Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Audio apparatuur

« Vorige berichten

Origine Live Platenspeler Mat

Friday, March 27th, 2015

OL MatHet Britse merk Origine Live heeft zo z’n eigen filosofie en aanpak. Dat blijkt al duidelijk uit de eigenzinnige opvattingen die men huldigt, bij het ontwerpen van hun toon armen.  Vooral, in wat volgens hun de kritische plekken zijn in een arm, die de uiteindelijke klank beïnvloeden.

Nu komt Origine Live o.a. ook met een plateau mat. Dat is niet vreemd, als men bedenkt dat een mat direct onder het vinyl zit en dus grote invloed uitoefent op de demping. De Origine Live platenspeler mat bestaat, zoals het zich laat aanzien, deels uit rubber en kurk. Er zitten ook nog wat andere materialen in verwerkt, maar de precieze samenstelling is denkelijk het geheim van de kok.

Toen ik het matje van 1 mm binnenkreeg van Rik Stoet van VinylVinyl uit Den Haag en in mijn handen had, was ik er direct van overtuigd, dat het iets bijzonders was. Al heel wat jaren is het me duidelijk, hoe belangrijk een mat kan zijn. Matten met allerlei dikten en materialen hebben dan ook al op mijn platenspeler gelegen. Momenteel gebruik ik een rode vilten mat; het materiaal dat we in piano’s terugvinden. Hoe dan ook, een mat moet drie dingen doen. Het ontkoppelen van de plaat van trillingen die in een draaitafel ontstaan, door o.a. het lager en de motor. Het elimineren van de trillingen veroorzaakt door het element, die via de plaat zelf, weer terug worden gevoerd naar het element. En ten slotte, het voorkomen van de geringste vorm van jengel. Het voert hier te ver om in detail te gaan, maar een mat speelt een rol in hoeverre plaat en plateau één geheel vormen. Dit is vooral van belang wanneer het plateau in beweging wordt gezet.

Wat mij vrijwel direct opviel in vergelijk met mijn eigen mat, was de mate van zwart informatie en de klankbalans die duidelijk hoorbaar veranderde en gunstig uitpakte in mijn set. Ook het laag had ineens meer push en profiel, waardoor het middengebied voor de hand liggend opschoonde. “Nothing like the Sun” van Sting was een behoorlijke slag losser, terwijl de baspartijen in vlezigheid toenamen en “Flat Earth” van Thomas Dolby had een toegenomen snelheid in het midden-laag. Bovendien leek het stereobeeld breder en hoger. Ook leek de verstaanbaarheid van koren verbeterd. Veel platen passeerden de revue, maar vermeldenswaard is nog de toename van accuratesse van de snare drum. Brand X’ “Unorthodox Behaviour” leek daardoor nog ritmischer, dan dat het al was. Deze mat is een feest.

Het lijkt enigszins zweverig, maar veel kenners beweren vaak dat een component klinkt zoals het eruit ziet, of aanvoelt. Dit keer lijkt dat juist en ik kan dan ook niet anders zeggen dat deze mat klopt, zowel qua klank, als hoe het aanvoelt. Voor €49,- is dit een heel aardige en vooral effectieve upgrade van een platenspeler. Van harte aanbevolen!

Emile Stoffels

De Origin Live Silver MK III tonearm

Thursday, September 4th, 2014

De ervaring leert dat er door vinyl liefhebbers doorgaans onevenredig veel in het element wordt geïnvesteerd, t.o.v. de toonarm en zelfs loopwerk. Dat is ook niet zo vreemd, aangezien er veelal geredeneerd wordt dat de naald – en dus het element – het directe contact vormt met de bron. Het mag evenwel als bekend worden verondersteld, dat de arm een gigantische invloed heeft op het gedrag van een element. Zozeer zelfs dat volgens kenners en techneuten het volgende principe aldus geldt: een hoogwaardige arm met een middelmatig element, zal betere prestaties leveren, dan een middelmatige arm met een hoogwaardig element.

Zelf draaide ik al wat jaartjes met de door Jean Allaerts gerestaureerde Kiseki Purple Heart in een Origin Live uitvoering van de Rega RB 250 (de OL1). Verder had ik het contragewicht vervangen door een zwaarder, brons, concentrisch type waardoor het zwaarte punt gunstiger kwam te liggen en daardoor nog eens hoorbare verbeteringen opleverde. Ik dacht dan ook dat ik geen omkijken meer had naar dat deel van mijn audio set. Dat bleek een vergissing.

De techniek staat zelden stil en Origin Live uit Engeland heeft los van de modificaties, inmiddels zijn eigen indrukwekkende lijn van toonarmen ontwikkeld. Ik werd daar op geattendeerd door een vriend die Thorens draaitafels opknapt en daarbij regelmatig de toon arm vervangt door een Origin Live type. Het viel ons al een paar keer op, dat zelfs het instapmodel – de Alliance – van deze fabrikant fenomenaal klinkt. Ik besloot daarop zelf het duurdere model de Silver (die op de fora bejubeld wordt) aan te schaffen via VinylVinyl uit Den Haag.

Herevaluatie

Aangezien ik eerder met een op Rega gebaseerde arm speelde, was het uitwisselen in een handomdraai gedaan. Om kort te gaan: er komt heel wat meer muziek uit deze arm dan mijn vorige. Zozeer zelfs dat ik genoodzaakt ben om de lp’s die ik had afgetest op basis van marginale – niettemin hoorbare – versmering, korreliger hoog etc. weer opnieuw zal moeten beoordelen. Platen die ik al bij mijn verkoopstapel had gezet, moest ik weer opnieuw evalueren. Zo ervoer ik bijvoorbeeld bij de Nederlandse uitgave van 10cc “The Original Soundtrack”, de hi-hat op het eerste nummer altijd onnatuurlijk en vervuild. En in z’n algemeenheid was er een overbelichting in het midden-hoog. Nu moet wel aangetekend worden dat de SHM SACD ook een voorkeur in die richting laat horen. Interviews met Eric Stewart over de opname, bevestigen dit ook. Overigens klinkt de MFSL CD weer totaal anders. Hoe dan ook, de vervuiling was goeddeels weg en daarvoor kwam een aangenaam tintelend midden-hoog voor terug.

Ook was er een versmering te horen op Ravels pianoconcerten door Werner Haas op de oorspronkelijke uitgave. Aanvankelijk wijdde ik dit aan inferieure en/of gedateerde snijprocessen, omdat ik het niet hoorde op de heruitgave. De versmering was weg met de Silver en alles klonk verbluffend schoon. De verbetering ten opzichte van het laag en midden-laag zijn ook overduidelijk. Zo was Unorthodox Behaviour van Brand-X een openbaring voor wat betreft de extra aplomb en substantie die Percy Jones nog bracht, vergeleken met de vorige arm. En dat terwijl de arm –  vanuit mechanisch oogpunt – nog (lang) niet is ingespeeld.

Conclusie

Het mag duidelijk zijn: ik kan iedere vinylliefhebber deze arm aanbevelen. Zelfs lieden die al met een min of meer exotische arm spelen, zoals de duurdere Rega modellen, SME’s en Linn armen. Met name de snelheid en openheid zijn opvallende aspecten. Maar evenzo het zeer ver doorlopende laag is opmerkelijk, alsmede het gigantische podium. De Silver schijnt ook weinig moeite te hebben met de probleemgebieden van de plaat (aan het einde). Zoals gezegd moet ik weer opnieuw door mijn collectie heen, omdat de arm mijn vorige bevindingen behoorlijk overhoop heeft gehaald.
De arm kan overigens nog verder geüpgraded worden met een carbon armbuis, alvorens naar een duurdere arm over te gaan. Onder de omstandigheden kan ik me haast niet voorstellen dat het nog beter kan. Maar het zal er toch eens van komen, want alles went…

Armbekabeling

Ten slotte nog een vaak over het hoofd gezien aspect: het inspelen van de armbekabeling. Dus nog los van het mechanische inspeel proces. Uit een recensie van de OL Silver – uiteraard geldt dat voor alle toon armen – op de 6moons site is duidelijk op te maken dat onder normaal gebruik de arm bekabeling nooit zal inspelen, door de minuscule spanningen afgegeven door het element. En dan is er nog een significant verschil tussen mm en mc elementen: de laatste geeft nog aanzienlijk minder spanning af dan een mm element, getuige het feit dat het signaal uit een mc element extra versterkt moet worden. “[Alan Kafton of CableCooker fame would agree because of the minuscule voltage output from cartridges which never break in tone arm wiring under regular use – Ed].” Als dat inderdaad waar is dan moeten we concluderen dat daardoor iedere toonarm die dat proces niet volledig heeft doorlopen, dus nog steeds niet is ingespeeld. Vandaar dat OL ook “burn-in” cables levert om dat proces niet alleen te versnellen, maar ook om de kabel vollédig in te spelen. Iedere vinyl liefhebber zal dus zijn eigen situatie moet herbeoordelen en denkelijk alsnog de toonarm kabel moet inspelen. Stof tot nadenken dus…

Emile Stoffels

ARTEPHONOS KT-88

Wednesday, January 29th, 2014

ARTEPHONOS KT-88

HEA uit Venlo heeft op basis van de Cayin A-88TMKII en de ontwerpprincipes van de Artephonos Ensemble, de allermooiste KT-88 gebouwd die op dit moment op de markt is. De belangrijkste kenmerken zijn:

– long tailed pair versterkertrappen, volledig symmetrisch – uitgekiende bedradingsarchitectuur – Colourless bekabeling – audiofiele condensatoren

– geen elco’s in de signaalwegen – geen printplaten – lage feedback – fixed bias voor een krachtige en ongekleurde basweergave – fasecorrectie is niet nodig door het lineaire gedrag over een groot frequentiebereik. Dit maakt een

faze-zuivere weergave mogelijk, die resulteert in een unieke impulsweergave en een realistische

ruimtelijke afbeelding – ingangskeuze via relais direct achter de cinch aansluitingen – Alps motorpotentiometer – ingebouwde verlichte biasmeter, zodat u slechts een schroevendraaier nodig heeft om de bias te

controleren en bij te stellen

De Artephonos KT-88 heeft als specificaties: – 2 x25 watt in triode modus of 2 x 45 watt in ultralineaire modus, via de metalen remote te kiezen – frequentiebereik beter dan 5 – 150.000 Hz (-1 dB) – 3 lijningangen en een HT direct ingang (de versterker functioneert dan als eindversterker) – 4 en 8 ohm speakerterminals – omschakelbaar voor EL 34 en KT 88 resp. vergelijkbare buizen – leverbaar met zilver of met zwart front – BxDxH: 420x385x195 mm – gewicht: 28 kg – prijs € 3149,-

De Harman Kardon PM 665 – Een oude jeugdliefde

Saturday, September 21st, 2013

Het zal in 1986 zijn geweest dat ik mijn Sansui AU D33 versterker verkocht en bij Mijn HiFi in Nijmegen kennismaakte met de nieuwe versterkers lijn van Harman Kardon. Deze versterkers waren toen “hot” en ik heb destijds de champagne kleurige PM 655 gekozen omdat dit model betaalbaar was voor mij (ongeveer 1100 gulden) op dat moment en veel kwaliteiten bood. Vooral de phono versterker werd toen al geroemd. Een vriend van mij had de grotere broer, de PM 665: ‘het Beest’. Deze is dubbel mono opgebouwd en kan een piekstroom leveren van 60 ampère. Dat is indrukwekkend. Maar ook de 655 kan 45 ampère ineens leveren en is in staat de meeste speakers met verbazingwekkend gemak aan te sturen.  In deze economisch moeilijke tijd zullen steeds meer mensen tweede hands apparatuur willen kopen. In dat geval zijn dergelijke versterkers een buitenkansje.

Laatst zag ik een 665 aangeboden en nog wel de champagne kleurige. Ik zag mijn kans schoon en de dag erop stond hij in mijn luisterkamer. Na een uurtje opwarmen was wel duidelijk waar deze knaap toe in staat is. Een ongelofelijke slam en kracht heeft deze PM 665. En bovendien een nog vollere bas dan de 655, die al niet mis is. Dat verschil had ik eerlijk gezegd niet verwacht. De 665 heeft dan ook een totaal andere klank signatuur dan de 655 en wordt ook behoorlijk warm. Deze amp is zo goed dat ik me oprecht afvraag wat we de afgelopen 30 jaar zijn opgeschoten. Qua kracht en drive steekt hij mijn Modwright KWA100 SE bijna naar de kroon. Akkoord de Modwright is lichtvoetiger, gedetailleerder en opener. Kortom: de betere versterker. Maar dat mag dan ook wel.  Zo nu en dan wordt deze prachtmachine aangeboden voor niet al te veel geld. Meestal is een servicebeurt wel nodig. De drukschakelaartjes zullen schoongemaakt moeten worden, de bios zal opnieuw afgeregeld moeten worden (daarom werd mijn exemplaar warm) en is het raadzaam de elko’s te vervangen na zo’n lange tijd. Maar als dat gedaan is, klinkt deze versterker als nieuw. Hij is dan ook weer (veel) meer waard. In Duitsland zit een bedrijf dat zich gespecialiseerd heeft in vintage versterkers waaronder ook Harman Kardon. De moeite waard om eens op hun site te kijken. Even Googlen op “HiFi Zeile”. Voor een exemplaar dat ‘Generalüberhold’ is, betaald men al snel tussen de 500 en 1000 euro. Een ding is duidelijk: als u er een ziet, sla uw slag.

Emile Stoffels

De Lector Audio ZAX-60 – “Natuurlijke schoonheid”

Friday, May 24th, 2013

De Lector Audio ZAX-60 – “Natuurlijke schoonheid”

Al Sinds 1982 maakt het Italiaanse Lector Audio, hoogwaardige audio producten. Ondanks dat Lector al ruim 30 jaar bestaat, hebben we niet het gevoel dat deze firma bij de gevestigde fabrikanten hoort. Het gaat hier om een kleine bedrijf waar de meeste producten zelf gemaakt worden.

Kennismaking

Veel opzien baarde Lector al met hun cd speler – de CDP-7T – die vele harten veroverde en beloond werd met een “Golden Ear”. Deze keer staat hun geïntegreerde vesterker op de testbank: de ZAX-60. Een betaalbare machine die gemakkelijk 60 watt levert. De kast is prachtig afgewerkt; het deksel en de knoppen zijn sober maar smaakvol. Als luidspreker uitgangen, zijn WBT’s gebruikt voor een solide contact.

Luisteren

Importeur Audioarte verzekerde me dat mijn testmodel, al volledig was ingespeeld. Overigens, er schijnen nog steeds mensen te zijn, die denken dat het inspelen van apparatuur onzin is. Dit proces wordt door velen dan ook enorm onderschat. Hoe dan ook: het luisteren kon beginnen…
Het tintelende hoog en hoge midden, manifesteerde zich bij de Lector op een energieke manier. Cymbals maar ook applaus, klonk schoon en aangenaam. Deze tinteling werd bevestigd ook op andere opnames, waarbij nooit luistermoeheid optrad. Percussie had snelheid en klonk open. De Lector deed me hierin dan ook denken aan de ModWright combinatie die ik heb.
Het midden gebied was evenzo een feest: stemmen hadden een intimiteit en betrokkenheid, die ik in deze prijsklasse niet eerder gehoord heb. En ofschoon de Italiaan hier qua openheid wat terug leek te nemen tov het midden hoog, presenteerde het op vloeiende wijze. Ook violen en altviolen hadden de beoogde klanksignatuur, zoals bleek. Koperwerk was aanstekelijk pregnant. Haarfijn werd alles losgeweekt.
Het laag leek behoorlijk ver door te lopen, met een uitstekende controle. Bij ‘Le sacre du printemps’, sprong de gelaagde basweergave in het oog. Zelfs in de laagste registers, was nog ruimte voor elasticiteit en gemak.

Resumé

Persoonlijk heb ik ZAX-60 leren kennen als een versterker dat de luisteraar, volledig in de muziek zuigt. Opvallend was de aandacht voor de natuurlijke timbres van instrumenten, in plaats van teveel het accent te leggen op detail en openheid. De klanksignatuur kan dan ook omschreven worden als een roodbruine weergave, met een schoon en verdoorlopend hoog. Voortdurend had ik het idee, dat alles in de geluidspresentatie klopte en dat kan niet van alle versterkers gezegd worden. Ook niet van duurdere machines. De potentiële koper zal binnen deze prijsklasse, de Lector dan ook bovenaan de shortlist moeten plaatsen.

Emile Stoffels
Luister Magazine

Gebruikte CD’s:

STRAVINSKY Rite of Spring – Channel Classics;
FRANÇAIX Chamber Music – MDG;
SCHUMANN Piano Concerto – Hyperion;
BRUCKNER Symphony no. 8 – Challenge Classics

Gebruikte apparatuur:

ModWright SLW 9.0 SE Signature voorversterker;
ModWight KWA 100 SE eindversterker;
Marantz 7001 SACD speler;
Siltech Interlinks en luidsprekerkabels;
NordOst voedingskabels

Sonus Faber Venere 1.5 – de kleine verleider

Thursday, April 25th, 2013

Sonus Faber Venere 1.5 – de kleine verleider

Mijn eerste kennismaking met het Italiaanse Sonus Faber, was met de revolutionaire Electa Amator. Een prachtig uitziend en klinkend ontwerp. Diezelfde combinatie vinden we ook weer bij de Venere 1.5 monitor luidspreker terug. Het programma zal uiteindelijk 6 modellen omvatten. Drie zijn er reeds beschikbaar, waaronder de hier besproken Venere 1.5 en de duurdere 2.5.

Eenmaal uitgepakt werd weer duidelijk hoe netjes en strak deze weergevers eruit zien. Een lust voor het oog zijn deze boxen door het ontwerp, dat ook nog een technisch doel dient: het onderdrukken van ongewenste interne resonanties. Functionaliteit en schoonheid sluiten elkaar dus niet noodzakelijkerwijs uit. Mooi afgewerkt zijn ook de stands, die eenvoudig versteld kunnen worden.

Mode

Er is niets veranderlijks dan een mens. We ondervinden regelmatig dat niet alleen onze persoonlijke voorkeur, maar ook de collectieve smaak in de loop der tijd verandert. Wat voor pakweg 15 jaar geleden nog beoordeeld werd als dynamisch, gedetailleerd en open, kan in onze tijd zo maar worden aangemerkt als steriel, koud en afstandelijk. Dat kan in geen geval over de geluidspresentatie van de Venere’s, gezegd worden. Neen, eerder innemend, betrokken en verleidelijk; zoals duidelijk zou blijken…

Luisteren

Ik trapte af met Murcofs Martes om te kijken hoe de Venere’s reageerden op impulsrijke muziek. Verrassend snel en open werd track 3 weergegeven, zonder uit de bocht te vliegen. Berlioz’ Fantastique klonk opvallend gelaagd, waarbij de verschillende timbres gemakkelijk te onderscheiden bleven. Dat rijke kleurenpalet, viel evenzeer op bij Poulenc. Ook de percussie in Bartoks pianoconcert, klonk correct en natuurlijk. Bij dit alles, viel het diepe en relatief precieze stereobeeld op. Bovendien deden de Venere’s het mijn inziens belangrijkste aspect ook goed: de algemene klankbalans. Ofschoon ik daarvoor wat meer aan de slag moest. Opvallend was hoe de Venere’s reageerden op verplaatsingen in de luisterruimte. Aanvankelijk was de hoeveelheid laag en sub-laag ietwat onderbelicht, maar dat was snel verholpen door de speakers een halve meter naar achteren te plaatsen. Dit ging wel ten koste van wat resolutie, maar de klankbalans was nu aanzienlijk verbeterd. De beste resultaten behaalde ik uiteindelijk door de speakers 1.20 van de achterwand en 1.50 meter van de zijwanden te plaatsen, met een lichte indraaiing van ca. 15 graden. Een krachtige versterker is wel een voorwaarde om de Venere’s volledig te laten stralen. Maar dan zijn dit ook absolute droomspeakers in hun prijsklasse.

Etherische warmte

Alles overziend een prachtige weergever, die niet bedoeld is om opnames en andere componenten in de audioketen te fileren. In tegendeel, dit zijn luidsprekers die – na een dag hard werken in deze lawaaimaatschappij – ons eenvoudig laten genieten van muziek. De Venere’s leveren meer dan ze kosten en hun etherische warmte zal mij nog lang bijblijven…

Emile Stoffels
Luister Magazine

Gebruikte apparatuur:
ModWright SLW 9.0 SE Signature voorversterker;
ModWight KWA 100 SE eindversterker;
Marantz 7001 SACD speler;
Siltech Interlinks en luidsprekerkabels;
NordOst voedingskabels

Gebruikte software:
Berlioz – Symphonie Fantastique, Davis; Philips
Murcof – Martes; Leaf Label
Bartok – Pianoconcerten, Pollini/Abbado; DG
Schoenberg Berg Webern – Vienna, Dorati; Mercury
Poulenc – Jos van Immerseel;
Zig Zag

Prijzen (per paar):
Venere 1.5, stand model € 1.150,00 per paar
Stands voor Venere 1.5            € 450,00 per paar
Verkrijgbaar in de kleuren piano zwart en wit

Informatie:
Website importeur en (BeNeLux) dealers: www.durob.nl

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

Saturday, July 7th, 2012

Het is inmiddels ruim een jaar geleden dat de recensie over de Kanzy KAAM 1000 versterker in het audioblad Hifi Video Test zou verschijnen: een waarlijk peperdure buizen versterker van Nederlandse bodem. Music Emotions had reeds in November van 2010 een artikel van deze extravagante versterker gepubliceerd. Een test die m.i. vlees nog vis was. Geen duidelijke uitspraken, laat staan harde conclusies. Uiteraard kon HiFi Video Test niet achterblijven en zou in april 2011 ook met een artikel komen. Ik had de eer deze klus op me te nemen, maar het liep allemaal ietsje anders. Neerlands oudste audioblad besloot namelijk in te grijpen, door eerst het interview – een essentieel onderdeel van het artikel – te schrappen. Dit was het slot interview dat ik met Lars en Paul Dam van Kanzy bij mij thuis had, nadat ik de test had afgerond. Uiteindelijk besloot HVT om het hele artikel maar niet te publiceren. De reden voor het schrappen van het artikel, houd ik maar voor me. Hoe dan ook: dit was voor mij dan ook het begin van het einde, voor wat betreft de samenwerking met HVT. Hier alsnog mijn recensie. Ruim een jaar te laat, maar beter laat…

Wereldberoemd in Nederland: De Kanzy KAAM -1000 amplifier

De Kanzy KAAM 1000 heeft geen introductie meer nodig in dit land. Niemand minder dan Jan Douwe Kroeske en Leo Blokhuis hebben de machine bij Polyhymnia in oktober 2010 met verve geïntroduceerd. Aan mij de eer om nadat het stof weer wat was opgetrokken, de heavy tube amplifier aan de tand te voelen. Want een eer is het, om een pretentieuze versterker van eigen bodem in huis te hebben.

Uiteraard wilde ik eerst wat meer van het bedrijf weten en dus toog ik naar IJsselstein bij Utrecht waar het bedrijfspand staat. Bovendien had ik nogal wat brandende vragen naar aanleiding van eerdere publicaties. Het interview duurde dan ook enkele uren.

Na een korte rondleiding en kennismaking, stak commercieel directeur Lars Dam van wal om uit te leggen wat hen motiveert en welke kant ze op willen. Om te beginnen wilde de firma Kanzy een amp met een uitstraling van absolute meesterschap; een gilde waarbij de reproduceerbaarheid volstrekt is gegarandeerd. Zo was een deugdelijk ontwerp van de kast een hele zoektocht, maar bijvoorbeeld ook de kwaliteit van de schroefjes voor de montage. Kanzy verwacht van haar toeleveringsbedrijven, de hoogste kwaliteit en dat ze dat over 10 jaar ook nog kunnen. Dat in zichzelf is niet eenvoudig en vergt veel overleg, tijd en afstemmen. Continuïteit moet dus gewaarborgd zijn en dat vereist dan ook een lange termijn visie.
Lars legde uit dat de Kanzy KAAM 1000 in de markt wordt gezet voor verzamelaars aangezien er slechts een gelimiteerde oplage zal zijn. Ook mikt men op de audiofiel die de centjes er voor over heeft en de zogenaamde “Wannahaves”, die naast een Porsche en een huisje in Monaco, ook een Kanzy willen hebben. Ten slotte is Kanzy zich nu aan het richten op de Aziatische markt. Al met al was mijn eerste indruk van de mannen van Kanzy er een van enthousiasme. Mensen met een drive, een commercieel geslaagd product neer te zetten. Aangezien Kanzy nog geen enkele reputatie heeft en daarmee een achterstand op de gevestigde merken en fabrikanten, wordt dit project terecht als een ware uitdaging ervaren door de grondleggers.

Wat later schoof de technische man aan tafel: Ir. Paul Dam, de vader van… Paul heeft zich in zijn ontwerp niet laten leiden, neen zelfs niet laten inspireren door andere ontwerpers en fabrikanten. Dat verklaart sommige eigenzinnige keuzes bij deze machine. Die eigenzinnigheid geldt niet zozeer voor het gekozen schema. Ik vroeg hem bijvoorbeeld waarom er een push-pull ontwerp is gebruikt. Hij antwoordde dat push-pull intrinsiek – in tegenstelling tot single-ended – de even harmonische vervorming elimineert. Bovendien is een push-pull een veiligere keuze, met het oog op wat de consument thuis aan weergevers heeft. Ook is er gekozen voor nieuwe productiebuizen en geen NOS (new old stock). “Tegenwoordig is men in staat om een betrouwbaardere buis te fabriceren door betere technieken die ze vroeger niet hadden. De keuze voor de KT88 is een pragmatische.”, vervolgt Paul. “Het is een veel voorkomende buis die behoorlijk wat vermogen kan leveren en we hebben de eindbuis zo ingesteld, dat we slechts het meest steile gedeelte van het werkgebied van de buis gebruiken. Daarom maakt het eigenlijk niet uit welke buis gebruikt wordt. Het zijn juist die minder steile gebieden in het werkgebied van de buis, die het zogenaamde eigen karakter geven van zeg een EL34, een KT88, een EL84 enz.” Deze aanpak zou ook de neutrale weergave van de versterker ten goede komen. Uiteraard heeft deze keuze een keerzijde: een beperkter vermogen. Vandaar dat Paul heeft gekozen voor parallel push-pull. Dus, vier buizen per kanaal in plaats van twee. De Kanzy onderscheid zich ook al niet door de keuze van de stuurbuizen: ‘slechts’ de nederige ecc83. De Opel Kadet onder de dubbeltriodes. Ook dit was een praktische keuze: net als de KT88 is dit een veel voorkomende buis die daardoor de reproduceerbaarheid garandeert. Het doorselecteren van de aangeleverde dubbeltriodes was volgens Paul een hele toer die en passant ook nog even een buizentester hiervoor heeft ontwikkeld. Volgens Paul moeten er vanwege de ongelijkheid tussen de twee helften binnen de dubbeltriode, minstens 8 of zelfs 9 van de 10 ecc83’s verworpen worden om aan de hoge standaard te voldoen.
Het tot elke prijs door willen voeren van buizentechniek, is een opvatting van Paul die mij wel kan bekoren. Zo is er voor de gelijkrichting gekozen voor vier EZ81 gelijkrichtbuizen per kanaal. Dit uiteraard omdat de gehele machine volledig dubbel mono is opgebouwd. Graag had Paul Dam gekozen voor de GZ34 op die plek, maar dit is een aanzienlijk forsere buis en zou moeilijk passen in het chassis; dat al niet klein is. Aan het einde van mijn bezoek kreeg ik ook nog de binnenkant te zien van de Kanzy, wat weer de nodige vragen opriep bij me. En zo vloog de tijd om…

Uiterlijk

Na een tijdje was het dan zover. De Kanzy KAAM 1000 werd bij mij afgeleverd door Lars Dam. Direct zag ik dat er ook de nodige aandacht is besteed aan de wijze waarop de versterker vervoerd moet worden. Het is een kist van massief eikenhout en bovendien zit er een leren flap bij, die onder de versterker geschoven kan worden om het plaatsen van de machine te vergemakkelijken. Dat is met 40 kilogram schoon aan de haak, geen overbodige luxe. Ten slotte levert Kanzy een leren etui met een complete reserve buizenset met de EL34 van Electro Harmonix als eindpit. Deze zijn technisch vergelijkbaar met de KT88 en dus moeiteloos uit te wisselen.
Tja, waar moet je beginnen bij een versterker van dit kaliber? Ik weet dat er mensen zijn die hem spuuglelijk vinden, maar ook zijn er lieden die hem prachtig vinden. Dat in zichzelf is al een positieve indicatie: het ontlokken van een reactie. Dat is waar de kunstenaar – en bij uitbreiding de ontwerper – naar op zoek is. Het laatste dat men wil is, helemaal geen reactie. Persoonlijk vind ik de versterker inderdaad vrij groot, maar de verhouding klopt naar mijn gevoel aardig. Hierdoor wordt in elk geval de uitgebreide buizenbezetting (8 KT88’s en 8 ecc83’s) op het chassis, toch geen rommelig ‘glasservies’ zoals we weleens vaker zien. En dat is wat mij vaak zo stoort. Mijn demo exemplaar was overigens donkergrijs, maar ik neem aan dat de koper hier een keuze heeft.

Functionaliteit

Eenmaal op zijn plek nam ik de tijd om het beest wat van dichterbij te bekijken. Over de functionaliteit had ik nogal wat op- en aanmerkingen die ik net als mijn luister indrukken uitvoerig en eerlijk besproken heb met Lars en Paul, toen de amp weer werd opgehaald. Een beknopt verslag staat aan het einde van dit artikel.
Om te beginnen ontbreekt helaas een afstandsbediening. Dat is één ding. Wat de machine nog lastiger te bedienen maakt, is dat er gekozen is voor een mono potmeter per kanaal. En of dat al niet lastig genoeg is, er is zelfs geen schaalverdeling aangebracht. Het enige houvast in deze is dat er zich op de volumeknoppen meerdere gaatjes bevinden, waardoor men bij benadering een idee heeft. Ik moet zeggen dat me dat in het begin niet meeviel, maar alles went zullen we maar zeggen…
Iets dat mij in hoge mate bevreemde of op zijn minst opviel, was het volgende. Er is namelijk gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet. En ofschoon dit een chiquere en meer solide oplossing is dan de gangbare euro entree, wordt hiermee wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om eventjes met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. En dat vind ik zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. De meegeleverde kabel is van een gemiddelde kwaliteit, maar daar kom ik straks op terug.

Op de achterkant waar ook de lichtnetschakelaar en de UL/Triode schakelaar zit, zit een aardeschroefje voor de platenspeler. Ik had daar persoonlijk liever een draaiknopje gehad. Overigens is de MC trap afgesloten met een 47K weerstand. Dat is m.i. een schier oneindige waarde. Zaak in deze is dat de vinylliefhebber hier de juiste waarde doorgeeft aan Kanzy, opdat het element correct wordt afgesloten.
Ten slotte zijn de speaker terminals van onberispelijke kwaliteit. Op mijn model zaten ‘slechts’ Cardas aansluitingen. Omdat dit bedrijf volgens Lars niet altijd aan de specs kan voldoen die Kanzy stelt hiervoor, is men verder gegaan met WBT. Deze staan boven iedere discussie. Voor dit heeft Kanzy dus voor de hoogste kwaliteit gekozen. Dan zou men hetzelfde verwachten voor de cinch ingangen, maar vreemd genoeg heeft men hier gekozen voor eenvoudige Neutrics. Niets mis met deze ingangen. Voldoen prima, maar waarom dan hier ook niet de hoogste standaard?

De ingewanden

Iets dergelijk had ik ook met sommige toegepaste componenten in het binnenste van de versterker. Voor de weerstanden heeft men kosten noch moeite gespaard. En met goede reden! Ook ik heb ervaren dat weerstanden – soms afhankelijk van de plek – een gigantische invloed op de klank hebben. Kanzy heeft de weerstanden speciaal bij een bedrijf laten ontwikkelen dat ook aan de luchtvaart en de medische industrie levert. Als Kanzy een order plaatst, dan begint daar pas de productie. We kunnen ons voorstellen dat dat een dure aangelegenheid is. Deze moeite had ik dan ook verwacht op andere kritische plekken zoals de koppelcondensators (die Paul gebruikt ipv. van interstage trafo’s). Echter daar heeft men voor relatief eenvoudige Auricaps gekozen. En ook hier geldt weer: niets mis met Auricaps, maar de verhouding met de speciaal op bestelling ontwikkelde weerstanden is m.i. een beetje zoek. Op zijn minst mogen we op deze kritische plaatsen de top exemplaren van topmerken verwachten. Iets dat men verwacht in een buizen versterker van 60K. Overigens, voor de ontkoppeling van de kathodes is wel voor bi-polaire Mundorf elco’s gekozen. Men zou daar evenwel zelfs kunnen gaan voor (olie in papier) condensatoren ipv. elco’s. Echter, omdat Paul Dam daar de min of meer extreme waarde van 470 uF gebruikt, zouden de genoemde condensatoren te groot worden om te plaatsen. Overigens is alles hard-wired en heeft men consequent gebruik gemaakt van zilverdraad en zilversoldeer. Voor de uitgangstrafo’s heeft men gekozen voor de ringkern types van Ir. Menno van der Veen. Ofschoon er voor- en tegenstanders van ringkern trafo’s zijn, zijn deze types met veel succes toegepast in veel goede versterkers met een uitstekende reputatie.

Welke cd als eerste te draaien?

Na een uur opwarmen achtte ik de tijd rijp om een geluidsimpressie te krijgen; indachtig dat een buizenmachine nog een hele tijd te gaan heeft voordat hij zijn top bereikt. De algemene indruk was er een van aangenaamheid en de nodige rust. Bovendien was er een behoorlijke stage. Murcofs Martes was wat minder elastisch en ritmisch dan me lief was. Bovendien kwam het op mij over met een meer getemperde snelheid en openheid. Ook de vijf stukken voor orkest van Schoenberg, klonk minder spits en tastbaar, maar dat zou zich ongetwijfeld in de komende uren wel oplossen. En anders de komende dagen wel. Peter Gabriel had wel voldoende punch, maar dat lag in de lijn der verwachting. Ik weet uit ervaring wat een KT88 in UL schakeling kan brengen in dat opzicht. Een dergelijke substantie in het laag had ik bijvoorbeeld ook al bij de Cayin gehoord, alleen net niet met die articulatie en autoriteit. Toch had ik een meer gebeitelde bas verwacht.

De Hoofdronde

De volgende dagen was het tijd voor de luistersessies waaruit we graag definitieve conclusies willen trekken. Ook heb ik gemeend in dit geval een nog bredere selectie afspeel materiaal te gebruiken dan ik doorgaans al doe. Dit, omdat ik inmiddels wel weet dat ook vaste referentie opnames tot een vorm van bedrijfsblindheid kunnen leiden. Bovendien komt het soms voor, dat zelfs referentie opnames uiteindelijk door de mand kunnen vallen en daarmee het gehele luisterkader op losse schroeven zet. Waakzaamheid is hierin dan ook een voorwaarde. Een recensent mag in deze nooit op zijn lauweren rusten!

Wat mij enigszins bevreemde was dat ik het meeste in UL schakeling afluisterde. Dat is raar want ik had bij alle versterkers die deze schakel optie hadden, tot nu toe precies het omgekeerde. In triode werd het laag iets weker en bovendien werd de algemene klanksignatuur minder spannend. Wel werd overgeproduceerd materiaal aangenamer en minder vermoeiend. Feit blijft dat er in UL, meer ‘snap’ was. Meer levendigheid dus, ten koste van een ietwat ingesnoerd stereobeeld en separatie.
Random Acts of Happiness van Bruford had wel een opvallende autoriteit, maar ik miste toch teveel inner detail en alles in het midden-hoog gebied leek aan het oor ontrokken door een soort nevel. Dat bleek ook het geval bij Miles Davis’ Decoy en Sacred Love van Sting. In z’n algemeenheid klonk het mij allemaal te bruin en besloot daarop de meegeleverde voedingskabel uit te wisselen voor mijn NordOst Valhalla. Daarvoor moest wel ‘even’ de bajonet aansluiting omgewisseld worden. Het bleek een buitengewoon nuttige exercitie. De Kanzy werd weer ingeschakeld en alles was bij toverslag anders. Ten eerste: de ‘nevel’ was goeddeels opgelost en er was ineens de nodige inner detail. Snelheid en openheid was nu overduidelijk meer aanwezig. Bovendien was er meer hoogte in het stereobeeld gekomen. Overigens was het totale stereobeeld in z’n algemeenheid een behoorlijke slag uitgebreid. Evenzo leken de zaken langer uit te klinken en ritmisch leek er veel gewonnen, ten koste van een prettige bulk volume in het midden-laag. Maar er was nu wel meer voelbaar sublaag. Kort gezegd, de gehele klanksignatuur van de versterker was totaal veranderd. Het leek of dat de Kanzy on steroïds was, die voor de nodige gespierdheid zorgde. Opvallend was dat mijn voorkeur voor de UL stand was omgebogen naar triode schakeling. Toch had ik nog steeds mijn bedenkingen over het beperkt doorlopende hoog en was het midden en midden-hoog naar mijn smaak nog steeds iets te bruin. Maar deze actie liet wel zien hoe belangrijk een goede voedingskabel is.

De grootste kritiek evenwel bleef dat ik nog steeds niet het idee had, volledig in de muziek gezogen te worden. Iets dat ik bijvoorbeeld wel bij de Kronzilla had en in iets mindere mate bij de Melody AN211. Schumans vioolconcert klonk niet spannend genoeg en ook vond ik het kleurenpalet relatief te beperkt. Nog steeds was er het gevoel dat het geen versterker is die de mond vanaf de eerste minuut snoert en iedere poging tot discussie ontmoedigt. Iets dat zich eigenlijk al moet manifesteren bij de eerste luisterindruk. Wellicht was mijn verwachtingspatroon te hoog…?

Uiteraard heb ik in dit geval een paar mensen uitgenodigd om hun mening te horen zonder ze te souffleren, maar ook zij kwamen onafhankelijk van elkaar tot een vergelijkbare conclusie. De rode draad was ook hier: relatief te weinig spannend en betrokkenheid. De laatste dag heb ik ook nog de reserve buizenset beluisterd met de EL34, maar al vrij snel werd duidelijk dat de beste resultaten met de KT88’s te halen zijn. De EL34 set klonk veel te bruin en te sompig. Dat kan ook liggen aan het merk. Ik weet dat meerderen deze ervaring hebben met Electro Harmonix.

Eindconclusie

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat de Kanzy mij totaal niet heeft weten te overtuigen. Te weinig had ik tijdens het doorluisteren het idee, dat ik naar een bijzondere versterker aan het luisteren was. Noch had ik het gevoel dat deze amp vanaf het begin af aan geen enkele ruimte zou laten voor discussie. Ook niet de dagen erna en dat was wel wat ik verwacht had, gezien het prijskaartje. Waar de Kanzy m.i. wel bijzonder in was, was de mate van autoriteit en rust waarmee alles werd neergezet. Dit is denkelijk het resultaat van de compromisloos opgebouwde voeding.
Ik bleef dan ook met het gevoel zitten dat we hier met een versterker te maken hebben met een zeer grote potentie, maar klankmatig nog lang niet is uitontwikkeld. De vraag was dan ook: heeft men tijdens de ontwikkeling wel een luister panel ingeroepen, die de nodige sturing kon geven hierin? En zo ja, hoe is dit panel gebruikt? Waarom bijvoorbeeld wel peperdure weerstanden met spectaculaire specificaties, maar niet de koppelcondensatoren? Overigens, de specs zijn één ding, maar wat doen ze klankmatig? Zijn ze vergeleken met andere op audio gebied gerenommeerde weerstanden zoals Takman, Audio Note tantaal enz? Redenen genoeg om deze zaken terug te koppelen naar de mannen van Kanzy. Deze vragen en bevindingen zouden dan ook het eindgesprek dicteren.

Terugkoppeling

Hier volgt een samenvatting van het gesprek dat ik had met Lars en Paul Dam toen ze de Kanzy weer kwamen ophalen. Uiteraard heb ik het koren van het kaf gescheiden.

ES: Is dit model het prototype? LD: neen, dit is het demomodel. ES: ik vraag dat, omdat mij een aantal dingen opvielen. Er zijn relatief goedkope cinch aansluitingen ten opzichte van dure speaker terminals gebruikt. LD: Dat klopt. Ofschoon de Neutrics prima zijn, kan ik me voorstellen dat de toplijn van WBT meer passend is. Wij staan daar wel voor open om daar naar te kijken. ES: ik vroeg het ook ivm. de afwezigheid van de afstandsbediening en schaalverdeling rond de volume regeling. PD: vanuit puristisch oogpunt hebben we niet gekozen voor een afstandsbediening, omdat er dan gebruik gemaakt moet worden van een motortje. Dat zorgt weer voor storingen en dat willen we niet. ES: gemak en purisme hoeven elkaar tegenwoordig niet noodzakelijkerwijs uit te sluiten. Toch? LD: een andere overweging was dat we de gebruiker graag betrokken willen houden bij de muziek. Bovendien als ik zie wat voor een ritueel sommige vinylliefhebbers moeten doorlopen voordat ze eens kunnen luisteren, dan moet dit geen probleem zijn. ES: dat klopt, maar door dit is men nog meer tijd kwijt. Bovendien vinden veel mensen het fijn of zelfs belangrijk, om tijdens een muziekstuk vanwege de dynamische verschillen het volume aan te passen. Overigens maakt de keuze voor twee mono potmeters, de zaak nog lastiger af te stemmen. LD: Dat begrijp ik, maar er zit altijd wel een links rechts verschil in zelfs de beste stereopotmeters. En dan heb je toch weer een balansknop nodig om het verschil recht te trekken. Maar als de koper liever een balansknop heeft met een stereo potmeter, dan kan dat. ES: dat is goed om te weten.
ES: dan iets anders. Waarom hebben jullie gekozen voor een bajonetaansluiting voor het lichtnet? PD: dit is de beste manier. De euro entree is eigenlijk gemaakt voor het strijkijzer en biedt een inferieur contactoppervlak. ES: nooit geweten van het strijkijzer, maar hiermee wordt wel de mogelijkheid voor de audiofiel teniet gedaan om met andere voedingskabels te experimenteren. Iets wat in de audiowereld inmiddels als vanzelfsprekend wordt gezien. Dat vind ik eerlijk gezegd zwaarder wegen dan dat een bajonetaansluiting een betere oplossing is dan een euro entree. LD: wij willen hierin ook een bepaalde eigenzinnigheid betrachten. ES: alles goed en wel, maar de kwaliteit van de meegeleverde voedingskabel is vrij gemiddeld. Ik ben zo vrij geweest om mijn NordOst Valhalla kabel aan de bajonetaansluiting te laten zetten en was blij dat ik die vrijheid had genomen. Het plaatste de versterker in een aantal facetten klankmatig op een ander plan. LD: wij zijn geen kabelfabrikant en voelen ons niet verantwoordelijk voor de audiofiele kwaliteit van de kabel. Anders gezegd: het moet technisch volstaan en meer niet. Dat wil niet zeggen dat we blind willen zijn voor ontwikkelingen op dat gebied. Wij zijn inmiddels ook wel bezig om daar eens naar te kijken. Wellicht dat we de markt wat in beweging kunnen brengen zodat fabrikanten van hoge kwaliteitskabels zich gaan richten op bajonetaansluitingen. ES: ben benieuwd. Misschien een samenwerkingsverband met NordOst? PD: Je gebruikt op die plek weliswaar een mooie voedingskabel, maar ik zag in jouw luisterruimte geen scheidingstrafo voor het lichtnet. Dan moet je dat eigenlijk ook doen. En geloof jij nu echt dat dat stukje kabel invloed heeft op de weergave? Dat is technisch onmogelijk. Is het niet meer een stukje emotie? ES: noem het hoe je wilt, maar kennelijk heeft het invloed op de klank en niet zo weinig ook en ik sta daar bepaald niet alleen in. Ik snap ook wel dat een techneut zaken wil kunnen meten, maar wellicht dat we in de toekomst wel hiertoe in staat zijn. Voor wat betreft de scheidingstrafo: ik geloof niet dat de meeste audiofielen en recensenten een scheidingstrafo hebben. En die zullen die verschillen in kabels toch ook opmerken. Dat neemt niet weg dat het een goed idee is om over een scheidingstrafo na te denken. Alles in dienst voor de verbetering, zou ik zeggen…
ES: Ik moet zeggen dat de Kanzy me ook klankmatig niet meeviel. Wellicht dat mijn verwachtingspatroon te hoog was, maar ik kreeg geen blosjes op mijn wangen. En in de loop van de dagen bekroop mij het gevoel dat ik met een versterker te maken had die in potentie uitstekend is, maar klankmatig nog niet geheel is uitontwikkeld. Ik zeg dat, met het oog op de enigszins onbalans in kosten en moeite tussen bijvoorbeeld de koppel condensatoren en weerstanden. En zelfs weerstanden met verpletterende specificaties, zijn nog geen garantie voor voortreffelijke klankeigenschappen. LD: Het is uiteraard de mening van een recensent, waar ik moeite mee heb is de suggestie dat de KAAM 1000 nog niet is uitontwikkeld. We hebben een behoorlijke tijd gestoken in het doorluisteren van de gebruikte componenten. We hebben daar en aantal serieuze luisteraars voor gebruikt en moesten uiteindelijk een keuze maken. Uiteindelijk zijn het de Auricaps geworden. Ik weet dat het altijd weer beter kan, maar wij staan volstrekt achter de keuze die we hebben gemaakt. PD: Het kan zeker beter. Ik weet dat Menno van der Veen een condensator aan het ontwikkelen is die volstrekt compromisloos is. Ik heb hier veel vertrouwen in en wordt wellicht in de Kanzy toegepast. ES: interessante ontwikkeling. Het is mijn ervaring dat de klanksignatuur enorm beïnvloed wordt op deze plek.
ES: Ik weet ook dat Menno van der Veen silverwired uitgangstrafo’s heeft. Heb je daar over nagedacht? PD: Uiteraard! Maar uit ervaring weet ik dat silverwired UGT’s de neiging hebben om scherp te klinken, maar ik heb ze niet geprobeerd. ES: niets op tegen om dat alsnog te doen. Toch? En wellicht ook UGT’s van andere fabrikanten proberen?

Emile Stoffels

Lector introduceert nieuwe S-192 DAC

Sunday, May 20th, 2012

Binnenkort zal bij importeur Audioarte de eerste zending Lector Digitube S-192 DA converters arriveren. Na de succesvolle Digitube en Digicode is dit een geweldige aanvulling op het gehele digitale programma van Lector.
De nieuwe Lector Digitube S-192 volwaardige buizen DAC (2x ECC81) gebaseerd op de alom gewaardeerde 32 bits high resolution AKM chip. Alle mogelijke digitale signalen worden probleemloos geaccepteerd en meteen weergegeven met de bijpassende frequentie op het digtale display.
Tevens is hij voorzien van vijf digitale inputs resolution 192Khz 24 bit, RCA/BNC/XLR/Toslink en Asynchronous USB PC/MAC met een word clock input en een BNC output.
Diverse toepassingsgebieden als verbetering van weergave met bestaande cd spelers/loopwerken, icm alle mogelijke netwerkspelers en hoogwaardige weergave via USB. Kortom een super DAC!

Afmetingen,43x30x5.5 cm
Gewicht 8 Kg.
Introductieprijs  €1799 .-

www.audioarte.nl
info@audioarte.nl

Artephonos – een beauty uit het gastvrije Limburg

Sunday, December 25th, 2011

Alweer een nieuw merk buizenversterker? Er zijn er onder ons die de hoeveelheid nieuwe buizenversterkers een plaag beginnen te vinden. En met reden! Maar laten we toch vooral het koren van het kaf blijven scheiden.

Directe aanleiding voor Hay Kockelmans van Hay-End Audio voor het ontwerp van de Artephonos serie, waren de Cayin 9088D balans monoblokken. Hay zelf zei er het volgende over: “De Cayin onderscheidt zich door een gloedvol middengebied, een rijke detaillering zonder enige scherpte en zonder verlies van dynamiek en snelheid. In de lagere octaven vallen de autoriteit en zuiverheid van de weergave op. Adembenemend is daarbij de weldadige rust zodat men de zaal ‘ruikt en voelt’… de afgebeelde ruimte is groot en tegelijk is de plaatsing nauwkeurig.” Het mag duidelijk zijn dat dergelijke kwaliteiten zo hun prijs hebben. Dit vormde dan ook de uitdaging voor Hay Kockelmans: een eigen versterker ontwikkelen met een vergelijkbare weergave, maar tegen een aanmerkelijk lagere prijs. Uiteraard was ik nieuwsgierig naar dit product en maakte een afspraak de Artephonos thuis te beproeven.

Techniek

De Arthephonos heeft de meest opvallende buizenbezetting die ik tot nu toe gezien heb: drie 6H13 dubbel eindtriodes per kanaal. We hebben het dus over zes buishelften/secties per kant. De 6H13 is een triode die – afhankelijk van de instelling – max. 13 watt per anode mag dissiperen en dus kan er in push-pull configuratie, ruim 50 watt geleverd worden. De 6H13 (Russische 6AS7) is een indirect verhitte triode en dat is in zichzelf een begrijpelijke keuze, aangezien een indirect verhitte buis gemakkelijker bromvrij te krijgen is. Zeker bij een opzet met zeer lage feedback. Verder worden deze eindpitten aangestuurd door 2 keer ecc83 en 1 keer 6SN7 per kant.

Om esthetische redenen, zijn de buizen zo geplaatst dat het mooie schijnsel van de gloeidraden goed te zien is. Qua uiterlijk ken ik weinig buizen die zo fraai zijn als de 6H13C/6AS7. Een waarlijk sierlijke kolf die prachtig opgloeit.

De versterker is uitgevoerd met zogenaamde long-tailed pair versterkertrappen. Hierdoor kan de tegenkoppeling zeer laag blijven en dat is pure winst. Tevens is de signaallus extreem kort en ongevoelig voor signaal eigenschappen van de voeding. Voor de instelling van de eindtrap is een unieke schakeling ontwikkeld, die een perfecte matching van de eindbuizen borgt en tevens een gelijkstroom component door de uitgangstrafo onder alle omstandigheden uitsluit. Hier profiteert vooral de laagweergave van. Het frequentiebereik is ook zonder tegenkoppeling al uitzonderlijk hoog (lager dan 20 Hz en hoger dan 40 kHz bij vol vermogen). Dit maakt het gebruik van corrigerende kunstgrepen overbodig en ook dat is puur muzikale winst. Het maakt de versterker overigens ook geschikt voor electrostaten. De uitgangstrafo’s zijn van Ir. Menno van der Veen en daar zijn al heel wat mooie buizenversterkers mee gemaakt. Ook is er niet beknibbeld op de voeding: er zijn Nichicons elco’s gebruikt, gebypassed met Siemens MKP condensatoren. Als koppelcondensatoren is er gekozen voor Audyncaps en de weerstanden zijn hoogwaardige metaalfilm typen. Stuk voor stuk beproefde componenten dus.

Functionaliteit

Iedere versterker wordt speciaal op bestelling gemaakt, dus specifieke wensen kunnen kenbaar gemaakt worden. Ook wordt er een afstandsbediening bijgeleverd waarmee niet alleen het volume, maar ook de bron geselecteerd kan worden. Verder is er de mogelijkheid voor bi-wireing door een tweede set uitgangterminals. De Artephonos heeft geen aan/uit indicator; wel licht er een rode cq. groene LED op achter de volumeregelaar bij het veranderen van het volume via de remote; bij het inschakelen wordt het volume teruggeregeld. Mijn exemplaar was gezien de afwerking een prototype/demomodel. Zo waren bijvoorbeeld de bevestigingsschroefjes niet verzonken. De houten zijpanelen zijn leverbaar in diverse houtsoorten. Een andere aardige optie is de eigen naam of andere tekst in het front te laten graveren.

De Artephonos heeft als optie ook een buizen phonotrap voor MM/MD elementen. Helaas kon ik die niet testen, aangezien mijn Kiseki Purpleheart een MC element is.

Ten slotte heeft de Artephonos een feature die mij wel bevalt. Op de achterkant zit een schakelaartje waarmee de tegenkoppeling geregeld kan worden. Er zijn niet veel versterkers met deze mogelijkheid. Hiermee kan de klank signatuur beïnvloed worden. Uiteraard stond hij bij mij op de laagste waarde. En het liefst zou ik hem ook eens zonder tegenkoppeling willen horen. Maar dat is allemaal op maat te leveren.

Impressie

Eenmaal bij mij thuis, kon ik me niet bedwingen alvast een eerste impressie te krijgen van deze versterker. Om te beginnen: de Artephonos is muisstil. Extreem gewoon! Veel stiller dan welke buizenversterker ook, die ik thuis heb gehad.

Traditiegetrouw liet ik de versterker een dry run van een halfuur doen. Over het inspeel proces behoefde ik me in ieder geval geen zorgen te maken, verzekerde Hay Kockelmans mij. De versterker is een prototype en heeft al vele honderden uren erop zitten. Ik blijf dit nog steeds onderbelichte aspect beklemtonen. Te vaak bespeur ik bij veel liefhebbers een onderschatting van dit fenomeen. Het is van het allerhoogste belang dat apparatuur is ingespeeld. Het verschil is eenvoudigweg te groot. Dat geldt in het bijzonder voor buizenversterkers, waar relatief veel ‘ijzer’ in zit. Ik heb ervaren dat uitgangstrafo’s niet alleen een lang, maar ook een zeer grillig inspeelverloop laten horen. Ook condensatoren – vooral papier in olie types – hebben veel tijd nodig.

Schisma

Een van de eerste Cd’s die ik beluister is meestal Random Acts van Bill Bruford. Ik weet meestal dan al vrij snel ‘wat voor een vlees ik in de kuip heb’. Track 2 had aanvankelijk een kleine nadruk op de basedrum, maar dat bleek een vergissing: het was gewoon de natuurlijke resonantie die ik ervoer. Dit is een aspect waar m.i. nog steeds misverstanden over bestaan. Nogal wat Hifi liefhebbers hebben een wat overdreven kijk op hoe strak een bas moet klinken. Uiteraard moet de bas scherp gedefinieerd zijn en een duidelijk profiel hebben, maar het is me opgevallen dat strakheid veelal met dunheid wordt verward. Hierdoor ontstaat een klankbalans die artificieel aandoet en bijgevolg vermoeit. Sommigen hebben het streven naar een dergelijk klankbalans wel eens kenschetsend of zelfs spottend een hi-enderige klankbalans genoemd. Hoe dan ook: zelfs in het concertgebouw en andere gelegenheden horen we – afhankelijk van de plek waar we zitten – vaak genoeg een ‘bolling’ in het laag. Aangezien het een live gebeuren betreft, zullen we moeten erkennen dat het nu eenmaal de referentie is.

Aan de andere kant kunnen we spreken over High-end als een aparte discipline die niet primair bezig is met een realistische weergave of echtheid. Net als schrijvers en literatoren de ‘waarheid liegen’, zo is de High-end (wereld) met een eigen waarheid bezig, waarin veelal de nadruk ligt op overvloedige details, een enigszins overdreven stereobeeld, ver doorlopend hoog en zoals gezegd een relatief slank laag. Er lijkt een schisma te zijn ontstaan in de loop der tijd: enerzijds zijn er luisteraars die streven naar echtheid/live muziek (en alle onvolkomenheden die daar bijhoren) en anderzijds een groep die streeft naar die andere, enigszins gekunstelde wereld. Echter, beide werelden zijn boeiend!

Luisteren

Mijn eerste indruk was direct een schok. Ik werd overrompeld door de dynamiek bij Murcofs Martes. Zelden of nooit heb ik een dergelijke openheid gehoord bij een push-pull versterker. Het was een onvermengde openheid die ik eigenlijk alleen ken van single-ended versterkers. Daarin zat dan ook de ‘schok’. De klankbalans was een zeer sterk punt van de Artephonos, net als het kleuren palet. De andere kwaliteiten die doorgaans aan buizen worden toegeschreven, mogen als bekend worden verondersteld: een sterk vloeiend middengebied, het gemak waarmee stemmen materiaal wordt weergegeven en een haast oneindige betrokkenheid; het gevoel volledig in de muziek gezogen te worden. Dit had de Artephonos in overvloed. Ook het laag was gecontroleerd volumineus en liep zeer ver door. Verder nog zelfs dan de Cayin VP 100-i die ik een tijd geleden besprak. Op track 5 van Random Acts na de basklarinet intro, viel mij ineens extra ruimte informatie op. Ook Track 1 van Do They Hurt van Brand X had een snelheid en slagkracht die bijna fysiek aandeed. Smetana’s kwartet werd gestoken scherp afgebeeld en speciaal genoot ik van de grommende cello. Maar ook groot werk was ronduit indrukwekkend. Bruckners Symfonie klonk moeiteloos groots. De registratie klonk zeldzaam realistisch en open. Het koper smolt op de tong: pregnant en mild tegelijk. Doordat de akoestiek mooi is gevangen, kreeg de weergave een ware live sensatie. Ook had ik het idee dat de Artephonos moeiteloos en rimpelloos luid kon spelen. Iets dat met omvangrijke en complexe muziek wel belangrijk is.

Ten slotte

Ik heb genoten van de Artephonos versterker. Het is de mooiste push-pull buizenversterker die ik ooit gehoord heb en de kardinale vraag luidt dan ook: zou ik deze versterker zelf willen hebben? Het antwoord is volmondig: Ja! Tegenwoordig begint het aanbod van buizenversterkers op wildgroei te lijken, vooral die uit Azië. De Artephonos lijkt hiermee vergeleken qua klank, op een prachtig bonsai boompje. En dat voor een relatief betaalbare prijs. Dit komt vooral doordat de kast vrij sober en eenvoudig is gehouden. Bovendien wordt de bouw en verkoop door Hay Kockelmans zelf gedaan. Dit druk de kosten aanzienlijk.

Er zijn drie uitvoeringen: de zojuist besproken Artephonos Ensemble (€ 4795,-), de Artephonos Ensemble met phono ingang (€ 4995,-) en de Artephonos Energa stereo eindversterker. Dezelfde versterker als de Ensemble, maar uitgevoerd als stereo eindversterker (€ 4695,-). Binnenkort wordt de Artephonos voorversterker geïntroduceerd en later de monoblokken.

Hay Kockelmans Hay-End Audio, Venlo www.hayendaudio.nl

info@hayendaudio.nl (0031)(0)6 155 45 270

Gebruikte CD’s:
– Smetana/Sibelius String Quartets Dante Quartet Hyperion CDA67845;
– Bruckner Symphony D minor Stefan Blunier MDG LIVE 937 1673-6;
– Halffter String Quartets Leipziger Streichquartett MDG Gold MDG 307 1671-2;
– Messiaen Orchestral works Myung-Whun Chung DG 477 7944;
– Brand X – Do They Hurt?;
– Bill Bruford – Random Acts;
– Murcof – Martes;
– Talking Heads – Stop Making Sense (remaster);
– Alan Parsons – Edgar Allan Poe MFSL;

Emile Stoffels

ModWright LS100 – De voorversterker is dood, leve de voorversterker…

Wednesday, September 7th, 2011

Een tijd geleden ontdekte ik via Audioarte het Amerikaanse Modwright. Een serieus aan de weg timmerend bedrijf dat aanvankelijk alleen modificaties toepaste op bestaande apparatuur, maar inmiddels zelf een interessante versterkers lijn aan het opzetten is. Sommigen voorspellen zelfs, dat Modwright een grote concurrent wordt voor Audio Research en andere gevestigde merken. Hoe dan ook: de KWA 100 eindbak van deze Amerikaanse fabrikant, had min of meer mijn ogen opnieuw geopend voor solid-state versterkers. Voor het eerst sinds tijden was er weer eens een uiterst betaalbare mosfet versterker, die doorgaans aan een buis toegeschreven klankeigenschappen had. Meest opvallend was het voor een transistor relatief sterk vloeiende middengebied dat mij zo trof en voor een waar kleurenfeest zorgde. De SE uitvoering daarvan, deed daar nog eens een enorme schep bovenop. Hierin zaten onder andere de Takman carbonfilm weerstanden en de in-house made condensators van ModWright zelf. Die oliecaps zaten overigens ook al in de latere Signature tuberectifier uitvoering van de SWL 9.0 SE voorversterker, die ik intussen ook had gehoord en waarvoor ik als een blok was gevallen. Een hybride voorversterker met een paar 5687 dubbeltriodes, die ook door Audio Note werden gebruikt; onder andere in de M7.

Geloofscrisis

Ik was mijn geloof in het nut en de meerwaarde van voorversterkers de laatste jaren een beetje verloren. Nadat ik eens mijn overgemodificeerde Philips 960 DAC rechtreeks op mijn eindversterker had aangesloten, leek het wel of dat er een soort van sluier wegviel. Lang daarvoor had ik diverse CD spelers met volumeregeling, rechtstreeks op eindversterkers gehoord en geconstateerd dat dat niet goed werkte: ongecontroleerd en zwalkend laag, daardoor een versluierd midden en ingesnoerd hoog. Dit was echter totaal iets anders, omdat er onder andere een buffer in de genoemde DAC aanwezig was. De gehele modificatie was er dan ook op gericht om een eindversterker rechtstreeks aan te sturen. Ineens was er beduidend meer inner detail en klonken de signalen langer uit. Er was ook meer natuurlijkheid, meer vanzelfsprekendheid enz. Ik merkte goed dat hoe minder er in de signaalweg zit, hoe beter het is. Dit strook ook wel met wat veel ontwerpers zeggen: “less is more”. Bovendien werd ik in mijn bevindingen gesterkt door wat ik las op de website van Arturo Salvatore. Deze audio ‘outcast’, doet op zijn site een boekje open over wat er zo allemaal mis is in de audiowereld. Daar beschrijft hij o.a. ook de historische ontwikkeling en de rol van de voorversterker door de jaren heen. Buitengewoon interessante leesstof.

Een potentieel gevaar met dit soort ontwikkelingen is echter, dat voordat we het weten de zaken gaan verabsoluteren en denken dat het in álle gevallen en onder álle omstandigheden, altijd beter is om geen voorversterker te hebben. Die constatering is onjuist. Wat mij na een tijdje vooral toch opviel was dat ondanks de voordelen die er toch zijn, vooral op lagere volumes minder body aanwezig was. Ook miste ik een zekere drive en autoriteit. Zaken die in de loop der tijd gaan opvallen, omdat we zo onder de indruk zijn van de verworven winstpunten die hand-in-hand gaan met het by-passen van een hele (voor)versterkertrap. Het is een geleidelijk proces en daarmee misleidend. Ik wist niet wat ik hoorde toen ik langdurig doorluisterde en toch weer de verworvenheden van een uitstekende voorversterker ging herwaarderen. Voor de goede orde: tot pakweg 2006 gebruikte ik dus gewoon een voorversterker. Totdat ik door het e.e.a. op een ander spoor terecht kwam. Centraal hierin was dus het relaas van de zojuist genoemde Arturo Salvatore.

Ontstaansgeschiedenis

Terug naar de ModWright LS 100; de opvolger van de SWL 9.0. Deze is ontstaan min of meer door de wensen op de Amerikaanse forums, waar Dan Wright ook op te vinden is. Zo was er blijkbaar de behoefte aan een hoofdtelefoon aansluiting, balansregeling en bronnenselectie via de afstandsbediening. Dan Wright gebruikt voor de LS 100 dezelfde kast qua afmeting als de KWA 100 eindversterker, wat uiteraard nogal wat productievoordelen heeft. Door de ruimere kast is er ook ruimte om een phonotrap of DAC in te laten bouwen. De LS 100 is dus een slag groter dan de SWL 9.0 en voldoet wat mij betreft, ietsje minder aan de regels der gulden snede. Ook is het logo er bij de 9.0 ingegraveerd; bij de LS100 wordt het logo – net als bij de KWA 100 – vanaf de binnenkant verlicht met blauwe letverlichting. De 9.0 had vanaf 2005, het jaar waarin hij ontstond, veel stappen en ontwikkelingen doorgemaakt. In het begin werd er nog solidstate gelijkrichting gebruikt, maar in de definitieve versie werd – aanvankelijk nog in een aparte kast – buizengelijkrichting toegepast. Weer later verschenen de zelf ontwikkelde oilcaps. De smoorspoel van Electra Print zat er evenwel vanaf het eerste uur al in.

Volgens Dan Wrights eigen woorden, gaat de LS 100 verder waar de 9.0 is opgehouden en heeft hij bij de LS 100 gekozen voor de populaire 6SN7 in plaats van de 5687 buis;  Een fysiek forsere buis die ook een octal voet nodig heeft, net als de EL34 of KT88. Belangrijke reden voor deze keuze zal de verkrijgbaarheid zijn. De 6SN7 is namelijk ook als nieuwe productie te koop. Ook is de instelling van de buis vrij conservatief gehouden, in vergelijk met de 5687 in de 9.0. Dit voor een langere levensduur. Slechts één helft van deze dubbeltriode wordt gebruikt. Wanneer een buishelft aan het eind van zijn leven is gekomen, kunnen de buizen onderling gewisseld worden. Hierdoor wordt de ongebruikte helft gebruikt. Ten slotte wordt de gelijkrichting net als de SWL 9.0 met de GZ34 buis verzorgd. Interessant is om deze diodebuis uit te wisselen met de 5U4, 5V4 of 5Y3. De ervaring leert dat hiermee de klank behoorlijk beïnvloed kan worden.

Luisteren

De LS 100 onderscheidde zich – net als de SWL 9.0 – duidelijk door een buitengewoon afgewogen signatuur met een werkelijk formidabele autoriteit en slagkracht. Ook heeft het midden door de articulatie in het laag een vrijheid en ongebondenheid die we niet vaak tegenkomen. Het hoog was opvallend minder nadrukkelijk dan mijn replica Audio Note M7. Aanvankelijk dacht ik dat de AN hierin de meerdere was, maar ik leerde dat de laatste daar iets teveel nadruk had, waardoor het hoog een min of meer eigen leven leidde. Anders gezegd: het hoog stond wat los van de rest. De ModWright echter, was het toonbeeld van homogeniteit en vertoonde vrijwel geen voorkeurtjes. Ook het stereobeeld was groot met veel separatie. De weergave bleek ook spannender en ritmischer. Opmerkelijk was ook hoe de ModWright laag vermogens versterkers aanstuurde. Het leek of dat mijn EL84 Single-Ended versterker ineens meer uitgangsvermogen kreeg en luider kon spelen. Ik bespeurde meer elasticiteit vanaf het lage midden tot het laag. Zo had bijvoorbeeld Human Racing van Nik Kershaw meer kernachtigheid. Iets dat ik een beetje miste zonder de preamp.

De LS 100 heeft geruime tijd bij mij getoefd en kon zich geheel inspelen. De verschillen met de SWL 9.0SE Signature – het laatste model dus dat bij mij staat – is marginaal, maar er zijn enige accentverschillen. Uiteraard dragen ze allebei in grote lijnen Dan Wrights filosofie en horen we dat beide machines, uit dezelfde stal komen. Ik had het idee dat de LS 100 iets smoother was en daardoor wellicht net iets minder klinisch presenteerde. Ook stelde het de zaken gradueel groter voor, maar opvallend was hoe buitengewoon aangenaam alles klonk. Dat is niet vreemd: het heeft met het klankkarakter van de 6SN7 te maken, die nog meer ‘als een buis klinkt’ dan de 5687. Dat ging overigens niet ten koste van detail. Opmerkelijk vond ik dat de LS 100 toch een slagje slanker was in het lage-midden. Dit was wel een voordeel voor een aantal Duitse en bij uitbreiding Europese masters die bij tijd en wijle wat aan de vette kant kunnen klinken. Zo was de algemene klankbalans op Storm at Sunup van Gino Vannelli bij de LS 100 precies goed. Verder had ik het idee dat het stereobeeld bij de LS 100 concaaf achter de speaker wegliep, terwijl dat bij de 9.0 meer rechthoekig was. Dat bleek bij Schumans vioolconcert. Alles overziend denk ik dat de LS100 door het gradueel mildere karakter, iets vergevensgezinder is mbt beroerdere producties. Dat kan een voordeel zijn. De verschillen waren mijns inziens dan ook een kwestie van smaak en ook hier geldt dat de afstemming met de eindversterker en kabels, leidend moet zijn.

Conclusie

Ik heb de LS 100 uitvoerig A-B kunnen vergelijken met zijn voorganger op diverse eindversterkers en kan niet anders zeggen dat het een indrukwekkende voorversterker is, met nog meer functionaliteit dan de SWL 9.0. Ook is door de ontwerper slim vooruitgedacht door het gebruik van een grotere kast, met het oog op de DAC die eraan komt en de phonotrap. Het zou wel eens kunnen zijn dat ModWright inderdaad een serieuze concurrent voor gevestigde merken gaat worden. De tijd zal dat leren. Voor mij was er volstrekt geen twijfel over de kwaliteiten van deze preamp en ik meen dat de LS 100 – net als de KWA100 – een referentie in zijn prijsklasse is. Heel erg lang is mijn replica Audio Note M7 de toetssteen geweest voor mij, maar dat tijdperk is nu voorbij. De voorversterker is dood, leve de voorversterker…

Gebruikte Cd’s en Lp’s:
Nik Kershaw – Human Racing;
William Schuman – Vioolconcert/DG;
Eurythmics – Be yourself Tonight;
Tsjaikovsky – Manfred Symfonie/Decca;
Sting – Sacred Love;
King Crimson – The Power to Believe;
Bach – Clavierfantasien/DHM;
Gino Vannelli – Storm at Sunup.

Info: Prijs ModWright LS 100 silver is €3850,- Meerprijs voor Zwart €200. Importeur Audioarte
www.audioarte.nl
info@audioarte.nl

« Previous Entries