is doorgevoerd. Dus ook in het hier geteste model: de Uno. Er zijn diverse modellen in het programma, maar dit is het instapmodel en het ligt dan ook voor de hand dat er nog een Duo en een Trio is. Verder is er nog een geheel actief speakersysteem, de Solo en een indrukwekkende bashoorn.

Uiteindelijk nam ik contact op met Number 4; de importeur van Avantgarde en werden de 70 kilo zware speakers in delen in mijn huiskamer gebracht en in elkaar gezet. Dat verliep allemaal rimpelloos en toen de eerste speaker was geplaatst werd dan ook de gepaste kreet geslaakt: “Uno!”.

De afwerking is fantastisch en het design zou wat mij betreft in aanmerking komen voor een grote prijs. Juist omdat het qua design geen alleman vriendje is. Ik was in elk geval geheel overdonderd door de vormgeving. Het is opvallend in z’n eenvoud en dat maakt het zo bijzonder. Toch zijn er mensen die deze speakers om onbegrijpelijke redenen wanstaltig noemen. Verder zijn de Avantgardes in allerlei kleuren te krijgen, opdat er een goede afstemming mogelijk is met de omgeving waar ze komen te staan.

De Uno heeft een 20 inch sferische hoorn die het gebied weergeeft van 300 Hz tot 3 kHz. Daarboven neemt een 5 inch hoorntweeter het over. Het laag wordt actief gedaan met aparte 250 watt versterkers in het baskabinet, die twee 10 inch drivers per kant aansturen. Er is dus alleen een versterker nodig voor het midden en hoog. Deze beide hoorns hebben bij elkaar een gevoeligheid 104 dB en kan er met slechts enkele watts een orkaan aan geluid geproduceerd worden.

Funcionaliteit

Functioneel en logisch zijn de Avantgardes ook. Aan elke hoek van de speaker kan eenvoudig de hoogte ingesteld worden en derhalve de luidspreker laten kantelen of overhellen, wat erg veel invloed op het stereobeeld heeft. Evenzo is het mogelijk het werkgebied van de hoorns in te stellen. Aangezien het laag actief is, kon ik het goed aanpassen. In mijn huiskamer bevindt zich een lichte vorm van compressie die mij in sommige gevallen parten speelt. Maar dus niet in het geval van de Avantgardes. Ook bleken ze niet overmatig kritisch bij het plaatsen. Wel gaat er enige tijd zitten ik het in- en uitdraaien en het naar voren en achteren laten hellen van de speakers. Eenmaal naar tevredenheid opgesteld, kon het luisteren beginnen. Voor het midden en hoog gebruikte ik mijn ‘old warhorse’ de EL84 single ended buizen versterker. De Philips SACD 963 gebruikte ik zowel als bron en als loopwerk voor mijn NOS DAC’s.

Speaker bekabeling was aanvankelijk een solidcore type van AudioQuest. Ik begon hiermee omdat uit mijn ervaring sommige hoornsystemen wat nadruk kunnen hebben in het midden tot het midden-hoog. Deze ‘bruin’klinkende kabel zou dat dan moeten neutraliseren. Maar al gauw bleek dat dat niet nodig was, omdat deze weergevers een toonbeeld zijn van neutraliteit. Later werd dan ook de Heimdall van NordOst gebruikt die in mijn ondervinding volstrekt neutraal en homogeen klinkt en een mooie match bleek met de Avantgardes. Dat bleek wel uit Martes van Murcof. Het laag was aanzienlijk sneller en preciezer en toch kon ik zelfs nog wat extra laag bijdraaien.

Luisteren

De ritmische potentie was wat me als eerste opviel. Zo was Dancing Girls op Human Racing ongekend elastisch en snel. In het begin wilde ik echter vooral overdonderd worden en selecteerde daar dan ook mijn muziek op. Om een paar voorbeelden te noemen: Ouverture 1812 van Tchaikovsky, De IJzergieterij van Mosolov, de Scytische Suite van Prokofiev en het Requiem van Berlioz. Ik wilde echter aftrappen met iets zeer passends: Requiem für einen jungen Dichter van Bernd Alois Zimmermann. Deze Duitse componist die in 1967 vrijwillig uit het leven stapte, heeft een klein maar interessant oeuvre nagelaten. Belangrijker evenwel voor dit thema is, dat hij behoorde tot de Avantgarde.

Dit Requiem is een huiveringwekkend document, met een uitdrukkingskracht die de omschrijving bijna tart. Het is een Gesamtkunstwerk voor groot orkest, drie koren, solisten, sprekers, jazz combo, orgel en elektronische tapes met citaten van de grote filosofen en literatoren en geluidsfragmenten van belangrijke gebeurtenissen uit de vorige eeuw. Het slot met citaten uit o.a. Beethoven’s negende, Hey Jude van de Beatles en Joseph Goebbels’ opzwepende redevoering over de totale oorlog in februari 1943, kwam mijn huiskamer binnen op een manier die bijna fysiek was. Dat kwam niet in de laatste plaats door de luisterrijke stage die de Uno’s neerzetten.

Bij Mosolovs IJzergieterij was het net of dat de roestige fabrieksdeuren opengingen en we de arbeiders aan het werk zagen met de bewerking van het metaal. De natuurlijke resonantie en het geweld van deze noeste arbeid, was adembenemend. Zo groots en imposant! Even groots was Bruckners achtste. Wanneer de slotpassage in de finale aanbreekt, zou men bijna tot het Christendom bekeerd worden. Geen enkele stichtende literatuur of exegese kan overbrengen wat Bruckners kunst doet in deze. Het koper was pregnant en massief zonder dat het op de oren ging staan. Zelfs op geluidsvolumes die we elkaar doorgaans niet willen aanbevelen.

In de praktijk bleken de Avantgardes alles te kunnen. Groot waar het groot, klein waar het klein moet zijn. Ook kamermuziek in alle combinaties werd op de juiste schaal gepresenteerd. Zeer intiem was bijvoorbeeld Francks sonate. Chung had de correcte afbeelding en Lupu’s piano stond vrij in de ruimte zonder kleuring. Wat me keer op keer opviel was dat ik na ieder afzonderlijk stuk muziek, niet direct naar het volgende stuk ging. Blijkbaar was er behoefte aan rust of zelfs verwerking. Bijkomen moest ik ook van Poulencs Orgelconcert. Deze orgelthriller was een ervaring op zich met de Uno’s. Buitengewoon veel micro-informatie bespeurde ik op deze opname. De lucht die door de pijpen stroomt, de kleppen, de ambiance: alles was aanwezig.

Maar de realistische weergave had ook een duidelijke schaduwzijde. Om maar even af te dalen naar triviaal amusement: mijn kinderen hadden op Playstation 3 de grootste schik met deze alleseters. Call of Duty was zo realistisch dat we ons moeten afvragen of dit soort spellen nog wel verantwoord zijn. De kogels en granaten vlogen me om de oren op een manier die ik niet gewend was. De kroost vond het uiteraard geweldig, maar ik voelde me wat ongemakkelijk. Het kwam allemaal zo dichtbij…

Conclusie

Ja, ik ben inderdaad enigszins uit mijn sokken geblazen. Met lede ogen zag ik dat de Uno’s weer werden opgehaald. Ik heb dan ook bewust een week gewacht met het weer aansluiten van mijn eigen speakers. Ik kan volstaan met te zeggen dat dit de meest indrukwekkende luidsprekers zijn die ik de laatste jaren gehoord heb. De Avantgardes waren dynamisch, groots, intiem en tegelijkertijd spectaculair zonder dat het een kermis werd. Ook het design droeg bij aan de muziekbeleving. Deze weergevers zijn inderdaad ware kunststukken en ik vraag me af hoe de topmodellen klinken…

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Tchaikovsky – Ouverture 1812/Philips;
Mosolov – IJzergieterij/Decca;
Prokofiev – Scytische Suite/DG;
Berlioz – Requiem/Philips;
Zimmermann – Requiem für einen jungen Dichter/Wergo;
Franck – Sonate voor Viool en Piano/Decca;
Martinu – 4de strijkkwartet/Briljant Classics;
Poulenc – Orgelconcert/Erato;
Jungen – Symphonie Concertante/Telarc;
Nik Kerhaw – Human Racing/MCA;
King Crimson – Three of a perfect pair/EG records;
Genesis – A Trick of the Tail/Virgin 2007 remix;
Murcof – Martes/ Leaf Spain

Prijs: €13.500,-

Informatie: http://www.avantgarde-acoustic.de/

Melody AN211 Integrated tube amplifier

Thursday, May 19th, 2011

Melody AN211 – Wie het dichtst bij de buis zit…

In 1606 zette Willem Janszoon van de VOC als eerste Europeaan voet aan Australische wal. Wat hij toen niet vond, bleek later wel degelijk in overvloed aanwezig te zijn: goud, zilver en andere waardevolle grondstoffen. Deze grondstoffen vormen nu de belangrijkste reden voor de sterke groei van de Australische economie en heeft dit werelddeel de banden met China de laatste jaren behoorlijk versterkt.

Het Australische Melody Valve Hifi, dat producent is van hoogwaardige buizenversterkers, klopt al een tijdje terecht op de deur. Het bedrijf uit Melbourne heeft recentelijk een poging gedaan, vaste voet in Europa te krijgen door met Robytone als haar nieuwe exclusieve distributeur in zee te gaan. Dit werd bekrachtigd met een zesjarige distributieovereenkomst. Ondanks dat Melody top componenten gebruikt en jaren van research achter de rug heeft – het heeft een eigen research en development afdeling – weet het zijn producten toch betaalbaar te houden.

Uiterlijk

Tot nu toe was deze fabrikant uit Downunder vooral bekend door versterkers met een strak piano-zwart uiterlijk in hoogglans. Nu heeft dit merk – waarvan louter de assemblage in China geschiedt – haar nieuwe buizenversterker de AN211, een compleet nieuw gezicht gegeven.

De fraaie AN211 is breder dan hij diep is en met veel zorg afgewerkt. Zie daar het gedegen aluminium frame met de prachtige gelakte houten panelen aan de zijkant. Aan de voorkant vinden we de volume- en keuzeschakelaar, die beide uitermate degelijk aanvoelen. Op het chassis staan de twee machtige 211 eindbuizen die veel gezag inboezemen, met daar tussenin iets dat mij laat glimlachen: een voedingsbuis! En naar ik heb begrepen is deze gecombineerd met solid-state diodes. De genoemde gelijkrichtbuis is de 5AR4/GZ34 in een mooie ST uitvoering (geschouderd). Weliswaar is het ‘slechts’ nieuwe productie en dus geen ‘new old stock’, …maar toch. De input buis is een alledaagse ecc83/12AX7; laten we maar zeggen de Opel Kadet van de dubbeltriodes. Het is voor de potentiële koper erg interessant die buis een keer te vervangen door de 5751 of 6072. Of beter nog de 6829 van General Electrics of de E180cc van Mullard of Philips. Vandaar gaat het signaal naar een volgende dubbeltriode, de 4P1S7. Zo alledaags de ecc83 is, zo uitzonderlijk is deze 4P1S7 die de 211 uiteindelijk aanstuurt. Het is een buis waar weinig over te vinden is op het net en daardoor is het lastig te achterhalen waarom men voor dit  type koos.

Praktijk

De volumeregelaar gaat via een stappen potmeter die mijns inziens iets te grof is. Helaas heeft Melody niet voorzien in een afstandsbediening, maar de distributeur wist me echter te vertellen dat die wel beschikbaar komt. Wel is er keuze voor vier en acht ohms aansluiting en is er de mogelijkheid symmetrisch aan te sturen. De lichtnetschakelaar moest ik in het begin even zoeken en bevindt zich – althans voor mij – op een minder voor de handliggende plaats: rechts op het zijpaneel.

Geschiedenis

Wat mij uiteraard direct aansprak, was de gebruikte eindbuis: de GL 211. ‘Eindelijk’, dacht ik. Deze voormalige zendbuis wordt ook door Audio Note gebruikt in de wereldbefaamde Ongaku, maar ook Air Tight en Cary hebben prachtige versterkers gemaakt met deze eindbuis. Bij de laatste kon de koper kiezen tussen de 211 of 845 als eindpit. Deze wordt dan aangestuurd door een andere eindbuis, niet minder dan de 300B. Om maar even aan te geven op welk niveau de 211 buis zit…

De geschiedenis van de GL-211 buis – d.w.z. vóór de tweede wereld oorlog -, leert ons dat het oorspronkelijk een zendbuis is. Het waren toen de meest krachtige buizen en konden door de fabricage erg veel hebben. Aangezien we het hier over een direct verhitte triode hebben – wat wil zeggen dat de kathode tevens de gloeidraad is – ga ik er vanuit dat er niet of nauwelijks tegenkoppeling is toegepast.

Ik ken inmiddels veel kundige zelfbouwers van buizen apparatuur, maar de meesten durven de 211 buis niet te gebruiken vanwege de hoge spanning. We hebben het hier namelijk over – afhankelijk van de instelling – 1000 volt! Dat is niet zomaar iets. Gezien het gespecificeerde uitgangsvermogen van 16 watt in klasse-A van de AN211, zal de spanning zelfs nog wat hoger zijn. Ik vraag me weleens af hoe het zal voelen als men wordt blootgesteld aan een dergelijke spanning. De meeste buizen worden onder normale omstandigheden ingesteld op 250 tot 300 volt, soms wat meer. De 211 en zijn broertjes nemen daar dus geen genoegen mee…

Luisteren

Aangezien mijn exemplaar relatief langdurig voor shows is gebruikt, ging ik er vanuit dat het inspeelproces geen dominante rol van betekenis zou spelen. Toch zou de Melody in kleurenrijkdom toenemen tijdens zijn verblijf bij mij thuis.

Na een half uurtje opwarmen begon ik met de eerste Cd’s en eigenlijk vrijwel direct was me duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand was. Of misschien ook weer niet, want dit is nu eenmaal de sensatie van het luisteren naar een single-ended ontwerp. Het is die onversneden openheid en gemak, die ik van mijn eigen single-ended versterkers ken. Met dit verschil dat de 211, vermogen en autoriteit in spades levert. Allereerst was het wellicht de gecontroleerde roekeloosheid die mij trof van deze machine. De lage registers uit Bachs Prelude en Fuga BWV 544 rolden – weliswaar zonder de gelaagdheid van de ModWright KWA 100 – bruut, doch gearticuleerd de kamer binnen. Dat krachtige laag mis ik wel eens bij mijn eigen EL84 Single Ended versterker, maar dit is ook de aard van de 211 buis. Brittens War Requiem had de gewenste openheid: het kamerensemble was ook hier goed te lokaliseren, los van de rest van het orkest en had duidelijk een eigen plaats op het podium. Het Libera Me was schokkend reëel en mondde uiteindelijk uit in een waar Armageddon; vooral doordat het koor zo opvallend overeind bleef. Maar ook de manier waarop de AN211 intimiteit overbrengt. Bijvoorbeeld bij My Funny Valentine: Miles Davis In Concert. Reeds de opening van de eerste track met de piano, heeft een spanning die lang niet alle versterkers voor het voetlicht weten te brengen. Ook bij track 3 was de ‘uitnodiging’ van George Coleman naar het midden van het podium, buitengewoon makkelijk te volgen door de hoge doorluisterbaarheid. Zonder dogmatiek te willen nastreven, lijkt het erop of dat die betrokkenheid slechts is voorbehouden aan single-ended buizen versterkers. Het stereobeeld liep ver door tot achter de speakers. Opvallend was hierbij dat het beeld steeds breder werd, naarmate het zich naar achteren uitstrekte. Ofschoon het aan glans zeker niet ontbrak, had ik bij slagen op bekkens wel het idee dat duurdere solid state versterkers naar hun aard wat meer metaal laten horen. In Prokofievs 7de pianosonate waren de linker- en rechterhand gemakkelijk van elkaar te onderscheiden; erg belangrijk bij deze complexe muziek. Evenzo hoorde ik hier in de lagere registers meer nuance en elasticiteit dan met mijn eigen single-ended versterker. Bij ‘People’ op King Crimsons Thrack ging het helemaal los en kwam dat aspect in het laag, nog meer tot uitdrukking. Het had overvloedige drive en tegelijkertijd was het gearticuleerd. Dat gaat niet altijd samen, maar machines die dat wel kunnen zoals de Melody, klinken dan ook erg ritmisch.

Conclusie

De Melody AN211 is een droomversterker die me zelfs ‘s nachts wakker gehouden heeft, maar geen enkele keer heeft teleurgesteld. Welk materiaal ik ook aanbood: kamermuziek, groot koor of pop. Iedere keer was hij in staat een open en realistisch geluidsbeeld te reproduceren met een fabuleuze controle. De AN211 zal gezien het bescheiden vermogen evenwel het meest stralen met speakers vanaf 90 dB gevoeligheid. Een combinatie met grote paneelluidsprekers, zal dan ook minder gelukkig uitpakken. En ook bij de Melody AN211 geldt dat er moet worden geïnvesteerd in tijd en moeite mbt. luidspreker- en voedingskabels en interlinks, om tot een juiste afstemming met de rest van de installatie te komen. Inderdaad hebben we het hier over een waar topproduct uit downunder, tegen een uitermate betaalbare prijs. Uiteraard gaat het niet over een reep chocolade, maar in dit geval is €3950,- echt een koopje.

Emile Stoffels

Gebruikte CD’s:

Organ Works – J.S. Bach/Hurford – Decca;
War Requiem – Britten/Rattle – EMI;
My Funny Valentine: Miles Davis In Concert – Sony;
Pianosonate No. 7 – Prokofiev/Pollini – DG;
King Crimson – Thrack Virgin Records;
Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;

Micromega AS-400

Saturday, April 9th, 2011

Deze week heb ik de Micromega AS-400 opgehaald bij de HiFi Winkel in Beek-Ubbergen ter recensie voor HiFi Video Test. Het is een prachtig afgewerkte machine die nog een aantal dagen zal moeten inspelen, voordat ik echt een oordeel kan vormen. De eerste indruk is erg positief: een gigantische controle en snelheid met de nodige mildheid. Liefst 400 watt levert deze klasse-D versterker, die niet snel in verlegenheid gebracht zal worden door welk speakersysteem dan ook. Sinds 2005 luister ik naar dit soort versterkers en wat ieder keer opvalt, is de hoeveelheid micro-informatie en het grote stereobeeld. Verder is door de Franse fabrikant rekening gehouden met liefhebbers die helemaal into streaming zijn. Ik kan niet wachten hem aan de tand te voelen… Binnenkort zal mijn test in HVT verschijnen.

Aurexx Crystal 1 – een buizen avontuur

Monday, March 21st, 2011

Aurexx Crystal 1 – een buizen avontuur

Kunnen we ons een wereld voorstellen, zonder Marktplaats? Hoe vaak zitten we niet te gluren naar de advertenties tegen die overbekende zachtgele achtergrond? ‘Kijke kijke nie kopuh’ is wat ons Nederlanders op vakantie weleens wordt verweten. Trouwens, ikzelf doe dat ook hoor…

Hoe dan ook, er zijn zo van die koopjes die werkelijk de moeite waard zijn. Een tijdje terug bijvoorbeeld werden we overspoeld met aanbiedingen van de Aurexx Crystal 1, die voor ware spotprijzen werd aangeboden: als bouwkit of reeds afgebouwd. Het is een EL84 single-ended versterkertje met slechts één dubbeltriode voor de aansturing. Simpeler kan het gewoon niet en dat is de kracht van dit ontwerp. Strikt genomen zouden we moeten spreken van een eindversterkertje met een volumeregeling. Het moppie wordt overigens ook regelmatig tweedehands op ‘s Nederlands meest bezochte website aangeboden voor een slordige honderd euro. Het vermogen is 3 a 4 watt; voorwaarde is dus wel een luidspreker met een gevoeligheid vanaf 92 dB.

AREXX Engineering uit Zwolle die dus regelmatig die kits en afgebouwde exemplaren aanbiedt voor zachte prijzen, wist me te vertellen dat ze bij onze oosterburen als warme broodjes over de toonbank gaan.

Radio Bulletin

Het begon allemaal in 1998 met het elektronica tijdschrift RB Elektronica. RB stond toen voor Radio Bulletin. Er werd toen in dat blad een single-ended buizenversterkertje gepresenteerd, gebaseerd op de EL84. De Jama RB-010. Het kitje kostte toen in de voorinschrijving 374 gulden en het afgebouwde model, vijf  tientjes meer. In datzelfde jaar kwam RB – dat toen al bijna 70 jaar bestond – ook nog met een push-pull uitvoering. Later is de naam veranderd in Aurexx en is de productie naar Azië gegaan, naar ik heb begrepen.

‘Wolf in schaapsklederen’

Het is algemeen bekend dat de EL84 buitengewoon makkelijk is aan te sturen. Er is dus geen complexe stuurtrap nodig om de EL84 open te trekken, in tegenstelling tot veruit de meeste direct verhitte triodes. Maar zelfs ook in vergelijk met veel tetrodes en penthodes. Ik heb inmiddels nogal wat versterkertjes met deze buis gehoord, maar ben nog nooit teleurgesteld door deze eindpit. D’accord, de ene was wat opvallender dan de andere, maar wat al deze versterkers kenmerkte, was de typische EL84 kwaliteit: een aanstekelijke, frisse, open klank met de nodige verfijning die direct aanspreekt en ook aan blijft spreken. Er wordt altijd een beetje denigrerend over deze buis gedaan, omdat het slechts een indirect verhitte penthode is. Wat veel mensen blijkbaar ontgaat, is dat de El84 in de jaren 50 door Philips als een echte audiobuis ontworpen is. En dat is te horen. Toch lees ik inmiddels steeds vaker op  forums, dat veel hobbyisten en ontwerpers deze buis wel degelijk bejubelen. Peter Qvortrup de grote man van Audio Note zegt er over:
”I like the EL84, in fact I prefer it to all the more powerful pentodes/tetrodes”.

De EL84 – de Amerikaanse equivalent is de 6BQ5 – wordt wel eens ‘the baby with the bite’ of ‘een wolf in schaapsklederen’ genoemd. Dat komt door het pittige karakter en het relatief kleine formaat. Hij is vingerdik en 68 mm hoog. Een kleine glaskolf dus, waardoor hij ook behoorlijk heet wordt. Koeling kan nog wel eens een aandachtspunt zijn. Oppassen geblazen dus met kleine kinderen.

Ofschoon het dingetje uit de doos al opvallend goed klinkt, ligt de kracht van deze versterker vooral ook in de potentie. De onderdelen die erbij worden geleverd zijn van gemiddelde kwaliteit. De potmeter is tegenwoordig een Alps, niet de toplijn maar toch. De uitgangstrafo’s echter zijn verassend goed en behoorlijk fors. Echt leuk wordt het als de andere componenten op de kritische plaatsen worden vervangen. Ik kan het weten, want ik heb er veel mee geëxperimenteerd. Vooral de volgende stappen zijn de moeite waard.

Glas voor glas

Voor degenen die voorlopig niet zoveel zin hebben het chassis los te draaien, kan een buizenuitwisseling al erg leuke verbeteringen geven. Oorspronkelijk worden er EL84 Sovteks meegeleverd en een ecc83; veelal van EI. Op Amerikaanse sites wordt de TAD EL84 geroemd. Die heb ikzelf nog niet gehoord, maar die ga ik zeker een keer proberen aangezien dit nieuwe productie betreft. Met NOS (new old stock) El84’s heb ik prima resultaten behaald met de Philips Miniwatt en Tungsram. De grote klapper – in mijn beleving althans – was het uitwisselen van de ecc83. Ik heb hier van alles geprobeerd: 5751’s en 6072’s van allerlei soorten en merken, maar de eyeopener was de 6829 van General Electrics. Op een goede tweede plaats kwam de e180cc van Philips. Deze types trekken wel iets meer gloeispanning, maar dan heb je ook iets zullen we maar zeggen. Aangezien er maar eentje nodig is, lopen de kosten niet zo op. Op e-Bay worden ze regelmatig aangeboden en dan kun je zien dat enkele buizen verhoudingsgewijs goedkoper zijn dan paartjes.

De binnenkant

Gelijkrichtdiodes

Dit zijn hoorbare verbeteringen: minder structuur in het signaal dus meer schoonheid, sneller en gearticuleerder laag en verder doorlopend hoog. Probeer de ultra-fast-soft-recovery typen. Let wel op de maximaal toelaatbare spanning! Een aantal betere typen beginnen vaak met de letters BYV of BYT in het typenummer. Op een forum las ik dat de Vishay 1n5062 waanzinnig moeten klinken, maar ik heb daar geen ervaring mee. Van een aantal hobbyisten heb ik begrepen dat de silicium carbide typen van Infineon Technologies, de vergelijking met een buizengelijkrichter kunnen doorstaan. Verder raad ik aan te googelen op Eddie Vaughn. Dit is een echte goeroe met veel verstand van zaken en een indrukwekkende ervaring.

Weerstanden

Rondom de stuurbuis. Ofschoon een aantal zeer gerespecteerde goeroes het niet eens met me zullen zijn, heb ik ervaren dat deze plek na de kwaliteit van de uitgangstrafo’s, de meest kritische plek is. Zelf heb ik de beste resultaten behaald met een Riken Ohm weerstand voor de anode en een Audio Note tantaal voor de kathode. Takman weerstanden klinken het meest neutraal, maar aangezien de EL84 wel wat voluminositeit in het laag kan gebruiken, zijn de tantaal weerstanden hier wel op hun plaats.

Ook de kathodeweerstand van de eindbuizen is de moeite van het aanpakken waard. Daar zou inderdaad een robuuste weerstand gezet kunnen worden met goede klankeigenschappen, zoals de Kiwane of een dikke Audio Note Tantaal.

Ten slotte geeft een kwaliteitsverbetering van de roosterlek weerstand ook de nodige verbeteringen.

Elco’s

Dan de ontkoppel elco die over de kathodeweerstand van de eindbuis staat. Hier zitten oorspronkelijk Nichecons. Er is inmiddels wel een soort van consensus ontstaan dat op die bewuste plek, een Blackgate FK type buitengewoon mooie dingen doet. Aangezien de Black Gates tamelijk zeldzaam worden, is de Elna Cerafine of Silmic II een goed alternatief. Uiteraard net als de weerstanden wel de oorspronkelijke waardes aanhouden.

Koppel condensators

Buitengewoon heilzaam is het  de koppel condensators te vervangen. Er zijn ontzettend veel mogelijkheden, maar ik heb toen de Jensens koperfolies gebruikt. Ik kan me echter voorstellen dat een mooie Mundorfs daar ook goed werk verricht. Deze zijn heden ten dage zeer populair en daar is goede reden voor.

Tegenkoppeling

Last but not least is er mijn inziens teveel tegenkoppeling toegepast in het concept. Dit kan gemakkelijk verlaagd worden. Oorspronkelijk zit daar een 12K weerstand, maar ik heb daar toen een 25K ingezet. Dit geeft minder versmering en meer openheid. En meer gain bovendien. Het zal me overigens niet verbazen dat het ook zinnig is ook daar een kwaliteitsweerstand te plaatsen.

Helemaal leuk wordt het, indien de EL84 triode wordt geschakeld. Dat houd in dat het schermrooster met de anode wordt verbonden. De El84 in triode klinkt werkelijk schitterend, daar zijn de meesten het wel over eens. De klank lijkt dan erg veel op een echte triode, maar toch anders. Tevens valt dan de noodzakelijkheid weg van tegenkoppeling. De keerzijde is dat het vermogen met ruim 60% wordt verminderd en pas interessant wordt voor speakers vanaf 95 dB gevoeligheid. Ik heb dat lange tijd gedaan en werkt goed. Oké, de IJzergieterij van Mosolov – om maar een dwarsstraat te noemen – wordt wat lastig. Maar kamermuziek, jazz en kleine bezettingen in het algemeen, gaat prima.

Uitbesteden

Voor degenen die niet zo geweldig met de soldeerbout overweg kunnen of simpelweg niet de gelegenheid hebben te knutselen, die raad ik aan met een beetje goed netwerken in contact te komen met handige hobbyisten. Er zal wel iets betaald moeten worden, maar uit ervaring weet ik dat deze mensen het gewoon ontzettend leuk vinden in een versterker op een verantwoorde manier te graven. Die kosten zullen dus echt wel meevallen, net als de genoemde onderdelen.

Op deze manier kunnen we een relatief goedkoop versterkertje naar een ongekend niveau tillen die veel duurdere concurrenten en merken van naam, ernstig in verlegenheid brengt. Ook kan op deze manier de versterker op persoonlijke smaak worden getuned. Zolang het vermogen maar geen dominerende rol van betekenis speelt. Veel plezier met het avontuur.

Emile Stoffels

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

Tuesday, February 8th, 2011

Kronzilla SDi 35 – een tweede Praagse Lente

“Iemand moest Jozef K. verraden hebben, want ondanks dat hij de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen, werd hij op een ochtend gearresteerd door de verbruikspolitie”.

Tja, wie zal het zeggen: wellicht komt er ooit nog een tijd waarin er geen plaats meer zal zijn, voor apparatuur met een buitensporig hoog verbruik. We kennen allemaal de discussies over duurzame energie en het uitbannen van apparatuur, dat bepaald niet groen is. Laten we dus in de tussentijd – zolang het nog kan – dan maar genieten van buizenversterkers, totdat op een dag ook bij ons een opsporingsambtenaar op de deur klopt…

Dat er mooie dingen uit de voormalig Boheemse stad Praag komen, is bekend en niet in de laatste plaats door het Boheemse kristal. Het is over de gehele wereld befaamd. De omgeving van bijvoorbeeld Karlovy Vary, leent zich uitstekend voor het onttrekken van grondstoffen voor het vervaardigen van kristal en glas. Er is in de omringende bossen voldoende hout en geschikt zand te vinden. De kwalificatie “kristal” wordt gegeven aan glas met een hoog loodgehalte. Hierdoor krijgt het glas het vermogen te schitteren als diamant. Het echtpaar Kron uit Praag houdt zich echter met een andere toepassing van glas bezig en wel met het vervaardigen van buizen en buizenversterkers.

Oude wijn in nieuwe zakken…

Het begon allemaal in 1992 met de verbetering van bestaande triodes en het ontwikkelen van eigen power triodes. Het succes dat nu geboekt is, is dan ook het resultaat van het onderzoek en vergelijk dat ze gedaan hebben tussen de handgemaakte KR buizen en de massaproducties, gemaakt op de apparatuur uit de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Kron onderwerpt ook het glas voor de buis, aan een strenge selectie. Het glasblazen, de glaskolven van de buis en de bedrading ervan, wordt in eigen hand gehouden. Hierdoor is de kwaliteit zo hoog van deze handgemaakte producten, dat het inmiddels heeft geresulteerd in een leidende positie op het gebied van eindbuizen. Enkele typen zijn de 842, de KR 300B en de T1610; ’s werelds grootste en krachtigste triodebuis. De buis die gebruikt wordt in de SDi35.

Inmiddels is Riccardo niet meer onder ons, maar zijn vrouw Eunice heeft de zaken succesvol voortgezet. Op dit moment zitten er 15 verschillende versterkers in het programma waaronder twee solid-state typen. De afgelopen jaren heeft KR een aantal opvallende prijzen in de wacht gesleept zoals Best Amplifier Of The Year, Best Tube Amplifier, Best Amp Of The Year en een 6Moons.com Blue Moon Award.

Het wilde beest

Het was een warme dag in het najaar toen de Kronzilla bij mij werd afgeleverd in een houten kist. God zij dank was Cor Dekker van Musical Reality bereid om het 50 kilo wegende monster mee naar boven te slepen. Dat ‘beest’ dankt zijn naam overigens ook voor een belangrijk deel aan een andere bruut. De eerste Kronzilla kreeg in 1999 het predikaat “Amplifier of the Century” in de USA en dat was ten tijde van de film Godzilla. Amerikanen geven graag bijnaampjes en zo kreeg de versterker de naam: Kronzilla. Uiteraard vernoemd naar de ontwerper Riccardo Kron.

Bij het uitpakken geloofde ik mijn ogen niet. De Kronzilla gebruikt een waarlijk  beestachtige eindpit. Het is de T1610, die eigenlijk een dubbele 805 in één glaskolf (2 X 805 = 1610) is. Ik heb me laten informeren dat KR een speciale pomp heeft moeten ontwikkelen om deze gigantische glaskolf vacuüm te trekken. Het lijkt me dan ook een echte bezienswaardigheid, dit productieproces eens zelf te bekijken. Ook de buispennen zijn bestiaal groot: vingerlang en dik. De fysieke vergelijking van de EL84 met de 211 was al hilarisch; met de T1610 is het ronduit belachelijk.

Techniek

Wat m.b.t. het verbruik geldt voor de door mij geteste Melody AN 211 (verschijnt in een toekomstig nummer), geldt voor de Kronzilla vanzelfsprekend nog meer. De gebruikte T1610 buis steekt werkelijk apollinisch af tegen de 211 buis. En dat is toch geen kleine jongen. De opgegeven spanning op de anode van de 1610 is maximaal 650 volt en dat levert dan 50 watt in klasse A op bij de SX versie. Bij de SDi 35 staat er klaarblijkelijk minder spanning op de anode en dienovereenkomstig levert hij 35 watt.

Uiteraard zit de Kronzilla in een andere prijscategorie dan de Melody AN 211. Toch kan ik het niet laten de twee in een aantal aspecten met elkaar te vergelijken. De SDi 35 is een zogenaamd hybride ontwerp: in plaats van stuurbuizen, worden er FETs gebruikt. Dat is voor de verstokte buizenaanbidder als vloeken in de kerk, maar het valt toch niet ontkenen dat een aantal ontwerpers succesvol gebruik maakt van deze methode. Ook ervaren veel audio liefhebbers FETs in combinatie met buizen, als een zeer gelukkig huwelijk. In het geval van de Kronzilla heb ik begrepen dat men wel met een buizen stuurtrap heeft geëxperimenteerd, maar uiteindelijk gaf de combinatie met de FET toch een beter resultaat.

Luisteren

Wat mij bij de eerste tonen direct trof, was het schijnbaar oneindig ver doorlopend hoog. Iets wat nog wel eens een punt van kritiek is bij veel buizenversterkers. Cymbals lieten meer metaal horen dan ik gewend was met mijn eigen EL84 SE versterker, zonder ook maar een zweempje van korreligheid of vervorming. Bij het Wynton Marsalis Quartet had de eerste klap van de snaredrum een ongekende snelheid, die zelfs voor wat schrik effect zorgde. En dan het verbazingwekkend gemak van de reproductie. Het viel op dat bij hoog afspeel volume, Dianne Reeves met groot gemak luider kon zingen zonder dicht te lopen. De Kronzilla was dus heel gemakkelijk in staat om veel dynamische verschillen weer te geven. Iets wat ik tot op zekere hoogte ook bij de Pass Labs INT-30A hoorde. De Melody is daar weer minder toe in staat. Mijn eigen El84 single ended versterker kwam daar al helemaal niet bij aan te pas, maar dat heeft ook veel met hetvermogen en vooral de slew rate te maken. Ook in het laag kwam de Kronzilla griezelig dichtbij de ModWright KWA100. Zelfs in dat identificerende aspect waarin de ModWright zich zo onderscheidde bij mij: die opvallende gelaagdheid in de basweergave. Uiteindelijk blijft de Amerikaan hierin toch de baas, maar het zegt wel iets over waarin een single ended toch toe in staat kan zijn. Echter, twee zaken moeten we niet vergeten: de Kronzilla is ruim drie keer de prijs van de Melody AN211 en ook zal het makkelijke karakter van mijn speakers een rol van betekenis spelen. Bij complexe en lastige luidsprekersystemen zal de Kronzilla het moeilijker krijgen, ofschoon ik geloof dat hij ook een luidspreker zal aansturen die een relatief zware wissel op een versterker trekt.

Een aantal MFSL platen hebben een overvloedig laag, soms op het overdreven af. Het is algemeen bekend dat sommige artiesten absoluut niet gecharmeerd waren van bepaalde MFSL remasters, omdat er excessief veel bas was bijgesneden. Zo is er bij de Mobile remaster van Powerful People van Gino Vannelli, behoorlijk wat bas vergeleken met de gewone productie master (die overigens uitstekend klinkt). Normaal geeft dat met mijn EL84 versterker een probleempje, MAAR… niet met de Kronzilla. Bij ‘Lady’ en ‘Felicia’ was er absoluut geen sprake van onaangenaam bonkend laag. Integendeel: de bas was volumineus doch schoon, snel en geprofileerd. Bovendien ontwaarde ik verscheidende laagjes in de basregisters. Ook de Sonata Da Chiesa van Andriessen, was nagenoeg vrijer van kleuring dan ik de laatste tijd gewend was.

Dan de sterkste merites van de buis: vloeiendheid, openheid, vanzelfsprekendheid, het gevoel te hebben: “dat alles klopt”. Dat kwam bij het beest uit Praag allemaal bij elkaar. Peter Gabriel had een stroperigheid die de Kronzilla deelde met de Melody AN211, met dat verschil dat de eerste nog meer inner detail liet horen. Ook had ik het idee dat de uithoeken van het stereobeeld werden verkend. Bij de Manfred Symfonie, had het orgel aan het einde duidelijk een eigen plek en toch was het mooi geïntegreerd in het orkest. Ook had het slagwerk, hoogte in het stereobeeld. De strijkersecties waren allemaal apart aan te wijzen en de houtblazers werden heuse personages. De vijf stukken voor orkest opus 16 van Arnold Schoenberg, klonken pregnant en de instrumenten waren door de hoge mate van tastbaarheid, met een verbazingwekkend gemak te volgen tot ver in het grote geluidsbeeld. Inner detail was hier wederom overvloedig aanwezig. Ja, ronduit sensationeel was te horen hoe de Kronzilla alles losweekte. Ook de zaken die niet direct iets te maken hebben met muziek: speeksel, geschuifel, gekreun, gestommel en niet te vergeten het applaus op live registraties, dat doorgaans een goede lakmoesproef vormt.

Conclusie

13.000 euro is op z’n zachtst gezegd een aanzienlijk bedrag, maar de nagenoeg compromisloze performance van deze Tsjech is opvallend te noemen. Handgemaakte producten kosten nu eenmaal meer. Het beest uit Praag is tot nu toe de best klinkende single-ended buizenversterker, die ik ooit bij mij thuis gehoord heb. Uiteraard is de Kronzilla niet drie keer beter dan bijvoorbeeld de Melody AN 211, maar hij gaat wel een stap verder in het losweken van detail, stereo beeld en loopt verder door in de frequentie uitersten. Ook is het schijnbaar onbeperkt kleuren palet een van de kwalificaties van de Kronzilla.

Het is dat we de gloeidraden (helaas) nagenoeg niet kunnen zien branden, anders zouden we nog gaan denken dat het een echt levend wezen is…

Emile Stoffels

Gebruikte CDs:

Vienna: Schoenberg, Berg, Webern/Dorati – Mercury;
Scratch my Back – Peter Gabriel;
Random Acts of Happiness – Bill Bruford;
Wynton Marsalis Quartet – The Magic Hour;
PRIÈRE: 
Andriessen, Franck, Saint-Saëns, Klop/Toon Hagen;
Tsjaikovsky/Manfred Symfonie – Chailly/Decca;
Powerful People/Gino Vannelli – MFSL;

Audiophysic Sitara – Sierlijke HiFi

Sunday, February 6th, 2011

Audiophysic Sitara

De eisen en functies van luidsprekers zijn in de loop der tijd enigszins veranderd. Waar exotische speakersystemen voor pakweg twintig jaar terug veelal nog grillige ontwerpen waren, wordt dat nu zoveel mogelijk teruggebracht naar eenvoudige doch strakke designs.

Audiophysic is zo’n bedrijf dat dat op succesvolle wijze doet. Al hun modellen voldoen qua verhouding en vormgeving aan de gulden snede en zijn een lust voor het oog.

Het gerenommeerde bedrijf van eigenaar Dieter Kratochwil en ontwerper Manfred Diestertich uit het Duitse Brilon, timmert al weer sinds 1983 aan de weg en ik was dan ook benieuwd naar de prestaties van de Sitara luidsprekers in mijn huiskamer. Bij het uitpakken werd mij al snel duidelijk dat dit bedrijf buitengewoon serieus is en nadere inspectie ontblootte dan ook een afwerking van de hoogste kwaliteit. De in China vervaardigde kasten zijn werkelijk vlekkeloos afgewerkt. De drivers daarentegen worden ontworpen en ontwikkeld in eigen huis en exclusief voor Audio Physic gemaakt.

De Sitara is een 2,5 weg systeem en het kleinste vloerstaand model uit de High-End serie met een gevoeligheid van 89dB en een nominale impedantie van 4 ohm. Opvallend is hoe het faseverschil tussen de tweeter en middentoner wordt gecorrigeerd, door de kast zeven graden achterover te laten kantelen. Er zijn uiteraard meerdere wegen die naar Rome leiden, maar dit is wel op een zeer esthetisch verantwoorde wijze gedaan. Verder is de kast te verkrijgen in diverse uitvoeringen: Maple, Black Ash, Cherry, Walnut, Ebony, White High gloss en Black High gloss. Overigens is er tegen een meerprijs van 200 euro de mogelijkheid tot bi-wiren.

Luisteren

Het eerste paartje dat ik kreeg was niet ingespeeld behalve dan dat de Drivers door Audiophysic gedurende 15 uur getest en belast worden in de fabriek voordat ze geassembleerd worden. Dit stelde mij weer eens in de gelegenheid te horen, hoe een systeem zich ontwikkelt tijdens het inspeelproces. Het proces dat wellicht is te vergelijken met de metamorfose van een onooglijke rups naar een prachtige vlinder. Altijd interessant! Toch schijnen er – om onbegrijpelijke redenen – nog steeds mensen te zijn, die vinden en/of denken dat dit onzin is. Maar dat is bijna niet voor te stellen na wéér de zoveelste ervaring, met een nieuw component in een audio keten.

Hoe dan ook, om toch maar snel meters te kunnen maken, werd het eerste duo door More Music omgeruild voor een volledig ingespeeld paartje. Niet dat ik het vervelend vond, een systeem langer dan normaal in huis te moeten hebben. Integendeel! Het leven is echter te kort en de kunst te lang…

Eenmaal uitgepakt en voorzien van de bijgeleverde spikes, kwam ik bij de eerste globale luistersessie uit op een sterk ingedraaide positie op ongeveer 30 centimeter van de achterwand. En dan moeten we toch denken aan een stand waarbij we – indien we het hoofd iets naar rechts of links verplaatsen – al snel de buitenste zijwand van de kasten kunnen zien. Als ik ze weer iets uit elkaar draaide, had dat uiteraard invloed op het stereobeeld. Stemmen en instrumenten waren in dat geval iets moeilijker te lokaliseren en werden dan gradueel groter afgebeeld. Anders gezegd: bij meer indraaien werd het beeld significant scherper en nam de doorluisterbaarheid fors toe. Het is dus de moeite waard enige tijd te investeren in het juist positioneren van de Sitara’s, maar de beloning is groot. Nu moet ik wel zeggen dat ik genoodzaakt was de speakers zo in te draaien, omdat ze 3 meter uit elkaar waren geplaatst door een dressoir. Ik vermoed dan ook dat als de Sitara’s wat dichterbij elkaar zouden staan, er ook geen sterke indraaiing nodig was. De ene luidspreker reageert daar gevoeliger op, dan de ander. Mijn Mission’s die altijd op diezelfde plek staan, hebben daar wat minder last van.

Aangestuurd door mijn Philips DVD 963A, replica Audio Note M7 en Charlize eindversterker, gaven de Sitara’s aanvankelijk een klankbalans die naar mijn zin ietwat tendeerde naar het midden-laag. Toevallig had ik ter recensie ook een aantal voeten uit het Harmonix programma in huis, die ik kon inzetten. Met de RF-900MKII voeten werd die tendens al grotendeels geneutraliseerd, al bleef het toch nog net iets teveel naar mijn smaak. Het voor de hand liggende advies in deze is dan ook om rand apparatuur te kiezen die dat compenseert. Ik kon op dat moment nog niet beschikken over mijn nieuwste referentie, de ModWright KWA 100. Die zou ongetwijfeld nog meer tonale balans hebben aangebracht en bovendien meer profiel. Feit blijft dat uiteindelijk de oren van de potentiële koper zelf tot gids moeten zijn.

Maar laten we vooral noemen waar de Sitara’s goed in waren, want die gedachte overheerst absoluut. Ondanks de genoemde geneigdheid naar het midden-laag, bleken ze behoorlijk ritmisch en bleef er meer dan voldoende elasticiteit over om snellebasloopjes en synthesizers accuraat en met het nodige profiel weer te geven. Dat bleek wel met Dancing Girls op Human Racing van Nik Kershaw. Maar vooral houtblazers werden mooi neergezet. De fagot in de opening van Le Sacre klonk gitzwart en met veel druk. Evenzo de basklarinet iets verderop in het stuk en de rest van het hout hadden het natuurlijke timbre. Het lag dan ook voor de hand dat ze makkelijk waren te identificeren. Een goede test is ook om de hobo van zijn grotere broer de cor-anglais te onderscheiden. Die proef werd ook goed doorstaan in de genoemde balletsuite van Stravinsky. Een ander voorbeeld is de opening van het tweede deel van Vaughan Williams’ 9de symfonie. Daar kan men namelijk gemakkelijk twijfelen tussen een trompet en een flugelhorn en ook hier lieten de Sitara’s het verschil overtuigend horen.

Ofschoon de Sitara’s qua klank iets aan de warme kant zitten, werden wel degelijk masteringsverschillen weergegeven. Dat bleek wel uit een vergelijk tussen de ‘Originals’ serie van Deutsche Grammophon en de eerste generatie Cd’s uit datzelfde huis. Ook veranderingen in de audio keten werden gemakkelijk opgemerkt door deze vloerstaanders. Van tijd tot tijd sluit ik een losse DAC aan op de digitale uitgang van mijn Philips DVD 963A en dat werd overduidelijk blootgelegd; net zoals de experimenten met andere voedingskabels, goed te horen waren.

Conclusie

De Audiophysic Sitara bleek een prettig en aangename speaker zonder dat het de verschillen in opnames nivelleert. Bij veel speaker systemen, sluiten deze aspecten elkaar veelal uit; maar niet bij de Sitara. Anders gezegd: meestal is het óf een aangename klank, óf hoge resolutie, openheid enz.

Zoals altijd dient de potentiële koper ook aandacht te besteden aan het zoeken naar een passende versterker die het enigszins volslanke karakter wat beteugelt. Verder denk ik dat er het beste bekabeling gebruikt wordt, die niet teveel de nadruk legt op het lage midden gebied.

Tot slot heb ik door de smetteloze uitstraling en afwerking ook genoten van de fysieke aanwezigheid van de Sitara’s in mijn huiskamer. D’accord, alles heeft ook z’n prijs maar een dergelijke afwerking is inderdaad zeldzaam en ik kan me voorstellen dat maar weinig echtgenotes een probleem hebben met het sierlijke design.

Emile Stoffels

Gebruikte Cd’s:
Nik Kershaw – Human Racing;
Prince – 3121;
Bartok – Piano Concertos – DG 457 909-2;
Beethoven – 9th Symphonie – DG 447 401-2;
Schönberg – Verklärte Nacht – DG 457 721-2;
Stravinsky – Le Sacre du Printemps – Philips 416 498-2;
Vaughan Williams – 9th Symphony – RCA GD 90508;

AVANTGARDE UNO

Friday, January 14th, 2011

Gisteren zijn bij mij ter recensie voor HVT, de Avantgarde Uno luidsprekers afgeleverd door Number 4. De bruten hebben een gevoeligheid in het midden-hoog van 104 dB. Het laag wordt actief aangestuurd. Deze speakers beschikken over real stopping power, als je ruzie met de buren hebt of zoekt. Ze zien er tamelijk futuristisch uit en slepen wellicht ook nog een prijs in de wacht voor het design. Ben benieuwd…

Kronzilla SDi 35

Monday, January 10th, 2011

Deze week rond ik mijn artikel af van de Kronzilla Sdi 35. De geïntegreerde versterker met de beestachtige T1610 buis. De machine dankt zijn naam ook voor een belangrijk deel aan een beest. De eerste Kronzilla kreeg in 1999 het predikaat “Amplifier of the Century” in de USA. Dat was ten tijde van de film Godzilla. Amerikanen geven graag bijnaampjes en zo kreeg de versterker de naam Kronzilla, uiteraard vernoemd naar de ontwerper Riccarde Kron. Een tweede Praagse Lente wellicht. Ook deze recensie zal in het komende HiFi Video Test nummer komen.

OLIVE HD4 MEDIAPLAYER

Tuesday, January 4th, 2011

Het mag duidelijk zijn dat streaming audio een blijvertje is. Liefhebbers zien steeds meer de voordelen hiervan en vooral het gemak.
Vandaag heb ik ter recensie de Olive HD4 binnengekregen en zal haar (Olijfje) de komende weken aan de tand voelen. Mijn bevindingen zullen uiteraard ook in het audioblad HiFi Video Test komen.

« Previous Entries Next Entries »