Nieuwste berichten

Nieuws archief

Onderwerpen

Archief: August, 2012

BRUCKNER – Symphony No. 9 Four Movement Version

Friday, August 17th, 2012

BRUCKNER
Symphony No. 9 Four Movement Version
Berliner Philharmoniker Simon Rattle
EMI Classics 9 52969 2 DDD 82.10

Uitvoering/opname ***/****

Slechts twee maanden kwam Bruckner te kort om het laatste deel van de negende symfonie te finaliseren, maar het was deze reus niet gegund. De eerste schetsen van deze symfonie met het janushoofd dateren al van 1887, maar Bruckner onderbrak het werken eraan om zich bezig te houden met andere zaken. Er heeft zich in de loop der tijd een hardnekkige mythe ontwikkeld dat er slechts wat schetsen bestaan van het laatste deel, maar er is wel degelijk een bijna complete partituur. Van de 653 maten in totaal, waren er bijna 600 als volledige partituur uitgeschreven of die uitgewerkt konden worden aan de hand van Bruckners uitgebreid gedetailleerde schetsen. En zelfs in het geval van lege bladzijden, kon men putten uit reeds bestaand materiaal dat Bruckner had genoteerd. Het onderzoeksteam Samale, Mazzuca, Philips en Cohrs, heeft de afgelopen jaren sinds de eerste draft versie uit 1984 (Inbals uitvoering op Teldec) bepaald niet stil gezeten. Rattle verzekert ons dat hier meer Bruckner in zit, dan Mozart in diens Requiem. Opende de finale van de achtste met het paardentafereel van Openbaring, hier horen we duidelijk het ontstaan der materiële wereld: het samenpersen van energie tot materie. Na een koraal van onmetelijke schoonheid verschijnt als met een schok het openingsthema van het eerste deel en neemt ons begrip van de reeds bekende delen toe, naarmate het vierde deel zich ontvouwt. Ik ben het overigens niet helemaal eens met Rattles aanpak. Vooral in het eerste deel drijft hij het tempo van tijd tot tijd te ver op en speelt hij veelal te legato. Toch kan er geen misverstand bestaan over het belang van deze cd. Dat meer dirigenten moge volgen…

Emile Stoffels
Luister 684

Paganini en het artiestendom

Thursday, August 2nd, 2012

“Daar viert de bleke man met de donkere wilde haartooi, dit wandelende skelet met zijn viool, deze duivelsviolist nog steeds demonische triomfen; vrouwen – bij voorkeur jonge mooie adellijke vrouwen – aan de lopende band verleidend en door zijn spel in extase brengend.” Norbert Loeser

“Is het wel verantwoord”, vroeg Loeser zich af “om, de dag waarop Niccolo Paganini werd geboren, te herdenken? Leven hij en zijn werk nog buiten de film en de operette?” Het antwoord daarop is volmondig en zonder ook maar een spoortje van twijfel: JA! Paganini handhaaft zich taai in de muziekgeschiedenis. Was hij de eerste echte artiest en de stichter van het artiestendom? Werd hier de artiestenpose geïntroduceerd met het daarbij behorend uiterlijke vertoon? De over expressie, de maniertjes, de glamour?

De omgekeerde wereld

Als wij op weg zijn en een aanplakbiljet zien dat een concert aankondigt, dan ontgaat ons de naam van de uitvoerende musicus zeker niet. De naam van de componist is evenwel een stuk moeilijker te lezen. Een omgekeerde wereld: de uitvoerende is belangrijker geworden dan de componist. Het kunstwerk en de schepper daarvan, staan in dienst van de uitvoerende. En wat de zaak er bepaald niet gemakkelijker op maakt, is dat we maar al te vaak de termen artiest/musicus enerzijds en componist anderzijds door elkaar gebruiken. Veelal is dat ook geen probleem: Paganini was immers beide, maar dat geldt niet voor iedereen…

De toondichter en zijn tiran

De basis voor deze ontwikkeling werd al vroeg in de Romantiek gelegd. De tijd was aangebroken dat de componist hoofdzakelijk voor de burger schreef. De bourgeoisie met zijn ambities om de aristocratie naar de kroon te steken. De burger die overal in het openbare leven de leiding heeft genomen en tevens verlangt dat er met zijn smaak, behoeften en verlangens rekening wordt gehouden. Onverschillig over welke werken en onderwerpen het gaat: de burger dient het middelpunt van iedere artistieke inspanning te zijn. Hierdoor wordt hij tevens de kleingeestige onderdrukker van de kunstenaar. Tegelijkertijd werd de componist voor de uitvoering van zijn werk, steeds afhankelijker van de welwillendheid van dirigenten, solisten, ensembles etc. Kortom het concertwezen, dat op zijn beurt evenzo rekening moest houden met de smaak van het publiek: de ontwikkeling van het ijzeren repertoire. Nog steeds was er wel een mate van harmonie tussen kunstenaar en publiek; pas later zou er een koude oorlog ontstaan.

De duivelskunstenaar

De belangrijkste figuur op instrumentaal gebied voor Italië in deze periode (1800- 1850) is ontegenzeggelijk Niccolo Paganini. Ook op hem was de oudtestamentische spreuk van toepassing die stelt dat een meester in welk beroep of discipline dan ook, voor koningen zal worden geleid. Van 1805 tot 1813 was hij muziekdirecteur in dienst van Napoleons zuster Elisa Baciocchi, de prinses van Lucca. Deze stad werd in 1805 geannexeerd door Frankrijk en Paganini werd hofviolist. In 1807 werd Baciocchi Groothertogin van Toscane en zodoende verhuisde zij en haar hof naar Florence. Paganini hoorde bij deze entourage, maar tegen het einde van 1809 verliet hij Baciocchi om zijn freelance carrière weer op te pakken.

Ofschoon zijn 24 Caprices voor viool solo waardevolle en bij momenten geniale muziek bevat, zien we hem eigenlijk meer als de onsterfelijke virtuoos, dan als componist. De bewondering van de Schumann’s, Chopin en Liszt bewijzen dat ook hij een groot kunstenaar was, hoewel ook de grote geesten uit het verleden zich soms lelijk kunnen vergissen. Afgezien van Liszt heeft geen virtuoos ooit zo sterk tot de verbeelding van toehoorders gesproken, als Niccolo Paganini. Pas nadat de genoemde meesters hem live gezien hadden op het podium, stippelden zij hun solocarrière uit. Wisten zij welke richting ze op moesten. In Paganini’s werk komen voor het eerst de specifiek muzikale waarden en de elementen van pure virtuositeit bij elkaar.

Echter, hij blijft vooral een verschijning van symbolische betekenis. Zijn wonderlijke uiterlijk en verbluffende techniek, als ook het effectbejag bij zijn optreden schiepen tal van mythen, onder andere dat hij een verbond met de duivel had. Hij was zo’n magiër met zijn viool dat hij – overal waar hij kwam – sensatie teweegbracht. Het effect werd nog eens versterkt door zijn lange, smalle, spookachtige gestalte, zijn wassen gezicht en lange zwarte haar. Hij speelde vrijwel uitsluitend eigen werk, speciaal geschreven om zijn verbluffende viooltechniek te etaleren.

Glamour

Paganini luidde hiermee het tijdperk van het artiestendom in. De ster die alle PR en reclame middelen gebruikt, ter wille van de roem, het succes en de mammon. Dat, wat wij tegenwoordig zo wijdverbreid binnen de popmuziek zien. Maar ook binnen de klassieke muziek, zien wij deze ontwikkeling. De verheerlijking van de uitvoerende musicus in de media en ook in het cd boekje dat we wellicht op dit moment in onze hand houden, neemt inmiddels misselijkmakende vormen aan. De uitvoerende heeft al lang niet meer het voorkomen van een nederige dienaar in dienst van de kunst. Deze glamour wereld wordt evenwel mede in stand gehouden door het publiek, die de artiest min of meer heeft gemaakt en voedt…

Emile Stoffels
Luister 683